Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 18
Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau, en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang schoot bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn.
De Magyaren _waren de eersten_ en _bleven de eenigen_, die het talent of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen, stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren, gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche beschaving en het Christendom--en wel het Westersche en niet zooals de Russen, het Oostersche Christendom--aannamen, als Europeanen in Europa te _blijven_, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan, riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de Duitschers en Slawen den landbouw.
Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren, nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers, beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen, en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden, ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen, en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat, deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen, even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden.
Van _Duitschland_ uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende, door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een langzaam kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden, met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen.
Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië, in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen, stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee omvatte.
Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer zij spreekwoordelijk zeggen: "Koning Mathias en de gerechtigheid zijn dood," bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de Donau-grenzen.
Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna (1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de _Hongaren_ zelf in een poel van machteloosheid en verwildering.
De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren, bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve maan, en schreven daaronder: "Voor Allah en het vaderland." Dat het hun niet _geheel_ zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat bij slot van rekening, zij ook uit _dit_ gevaar de hoofdtrekken hunner nationale-eigendommelijkheid redden, "dat zij" zooals een hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte "langzamerhand weder een behoorlijk christen-gelaat toonen konden," hebben zij grootendeels te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven.
Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft men tot den huidigen dag veel gestreden.
De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land "Ugrien," het oude stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz, die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren, wier land in de middeneeuwen langen tijd "Groot-Hongarije" genoemd werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert, dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit "Groot-Hongarije," der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die der Magyaren aan den Donau.
Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren, namentlijk de "Metscher-jakers." En eindelijk bevinden zich zuidelijk van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama, de ruïnen eener stad die nog heden "Madschar" genoemd wordt, en die men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt.
De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten, zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit hun meer of minder lang _verblijf_ onder de Finnen. De Bijzantynsche schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk "Tourkoi" (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben vele geleerden hen tot de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de Oostjäcken of Lappen--de Keizer van Rusland loofde orden uit, om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen--niet vleiend genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij "Mag" d.i. kern van het volk (vandaar "Magyaren") noemden, zoo is in den nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht, naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken, waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen, ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is.
Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden, dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk, een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen er van _geheel_ oplossen en verklaren kunnen.
Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen, op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke groote daden uitvoerden, toen versmolt in het volksbewustzijn der Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede hebbend tegenwoordige.
Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles, wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren, waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en consolideering van het land voltooiden.
Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die, zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen, dat hij daarbij veel _ook van dit element_, te midden waarvan hij zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen uit den Slawischen ondergrond te voorschijn.
De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel.
Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na het jaar 1000--door den gedoopten Koning Stephanus geroepen--Duitsche zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen, kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer karakteristieke, grondstelling aangenomen: _Unius linguae uniusque moris regnum fragile est_ (een rijk van _eene_ taal en van _dezelfde_ zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige ter nauwernood herkennen.
De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. "Wat het uiterlijk betreft," zegt een dier ouden, "zijn de Hongaren afschuwelijk, zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken, zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren." "Men moet" voegt een ander hier nog bij "het geduld en de inschikkelijkheid der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft, dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich mocht nemen."
Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens, munten nu de echte Magyaren--de _Kern_mannen--vooral uit, en nemen zij door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt, hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur, en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen, niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag, gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben, zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt.
In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt, zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, 't is zeggen zij, "wel een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend," want moed, kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden, door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd daarvan staande Koning Etzel.