Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 19
Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, "waarmede een Magyaar in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman gedurende zijn geheele leven." De Hongaren zelven leiden deze en andere zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden, "uit het edele, vurige, opbruisende temperament" af, dat zij zich, vooral in vergelijking met de door hen als flegmatisch en flauw uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers, of zooals zij hen noemen "de Schwaben," met hunnen kouden, zuren wijn; zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige, uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen.
Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: "de Hongaar doet geene schrede buiten zijne Hongaarsche zeden." Daarin verraden zij het meest hunne oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van hen gaf, noemt hen: "_natura taciti_". "Men sla den Magyaarschen boer gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen, als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen heeft." De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher, schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe, wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar een waar potsenmaker.
Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen advokaatje speelt.
Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt.
In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs spreekwoordelijk gewoon te zeggen: "De Slawe is geen man." Eene critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. "Die zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen." Zij leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen, geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken en beschaven, maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn, schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. "Buiten Hongarije", zeggen zij spreekwoordelijk "is geen leven ("_extra Hungariam non est vita et si est vita non est ita_"), en bestaat daar al leven, dan is het daar toch niet zooals hier." Zij zijn daarom als kolonisten schier nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte massa bij elkander gehouden.
Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid, dat hun naam "Szekler", in het Hongaarsch zooveel als vluchteling beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard.
Buiten hunne "Püsten" en Karpathen, vindt men de Hongaren nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven; in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten.
Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza, tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher, als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie, verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten, met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting, persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld, waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men kan nagaan welke hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten.
Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap, maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid, zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale _trots_ komt overeen met zijne _vrijheidsliefde_. Even als hij een vijand is van nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht, sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij, trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen, blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat tot _groot_moedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den reiziger met _dank_ aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne _betaald wordende_ logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag "wat kunnen wij krijgen?" als antwoord de tegenvraag krijgt: "wat hebt gij medegebracht?" als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft, zoo toonen zij zich als gastheeren, _die zelf de kosten bestrijden_, des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren.
Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift uit: "leve onze Koning!" en redden zij door hunne dapperheid en zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen.
Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt zich wel als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; "Uram" (mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met "jij" of "jou" aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die hij dikwijls zijne "roos", zijne "ster" noemt, en die zeker is in hem een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij, die hij "zijne lieden" d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met welwillendheid en goedheid.
Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin, dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend zijn. Van oudsher hebben zij--en daarin hebben zij veel overeenkomst met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken--een bijzonder grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer, dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig toeschijnen.
De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen, waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten van hunne "Lehel" en "Botonds" naar Konstantinopel, Italië en zelfs naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld, hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen te worden. De namen der beide broeders Kisfaludy en van den genialen Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen.
Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: "_anch ioson' pittore_", is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij hebben ook _dat_ met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne veldslagen en dansen.
Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is.
Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat, is de landbouw, terwijl hij met _aangeborene_ voorliefde zich op de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten, die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden, de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide "Schwaben" een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen.
Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door de Duitsche bouwmeesters geleerd, "hàsz" (huizen) aannamen. Daarbij bleef echter het plan van een legerplaats bewaard--de bijzonder breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk, ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen.
Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste aaneensluiting der "_polgars_" (burgers), geen gemeenschappelijk en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen, zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de kroniekschrijvers eene "_magna et ditissima Teutonica villa_" genoemd werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden, kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden.
Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te vervangen, weder ingang.
En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten, waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en _vele_ kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven, genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen, den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen.
Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten, naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het voorplein zijner woning, en slaapt daar met zijne geheele familie, onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is.
Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt, en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo, zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende, komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken, met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden.
Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau:
Toen ik trok door het verre Hongaarsche land, Was de vreugde mijns harten zeer groot. Als dorp en bosch en boom verdween in 't land En de heide zoo woest zich ontsloot.
Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten, mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook, eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote, ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert, uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, "uit louter adem bestaande." De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld, bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland.
De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is een geboren ruiter, een centaur. "De Magyaar komt te paard ter wereld," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is, tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard te vallen zijn eersten galop doet: "gij zijt een man!"
"Heerlijk leven, 't ruiterleven, Dat is leven, dat alleen."