Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 16
In de taal der Walachyers vinden wij nu nog, naast het Oud-Dacische, Gothische en Slawische element, verscheidene woorden van Finschen, Turkschen of Tartaarschen oorsprong, die ongetwijfeld toe te schrijven zijn aan die afwisselende opperheerschappij der Oostersche natiën. Geen dezer veroverende volken heeft zedelijke kracht genoeg bezeten, om de vroegere bewoners van het land de taal te ontnemen, die zij van hunne eerste machtige overwinnaars, de Romeinen, ontvangen hadden. Als een gevolg van de heerschappij der Nomaden is ook waarschijnlijk onder anderen de omstandigheid aan te merken, dat de Walachijers, ofschoon zij het heerlijkste akkerbouwland bewonen, toch veel liever herders dan landbouwers zijn; en dat zelfs hun akkerbouw, die geene afschutting der landerijen kent,--waarbij slechts opene dorschvloeren op het vrije veld, en geene andere dorsch-machines dan de hoeven der paarden bekend zijn,--zoo veel Nomadisch bezit. Als bijenhouders trekken de Romaenen nomadisch rond, even als de Baschkiren in de velden van hun land. De veeteelt beminnen zij hartstochtelijk, en een gezeten Walachijsche boer bezit dikwijls meer ossen en paarden, dan hij zelf weet of geteld heeft. Vooral als schaapherder schijnt de Walachyer op zijne plaats te zijn, wanneer hij, voor de vreedzame woldragers uit, met de uit hertenhoorn eigen gemaakte pijp in den mond, langzaam over de weiden wandelt. Hij is goed voor zijn vee en gaat met hen om als een vader, en deze gedragen zich daardoor ook altijd zeer tam, gewillig en gehoorzaam als goede kinderen. St. George, de schutspatroon der kudden, is bij hen de grootste en meest gevierde heilige van den kalender.
De Walachysche bergbewoners en veehoeders trekken met hunne kudden de wereld diep in. Zij gaan met hunne kudden tot ver in Turkije, waar zij op den Balkan dreven en weiden bezitten, waarop zij het recht van grazen hebben. Zij hebben ook een groot gedeelte van den veehandel aan den Pontus, den Donau op, tot aan Hongarije en Weenen, in handen. Men treft ze daar overal als ruwe ossendrijvers bij de kudden aan. En dit nomadische herdersleven valt zeer in hunnen smaak, en in alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk is _"Wlach"_ en _"herder"_ vrij wel identiek. In Rumelië, Macedonië, Thessalië stooten deze veedrijvers uit de Donaulanden, ook weer op zeer merkwaardige en ver verspreide overblijfselen van hunne eigene nationaliteit, op de zoogenaamde "Cutzo-Walachyers", die hunne schapen en geiten zelfs tot in den Peleponnesus voor zich uit drijven, en die, zooals sommigen gelooven, de nakomelingen zijn van die Dako-Romanen, die de Romeinsche keizers, na den inval der Gothen, zuidwaarts van den Donau verplantten.
Van alle bovengenoemde Uralisch-Aziatische nomaden-volken, hielden de Magyaren, die zich sedert de 10de eeuw in een gezeten Donau-volk veranderden, de Walachyers het langst onder den duim. Zij vereenigden een groot gedeelte van het oude Dacië, Zevenburgen, het Banaat en het geheele land langs den Theiss, en nu nog beheerschen zij die streken onder de opperheerschappij van Oostenrijk. Zij zijn niet alleen als gebieders, soldaten, beambten, overheden en leenheeren, maar ook op sommige plaatsen als grondeigenaars en landbouwers dit land binnengedrongen, zoodat men nu ook midden onder de Walachyers geheele landschappen en dalen vindt, waarin de oude Romano-Dacische bevolking geheel verloren gegaan en door Magyaarsch bloed vervangen is, zooals zulks voornamelijk langs den geheelen Theiss plaats vond. Ook de Romanische bevolking zelve is, onder die aan de kroon van Hongarije onderworpene Walachyers, veelvuldig gemagyariseerd, vooral de hoogere klassen van het volk, de meer ontwikkelden van den adel. Daardoor komt het, dat men onder de 1 1/2 millioen Walachijers van Hongarije en Zevenburgen bijna geene oude Romanische Bojaren-familiën vindt. De grondbezittende edelman is daar in den regel Magyaar, en het volk bestaat, in dit gedeelte van zijn oud Dacisch stamland, in hoofdzaak nog slechts als een deel van het zoogenaamde _"misera contribuens plebs."_ [2]
De laatste groote volksbeweging uit het Oosten stortte zich in het begin der 13de eeuw, toen de opvolgers van Dschingis-Chan zich op weg begeven hadden, om het Westen der bewoonde wereld te veroveren, over de Dako-Romanen uit, nadat Dschingis-Chan zelf reeds het Oosten en het Zuiden onderworpen had. De heerschappij der Mongolen in deze westelijke streken van Europa, waarin zich nu de hechte Koningrijken der Duitschers, Polen en Magyaren gevormd hadden, was echter slechts van zeer korten duur. Al ras bepaalde zij zich uitsluitend tot Oostelijk Europa, het tegenwoordige Rusland, en daar geene nieuwe volksverhuizing na hen volgde, zoo slaagden daarna met zeker goed gevolg, de Walachyers in hunne dikwijls beproefde pogingen, om eene onafhankelijke nationaliteit te verwerven.
Kort na het terugtrekken der Mongolen, na het midden der 13de eeuw, stonden onder de, in de bergdalen van Zevenburgen te zamen vluchtende Romaenen, twee volksleiders op, die de hunnen naar de, door de Mongolen verwoeste en door de Slawen sporadisch bezette Donau-landen, aan den voet der gebergten terugvoerden.
Een dezer, "Dragosch" geheeten, trok, zooals de Walachysche kroniekschrijvers zich uitdrukken, "met de jeugdige bloem van het Romaensche volk," van uit de Marmarosch aan de bronnen van den Theiss, oostwaarts. Het eerste oostwaarts stroomende water, dat hij onder zeer avontuurlijke omstandigheden bereikte,--de vaderlandsche geschiedschrijvers hebben er eene fraaie mythe van gemaakt--heette "Moldava" en daarom gaf Dragosch aan het land dat hij veroverde en weder met Romaenen bevolkte, aan den staat dien hij stichtte, den naam van "Moldavië."
De andere Romaensche staten-vormer "Radul" of "Rudolf de Zwarte" genaamd, die in een gedeelte van Zevenburgen aan de bronnen der Aluta gewoond had, welk gedeelte van oudsher "Fogarasch" genoemd werd, had op gelijke wijze, reeds eenigen tijd voor Dragosch, de bergen verlaten, en was zuidwaarts langs genoemde rivier gegaan, terwijl hij de daargelegen landschappen op de Daken heroverde, op nieuw bevolkte, bebouwde en tot éénen staat vereenigde, die "Walachye" _par excelence_ genoemd werd.
Op deze beide merkwaardige staten-vormen van Dragosch en van Radul, die tot op onze tijden, ofschoon met eene zeer onvolkomene en steeds bevochten zelfstandigheid, en hoogstens slechts als vasallen-staten van naburige rijken zijn blijven bestaan, zien de Romaenen met bijzonder welgevallen neder, als op de periode der wedergeboorte en der hernieuwing hunner nationaliteit, die, zooals zij meenen, eens onder Decebalus en Trajanus hare gouden eeuw gehad heeft, vervolgens onder de duizendjarige verhuizing in de bergen van Fogarasch en Marmarosch gesluimerd, maar in stilte taal en zeden onderhouden heeft, en nu onder de beide bovengenoemde volkshelden, op eens als een losgebroken bergstroom bruisend en bevruchtend weder over de vlakte henenvloot. Verscheidene streken van het oude Dacië, aan den Donau en aan den Pontus, werden weder gedaciseerd en het onder de asch glimmende Romaensche volkselement, dat natuurlijk ook onder de Tartaren nooit geheel uitgestorven was, kwam weder bovendrijven. In de 14de en 15de eeuw weerden de Walachijers zich dapper tegen de Polen, Hongaren en andere naburen, die zich altijd in hunne zaken mengden. Toen hadden zij hunnen Alexander, hunnen Stephanus en andere vorsten, die door hunne geschiedschrijvers als nieuw opgestane Decebalussen, "de goede" of "de groote" enz. worden bijgenaamd.
Maar ook deze nationale zelfstandigheid duurde niet lang, want reeds in het midden der 15de eeuw, trok aan den zuidelijken horizon een nieuw onweder, de over Klein-Azië en Constantinopel naderende macht der Turken, samen. De Walachyers riepen deze nieuwe Aziatische naburen, aanvankelijk zelf in hun land, daar zij hoopten zich van hunnen bijstand tegen de Hongaren te kunnen bedienen, en de Turken hunnerzijds verschoonden hen zoolang, als de macht der christelijke naburen geëerbiedigd moest worden. Toen echter in den noodlottigen slag bij Mohacz (in het jaar 1526) een einde aan het rijk der Magyaren gemaakt werd, en de halve maan in het oosten en tot onder de muren van Weenen wapperde, toen kwamen ook langzamerhand de Walachyers geheel onder de macht der Turken. Aanvankelijk werd hun eene geringe schatplichtigheid opgelegd, die echter met de jaren steeds grooter werd.
De inheemsche vorsten-waardigheid, die na het verdrijven der oude vorstengeslachten van Dragosch en Radul, niet meer erfelijk, maar een verkozen ambt was, werd spoedig onder den steeds meer rechtstreekschen invloed des Sultans bezet, en ten laatste werden deze Walachysche vorsten, even als de Pascha's, met het onderscheidingsteeken "de drie paardenstaarten" vereerd, en ook even als de Pascha's naar het goedvinden van den Sultan benoemd en afgezet. Aanvankelijk waren de Padischa's nog zoo meegaande, dat zij deze hunne vorstelijke vasallen uit de oude, in het land geborene Bojaren-geslachten der Walachyers kozen. Langzamerhand echter lieten zij ook deze gewoonte varen, en begonnen zij vreemde avonturiers uit Epirus en Albanië, wie er maar het meeste voor bood, op den troon te plaatsen, en sedert het begin der 18de eeuw werd het een blijvend gebruik bij de Turksche keizers, de Walachysche en Moldavische vorsten, die hunne grens bewaken, en zooals eens Miltiades voor Darius, hunne Donau-opzichters en Donau-bruggenbouwers geworden waren, uit de in Constantinopel levende Grieksche familiën te nemen, en gewoonlijk tot deze waardigheid die Grieken te benoemen, die hen als staatstolken gediend hadden en waarover zij tevreden waren. De Sultans waren gewoon in de decreten, waarbij zij deze tot vorsten der beneden-Donaulanden benoemde tolken bevorderden, in hunne bloemrijke, maar toch zeer veel beteekenende oostersche taal over hen te spreken, als over "eene door hunne hand aangekweekte plant, eene licht verspreidende en door hen aangestokene kaars." Zij bliezen deze kaarsen uit, als het hun goed dacht, zonder dat er overigens de minste reden voor bestond, en zoo zag Walachye, sedert dit systeem in werking gesteld was, in den loop eener eeuw, niet minder dan 40 verschillende Grieken op hunnen vasallen-troon verschijnen en weder verdwijnen.
Deze "Grieksche Hospodars" voegden nu, bij alle onder de Romaenen reeds bestaande nationaliteiten en talen, ook de Grieksche. Het Grieksch werd niet alleen de hoftaal der Hospodars, maar ook de conversatie-taal der beschaafde klasse, en de dagelijksche taal van alle, van het hof meer of minder afhankelijke Bojaren, die onder de heerschappij der Turken in hooge mate vergriekscht of gebyzantiniseerd werden. De Grieksche taal schoot zulke diepe wortels, dat zij zelfs nu nog, onder de Walachysche edellieden der Oostenrijksche provincie Bukowina, de gewone spreek- en schrijftaal is, zooals zulks in Petersburg met het Fransch het geval is. Verscheidene Grieksche woorden en elementen zijn daardoor ook geheel in de Dako-Romaensche taal en nationaliteit overgegaan.
Eerst sedert het begin dezer eeuw heeft Ruslands ingrijpende overmacht, den invloed dier door de Turken zoo groot gemaakte Grieksche familiën, gefnuikt. Met behulp van Rusland zijn weder geboren Walachysche geslachten op den troon gekomen, en ook hebben de Russen bij de voorname kringen van het vorstendom, nevens _hunne gewoonten_, de _Fransche taal_ in velerlei opzicht de Grieksche doen vervangen.
De aanhoudende afwisseling van regeering, het onbestendige van het tegenwoordige, het onzekere der toekomst, gedurende het geheele tijdperk der door de Turken ingevoerde heerschappij der Grieken, moest bij de Walachyers iedere duurzame onderneming en nuttige hervorming onmogelijk maken. De nu en dan te voorschijn tredende kiemen der industrie werden altijd weder verstikt, de handel en alle vaderlandslievende bewegingen verlamd en onderdrukt. Het door de Grieken voor goeden buit beschouwde, en onder belastingen gebukt gaande volk kon, evenmin als de door de Spanjaarden uitgemergelde Peruanen, in zijnen staat van lijfeigenschap eenig teeken van leven geven, terwijl al zijne naburen in ontwikkeling toenamen.
Wanneer men nu nog daarbij voegt, dat, als men de geschiedenis der Walachyers in het algemeen en in het groot beschouwt, het blijkt dat iedere afwisseling en iedere onzekerheid sedert overoude tijden, bijna altijd het treurig lot geweest is van dit in zulk eene ongunstige positie verkeerend volk, dat in zulk een kwaden wind geplaatst was, een hoek, die tegelijk de plaats was, waardoor alle volken Europa binnen- en uittrokken, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat onder zulke omstandigheden, zich noch eene grootsche en gelukkige, noch eene zeer bedrijvige of industrieele natie, vormen kon.
Inderdaad zou men gelooven, wanneer men onder de Walachyers komt, hetzij men uit het Westen van de energieke Magyaren, hetzij uit het Oosten van de insgelijks minder indolente Kozakken, hetzij uit het Zuiden van de moedige en bedaarde Serviërs komt, eene schrede bergafwaarts gedaan te hebben.
De wegen, waarlangs de reiswagen, door eenige daaraan met touwen vastgebondene wilde paarden wordt voortgetrokken, zijn, al naar mate van het jaargetijde, of een diep moeras of eene stoffige zandstreek. De huizen der bewoners, of liever hunne stroo- of rieten hutten, hunne in de aarde gegraven gaten en gelapte zomer-tenten en hunne ellendige winterholen, die men ter nauwernood ziet, daar zij zich altijd vreesachtig zijwaarts van den straatweg, in het binnenste van het land verschuilen, zijn nog minder bewoonbaar dan die der Hongaren en Kozakken, terwijl hunne akkers nog meer verwaarloosd zijn. De gedaanten der menschen, door wie men zich omgeven ziet, de herders, die hun hoornvee, dat met hen vergeleken er aangenaam, rein, sierlijk en men zou kunnen zeggen, beschaafd uitziet, met een ruw "hallo" vooruitdrijven;--de plompe landlieden, die met een voorspan van 6 ossen langzaam een ellendigen en zeer ouderwetschen ploeg, door den van vet glimmenden akkergrond trekken--de postiljons, de stalknechten, de logementhouders en hunne handlangers die de reizigers bedienen, en die hun stekelig haar met spek ingesmeerd hebben,--zij allen zien er zeer wild en somber uit. Zelfs in den dorpsschoolmeester en den predikant, is men eerder genegen een Heiduk dan een zacht brandend licht der gemeente te zien. Het is onmogelijk, dat het er bij de eens door Ovidius beklaagde onderdanen van Decebalus, erger uitgezien kan hebben, en men mag het eens zijn met het gezegde van den Moldavischen Vorst Kantemir, die zijne boersche landlieden "de ellendigste dorpbewoners onder de zon" genoemd heeft.
"Krachtige vastberadene en groote mannen, sterke en edele karakters, heeft men bij dit volk zelden aangetroffen, ofschoon een hoofdtrek in hun karakter vermetelheid is en zij gaarne twist zoeken. Het hart hebben zij niet ver van den mond, en even als zij hunne spoedig gaande gemaakte vijandelijkheden spoedig vergeten, zoo zijn zij ook niet lang trouw aan gesloten vriendschap. Zij zijn meer sluw dan voorzichtig en weten bij hun onvast karakter, van geene matiging hunner gevoelens. Als het hun goed gaat, geven zij zich aan overmoed en aan de uitgelatenste vroolijkheid over, maar treft hun het ongeluk, dan laten zij ras den moed zinken. Niets schijnt hun op het eerste gezicht moeielijk toe, maar stooten zij op de eene of andere zwarigheid, dan geraken zij in de war en geven hun plan op. Tegen overwonnenen en ondergeschikten zijn zij afwisselend goedig en wreed."
"Trouw wordt zelden bij hen aangetroffen, en zal ik het eerlijk zeggen," zegt Vorst Kantemir, dien ik hier, als landgenoot en bevoegd beoordeelaar der Walachyers, liever dan mij zelven of andere berichtgevers volg, "dan vind ik weinig in het karakter en de zeden der Walachyers, mijne landslieden, te prijzen dan hunne aangeborene gastvrijheid en hunne strenge rechtzinnigheid. Tegen alle nieuwigheden zijn zij ten sterkste ingenomen, wat trouwens zeer gemakkelijk te begrijpen is, daar al het nieuwe, wat hun van buiten werd aangebracht, steeds nieuwe plagen en tyrannie waren."
Alle handwerken, kunsten en wetenschappen worden bij hen beoefend door vreemden, die zich bij hen met der woon gevestigd hebben: Duitschers, Russen, Franschen, Armeniërs en Joden. Zij zelven zijn niet alleen geene liefhebbers en bewonderaars der kunsten en wetenschappen, maar "bijna allen" zooals meergenoemde Vorst beweert, "verachten haar even hard als zij de vreemde 'avonturiers' doen, door wie zij beoefend worden." Voor een echten Walachyer is het volgens hunne meening voldoende, als hij zijne gehoornde ossen, zijne paarden, schapen en bijenkorven, met streepjes en schrappen in den kerfstok, die hun rekening-courant-boek voorstelt, kunnen aanteekenen. Al het andere schijnt hun overtollig toe.
Het allerminst heeft men van oudsher de Bojaren en in het algemeen den adel der Walachyers te roemen. De adel is in verscheidene klassen verdeeld, naast de in het land geborene Dako-Romaenen hebben vele rijk geworden Grieken, Armeniërs, Joden, Polen, Tartaren, ja zelfs Tscherkessen, zich in den lands-adel der Vorstendommen doen opnemen. Dientengevolge is die adel bijna nog bonter samengesteld dan het gemeene volk zelf. De mishandelingen waaraan deze Bojaren, òf als hovelingen der Hospodars òf als dienaren van den Turkschen Sultan vroeger even goed blootgesteld waren, als hunne eigene door hen weder onderdrukte en geplaagde boeren, hebben ook bij hen het gevoel voor de edele genoegens des levens en alle fijnere aandoeningen van het hart ondermijnd.
Wel hebben zij in lateren tijd hunne nationale dracht afgelegd, en zijn West-Europeesche modes en gewoonten, die grootendeels over Rusland, maar gedeeltelijk ook over Oostenrijk en Weenen tot hen kwamen, ingevoerd geworden; zulks neemt echter niet weg, dat zij in hunne manieren, in hunne neigingen en liefhebberijen, nog in velerlei opzicht de _ouden_ gebleven zijn: Fransch of Duitsch sprekende, zich Europeesch voordoende Oosterlingen.
Zij hebben een grooten tegenzin tegen alle inspanning van lichaam of geest. Iedere beweging, waaraan eenige moeite verbonden is, is hun onaangenaam. Men ziet hen haast nimmer te voet. Het paardrijden en andere lichaamsoefeningen, zelfs de jacht, die bij zoovele hoogere standen van andere volken tot de lievelings-bezigheden behooren, worden door hen niet bemind. Zij bewegen zich bijna niet anders dan in gemakkelijke rijtuigen. De luxe in kleeding is, zoowel bij de mannen als bij de vrouwen, groot, en werkt verderfelijk op hunne huiselijke omstandigheden en hun vermogen. Hunne zucht tot verkwisting evenaart hunne begeerlijkheid, terwijl zij daarbij nu eens door onbeperkte pronkzucht, dan weder door eene angstvallige gierigheid beheerscht worden.
Geheel overgegeven aan weelde, zinnelijk genot en aan de min-vermoeiende genoegens der gezelligheid, hebben zij weinig gevoel voor de prachtige natuur van hun land. Zij willen alleen in de residenties der Vorsten leven, waarin van oudsher genade-bewijzen en ambten, titels en prebenden verdeeld werden en te verkrijgen waren. De heerlijkste oorden van hun vaderland zijn daardoor eenzaam en verwaarloosd; de dalen en de fraaiste landschappen, waarin ridders en Koningen hunne zetels zouden kunnen opslaan, worden dientengevolge alleen bewoond door beeren en arenden en--door arme, ruwe herders. Somwijlen komt het in hun hoofd op, hier of daar een fraai landhuis te laten bouwen, maar bijna nooit brengen zij het dikwijls geuite voornemen om het te gaan bewonen tot werkelijkheid, en zoo zijn ze binnen weinig tijds weder tot puinhoopen vervallen. Slechts zelden kunnen zij het over zich verkrijgen, eens, welk jaargetijde het moge zijn, de stad te verlaten, wier kringen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hen uitoefenen. "Groote, oorspronkelijke genieën en grootsche gedachten leven even weinig onder hen, als groote deugden en de geest van zelfopoffering." Maar wat zij spoedig kunnen leeren, dat maken zij zich gaarne en zeer gemakkelijk eigen, daar zij in den regel niet van vermogens ontbloot zijn.
Dit zijn minder opwekkende opmerkingen, die echter door nagenoeg allen, die de afstammelingen der oude Dako-Romaenen in hun land opzochten, gemaakt zijn. Echter mogen wij niet onopgemerkt laten, dat men zich bij algemeene schilderingen van een volk, wachten moet de pen te zeer in zwarte kleuren te dompelen, daar men overal te veel aantreft wat te gispen of te beklagen gevonden kan worden. Hij, die beproeft met weinige zwakke en algemeene penseelstreken, de trekken van een volk of van eene maatschappij te schetsen, mag niet vergeten welk een groot en veelzijdig wezen een volk is, dat met verscheidene millioenen zielen over eene groote vlakte-uitgebreidheid verdeeld is. Er bestaan zooveel schakeeringen in de toestanden, die men niet dan door eene nauwkeurige beschrijving der bijzonderheden in het oog kan doen springen; bij eene dergelijke beschrijving toonen geheele gemeenten, ja geheele stammen, eene physionomie, belangrijk afwijkende van die, welke men als algemeen aangegeven heeft--vele uitzonderingen op den regel--enkele edele individuën, die zich verre boven de algemeene middensoort, welke de etnograaf beschreven heeft, verheffen, en die zich deugden, smaak en ontwikkeling, waartoe men aan de geheele massa aanleg ontzeggen moet, in hooge mate eigen gemaakt hebben.
Zoo hebben dan ook de Walachyërs, trots de geringe achting, die zij volgens de getuigenis van hunnen ouden Vorst Kantemir, voor de wetenschappen aan den dag leggen, dezen geleerden en waarheidslievenden schrijver, een vriend van Peter den Groote, zelven voortgebracht, en nevens hem nog verscheidene andere wetenschappelijke celebriteiten, onder wie ik ook weder aan de beminnelijke, geestige en geleerde Gravin Dora d'Istria herinneren mag, die in onze dagen met zoo'n diep gevoel haar zoo deerlijk geteisterd vaderland, en de lichtzijden van hare zoo dikwijls berispte landgenooten, geprezen heeft, terwijl zij toch tegelijkertijd den invloed der Duitschers billijken tol betaalde. Zoo beroemen de Walachyers er zich op, onder vele andere gevierde helden, eens den Hongaren hunnen grooten Johan Hunyades (wiens moeder ten minste eene Walachysche was) en zijnen zoon Matthias Corvinus geschonken te hebben. Verscheidene in de geschiedenis dikwijls genoemde Vorsten der Bulgaren waren eveneens van Walachyschen stam, en in oude tijden zijn, naar men zegt, zelfs de Romeinsche Keizers Aurelianus en Galerius geborene Dako-Romanen geweest, en al deze worden door de Walachysche patriotten met niet weinig trots als hunne landgenooten beschouwd.
Evenzoo vindt men in het land der Walachyers hier en daar zeer nette en deftige woningen, die volstrekt niet gelijken op het algemeen beeld, dat wij zooeven geschetst hebben, op de anders vrij algemeene stroohutten en in de aarde gegraven holen. In de bergen treft men soms dorpen aan, wier bewoners eene bijzondere zorg wijden aan hunne oofttuinen, vooral aan de kwetsen-boomen, de lievelings-vruchtsoort der Walachyers.
Heeft het harde lot, dat steeds hun land trof, hen loom en traag gemaakt, daar zij slechts zelden de vruchten van hun werk konden deelachtig worden, zoo hebben de voortdurende oorlogen en rooverijen hun ook geleerd, gemakkelijk afstand te kunnen doen van hetgeen zij bezitten of minnen. Niemand schikt zich gemakkelijker in het verlies dan de Walachyer, met zijn dikwijls herhaalden lakonieken uitroep: "zooals God wil." Zonder groote behoeften te kennen, streng en gehard opgegroeid, laten zij zich zelden door een ongeluk geheel ter neder slaan. Hagelslag, overstrooming, brand en dergelijke beschouwen zij eenvoudig als "van God komende," en verspillen er daarom ook geene weeklachten aan. Slechts zelden bedelen zij.