Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 14
Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken _opgeworpen_ dan _gebouwd_ te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer, en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen uitlooft, dan dalen de Arnautische "Bulukbaschis" (de opperhoofden der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne "Buren" ("pleegkinderen") zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog.
Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke slot te Napels, ja! zelfs onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve overal als soldaten en trawanten welkom.
Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch "Brokovalas" genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken, en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene "Kotsche" (een gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen, vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder de aanzittende "buren," naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid.
Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en zijd in Turkije bekend.
Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt te zijn. De in Turkije beroemde kunst der "_Suterazzi_" (bronmeesters) stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien, bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst, zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van hunne voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd, zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot 10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden, even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden.
Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel, onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven, wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha's, de oproeren der Grieken onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche de eigenlijke huis- en familie taal.
Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen, en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in zekeren zin ook een Albaneesche geweest.
Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden, voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers, het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen en barbaren, aangegeven wordt.
In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van dezen volkstak.
Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne latere nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg, waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië, hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de _wereld_, aan Paus Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de prachtige villa Albani leverde.
Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde "Clementi," in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog heden onder den naam "Clementijnen" midden onder Magyaren en Serviërs, hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van een Duitsch vorstenhuis.
DE WALACHYERS OF ROMAENEN.
Het klinkt als een sprookje, wanneer men zegt, dat in den tijd, toen het machtige Romeinsche rijk, als de toren van Babel, ineenstortte en zich in verscheidene kleinere staten en volken oploste, een overblijfsel Romeinsche burgers en soldaten zich naar een afgelegene en wilde bergstreek terug trok, en in hare schuilhoeken de stormen der volksverhuizing lieten uitwoeden; dat zij daar eeuwen lang met de oorspronkelijke bewoners dier landstreek samenwoonden, en groote landstreken, aan den voet van het gebergte, met hunne talrijke afstammelingen weder bevolkten, en zoodoende de _Nucleus_ of het zuurdeesem van een nieuw, groot, zeer verspreid volk werden, dat tot op den huidigen dag bestaat en nog vrij duidelijk, ofschoon met veelvuldige bijmengingen en wijzigingen, de Romeinsche taal spreekt; bij wien ook de herinnering en den naam der Romeinen behouden bleef--en dat nog daarenboven dit behoud van den naam en de taal der Romeinen, juist in eene landstreek plaats vond, die vóór alle andere een groote volken-poort, een waar doorgangsoord voor de meest verschillende volksverhuizingen was; in eene landstreek, waarvan men vooral had kunnen verwachten, dat zoo _ergens_, dan _daar_ al het Romeinsche en oude tot het laatste spoor zou weggevaagd zijn--dit alles, zeg ik, schijnt schier ongeloofelijk, en toch is het de van oude tijden overgebrachte en geloofwaardige geschiedenis van dat gedenkwaardige volk, dat wij gewoon zijn Walachyers of Moldo-Walachyers te noemen.
De hoofdkern der landschappen door dit volk bewoond, wordt gevormd door de boschrijke hoogten en grasrijke Alpenplateaux der zuidelijke Karpathen, de groote en met vele kloven voorziene bergen van het tegenwoordige Zevenburgen, die door de inwoners zelve bloot weg "_Muntje_" (_Montes_, de Alpen) genoemd worden.
Van dit hooge bergland, dat schier overal door groote vlakten omringd is, en slechts op twee punten door smalle, lage en nog daarenboven doorgebrokene bergruggen, met andere gebergten, in het noorden met de Poolsche Karpathen en in het zuiden met de Servische bergen gemeenschap heeft, stroomen naar alle zijden heen rivieren. Naar het noorden en westen de talrijke wateren, die naar de Theiss, naar het Hongaarsche vlakland stroomen, naar het oosten, de Dniester, de Pruth en Sereth, die in de Zwarte Zee uitwateren en naar het zuiden de Aluta en vele andere kleine rivieren, die als in eene goot in den Donau uitloopen. De breede Donaustroom omgeeft het land, langs de geheele zuidelijke helft, als eene natuurlijke grens, en scheidt het van de landen van het groote Illyrisch-Grieksche schier-eiland.
De binnenste gedeelten van de bergachtige kern des lands, wedijveren in natuurlijke schoonheden en rijkdommen met de fraaiste gedeelten der Duitsche Alpen. Hier valt onze blik op eene menigte ijzingwekkende rotskloven, van de grootste afmetingen, dààr stijgen de oude beenderen der Aarde in eene duizeling wekkende hoogte op, als waren zij het werk der Titanen. In de diepte ruischen, in watervallen en draaikolken, de bergstroomen. De terrassen en hellingen zijn hier en daar met de weelderigste bosschen op het schilderachtigst getooid. Boven op de opgehevene en uitgestrekte ruggen treft ons oog met bloemen versierde weiden en groene dreven. De op zich zelf staande, als torens en koepels boven alles uitstekende, toppen der bergkolossen, bieden de heerlijkste uitzichten aan, in het zuiden tot aan den Pontus en tot aan den ouden Haemus in Thracië, in het noorden tot diep in Polen en Hongarije.
Langs groote uitgestrektheden is het kolossale muurwerk dezer prachtige hoogten, eene ware bergvesting, ontoegankelijk voor de karavanen, legers en volkverhuizingen. Hier en daar echter is de vesting door natuurlijke bressen of poorten doorgebroken, waardoor de wateren en winden even als ook de volken, sedert oude tijden uit- en instroomden, en deze poorten of passen: "de ijzeren poort," "de roode toren-pas," "de vulkaan-pas" zijn van oudsher in de geschiedenis van het land beroemd geweest. De kloven en aderen der bergen zijn rijk aan mineraliën van de meest verschillende soort. Men vindt er berghars, ijzer, koper, zilver en goud. Zelfs het overal elders zoo zeldzame kwikzilver ontbreekt hier niet. Aan hunne randen zijn de rijkste massa's van het zuiverste kristal-zout nedergeslagen. Ter verkrijging van vele dezer schatten, is reeds sedert den oudsten tijd een gedeelte der bergen doorboord geworden. Veel echter verbergen zij nog ongebruikt en onontdekt in hun schoot.
Langs den lagen rand van het hooggebergte slingert zich een krans vriendelijke heuvel-landschappen door Opper-Walachye en Moldavië tot aan de Bukowina. Bij hen wisselen fraaie dalen met boschachtige niet te steile hoogten, vruchtbare bouwlanden met grasrijke uiterwaarden elkander op het allerbekoorlijkst af. Levendige beukenwouden en aangenaam riekende lindenbosschen vindt men daar in hunne grootste pracht, waar tusschen heuvels met wijngaarden, alsmede mildbloeiende ooft- en vruchtboomen van zeer verschillende soort, die hier in de lente geheele landschappen met eene zee van bloemen bedekken, en het land een aangenamen tuin doen gelijken. Terwijl de beer, de losch, de wilde kat in de kloven der hooggebergten huizen, worden die linden- en beukenwouden der heuvelachtige gedeelten verlevendigd door het gekweel van allerlei zangvogels, die hier in zoo buitengewoon groot getal komen en nestelen, als nauwelijks in eenig ander gedeelte van Europa. Ook leven in de bosschen verscheidene soorten van herten en reeën, een overvloed van wilde zwijnen en andere wildsoorten.
De heuvelstreken verliezen zich ten laatste in de geheel vlakke landschappen, die zich langs den Donau, aan den Pontus, de Dniester en de Theiss, rondom genoemde bergachtige kern van het land, als een groot tapijt uitbreiden. In deze vlakten hebben de rivieren, van het begin der schepping af, haar natte slib laten vallen, en over hare uitgestrektheid zware lagen vruchtbaren bouwgrond gevormd. Even als in de delta van den Nijl is ook hier, aan de monden van den Donau, de oogst honderdvoudig, en de onuitputtelijke vruchtbaarheid dezer Donau-vlakten, die in verschillende tijden de graanschuren van Constantinopel geweest zijn, en tot het Grieksche schiereiland nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als de landschappen langs de Po of Lombardye tot het Italiaansche, is bij de oude, zoowel als bij de nieuwe schrijvers letterlijk spreekwoordelijk geworden.
Ik kan dit, hier slechts in hoofdtrekken geschetste, beeld van het tegenwoordig door de Walachyers bewoonde gedeelte van Europa, dat de zoogenaamde Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachye, de Russische provincie Bess-Arabië, het Oostenrijksche Hertogdom Bukowina, het Koningrijk Zevenburgen, het zoogenaamde Temeswarer Banaat, en aanzienlijke gedeelten van Hongarije omvat, en in uitgebreidheid vrij gelijk staat met de grootte van het Pyreneesche schier-eiland, niet in bijzonderheden verder beschrijven. Al het bovengenoemde samen vattende, mag men echter wel beweren, dat dit landen-complex van nature alles aanbood, wat een volk aan grondstoffen noodig had, om beschaving en kunsten te doen ontwikkelen; had men het gebied, uit de landen-massa waarover het verdeeld is, kunnen uitsnijden en als een eiland in de zee kunnen plaatsen, of naar eenige andere gunstige geographische ligging overbrengen, en het door een nijveren volkstam kunnen laten bevolken, dan had daarin een der ten allen tijde bloeiendste rijken en natiën kunnen ontstaan.
Voltaire heeft ergens gezegd, dat wel het klimaat zeer veel invloed heeft op het karakter der volken, maar tienmaal meer invloed nog heeft de regeeringsvorm, en honderdmaal meer de godsdienst. Hij had daar nog wel bij mogen voegen, dat meer dan dat alles, de aardrijkskundige ligging van een land en een volk beslist; dat de ligging die het in den grooten landen- en volkenkrans toegedeeld is, de manier en de wijze waarop het eene plaats in het groote landen-tapijt van het vasteland is aangewezen, boven alles en door iedereen in het oog moeten gehouden worden. Het schoonste land ter wereld zal niet in staat zijn, eene bloeiende maatschappij, een invloedrijk geslacht voort te brengen en aan te kweeken, als de ligging, die het op onze planeet inneemt, ongunstig is voor de ontwikkeling; wanneer belemmerende invloeden zich in zijne nabuurschap bevinden. De vette akkers der Walachyers grenzen en vermengen zich aan de eene zijde met de onmetelijke steppen van zuidelijk Rusland. Tusschen de zuidelijke voorgebergten der Transylvanische Alpen en den Pontus, blijft eene ruime, opene poort, waardoor de koude steppen-winden blazen, die het klimaat in den winter bijna gelijk aan dat van Rusland maken, en hier, op denzelfden breedtegraad als Florence, den Donau en het geheele land voor maanden onder eene dikke laag sneeuw en ijs begraven.
Even als de noord-ooste winden, de in het land zoo gevreesde "crivans," zoo zijn ook hier van oudsher de onrustige steppen-volken binnengestormd, en hebben zij herhaalde malen voor lange tijden de schoone akkers in woestenijen verkeerd en slechts als paarde-weiden benuttigd.
De majestueuse Donau, de grootste rivier van Europa, die wel een huwen met den Oceaan waardig geweest was, beleeft hier het droevig lot, door het nauw en afgelegen bassin van de Zwarte Zee verslonden te worden. Daar hij dwars over de noordelijke basis van het groote Grieksche schiereiland heen loopt, zoo hebben de beschaafde rijken, die, zich over dit schiereiland verbreidende, aan den Propontis en aan de Aegeïsche zee hunne wortels hadden, hem niet zoo zeer als een levensader, maar veeleer als hun grens-kanaal of als eene gracht beschouwd, waar langs zij hunne militaire grenzen en verdedigingswerken oprichtten. En zoo hebben zij het land aan gene zijde aan de barbaarschheid en aan het Noorden prijs gegeven. De volken van het Noorden en het Oosten wederom, beschouwden deze Donau-landschappen steeds als het einde van hun gebied, waarheen zij nog op hun gemak konden rijden, terwijl het Zuiden er zich aan vasthield, als aan het uiterste, dat het nog vermocht te verdedigen. Ten gevolge hiervan was aan den Donau nagenoeg nooit een invloedrijk centraalpunt van het volken-leven. Nooit ontwikkelde zich hier, zooals aan de Delta van den Nijl, aan den Rijn en andere groote rivieren, eene wijze, machtige en gebiedende natie. Men vindt hier, zoo lang de geschiedenis aanwijst, nooit iets anders dan een betwist grensland, dat altijd een, steeds van heerscher verwisselende, speelbal der machtige naburen geweest is, en dat veel overeenkomst heeft met een zeeboezem, waarin het schuim der volken--de uiterste toppen der baren,--tegen aan klotst en gaten slaat.
Het is hoogst waarschijnlijk, dat deze volken-branding, deze in de landen van den beneden-Donau ingewortelde, en van oudsher bestaande tweeslachtige en gemengde toestand, zoo als wij dien in den loop der eeuwen kunnen volgen, reeds dagteekent van ver vóór den tijd, waarvan wij de geschiedenis uit geloofwaardige bronnen kennen. De oude geschriften der Grieken, die deze landen het eerst genoemd hebben, rekenen de bewoners er van tot de zoogenaamde Thracische stammen, waaronder allengs de "Geten" en de "Daken" of Daciërs als bijzondere, onze Donau-Vorstendommen en het Zevenburgsche Alpenland bewonende natiën te voorschijn treden. De laatste naam van Daciërs behield ten laatste bij de Romeinen de overhand, en bleef voor langen tijd de volksnaam.
De Walachysche taal heeft nog heden ten dagen vele woorden en wortelen, die wij noch uit de Turksche, noch uit de Slawische, noch uit de Latijnsche, noch uit eenige andere nu naburige en bekende taal, waaruit zij elementen ontvangen heeft, kunnen afleiden, en die daarom vermoedelijk aan die, door de Romeinen en Grieken als oorspronkelijke bewoners genoemde Tracische "Geten" en "Daciërs" toebehooren. Even als in de taal heeft het volk ook nog in zijn ras, in zijne zeden en in zijne geheele wijze van zijn, veel oorspronkelijk "Dacisch." Hij, die in de gelegenheid geweest is, een grooten en plompen Walachyschen herder, met zijne in geitenvel gehulde voeten, zijne door een lederen gordel vastgehouden broek, met zijn schaapsvel op het hoofd, met zijne lang niet leelijke maar wilde gelaatstrekken onder den kolpak te zien, en die deze figuur vergeleken heeft met die Dacische krijgsgevangenen, zooals zij in Rome op de, aan de zuil van Trajanus aangebrachte, beeldhouwwerken te zien zijn, zal onze gevolgtrekking billijken. De figuren, die de oude Romeinsche beeldhouwers daar voor 2000 jaren in steen uitbeitelden, gelijken op de personen, die wij heden ten dage aan den beneden-Donau, in het gebergte van het oude Dacië zien ronddwalen, als een goed portret op het origineel. Ook van den bij de Romeinsche blijspelen ingevoerden knecht, die altijd onder den naam "Davus" den kwâjongensachtigen en barbaarschen dwaas speelt, heeft men gemeend eene teekening naar de uit Dacië ingevoerde slaven te zien. Aanduidingen van dit soort, zeg ik, versterken het vermoeden, dat wij in de tegenwoordige Walachyers, voor een groot deel, de oude Daciërs voor ons zien.
Ten tijde van den grootsten bloei van het Romeinsche Keizerrijk, werden de Daciërs beheerscht door een Koning "Decebalus" genaamd, die in het oude beroemde en nu nog in eenige ruïnen bestaande "Sarmizegethusa", in een der Alpendalen van Zevenburgen resideerde, en van daar uit het omliggende land beheerschte. De Romeinen onder Keizer Trajanus overwonnen dezen vorst na hardnekkigen strijd, bouwden eene steenen brug over den Donau, stuurden troepen en kolonisten het land in, legden wegen en bergwerken aan en veranderden het geheele Dacische rijk in eene Romeinsche provincie. De onderworpene barbaren leerden de Romeinsche taal, die zij echter waarschijnlijk van den beginne af, met Dacische en andere elementen vermengd hebben.