Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 17

Chapter 173,605 wordsPublic domain

Hunne gastvrijheid, die zooals reeds opgemerkt is, hun kritische dichter en rechter, de Vorst Kantemir als hunne meest in het oog springende deugd prijst, komt bij iedere gelegenheid aan den dag; waar maar een paar Walachyers bijeen zitten en niets dan een stuk droog maïs-brood eten, waarbij zij als eenige kruiderij, nu en dan een vingerlang stukje van een knoflookstengel afbijten, daar is de reiziger zeker, door hen vriendelijk uitgenoodigd te worden aan hun maal deel te nemen. Bij hunne bruiloften en andere feestelijkheden, waar het stout toe gaat, heeft de aan hunne deur kloppende wandelaar altijd zijn deel, en bij hunne begrafenissen wordt altijd een aantal armen, in het huis van den afgestorvene, gespijzigd en naar vermogen bedeeld.

Over het algemeen weet of denkt iedereen, die slechts eens de Lüneburger heide doorreisde, en in deze treurige streek, die over het geheel zeer te recht als eene "woestenij" afgeschilderd wordt, toch menig vriendelijk, ja bekoorlijk natuurbeeld ontdekte, dat op de heide van den Walachyschen volksgeest ook nog veel vriendelijks en weldadigs kan aangetroffen worden. Hoe trouw en standvastig was, in weerwil van de, zijn volk in het algemeen ten laste gelegde "lichtzinnige vergeetachtigheid," b.v. de oude Abram Babecz, dien een Duitsch reiziger eens in Walachye ontmoette, en die naar Walachysche gewoonte 12 jaren om zijnen vroeg gestorven zoon treurde, d.i. steeds blootshoofds ging. En hoevele dergelijke trekken zou men hier nog niet bij kunnen voegen.

Hoe welluidend en aangrijpend zijn niet vele der bij de "barbaarsche" Walachyers inheemsche zangwijzen, die, even als die der Slawen, altijd in den klagenden moltoon gezongen worden. Hoe roerend en poëtisch zijn niet dikwijls de onder het volk verbreide liederen en gedichten. Gedurende mijne reizen in Walachye heb ik eenige er van bij een verzameld, en wat kan aandoenlijker klinken dan de volgende verzen, die een geboren Walachyer mij als een volkslied zijner natie mededeelde, en onder den titel: "_Impartire a florilor_." (de verdeeling der bloemen) voor mij opgeschreven heeft.

_Florilor, o Florilor_ _Di livada reserite_!

o! Bloemen gij bloemen! Ontsproten uit den grond! Ieder moet u roemen En hier en daar in 't rond. Gij dochters der natuur! Getooid met zonnepracht

Van geel, groen en azuur Van hemelsblauw, zoo zacht. In een krans heb ik keur, Van bloemen fijn geteeld; Wat vorm betreft of kleur Juist ieder meisjes beeld.

U, o Flora! aanminnig wezen Met uw oogjes, zacht en lieflijk, Met uw mondje, nooit volprezen, Met uw inborst, zoo bekoorlijk Geef ik gaarne een viooltje, stil en klein Als zinnebeeld uwer deugden, veel en rein.

En voor u, Isaa! dient tot zinnebeeld De schoonste roos, vol vuur en gloed, Daar uw wezen noch uw spreken ooit verheelt De warmte van uw hartebloed.

Maria! uw hart is zoo rein en zoo goed, Den dauwdrop gelijk, die daar glinstert in 't veld. Gij die aan 't doornloos bloempje ons denken doet, En zonder dat ge 't u ten taak hebt gesteld. De lelie schenk ik u dus tot beeldnis, Die als zij zich 's morgens ontsluit, Der geheele schepping tot vreugde is, Uit wier geur niets dan liefde ontspruit.

Dergelijke dichtregels zijn wel in staat ons met het "barbaarsche" volk, dat ze dichtte, te verzoenen. En wie de hoogst belangrijke Walachysche volksverhalen gelezen heeft, die eenige jaren geleden door een Duitscher bijeen verzameld en uitgegeven werden, die zal aan de Walachyers eene groote mate van phantasie niet kunnen ontzeggen.

Eindelijk kan ons, bij de ontmoedigende beschouwing van het treurig lot en de verwaarloozing van dit volk, ook nog de omstandigheid eenigzins opvroolijken, dat in den allernieuwsten tijd, minstens twee deelen van dit nog meer dan de Polen verbrokkelde volk, zich weder broederlijk verbonden hebben, en dat Moldavië en Walachye althans eene poging tot vereeniging en nationale versterking gedaan hebben. Dit is sedert de tijden van Decebalus de eerste maal, dat zooveel Daciërs weder even als nu, onder een door hen zelven gekozen Vorst staan. Of dit een begin is tot zulk eene herstelling van het oude Daken-rijk in zijn geheelen omvang, als waarvan de Romaensche patriotten, die in hunne verbeelding "de ongebaande steppen en wouden van Walachye met gouden korenvelden, met straat- en spoorwegen doorsneden, met fabrieken bezaaid en met 10 millioen ontwikkelde Romaenen bevolkt zien," droomen, dat zal de toekomst moeten leeren.

Eene zekere hoop, dat deze droom eens verwezenlijkt zal worden, kan men echter bezwaarlijk uit de treurige geschiedenis van het verledene van het land en volk putten. Verscheidene nationaliteiten schijnen, zoowel door hunnen natuurlijken aanleg, als door de plaats die het oord dat zij bewonen in de wereld inneemt, veroordeeld te zijn, voortdurend eene ondergeschikte en onzekere rol te spelen. Ook kan men ter nauwernood zonder schrik aan de bloedige wegen en vreeselijke schokken denken, met wier hulp alleen het zou kunnen gelukken, alle Walachysche stamgenooten, op wier ruggen in Rusland, in Gallicië, Hongarije, Zevenburgen, andere volken en staten zich opgebouwd hebben, te vereenigingen en ze te ontdoen van alle vreemde bestanddeelen.

DE MAGYAREN.

In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met elkander hebben.--Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije), allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt, die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn.

Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste, en ook in historischen zin was het het belangrijkste.

In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen, waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten, waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten, is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde "ijzeren poort," bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant.

Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich, tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa.

In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De talrijke vertakkingen der Karpathen vormen in Noordelijk Hongarije eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren, ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde "gouden land van Hongarije," het groote eiland Schutt in de armen van den Donau.

De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land, dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van 50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit.

De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land, dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt, meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen, dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim, overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout- en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-, boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher "Püsten" (Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije--bouwlanden zoowel als woestijnen--aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt men ook in deze Hongaarsche "püsten" talrijke zout- en natron-meren als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke zusterlanden Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten _zeer_ harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van Rusland en Tartarye, bij duizenden om.

Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou, hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa, door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land van belofte beschouwd worden.

De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest.

Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze Jazijgen als "een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende, naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen en weer trokken." Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig gemaakt.

Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen _na_ de Jazijgen in het land, en wie weet hoe dikwijls reeds _voor_ hen, gelijksoortige stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren.

Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij dus hier reeds in de oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende, in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten.

Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van Hongarije, in het district "Jazijgië" aan den Theiss, vereeuwigd is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden de aanvoerders.

Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam "Hunnenland" of "Hungarn" (Ungarn--Hongarije) bij de westelijke Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij, de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen, ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en uit het Oosten en de schatting van vele volkeren.

Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden, Gothen en Longobarden.--Maar ook deze hielden niet lang Hongarije onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken uit het Oosten en het Westen binnenstormen.

Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende, het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen aan der zoogenaamde _Avaren-ringen_, groote ronde verschansingen, waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten.

Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling, tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw, langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn "_Avaren-mark_", Avarengrens, ook wel de "_Oostelijke-mark_" later "_Oostenrijk_" genoemd, tegen hen oprichtte.

Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de _Bulgaren_, van den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije, en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij onderdoen voor de Magyaren.

Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen, hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet, en waren zij strijdende, slagen _winnende_ en _verliezende_, nu eens overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers, in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar, midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op, en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden, Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland, het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren.

Het geheele _zuiden_ van Rusland is eene met gras bedekte vlakte, die den Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van _midden_ Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar het noorden, terwijl _zuidwaarts_ de Zwarte Zee hun in den weg lag.

Zij trokken dus het liefst _westwaarts_. In deze richting stieten zij op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan de reeds bovengenoemde "IJzeren Poort" in het zuiden, waardoor de Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis- en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije.

De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is, niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn, en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers, of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars en gebieders optreden.

Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten, weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: "maar dat is verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar _stikken_."