Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 15

Chapter 153,442 wordsPublic domain

Ofschoon Keizer Adrianus de vaste brug over den Donau weder af liet breken, en vervolgens ook onder Keizer Aurelianus de altijd onrustige provincie weldra geheel opgegeven werd, en ofschoon de Romeinen daar hoogstens honderd en vijftig jaren heerschten, zoo hebben zij toch den inboorlingen in dezen korten tijd den stempel hunner Italiaansche taal zoo diep ingedrukt, dat hunne nakomelingen die aangeleerde taal nog niet vergeten hebben en nog heden ten dage hun land "_Zara Rumaneski_" (land der Romeinen) noemen.

Het is opmerkelijk, dat de grenzen van het gebied waarover heden ten dage deze taal en natie verspreid is, bijna nauwkeurig overeenkomen met de grenzen van het Romeinsche Dacië. Deze provincie grensde ten oosten aan den Dniester, ten westen aan den Theiss, ten zuiden aan den Donau en ten noorden tot even verder dan Zevenburgen, met andere woorden overal juist zoover als nog heden ten dage de "Romaenen" als oorspronkelijke bewoners het land bewonen.

Er is moeielijk een tweede, even sterk bewijs te geven, voor de energie van den korporaal-stok en den schoolmeesterstaf der Romeinen. Tallooze eeuwen bewonen de barbaarsche "Daken" alleen en ongestoord, op hunne eigene manier, hun Noordsch land. Zij leeren niets van de Macedoniërs, niets van de Grieken, die nu eens als vrienden, dan eens als vijanden hun land bezoeken. Vervolgens, echter komen de Romeinen, die onweerstaanbare landenbedwingers en volkenverwoesters, en deze worden voor de korte tijdruimte van 150 jaren hunne leermeesters en heeren, en ofschoon de Daciërs later weder gedurende bijna twee duizend jaren, als eene aan de oevers der zee groeiende struik, door de menigvuldigste volken-brandingen en stormen heen- en weergezweept werden, zoo hebben zij het van de Romeinen ontvangene toch in zulk eene groote mate bewaard, dat een reiziger bij hen, om zoo te zeggen bij iederen voetstap, het Romeinsche element ontwaart. Hoeveel bruggen ook sedert Miltiades en den Persischen Koning Darius over den Donau geslagen zijn, zoo is toch de Romeinsche, door Trajanus gebouwde brug de eenige, die nu nog (ten minste in eenige door Adrianus niet verwoeste overblijfselen) overgebleven is. Ook vindt men heden ten dage voor in het land nog eenige duidelijke sporen van Romeinsche wegen. Ofschoon de Romeinen in hunne bergwerken ieder blok met hamer en breekijzer moesten losbreken; zoo zijn toch de door hen uitgebrokene, nu verlatene mijngangen en schachten, veel talrijker in Dacië, dan die welke men later, na de uitvinding van het buskruit, door springen veel gemakkelijker kon verkrijgen. Alle eenigzins aanzienlijke interessante ruïnen van het land stammen van de Romeinen af, en de munten, mozaïken en andere kunstwerken, die men daar bij massa's uit den grond opdelft, dragen de beeltenis en den stempel van Romeinsche Keizers. Het volk zelf versmaadt alle andere namen, waaronder het bij de overige wereld bekend staat, onderhoudt met groote voorliefde alleen zijne Romeinsche tradities en herinneringen, en houdt geene nationale benaming voor eervoller dan die der Romeinen, "Rumanye" of "Romaenen" die het nu nog op zich toepast.

Wie de geschriften der geestige Gravin Dora d'Istria, eene dochter van den Walachyschen Vorst Ghika kent, die zal zich herinneren, met welke levendige vaderlandsliefde deze geleerde dame, steeds zoowel van Walachyë, als ook van Italië, als ware dit laatste het land harer vaderen, spreekt, en hoe warm zij sympathiseert met het streven naar vrijheid van de Italianen, die zij de broeders der Walachyers noemt. In de, in het jaar 1849 aan den Donau uitgebrokene nationaliteits-oorlogen, gaven zelfs deze Walachyers aan het verwonderd West-Europa het vreemde schouwspel te zien, dat zij onder aanvoering van "Centurionen" en "Decurionen" te velde rukten, en in hunne vanen en wapens de klassieke letters S.P.Q.R. (_Senatus Populusque Romanus_) plaatsten. Ook in de voortbrengselen hunner nationale poëzie wijzen deze Romaenen ook heden ten dage dikwijls naar Rome terug, als ware dit Rome hun eigenlijk stamland, hun vaderland, welks verlies hen met weemoed vervult.

Waar is dat Roma? eertijds door verdediging harer zonen geducht! En dat thans niets dan sombere klachten doet hooren! Onder vreemde heerschappij én macht én druk wordt nu weemoedig gezucht! Het vaderland, allen zoo dierbaar, is verloren.-- Beweent ons toch, die als vreemdlingen in vreemde rijken wonen, Gij, gebeenten en gij, graven van Romeinen, zoo eerwaard! Beweent ons toch, gij waardige spruiten, gij dochters en zonen Uit den doorluchtigen stam van dien Romulus, zoo vermaard! Verhef ten hemel uw rechtmatig droefgeestig geklag, Want de Romeinsche Roem voor eeuwig verdween! Gij heuvels en gij bergen! klaagt toch ook uw wee en ach En ook gij beken en bronnen in het dal hier benêen; En gij kleine vogel, zoo vrij van alle banden, Klaag ook in uw zingen toch steeds met ons! O! lief Italië! gij schoonste aller landen! Wat heeft de vijand u verwijderd van ons.

Deze verzen en ontboezemingen vond ik eens in eene elegie, die mij een der patriotische afstammelingen der Romeinsche kolonisten in Dacië, in den omtrek der ruïnen van de oude Koninklijke residentie van Decebalus, "Sarmizegethusa" presenteerde. Men ziet daar uit, dat een Romeinsch nationaal-gevoel, een heimwee naar Rome, zich in de geheele geschiedenis der Walachyers tot op onze dagen openbaart. Levendig herinnert men zich bij zulke verzen, de elegiën die de Romeinsche Ovidius, 1800 jaren geleden in ditzelfde land, waar hij in ballingschap leefde, dichtte. Is het niet alsof de klaagliederen van den ouden Naso, in die landstreken onder de Romeinsche kolonisten, van hand tot hand, van mond tot mond, waren gegaan en zich tot op onzen tijd, als eeuwenoude nationale treurzangen, steeds op nieuw het burgerrecht hebben weten te verwerven?

En nu de taal, waarin die liederen gezongen worden, en die door het geheele volk gesproken wordt, al is zij ook al niet geheel meer die van Ovidius, zoo blinken u toch overal uit de massa der taal, òf zuiver Romeinsche, òf een weinig veranderde Romeinsche uitdrukkingen tegen, even als het kwartskristal uit de graniet-massa. Niet zonder verbazing kan zich de reiziger naast een dezer barbaren aan den oever van Dniester of Pruth nederzetten, en hooren hoe onder het gesprek, dat hij met hem over zijne nomadische aangelegenheden aanknoopt, hem het eene Latijnsche woord voor, het andere na, als behoorde het in de landstaal te huis, over zijne ruwe lippen komt. Hij zelf, uw Walachysche reismakker, waarmede gij u in een gesprek verdiept hebt, geeft zich voor eenen "_pescator_" (visscher) uit, en hij spreekt u met "_Domne_" (_Domine_, heer) aan, hij wenscht u een "_bundi_" (goeden dag) of "_bun avenit_" (van _advenire_) toe; welke zonderlinge verwelkomingen, van den Tiber tot aan den Dniester, gedurende zoovele eeuwen weergalmen. Vraagt gij hem "_Que es_" (tot welk volk behoort gij?) dan antwoordt u deze ruige, met schaapsvellen bekleedde Nomade: "_Eo sum Romanie_" (ik ben een Romein). Het gras waarop gij zit, noemt hij "_frunse värdje_" (_frons viridis_, het groene kruid). Vraagt gij hem naar de Walachysche benamingen van het om u grazende vee, dan krijgt gij weder Latijnsche woorden te hooren. Het zijn allemaal "_capras_" (geiten), "_vaccas_" (koeien), "_boos_" (ossen) en de hond die ze bewaakt "_kine_" (_canis, chien_). Hoe mogen het toch de Romeinen wel aangelegd hebben, dat zij de overoude bergbewoners geleerd hebben, zaken waaraan zij zoo lang gewoon waren, niet in het Dacisch maar in het Latijn uit te drukken? Gaat hij zijne beesten tellen, dan is het: "_uno, duo, tri_." Het tellen zelf noemt hij evenals de Romeinen "_numerare_." De wilde pereboomen, die met vruchten beladen aan den groen getooiden oever van den Pruth voor u staan, noemt hij "_pieras formassas_" (_pirus formosa_), en de zwarte pruimen daarnaast "_prungus negros_" (_pruna nigra_) en de noten, "_nukus_" (_nuces_). Zoo pratende weg spreekt hij ook veel over zijn "_Imperatu nostru_" (_Imperator noster_); en gij weet bijna niet of hij op den ouden Keizer Trajanus in Rome, of op den Czar Nikolaas in Petersburg doelen wil. Is eindelijk uw gesprek afgeloopen en ook het steppenvuur, dat naast u flikkerde, uit, dan roept het barbaren-kind, even als vroeger de Romeinsche Centurio des avonds in zijne legerplaats: "_extinso fusco_" (ons vuur is uitgedoofd), en gaat hij met u over den "_podu de leno_" (_pons ligneus_), die over het water ligt, naar zijne niet ver verwijderde "_casa_" (hut).

Deze voorbeelden, die wij aanzienlijk zouden kunnen vermeerderen, mogen voldoende zijn, en ik mag volstaan met de algemeene opmerking, dat zij, die getracht hebben de elementen der Walachysche taal te ontleden, tot het resultaat gekomen zijn, dat meer dan de helft dier elementen van Romeinschen oorsprong zijn; zeer merkwaardig is het dat de Walachysche uitspraak van het Latijn in hooge mate gelijkt op die der hedendaagsche Italianen. Zoo b.v., om slechts een enkel voorbeeld aan te roeren, spreken de Walachyers even als de Italianen "_Tschitschero_" niet _Sisero_ (_Cicero_), even eens "_dscheme_" niet "_gemit_" (hij zucht), _dschoku_ (Italiaansch _gioco_, zoet); _noi_, wij; _voi_, gij; _uovo_ (_ovum_, ei). Het "_gli_" der Italianen hebben de Walachyers volmaakt op dezelfde wijze, b.v. _tagliari_ in het Walachysch en het Italiaansch voor "snijden." Men heeft getracht dit van latere verbindingen der Walachyers met de tegenwoordige Italianen af te leiden. Maar veel natuurlijker schijnt het aan te nemen, dat de naar den Donau verplante Romeinsche burgers en landbouwers-soldaten, in hunne _lingua rustica_, reeds toen ter tijd veel zoo uitspraken, als nu onze tegenwoordige Italianen doen, en dit uit Italië mede naar den Donau overbrachten. Nadat de Romeinen Dacië verlaten hadden, kwam het (waarschijnlijk niet zonder veel strijd) onder de heerschappij van Germaansche volken, van de "Gothen" en de "Gepiden." Aanzienlijke gedeelten van het Dacische land en volk, de Walachysche Bukowina, Zevenburgen, de oostelijke, geheel Walachysche, helft van Hongarije, staan ook nu nog onder de heerschappij der Germanen (de Oostenrijkers). Ook is reeds sedert de 12de eeuw, het geheele binnenste, bergachtige gedeelte van Dacië, met kleine landschappen van Duitsche kolonisten doorsneden, en ook Moldavië en Walachye hebben niet weinige Duitsche landverhuizers opgenomen. Heden ten dage, heeft Romaenië zelfs een Vorst van Duitschen stam.

Er valt nauwelijks aan te twijfelen, of zulke tijdperken van Duitsche heerschappij en Duitsche inmenging, moeten niet zonder invloed op de ontwikkeling der Walachysche nationaliteit gebleven zijn. De taal bevat nog eenige elementen uit den Gothischen tijd, en ook later zal het Zevenburgsche Walachye velerlei geleerd en aangenomen hebben, van zijne Duitsche naburen, zijn Duitsche rentmeesters of Duitsche rechters.

De volken evenwel, die zich van de zijde der Slawen, weldra nadat de Gothen west- en zuidwaarts vertrokken waren, in het Dakenland vestigden, hebben steeds veel invloed van blijvenden aard op de geschiedenis der Walachysche nationaliteit gehad. Met de Slawen, die van oudsher meer met hen verwant waren en hun sympathie inboezemden, hebben de geromaniseerde Daken zich veel meer verbonden. De Slawen, die evenals de Germanen, door den inval van Attila en zijne Hunnen, in oproer gebracht waren, rukten tegen het einde der 5de eeuw naar den beneden-Donau en overstroomden ook het oude Dacië, waarin zij zich, nevens de door hen ten onder gebrachte inboorlingen, vestigden. Velen van hen bleven daar zelfs nog, toen in de volgende eeuwen de opperheerschappij over het land, van de Finsch-Tartaarsche Nomaden-volken overging op de Bulgaren, Magyaren, Petschenegen en Kumanen, die achter elkander Dacië geheel of gedeeltelijk, voor korteren of langeren tijd, bemachtigden. Juist onder de onderdrukking dezer vreemde overheerschers, kwam eerst de innige vermenging van het Slawisch en Dako-Romanisch element tot stand. Dit laatste behield echter de overhand, vermoedelijk daar de binnengedrongene Slawen de minderheid vormden tegen de oorspronkelijke inboorlingen.

Dat echter de vermenging, met de Slawen van grooten invloed en van blijvenden aard was, wordt heden ten dage in Moldavië en Walachye door velerlei zaken bewezen. Men ontmoet daar bij iedere schrede, even goed het Slawisch element als het Romeinsche, zoowel in zeden, als in taal en andere uiterlijke gesteldheden van het volk. In zijne geheele lichamelijke gesteldheid, zijne physionomie, zijne wijze van zijn en doen, heeft de Walachyer meermalen veel overeenkomst met zijne Slawische naburen in Bulgarije en Zuid-Rusland. Zijne woningen zijn juist zoo ingericht als die der Ruthenen en Kozakken. Zijn bijenteelt, zijn landbouw en huishouding is meermalen op dezelfde leest geschoeid als die van zijn buurman. Veel daarvan mag misschien al niet rechtstreeks van de Slawen overgenomen zijn, maar zijn ontstaan te danken hebben aan de overeenkomst van klimaat.

Ook in de taal der Walachyers vinden wij duidelijke sporen van een het volk diep ingeprent Slawisme. Van de helft van den Walachyschen woordenschat, die niet uit Italië kan afgeleid worden, is, volgens het beweren van den Slawischen geleerde Schaffarik, de helft Slawisch. Ja! zelfs verscheidene eigenaardige grondtoonen, vokalen, consonanten en samengestelde klanken van het Slawisch alphabet, zijn in het Walachysche overgegaan. Wij kunnen echter niet verklaren, of dit niet ook ten deele berust op eene oorspronkelijke, van vóór de geschiedenis dateerende, verwantschap van het Slawische met het Walachysche of Thracische ras. Ook moet hierbij opgemerkt worden, dat de uit het Slawische ontleende woordenschat, in het Walachysch ongeassimileerd bleef, zonder invloed op vorm en bouw van het Walachysch, en dat deze taal daarom in hoofdzaak eene Romanische, eene zuster van het Italiaansch _gebleven_ en niet eene Slawische _geworden_ is, zooals sommige wel meenden.

Herhaalde malen verviel de gezamenlijke Walachysche natie, of ten minste een aanzienlijk gedeelte er van, met Slawische stammen tegelijk, aan hetzelfde rijk of tot dezelfde dienstbaarheid. Zoo b.v. kwam het in de 8ste en 9de eeuw onder het groote Walacho-Bulgarenrijk, waarin de Slawen het grootste gedeelte der onderdanen uitmaakten. En vervolgens werden dikwijls door Tartaarsche gebieders, Slawen naar het land der Walachyers, en omgekeerd Walachyers naar de oorden door de Slawen bewoond, overgebracht. Ook later nog kwamen de Walachyers meermalen onder Slawische heerschappij. Galicische (Ruthenische) Vorsten heerschten in de 12de eeuw over een groot gedeelte van Bess-Arabië en van Moldavië. Ook traden de Walachyers met de Zuidelijke-Slawen tot dezelfde christelijke kerk, tot het Grieksche of Oostersche patriarchaat toe.

Langen tijd, zelfs tot in de 17de eeuw, was dientengevolge het Slawische niet alleen de kerktaal, maar ook de staats- en rechtstaal der Walachyers. De wetten, de rechtspleging, contracten werden in het Slawisch gesteld, evenals in andere landen in het Latijn. Ook bedienen de Walachyers zich nog tot op den huidigen dag, voor het schrijven en drukken hunner taal, van het Slawische alphabet. Nagenoeg alle hoogere betrekkingen en waardigheden aan het hof, zelfs de latere Walachysche Vorsten, kregen en behielden Slawische namen en titels. De geheele staats- en kerkelijke inrichting was in zekeren zin op Slawischen voet geschoeid.

Ook de Bojaren, de hooge adel der Walachyers, zijn naar het oordeel van enkelen, van Slawischen oorsprong, iets wat de Bojaren zelven niet willen toegeven; zij beweren zelfs uit echt Romeinsch bloed gesproten te zijn. Eveneens is de nationale naam der Walachyers, waar onder zij in Europa vrij algemeen bekend zijn, door de Slawen in omloop gebracht. De Slawen noemden alle afstammelingen of onderdanen der Romeinen "Wlach." Italië zelf noemen zij ook het land der Walachen (Walachyers.) "Wlach" beteekent nu nog in het Poolsch een Italiaan. Het is hetzelfde woord, dat de Duitschers in den vorm "Wälsche" (vreemd, Italiaansch) gebruiken. Door de Slawische en Germaansche benaming der Walachyers, wordt dus weder de Italiaansche en Romanische herkomst der hedendaagsche bewoners van Dacië erkend, ofschoon zij zelve dien naam niet gaarne hooren.

Ook in hunne huiselijke gewoonten en alledaagsche gebruiken, toonen de hedendaagsche Romaenen dikwijls eene groote gelijkheid met de Slawen, en ofschoon de geleerden niet zoo groote waarde aan zulke dingen hechten, als aan het onderzoek naar het alphabet, de deelwoorden, de voegwoorden en de samenvoegingen der woorden, zoo moeten deze toch ook beschouwd worden als hulpmiddelen om de bestaande volksverwantschappen te bewijzen. Enkele voorbeelden daarvan wil ik hier aanhalen: evenals in de Slawische landen, zoo verlaat ook in het Dakenland, het landvolk naar een oud gebruik, wanneer de boomen bloeien, dansende zijne winterkwartieren; de met bloemen getooide meisjes in afzonderlijke reien, en in andere reien de knapen, door hunne met zijden doeken zwaaiende voordansers aangevoerd. "Zij hebben," zegt Demetrius Kantemir, eens zelf een Walachysch Vorst en een der beste kenners der gewoonten van zijn volk, "meer dan honderd verschillende wijzen en maten en vele zeer élégante dansen, die daarop kunnen uitgevoerd worden." Daarmede worden tien dagen tusschen Hemelvaartsdag en de Pinksterdagen in voortdurende beweging doorgebracht, en alle vlekken en dorpen al dansende doorgetrokken.

Dit is nagenoeg juist zooals bij de Kozakken en Bulgaren; ook de manier en de wijze, waarop bij de half-Slawische Letten en Lithauers, de verliefde jongeling, aan de ouders zijner geliefde, iemand zendt om de hand der dochter te vragen,--en hij, die voor den minnaar het aanzoek doet, voorzichtig en met van oudsher gebruikelijke plechtigheid, alsof het er om te doen was een Prins met een Prinses te verloven, zijn boodschap overbrengt--hoe ontwijkend hij door de ouders behandeld wordt, hoe men hem, die naar hij zegt gekomen is, om een verloren lammetje, een opgespoorde maar verdwenen ree, een eens gezien maar toen weder weggevlogen duifje te zoeken, eerst met opzet de andere dochters voorstelt,--hoe deze door hem wel geprezen, maar tegelijkertijd gecritiseerd en als ondergeschoven verworpen worden--en hoe men dan eindelijk, als de aanzoeker dringender wordt, met het echte duifje, dat in een schuilhoek reeds op het fraaist opgetooid werd, voor den dag komt--en wat dan nog verder plaats heeft,--dat alles komt zoo nauwkeurig overeen met de Walachysche gebruiken bij diezelfde gelegenheden, dat zelfs de vergelijkingen en de beelden, waarvan de sprekers zich bedienen, bijna geheel dezelfde zijn, als die bij de half-Slawische Lithauers en Letten, die toch door uitgebreide landstreken van de half-Slawische Walachyers gescheiden zijn.

Even als dergelijke gewoonten, zoo zijn ook verscheidene bijzondere wijzen van bijgeloof bij de Walachyers evenzeer ingeworteld, als in de geheele Slawische wereld. Zoo--om ook hier onder de vele voorbeelden slechts een zeer bijzonder aan te voeren--gelooven de Walachyers, dat de zon op den St. Johannes-dag, haren loop niet recht door, maar met eene trillende beweging, huppelend en springend begint. De Walachysche boeren staan daarom dien dag vroeg op, om de opkomst der zon en die "trillende beweging" aan haren lichtenden bol waar te nemen. Zij beschouwen het als een goed teeken en als eene reden tot vroolijkheid, als het hun gelukken mag, dit te kunnen waarnemen. Ook weet ik bij eigene ervaring, dat ook in vele, vroeger Slawische streken van Duitschland, de _nu Duitsche_ boeren, juist hetzelfde bijgeloof van hunne Slawische voorouders overgenomen hebben, en nog heden ten dage, uit verlangen de zon op den St. Johannes-dag te zien "huppelen en springen," zich reeds vroeg in den morgen naar de bij hunne dorpen gelegene hoogten begeven. Iets dergelijks zou men nog van vele andere gebruiken, meeningen en gewoonten der Walachyers kunnen opmerken. Zoo hebben zij ook, om nog een voorbeeld aan te roeren, de "Wila", de lucht- en wolken-godin der Slawen, in hun bijgeloof opgenomen, die daarin evenzeer verbleef, als van de tijden van Keizer Trajanus af "de tooveres Tina" of Dina, dat wil zeggen de Romeinsche Diana.

Dergelijke zaken wijzen, naar mijne meening, even duidelijk als taalwortels, grammatikale vormen en gebruikelijke uitdrukkingen en woorden, eene zeer belangrijke en langdurige vermenging van het Slawisch onder de Walachyers aan, want alleen daardoor schijnt het zich te laten verklaren, dat iets dergelijks in alle plaatsen en huishoudingen van het volk binnendringt, en zich daar als dagelijks gebruikt wordende en zeer gewone wijze en vorm van het leven vastzetten kon. Men dringt den volken nieuwe wetten, godsdienstige ontwikkeling en dikwijls zelfs een nieuwe taal eerder op, dan nieuwe _familie_gewoonten, _huiselijke_ gebruiken en _dorps_zeden.

Ook in den nieuwsten tijd weder hebben de Slawen (Russen) een aanzienlijken invloed op het Walachysche volk uitgeoefend. Zij hebben eene groote, door Walachyers bewoonde, provincie (Bess-Arabië) met hun rijk vereenigd, en ook in den loop dezer eeuw herhaalde malen jaren lang in andere Romaenische provinciën, namelijk in Moldavië en Walachye, als meesters huis gehouden; zij hebben ze door hunne ingevoerde hervormingen, tamelijk wel aan zich zelven gelijk gemaakt. Vooral de Romaenische Bojaren hebben zich in den nieuweren tijd, den Russischen adel meermalen tot model en voorbeeld genomen.

Deze aanhoudende en dikwijls herhaalde inwerkingen der Slawen op de Romaenen, die, zooals reeds gezegd is, reeds van 6de eeuw dagteekenen, werden echter in deze lange tijdruimte door vele andere vreemdsoortige invloeden, die van de Finsche-, Mongoolsche-, en Turksch-Tartaarsche volken uitgingen, even als in het vaderland der Slawen zelf gekruist en gewijzigd. De nomadische ruiter-volken der Avaren, der Magyaren, der Bulgaren, der Petschenegen en Polovzers, vervolgens de Mongolen en ten laatste de Turken, overvielen achtereenvolgens, de eerst met de Romeinen en vervolgens met de Slawen vermengde Daciërs, en namen ze of geheel of ten minste gedeeltelijk in hunne wisselende, snel aangroeiende en snel vervallende rijken op. Bij deze bloedige veroveringen en wisselingen van heerschappij, werden dikwijls groote gedeelten van het land verwoest, geheele gedeelten van het volk vernietigd, verdreven en hunne plaats door vreemdelingen ingenomen. Wanneer de oude gebieders door nieuwe te voorschijn getredene Nomaden uit den zadel werden gelicht, dan verdween wel hun naam uit de geschiedenis, maar waarschijnlijk bleven toch hier en daar overblijfselen van hunnen stam en van hun bloed in het land achter, en deze werden dan, even als de Romaenen zelven, onderdanen der nieuwe overheerschers, en voegden zich bij de massa der reeds onderdrukten. In elk geval bleef bij de Romaenen, even als bij de Russen, veel van den geest, de zeden en de taal dezer Nomaden-volken achter.