Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 11

Chapter 113,657 wordsPublic domain

"Het gemis aan alle aristokratische kasten- of klassenwezen bij de Turken is oorzaak, dat niet alleen den hooggeplaatsten, maar ook zelfs den geringsten onder hen, een zekere zweem van voornaamheid eigen is. Behalve het onderscheid aan de verschillende ambtsbetrekkingen verbonden, zijn alle Turken gelijk, en geen stand is zoo hoog, of ieder kan dien, wanneer geluk, talent en omstandigheden hem begunstigen, bereiken. De arme en de eenvoudige onder hen, is van nature hoffelijk en waardig. Hij vergeet en verhoovaardigt zich nooit. Hij schijnt het bewustzijn te hebben, dat hij, ofschoon in eene hut geboren, in een paleis sterven kan. En met deze mogelijkheid voor oogen, schijnt hij altijd zoo te handelen alsof het uur der standsverwisseling reeds geslagen was. Dit maakt het onderling verkeer tusschen de Turken zeer gemakkelijk. Men ziet den Bey, wanneer hij niets te doen heeft, zonder complimenten naast den arbeider, de effendi naast den visscher plaats nemen, als waren zij voor hetzelfde lot geboren. Bij iedere heugelijkheid, bij ieder familie-feest of openlijke plechtigheid, staan de deuren der rijken en grooten veel meer open voor de geringen en armen dan bij ons."

Ofschoon de misslagen hunner krijgslieden hen bij ons als hardvochtig en wreed bekend hebben doen staan, zoo kan men toch in tijd van vrede, den Turken eene groote neiging tot weldoen en eene geneigdheid tot medelijden, niet ontzeggen. Zij zijn in staat voor hunne gunstelingen alles te wagen, hunne slaven behandelen zij als hunne kinderen. Zij schijnen de oude grondstelling der Romeinsche veroveraars: "_De bellare superbos et parcere subjectis_" [1] tot het uiterste in praktijk te brengen. De weerbarstigen werpen zij onbarmhartig ter neder; de onderworpenen liefkoozen zij. Vandaar ook hunne groote liefde voor onschuldige kinderen. Niet tevreden met hunne eigene kinderen, nemen zij ook zeer gemakkelijk en dikwijls, hulpbehoevende kinderen en weezen aan. Deze aangenomene kinderen noemen zij "_kinderen der ziele_." Ook de zeer te roemen hartelijkheid, waarmede zij hunne moeders behandelen, vindt zijn oorsprong in dezelfde bron. Dat is ook de oorzaak dat de moeder van den Sultan, de zoogenaamde Sultane Valide, de tweede persoon in het rijk is.

Zij, die in den oorlog koelbloedig zooveel Christenbloed vergoten hebben, zijn niet in staat dieren te kwellen. Zij bezitten een hun aangeboren medelijden met alle stomme creaturen, en bovendien beveelt de Koran zelf hun, bijen, mieren, kraaien, zwaluwen en visschen te ontzien. Wanneer een Europeesch reiziger, bij de eene of andere gelegenheid, voor pleizier een vogel schiet, dan wordt hij door zijne Turksche reisgenooten beschuldigd van moord. In de nabijheid der Turksche dorpen in Klein-Azië, vindt men vogelkooien opgericht waarin oude arenden die niet meer verder kunnen, of patrijzen wier vleugels lam werden, of ooievaars die een poot gebroken hebben en die men opgevangen heeft, op algemeene kosten verpleegd en gevoed worden. De Turken zullen het ontzien, een lam dat nog niet gespeend is te slachten, om het gejammer van het moeder-schaap niet te hooren. De paarden worden bij hen als kinderen opgebracht en gevoed, en in plaats van ze aan de zweep te gewennen, zijn zij gewoon zacht toegesproken te worden; aan hals en manen zijn zij, even als de kinderen, van amuletten voorzien om ze tegen booze invloeden en tooverij te vrijwaren.

Daardoor was en is ook nog nu een weerspanning en koppig paard eene groote zeldzaamheid bij de Turken, en vroeger was het bekend, dat wanneer paarden van dat karakter in de oorlogen met de Hongaren, Duitschers, Polen en Russen opgevangen werden, zulke buitgemaakte wildzangen onder de zachte tucht der Turksche stalmeesters, weldra zoo zacht en gewillig werden, dat zij vol vreugde hunnen meester tegenhinnikten en voor hem de knie bogen, om hem des te gemakkelijker te laten opstijgen. Ook nu nog laat de voorname Turk, wanneer hij de lente op het land doorbrengt, gaarne onder een boom in de nabijheid zijner paarden-weide, eene tent opslaan, en ziet hij van daar vol genoegen uren lang naar het spelen, het vechten, en het springen zijner veulens en merriën.

De Turken hebben zich evenmin als schoolmeesters en opvoeders der jeugd, hardvochtig of tijranniek getoond. Zelfs in de merkwaardige opvoedings-gestichten der trawanten van den Sultan en der Janitscharen, waren de tucht en de orde wel streng, maar men kende in deze inrichtingen zulke paedagogische dwangmiddelen niet, als men tot op onze dagen in christelijke landen voor heilzaam hield, zooals ketenen, plak, donkere kelder en slechte ligging met water en brood. De eenige straf, stokslagen, mocht slechts zelden toegepast worden, en het getal der slagen was dan nog zeer beperkt; ook zijn de stokstraffen bij de Turken nooit met zooveel gestrengheid, nooit in zoo groote hoeveelheid en zoo onbarmhartig, toegepast geworden als b.v. bij de Russen, en het is niet zelden gebeurd, dat Turksche krijgsgevangenen bij de Russen, wanneer zij zich aan de daar heerschende discipline moesten onderwerpen, luide naar de in Turkije in zwang zijnde rechtspraak terug verlangden en deze zeer roemden.

Een zeer voordeelig licht over de gemoedsgesteldheid der Turken, werpt de hartelijkheid en aandoenlijke wijze, waarmede zij hunne dooden herdenken. Hunne kerkhoven zijn altijd met bloemen en welig groeiende cypressen versierd, en gewoonlijk in bekoorlijke dalen of op liefelijke heuvelen gelegen, waar wij eene villa, een klooster of een lusttuin zouden aanleggen. Op feestdagen zijn die kerkhoven de gewone verzamelplaatsen van het volk, waarop de kinderen naast de graven hunner voorouders spelen, terwijl de volwassenen zich in het genot der frissche lucht, hunner pijp en hunner ernstige herinneringen verheugen. Ook zijn de Osmanen groote vrienden van stille familie-feesten in den kring der hunnen, en eenige dezer feesten, b.v. het jaarlijks in iedere huishouding terugkeerend tulpenfeest, zijn van zeer liefelijken aard.

De natuur heeft evenmin het hoofd als het hart der Turken stiefmoederlijk bedeeld. Zij zijn niets minder dan dom en onleerzaam. Veeleer munten zij in den regel uit door een vlug begrip en vooral door een sterk geheugen. Niet zoozeer hunne ongeschiktheid staat hun bij hunne ontwikkeling in den weg, als wel hun gebrek aan werkzaamheid. De onveranderlijke traagheid waarin zij verzonken zijn, houdt hunne talenten in banden. Het ontbreekt hun aan voortdurenden ijver, aan lust tot werken, aan de rustelooze nieuws- en weetgierigheid der Europeanen, om met hunne goede begaafdheden iets groots tot stand te brengen.

Zij zijn niet, zooals wij, gewoon te wedden en te wagen, om het geluk na te jagen. Voelen zij zich door de omstandigheden bevoordeeld of is de wind hun gunstig, dan laten zij zich dit welgevallen en leven zij gaarne in gemakkelijke en kalme rust heen. Dientengevolge munten zij ook daardoor uit, dat zij, in tegenstelling met de Europeesche natiën, geen geluks- of hazardspelen kennen, zooals dat toch anders bij hunne onderdanen, de Grieken, Walachijers en Slawen, dikwijls het geval is. Zelfs hunne jeugd doet aan geene weddingschappen en kent geen wedstrijden, geen beproeven der wederzijdsche krachten in gymnastische spelen en wedloopen. Den dans houden zij geheel beneden hunne waardigheid; hoogstens laten zij zich door hunne vrouwen of hunne odalisken iets voordansen. Evenzoo worden ook de andere kunsten, die voortdurende oefening vereischen, door hen niet beoefend. Ofschoon zij gaarne muziek hooren, beoefenen zij haar even weinig als den dans. Grieken en Armeniërs zijn hunne muzikanten en voorzangers, en verwonderd zien de Turksche grooten het aan, dat de afgezanten onzer Koningen in Constantinopel schilderen of piano spelen, en vragen zij: waarom zij toch zelve zich met die zaken bemoeien, daar zij immers rijk genoeg zijn om zelf een troep muzikanten te betalen.

Alleen op de dichtkunst hebben zij zich toegelegd. Zij bezitten niet alleen vele lieve volksliederen, maar zij hebben ook menig uitstekend dichter en eene niet arme literatuur voortgebracht. De beroemde Duitsche schrijver der Turksche geschiedenis, de heer von Hammer, heeft eene bloemlezing in vier deelen, uit de werken van niet minder dan 2200 Turksche dichters samengesteld, die echter niet alle eene bekrooning op het Kapitool waardig zijn.

Vooral hebben de Turken--iets dat bij een volk dat zooveel roemrijke daden verricht heeft, zeer natuurlijk is--zich meermalen op het schrijven van geschiedenis toegelegd en hebben zij vele historici voortgebracht. Ja! zij hebben zelfs sedert 300 jaren--en daarop kan zich niet iedere Christelijke staat beroemen--de vaste betrekking van een rijks-geschiedschrijver gehad, wiens plicht het is, de gebeurtenissen, oorlogen, vredesverdragen en inwendige veranderingen op te teekenen. Toch beschrijven deze Turksche historici de geschiedenis, even als hunne gedichten, op eene, den Perzen, Arabieren en meest allen Oosterlingen, eigendommelijke, zeer weidsche manier. Een overzicht over de bloemrijke titels hunner geschiedkundige werken toont zulks ten duidelijkste aan. Wat onze prozaïsche geschiedschrijvers eenvoudig een "geslachtsregister" noemen, heet bij hen: "een rozenkrans der rechtvaardigen" of "een bloementuin der besten." Wat wij eenvoudig weg eene "wereldgeschiedenis van de vroegste dagen tot den laatsten tijd" noemen, daaraan geven zij den hoogdravenden naam van "de golvende zee en de rijk stroomende bronnen in de wetenschap der eerste en laatste dingen." Eene "verzameling van biographiën" wordt bij hen verfraaid tot een "rozenbundel uit den tuin der kennis van de menschen." En als wij een boek in 8 hoofdstukken deelen, dan verdeelen zij het liever in even zoo vele "bloem-perken" of wel "paradijzen." Deze zelfde hoogdravende en weidsche stijl, hebben zij ook bij de titulatuur hunner beambten ingevoerd, en dientengevolge draagt bij hen, wat wij een "page" noemen, den naam van "een dienaar van het kleed der gelukzaligheid" of een opperhof-meester "een heer der poort van genade en eere."

Eenvoudiger en nuchterder, dan zij zich in hunne gedichten en geschiedboeken toonen, zijn de Turken in de sedert oude tijden bij hen gebruikelijke spreekwoorden, die een schat van practische levenswijsheid aanbieden, en vele bewijzen van een gezond verstand, fijne opmerkingsgeest en menschenkennis bevatten.

Vooral de echte oud-Turksche, nog uit den nomaden-tijd afkomstige spreekwoorden, die men aan vorm en inhoud gemakkelijk als zoodanig herkennen, en onderscheiden kan van de levensregelen en spreuken die zij van de Arabieren en Perzen overgenomen hebben, munten door een zeer krachtig, opvallend en scherp vernuft en uitdrukking uit. Daar geest, karakter en zeden der natiën zich zoo dikwijls in hunne spreekwoorden weergeven en daar, als wij over de Turken spreken, veel minder sprake is van dergelijke zaken, dan van hunne barbaarsche krijgsgebruiken of van hunne bloemrijke rijmelarijen, zoo wil ik den lezer hier ten slotte nog op eenige echt Turksche spreekwoorden opmerkzaam maken, en er eene kleine verzameling van mededeelen.

Niet zeldzaam zijn de spreekwoorden, waarin de Osman de waarheid aanbeveelt, b.v.:

"_Zit_ mijnentwege krom mijn zoon, maar _spreek_ recht."

"Wie zich _ver houdt_ van de leugen, die _nadert_ God."

"Wandel niet over de licht breekbare brug van de leugen, beter is het, mijn vriend! door den stroom te _zwemmen_."

Zeer karakteristiek zijn de even talrijke spreuken, waarmede de stilzwijgende, voorzichtig sprekende Turk, even als Salomo, tegen de tong en de scherpheid van tong te velde trekt.

"De tong," zoo luidt een dezer, "is een beenlooze slang, die toch beenderen breekt."

"Een mes-wond geeft een lidteeken, maar een wond door de tong geslagen, is onheelbaar."

"De tong heeft meer menschen gedood dan het zwaard."

"Die zijne tong aan banden legt, redt zijn hoofd."

"Wie spreekt die zaait, hij weet niet wat. Wie hoort die oogst, en heeft de keuze."

"Het hart van den dwaas ligt op zijne tong,--de tong van den verstandige is in zijn hart."

"_Luister_ duizendmaal, _spreek_ eenmaal."

Verachting voor het gezwets van praatzuchtige en lasterende menschen, drukt op recht Turksche wijze de volgende spreekwijze uit:

"De hond blaft, de wolf gaat zijn gang."--en met eene aardige variatie:

"De hond huilt, de karavaan trekt voorbij," wat men menigen dwazen bespotter van oude eerwaardige gewoonten en instellingen zou kunnen toeroepen.

Eenige in de Turksche spreekwoorden bevatte zedelessen, zou men gerust in één adem met de uitspraken onzer beste kerkvaders kunnen noemen, zooals b.v.

"Doet gij wat goeds, werp het in de zee; merkt de visch het al niet op, zoo weet de Heer het toch."

of deze:

"Het goede der menschen verbergt zich in een eng vertrek, maar het kwade wandelt op breede wegen."

Of het volgende:

"Doe goed dengene die u slecht behandelt, dan zult gij bij hem en bij God genade vinden."

Van deze laatste spreuk zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat de Turken, die wij gewoonlijk het oude: "oog om oog, tand om tand" toegedaan houden, haar van buiten af ontvangen hebben, wanneer het niet uitgemaakt was, dat zij reeds bij Turksche stammen, zelfs in den tijd van Mohammed, gebruikelijk was.

Niet minder mag het ons verwonderen, dat zelfs het "ken u zelven" der Grieken, bij deze Osmanische barbaren zoo hoog in waarde was.

"Wie zich zelven begrijpt," zeiden zij met nadruk, "die begrijpt God."

Welke fraaie beteekenis heeft ook niet deze spreuk:

"Die des avonds nog slecht is, die is nimmer goed." Zij schijnt op een vromen man te duiden, die na zijn avondgebed alle booze en wraakzuchtige plannen van den dag opgeeft.

"Toorn is uw vijand, overleg uw vriend."

"Die toornig opgesprongen is, gaat beschaamd weer zitten."

"Reik den ongelukkige uwen vinger, en God zal u zijne rechterhand toereiken."

De ondankbaarheid wordt door de Turken sterk genoeg veroordeeld, want "een ondankbare," zeggen zij, "telt niet onder de menschen."

Geene deugd wordt meer door hen geprezen dan geduldig afwachten, geen misslag bitterder gehekeld, dan overijling.

"Snel geloopen, spoedig vermoeid."

"Snel gewassen, spoedig uitgebloeid."

"Wandel bedaard, dan haalt gij den haas in."

"Geduld is de sleutel tot alle genot."

Hun vast geloof aan het niet te veranderen noodlot, drukken zij eveneens in vele spreekwoorden eigenaardig uit, b.v.:

"Geen schild van verstand weert den pijl van den boog des noodlots af."

"_De mensch spreekt, het noodlot lacht_." ("_l'Homme propose, Dieu dispose_.")

"Wat u toegedacht is, wordt u zelfs van daar toegezonden." (uit de verst verwijderde oorden der Turksche heerschappij.)

"Die geluk hebben zal, vangt ook met een ezel een gans; de ongelukkige echter vangt zelfs met een koningsvalk geen muis."

Vele der in hunne spreekwoorden bevatte lessen van wijsheid, getuigen van eene hoogst scherpzinnige zaken- en levensbeschouwing:

"Maak u zelven niet tot een schaap, de wolven zullen spoedig bij de hand zijn."

"Niet de reis schaadt den mensch, maar zijne reisgenooten kunnen hem schaden."

"Wie een vriend zoekt zonder gebrek, die blijft zonder vriend."

"Een domme vriend is erger dan een verstandig vijand."

"Hoed u voor den vijand één maal, maar voor den vriend met wien gij omgaat, een duizend maal."

"Wanneer u uw heer ook slechts zand geeft, steek het beleefd in den zak."

Schillers: "Sluit u aan het vaderland, aan dat dierbare land aan, daar zijn de ware wortelen uwer kracht," zeggen zij echt nomadisch, maar recht begrijpelijk, door: "een hond is het sterkst in zijn eigen hok."

Ons: "hij slaat den zak en meent den ezel," omschrijven zij sierlijker:

"Mijne dochter, ik sprak tot u, maar de schoondochter zou het hooren."

Van het "oog des meesters" zeggen zij:

"Waar gij niet zelf zijt, daar zijn geene oogen."

"De liefde is blind," luidt bij hen als volgt:

"Hij is schoon, dien men van harte lief heeft."

"Voor den minnaar is ook Bagdad niet ver."

Ons: "een nieuwe lap op een oud kleed," luidt bij de Turken:

"Een gezonde os voor een gebrekkelijken ploeg."

De tijd, waarin de Turken deze en nog vele andere gulden spreuken en lessen, die ik hier voorbij ga, uitdachten en opstelden, ligt ver terug.

Er is een tijd geweest, waarin zij, even als de Spartanen naar hunne wetten, ook naar deze lessen handelden.

Er volgde een andere, waarin hun geest, door innerlijke macht aangedreven, zich machtig verhief en waarin zij, al hunne springveeren in beweging stellende, met schier Romeinsche energie de wereld aanpakten en overstroomden. De Turken hebben het beter dan eenig ander nomaden-volk verstaan, met voorzichtigheid en volgens bepaalde regels, hunne heerschappij over Europa, Azië en Afrika uit te breiden en te bevestigen. Deze omstandigheid zou voldoende zijn om te bewijzen, dat naast hunne geschiktheid voor den oorlog een zeker ordenend instinkt, naast de vernielende ook een scheppende kracht, zooals die geen andere stam van Aziatische overweldigers bezeten heeft, gewoond moet hebben.

Nu echter gelijken zij, zooals gezegd is, een boom wier bladeren door den storm afgewaaid zijn, de takken en de wortelen zijn nog wel aanwezig en men kan den geheelen bouw nog herkennen, maar het hout is broos geworden. En wanneer ook al zijn eindelijke val, "de verdrijving der ziekelijke Turken uit hunne Europeesche legerplaats naar Azië," waarschijnlijk nog op velerlei tegenstand stooten zal, wanneer wij ook al vóór dat einde nog menige ongedachte opflikkering beleven zullen, zoo gaat de achteruitgang toch zoo zichtbaar, dat een uitdooven der vlam onvermijdelijk schijnt.

"De Turken hebben geene toekomst in Europa. Hunne nationaliteit en hun godsdienst zijn onbuigzaam in wezen en vorm, zonder eenige levenswekkende kracht en zonder geschiktheid tot eene hoogere ontwikkeling, die als behoudend element eene toekomst verzekeren kan, die aan de toenemende eischen van den tijd zou voldoen," zij zijn van eene stof, die zich niet buigen laat en daarom breken moet. Het schijnt dat zij eene volledige nederlaag te gemoet gaan. Ten minste hebben, zooals ik zeide, tot nu toe alle provinciën en staten, die zich van de heerschappij der Osmanen bevrijdden, van deze vreemdsoortige nationaliteit geheel afstand gedaan. Waarschijnlijk zullen de staten, die zich verder boven de graven der Turken verheffen zullen, even zoo handelen, en een latere ethnograaf van Europa zal dan over deze Osmanen--niets meer hebben mede te deelen.

DE ZUIDELIJKE-SLAWEN EN DE ALBANEEZEN.

Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije, de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië, Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche onderdanen van den Turkschen Sultan uit.

Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die, zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen.

Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken, gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders, de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen), dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen).

Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren en Serviërs.

De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden, nagenoeg gelijk.

Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels nakomelingen van de hun geheel vreemde "Thraciërs," "Macedoniërs", "Illyriërs" als heerschende volken vonden.

Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen, is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die "Thraciërs" en "Illyriërs" mededeelen.

Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men zich voorstelt, dat de zoogenaamde "inval der Slawen in de 6de eeuw" niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof, deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien bracht.

Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen, andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen gedreven en tot een eng gebied beperkt werden.

Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende, oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der "Zuidelijke-Slawen" samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden vastknoopen.