Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 10

Chapter 103,667 wordsPublic domain

Uit dezen weinig talrijken ruitertroep, die onder weg door deserteurs en naar huis terugkeerenden nog aanzienlijk verminderde, ontstond het groote Osmanische rijk; even als uit de muren van een Sabynsch stadje de, de geheele bekende wereld onderwerpende, Romeinen; even als uit een bijna onmerkbaar aan den horizon verschijnend wolkje, een storm ontstaat, die langs den geheelen hemel trekt.

Even als bij vele vluchtelingen, die uit hun vaderland verdreven de wijde wereld voor zich open zagen, en door dezen aanblik buiten zich zelven geraakten, zoo ontwaakte ook bij dit, tusschen de oude steden van het land langs den Eufraat dwalende hoopje roofzuchtige herders, weldra een geweldige lust naar heldendaden, roem en schatten. Hunne aanvoerders droomden al vroegtijdig, even als de stamvaders der Joden, van roem en grootheid voor hun volk.--Ertogrul, een dezer dikwijls genoemde allereerste machthebbers en eerste horden-aanvoerders, droomde eens gedurende een zijner legertochten, dat hij in zijne tent een fraaie heldere bron zag ontspringen, die met steeds toenemende kracht, in haren onstuimigen loop, tot eene groote rivier aangroeide en toen wijd en zijd het land overstroomde. Een zijner wijze Sheiks leide den droom zoo uit, dat aan Ertogrul weldra een heldhaftigen zoon zou geboren worden, die het volk tot groote daden zou aanvoeren.--En nog fraaier en duidelijker droomde daarna deze zoon zelf, Osman (vrij omineus--beender-breeker--de Turksche naam voor een roofvogel, den koningsarend)--de meest gevierde held van het naar hem genoemde volk der Osmanen.

Als jongeling in liefde ontstoken voor de dochter van Edebalis, een ouden Sheik, scheen het den jongen Osman op een avond, na het eindigen van zijn gebed, toe, alsof hij den grijzen vader zijner geliefde naast zich zag rusten, en alsof de wassende maan schitterend uit den boezem van den oude opsteeg, om zich weldra als volle maan in zijn eigen (Osman's) boezem te verbergen. Op de plaats echter, waar de volle maan verdwenen was, groeide een prachtige boom met uitgestrekte takken, beladen met kostelijke vruchten, en onder zijn lommer rustte het _heelal_ met al zijne bergen en dalen, rijke weiden en fraaie rivieren, provinciën en steden, bewoond door eene werkzame bevolking, die zich in de schaduw van den prachtigen boom in haar bestaan scheen te verheugen. Osman ontwaakte in het volle genot van dit prachtig gezicht, en schilderde vol verbazing het fraaie tooneel, dat hij in zijn droom gezien had, aan zijn ouden vriend. Deze, die tot nu toe zijne dochter aan den jongen avonturier geweigerd had, maar nu in den droom een teeken des Hemels meende te zien, ten gunste der vereeniging van zijn huis met dat van Osman, en er den toenemenden bloei der vereenigde stammen uit opmaakte, gaf zijne toestemming tot eene verbintenis, waaruit het werkelijk schitterend geslacht der machtige Osmanische Sultans, als eene reeks meteoren ontsproot.

Nagenoeg alle sagen en verhalen der Osmanen, die op de kindsheid van hun volk betrekking hebben, zijn van zeer vromen, zeer phantastischen en prophetischen aard. Ook hebben hunne geschiedschrijvers (want deze heeft dit volk steeds vele voortgebracht) er voor gezorgd, dat wij de ontwikkeling en den weg der natie, van af de woestijnen van Turan, over den Euphraat tot aan den Bosphorus, voet voor voet beter kunnen volgen, dan die van den oorsprong en vooruitgang van vele andere Aziatische volken.

De nu nog in het Turksche rijk bekende en door het volk bezochte en vereerde graven hunner eerste Sultans, zijn tegelijkertijd de merkpalen en gedenksteenen op hunne zegebaan. Suleiman, de grootvader van Osman, die zich te paard in den Euphraat stortte om zijne horde een weg te banen, werd aan den oever dezer afgelegene rivier begraven. Ter eere van zijn zoon, den bovengenoemden Ertogrul, werd door de zijnen, eene halve eeuw later een grafsteen opgericht, 200 mijlen westelijker aan de oevers der rivier Sangarios, in het midden van Klein-Azië. En de kleinzoon eindelijk, Osman, de grondvester der Turksche macht, vond zijne rustplaats reeds zeer dicht in de nabijheid van het Europeesche zeegebied, in het zoogenaamde "zilveren gewelf" der Bithynische stad Prusa, wier omtrek het eerste vaste stamgebied en de wieg van het Osmanische rijk werd.

Tot zoolang was de horde, onder het verrichten van vele heldendaden, rusteloos door het noordelijke deel van Klein-Azië, om de in het zuiden nog machtiger staten der Seldschuken, en deels in dienst van deze, rondgeslopen. Hier echter in het oude Bithynië en aan de grenzen van Azië en Europa, waarheen de arm der Seldschuken niet meer reikte en waar de Byzantijnsche macht niet meer bloeide, nestelden zij zich onder Orchan, den beroemden zoon van Osman, en zetten als frissche voortroepen der machtelooze Seldschuken, het eerst in hunne oudste koningsstad Prusa, vasten voet, even als eene wig, die zich rechts en links in beide werelddeelen wilde indringen.

Van daar uit hebben zij om zich heen gegrepen, zoowel westwaarts naar Europa dat vóór hen, als oostwaarts naar Azië dat achter hen lag.

Daar het westen voor hen lag en zij aanvankelijk met hunne stamgenooten, de Seldschuken, op vriendschappelijken voet leefden, zoo keerden zij het eerst hunne wapenen bij voorkeur tegen ons vaste land. Nadat zij de kleine Byzantynsche stadhouders en leenroerige vorsten, en de Grieksche vorsten aan den Hellespont en aan de zee van Marmora, den een na den ander overwonnen hadden, gingen zij in het midden der 14de eeuw naar Europa zelf over. Zij kwamen daar gedeeltelijk als vrijbuiters, die hier en daar rooftochten ondernamen en onderlinge twisten der Byzantijnen met kracht van wapenen onderdrukten, gedeeltelijk ook als vrienden en trawanten der Grieksche Keizers, die deze dappere ruiters tegen hunne oproerige stadhouders of tegen-keizers in dienst namen--eindelijk ook als vreedzame landverhuizers, die reeds lang voor zij de stad innamen, in Constantinopel eene zeer bevolkte kolonie bezaten--weldra echter ook, nadat zij het masker van vriendschap afgelegd hadden, als gebiedende veroveraars, die reeds in het jaar 1358 een hunner vorsten, Suleiman, den hoopvollen kleinzoon van Osman, aan deze zijde van den Hellespont een grafteeken, het eerste dezer soort, bouwden. Van het graf van dezen jongeren Suleiman uit, drongen zij al ras, de eene Grieksche stad na de andere wegnemende, de Europeesche landen dieper in, en reeds weinige jaren later, in het jaar 1361, bestormden zij Adrianopel, de grootste provinciestad der Grieken, waar zij hunnen Sultans hunne eerste Europeesche residentie oprichtten.

Alle omgelegene Grieksche en Slawische volken bogen zich nu weldra voor hunne sabels, die een hunner aanvoerders vergeleek bij eene wolk, die over Europa heentrekkende, bloed in plaats van regen vergiet. Van hier uit ontnamen zij het oude Grieksche rijk om zoo te zeggen zijn wortels en takken, eer zij den stam, de drievoudig ommuurde hoofdstad, velden. In het jaar 1389 vernietigden zij, in den bloedigen volkenslag op het Amselfeld, de vereenigde macht der Serviërs, Bulgaren, Walachijers en Hongaren, en verspreidden zij zich nu over bijna het geheele schiereiland heen.

Eindelijk, in het midden der volgende eeuw, in het jaar 1453, nadat zij de stad aan alle zijden omsingeld, het geheele vaartuig om zoo te zeggen onttakeld hadden, bestormden zij den romp van het oude Byzantium, vertraden zij geheel en al het laatste nog stuiptrekkende lid van het Romeinsche rijk, dat achter de muren van eene enkele stad, als een slak in zijne schulp kruipende, zijn einde vond, even als het eens, uit de enge muren eener enkele stad, zijne vang-armen over de geheele wereld uitgebreid had.

Hier, aan den gouden horen, in het brandpunt van het verkeer tusschen Azië en Europa, waar de Turksche Sultans hunne tweede en blijvende Europeesche residentie vestigden, werd nu de schitterende droom van den heldhaftigen horden-hoofdman Osman bewaarheid. De Osmanische macht groeide onder eene reeks krachtige, talentvolle en gelukkige Vorsten, van Mohammed II tot Selim II, in het tijdsverloop eener eeuw inderdaad tot zulk een reusachtigen boom aan, die de volken van drie werelddeelen, de beroemdste en gezegendste landen van den aardbol overschaduwde, zooals Osman het in zijn droom gezien had.

De aanvankelijk zoo kleine horde, die slechts weinige duizende koppen telde,--daar zij deels in zich zelve vermeerderde,--deels hare broeders, de Seldschuksche Turken, wier rijken het een na het andere opgeslokt werden, in zich opnam,--deels echter ook altijd onder de onderworpene volken rekruteerde en vele, tot den Islam bekeerden met den geest der Osmanen vervulde, en hen met dezen naam vereerde--zwol tot een machtigen stroom van verscheidene millioenen aan, die overal de woonsteden der uitgemoorde of in slavernij weggevoerde oorspronkelijke bevolking in bezit namen--die zich als grondeigenaars en grondbezitters in de Europeesche rijksleenen verspreidden, die als bevelhebbers en bezettingstroepen alle steden van Syrië, Mesopotamië, Egypte, ja zelfs de geheele lange noordkust van Afrika binnentrokken.

Ten tijde van hun toppunt van bloei en macht in het midden der 16de eeuw, nadat zij onder hunnen vreeselijksten Padischa Suleiman den Prachtigen, ook Hongarije veroverd en zelfs de Duitsche Keizerstad Weenen aangevallen hadden, toen het hof van den Turkschen Sultan het prachtigste van zijn tijd geworden was, strekte in Europa hun rijk zich noordwaarts uit tot aan de Karpathen, westwaarts tot aan de Alpen en tot dicht bij Venetië, en oostelijk over Zevenbergen en Moldavië door geheel zuidelijk Rusland heen, zoover de ruiterscharen van hunnen vasal, den Chan der Krimsche Tartaren, hunne strooptochten ondernamen.

Nagenoeg anderhalve eeuw, gedurende de 16de en een gedeelte der 17de eeuw, bleven zij op deze hoogte. Van dien tijd af dagteekent zoowel het verval hunner innerlijke energie als hunner uiterlijke macht. Weinige groote en krachtige mannen verschenen meer onder hen. De Sultans verweekelijkten in de harems, waarin zij hunne opvoeding ontvingen. Familietwist en broedermoord bevlekten meermalen de treden van den troon. Even als bij de heerschers geen bepaalde wet aangaande de troonsopvolging bestond, zoo had zich ook bij het volk geen oud-adelijk element, op geboorte en vast grondbezit gegrond, gevormd. Hebzucht, roofgierigheid, omkoopbaarheid begonnen meer en meer bij de Turken veld te winnen, en ondermijnden de vroeger zoo geprezene maatschappelijke deugden.

Niet zoodra tastte die stilstand en verrotting het inwendige aan, of de tot nu toe in ontzag gehoudene naburen begonnen met meer geluk tegen de Turken te opereeren. Het geheele oostelijk Europa, de Duitschers, de Polen, de Russen traden krachtig op. Kleine christen-legers sloegen nu somwijlen Turksche legerscharen, die dubbel zoo sterk waren, op de vlucht. Zelfs de vroeger zoo gevreesde Janitscharen boezemden geen schrik meer in. Oostenrijk, dat Hongarije bevrijdde, herstelde en met zijne staten vereenigde, knakte in de 17de eeuw de Turksche macht het eerst aan den Donau. Hem volgde Rusland, dat in den loop der 17de en 18de eeuw de Tartaarsche Vorstendommen Kasan en Astrachan veroverde, tot aan den Kaukasus en de Zwarte zee doordrong, en ten laatste zich ook de Turksche vasallen in de Krim, alsmede alles wat de Turken aan gene zijde van de Pruth bezaten, onderwierpen. In onze eeuw werden--hoofdzakelijk met behulp van Rusland--de Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachije, de Serviërs, de Montenegrijnen en eindelijk de Grieken, binnen de grenzen van het oude Hellas, van de opperheerschappij der Turken bevrijd.

En in al deze bevrijde landen, die zij slechts als militairen bezet hadden, waar zij naast de inboorlingen slechts als soldaten gewoond hadden, zonder in de vele betrekkingen en handwerken van het burgerlijke leven in te dringen, zijn zij nu zoo goed als spoorloos verdwenen. Slechts vele treurige ruïnes getuigen van hunne vroegere aanwezigheid. Gebouwen en kunstproducten hebben zij niet achtergelaten, dan hier en daar de ingestorte muren eener vroegere Turksche vesting--of ook op de marktplaatsen in de steden waterleidingen en bronnen, van welke nuttige zaken de Osmanen zeer groote vrienden waren--ook op menige plaats, b.v. in de stad Ofen, midden onder de weder opbloeiende christelijke kerken, het graf van een Mohammedaanschen heilige, waarheen nu en dan nog wel eens een vrome Turk langs den Donau eene bedevaart maakt. Levende getuigen, landbouwende kolonisten, burgerlijke handwerken uitoefenende gemeenten, zijn van hen daar onder de christelijke heerschappij niet achtergebleven, zooals dat bij hunne stamgenooten, de Turksche Tartaren in de Krim, in Kasan en Astrachan, wel het geval geweest is.

Duidelijker zouden wij, als zich dit zoo gemakkelijk nagaan en van de inboorlingen onderscheiden liet, de indrukken hunner vroegere aanwezigheid vinden in de zeden, taal en het karakter der hun eens onderworpene en nu bevrijde natiën. Zoowel in de Hongaarsche, als in de Walachijsche, Servische en Nieuw-Grieksche taal zijn verscheidene Turksche woorden ingeslopen, en hiermede natuurlijk, daar vreemde woorden nooit zonder vreemde begrippen komen, ook menige Turksche voorstelling en denkwijze. Hongaarsche schrijvers der 17de eeuw klagen, dat in den tijd der Tursche heerschappij, bij den Hongaarschen en Zevenbergschen adel, veel in de dagelijksche gewoonten en huiselijke inrichtingen, Turksch geworden is, en daarvan zou men nu ook nog overblijfselen kunnen vinden. Dat ook de Wallachijers, de Grieken en Serviërs, den invloed van den despotischen druk der Turksche heerschappij nog niet geheel overwonnen hebben, daarover is dikwijls geklaagd geworden.

Ook in eenige der den Sultan nog direct onderworpene provinciën, krijgt men heden ten dage nog slechts zelden een echten Osmanischen Turk te zien. In het door de Slawen bewoonde Bosnië b.v., is wel de adel van het land mohamedaansch en in zijne zeden Turksch, maar naar de afstamming en de taal bestaat deze adel toch uit oorspronkelijke Slawen.

Ook in de overige Europeesche provinciën, die de Turken nog heden in bezit hebben, in Bulgarije, Macedonië, Thracië, Albanië, enz. is de grond- en landbevolking Slawisch, Grieksch, Albaansch enz. en de zoogenaamde Osmanen hebben daar slechts, om zoo te zeggen sporadisch verdeelde woonplaatsen. Zij wonen in de steden als burgerlijke en militaire ambtenaren en op het land als grondbezitters, slechts zelden als zelf arbeidende dorpsbewoners en nijvere handwerkslieden. Zamenhangende, uitsluitend door Osmanen bewoonde landschappen, vindt men in geheel Europeesch Turkije slechts enkele. In de steden zullen zij nagenoeg de helft der bevolking uitmaken, en in het geheel mag men het getal echte Osmanen in geheel Europa bezwaarlijk op meer dan 1 1/2 millioen stellen, waarvan het grootste gedeelte bij elkander wonende in Constantinopel gevonden wordt. Daar ter stede zijn nagenoeg een half millioen ingezetenen, die tot de Osmanlis gerekend worden.

Beproeven wij nu de zeden en de eigenaardigheden van het karakter te schetsen van dit merkwaardige volk, dat tijdens zijn bloei eens geheel Europa deed beven, en dat ook nu nog, alhoewel niet zoo zeer door dreigende macht, als wel door de vraag wie van zijne zwakte voordeel zal trekken, geheel Europa bezig houdt. Wij moeten nog daarbij in de eerste plaats onderscheiden, wat zij oorspronkelijk in hun eigenlijk vaderland waren, en wat zij in den loop der tijden, bij hunne verbreiding over zoovele landen en bij hunne aanraking met zoo vele verschillende volken, geworden zijn.

Het eerste en voornaamste geschenk, dat de Osmanen na hunne eerste ontmoetingen met hunne West-Aziatische naburen ontvingen, was de godsdienst van Mohamed. De oorspronkelijke godsdienst der Turken in hunne Aziatische steppen was een ruwe natuurdienst, waarbij zij voornamelijk de vier elementen: vuur, water, lucht en aarde vereerden, en tevens aan een hoogsten geest des hemels paarden en schapen offerden. De Islam kwam in hunne oorspronkelijke woonplaats reeds tot hen door de Arabieren en Perzen. Deze waren gewoon alle gevangenen, die zij in hunne oorlogen met de naburige nomadische roofstammen maakten, tot den Islam te bekeeren, en deze bekeerden, als zij in hun vaderland teruggekeerd waren, weder hunne stamgenooten. Reeds omstreeks het jaar 1000 na Christus, waren op deze wijze verscheidene nog nomadische Turkenstammen goede Mohamedanen geworden, terwijl ook verscheidene nog het oude Schamanendom aanhingen, en weder andere door de Chineezen zelfs tot Buddhisten gemaakt waren.

Onze Osmanische Turken waren reeds lang ijverige aanhangers van den Profeet, toen zij uit de vlakten langs de Kaspische zee naar het Westen togen. Door den Islam hebben zij veel van dien godsdienstigen ernst, die alle Oosterlingen van oudsher kenmerkte, overgenomen. Even als bij de Hebreërs en bij de Arabieren, is ook bij hen de invloed van den godsdienst op zeden, zin en werkzaamheid der natie, veel opvallender dan bij de Europeesche volken, en even als bij hen, schijnt ook bij de Osmanen al hun doen en denken, om zoo te zeggen, van godsdienst doortrokken te zijn.

Streng en met nauwgezetheid vervulden zij ten allen tijde hunne godsdienstige verplichtingen en de waarneming der met deze samenhangende gebruiken. En zelfs nu nog is er moeielijk iets plechtigers te bedenken, dan de gebeden der Turken in de kerken, die zij op eene in het oog vallende demoedige wijze, en geheel vervuld met vrome voornemens, verrichten. De daarbij heerschende plechtige stilte en de indrukwekkende ernst, vervullen zelfs den christen-toeschouwer met eerbied. Doodstil, zacht en barrevoets als bedelmonniken, sluipen de mannen--eerwaardige, oude, witgebaarde grijsaards en achter hen hunne gehoorzame knapen en jongelingen--nader, zinken op de tapijten der moskee op hunne knieën, slaan als boetvaardige zondaars op hunne borst, en vervallen in stomme bespiegeling en aanbidding van den Onzichtbaren, of luisteren aandachtig naar de gebeden en toespraken van hunnen Iman.

De uiterlijke godsdienst is bij hen, nagenoeg onveranderd, tot op onze dagen dezelfde gebleven. Een echt orthodoxe Osmanli beschouwt nog heden de pest als eene straffe Gods, die het nutteloos en zondig is te trachten te ontwijken; hij draagt geen parapluie of zonnescherm, daar het hem zondig schijnt de zegen van Allah van zich af te houden, en hij geeft kleerborstels van plantaardige stof de voorkeur boven de gewone, daar de Koran de aanraking verbiedt van alles wat van het zwijn komt. Hun eerbied voor den Koran is zoo groot, dat zij aan het bloote lezen er van wonderen toeschrijven. Naar hunne meening worden, door het lezen van sommige plaatsen uit den Koran, ziekten genezen, en het zonderlingste daarbij is, dat de psychische invloed van het vrome, ernstige geloof aan de onfeilbaarheid hunner heilige schriften, op hen werkelijk dikwijls eene merkwaardige geneeskracht uitoefent. Ontelbaar zijn de middelen om in de toekomst te lezen en even talrijk die, om zich voor booze invloeden te vrijwaren. Zij overtreffen daarin nog de heidensche Romeinen van den ouden stempel. Even als deze lezen zij het goede of kwade uit de ingewanden van pas geslachte dieren--doen voorspellingen uit de vlucht der vogels--hebben geluk en ongeluk aanwijzende uren en dagen, die met nadruk door de astrologen in hunne kalenders worden aangegeven, en geen Osman zal eene reis ondernemen, een huis bouwen, zich in het huwelijk begeven of iets anders gewichtigs ondernemen, zonder zich eerst over het gunstige van het oogenblik en de constellatie der sterren overtuigd te hebben. Is hij ziek, of hebben kwade droomen hem droefgeestig gestemd, dan verschaft hij zich van den Iman een pot, die van binnen met verscheidene spreuken uit den Koran beschreven is, vult dien met water, laat de met inkt geschrevene spreuken in het water oplossen, en drinkt dan, in het heiligste vertrouwen op eene goede uitwerking, deze vloeibaar gewordene heilige spreuken op.

Het dak van zijn huis, de voorsteven van zijn schip, de muts zijner kinderen, de hals van zijn paard, de kooi zijner vogels, alles behangt hij met amuletten en tegenmiddelen tegen "het booze oog" of tegen andere betooveringen. Veel van dit bijgeloof stamt nog uit de steppen en uit den tijd van het Heidensche nomaden-leven af. Echt Mohamedaansch echter, en dit is hun door den Islam aangebracht en hebben zij met alle aanhangers van den Profeet gemeen, is hun onwrikbaar en hun bijzonder eigen geloof aan een onafwendbaar fatum; een geloof, dat hen eenerzijds zoo onbuigzaam en overwinnend, maar aan de andere zijde ontoegankelijk maakte voor eene toenemende ontwikkeling.

De overtuiging, dat in den slag, te midden van een kogelregen, geen schot hen treffen kon, dat niet door God voor hen bestemd was, boezemde den Turken een onoverwinlijken moed in. Maar het denkbeeld, dat God alles hier beneden regelt en leidt, onafhankelijk van eenige menschelijke inmenging, maakte hen tevens werkeloos en loom. In gelukkige dagen verhoogde dit geloof de kracht van den veroveraar, maar in dagen van ongeluk vervulde het hem met zoo groote gelatenheid, dat hij het verval en de ontaarding van zijn volk met onverschillige oogen aanzag.

Zich schikkende in alles, wat hem ook overkomen mag, leeft de Turk rustig daarheen, zijne grootste voldoening, zijn zekersten troost vindende in het bewustzijn, dat, wat de toekomst hem ook brengen moge, het reeds te voren bepaald is. Maakt het ongeluk hem arm en wordt hij daardoor gedwongen afstand te doen van geriefelijkheden, waaraan hij sedert jaren gewoon is, verliest hij zijn eenigen zoon, zijn liefste kind: nimmer zal hij morren. "God is groot! Hij gaf het, hij nam het ook."--Een minister valt--een stadhouder wordt ter dood veroordeeld. Zonder tegenspraak geeft hij zijne betrekking en zijn leven op, en smeekt alleen dat men hem den noodigen tijd moge laten om zijn gebed te verrichten. Ofschoon zij even als andere menschen toegankelijk zijn voor teedere aandoeningen en diep gevoel, voeden zij toch nimmer eene smart op eene wijze die schadelijk is voor gezondheid en geest, en duurzaam zedelijk lijden, blijvende storingen in de werkzaamheid van den geest, vindt men derhalve zelden bij de Turken. En de zich in het leven openbarende gelatenheid, verlaat hen ook niet in de smartelijkste ziekte en in het laatste uur. Bij geen volk heeft de dokter, wanneer zijne geneesmiddelen niet helpen, zoo weinig verwijtingen te wachten dan bij de Turken. Zij verontschuldigen hem altijd daar mede, "dat het Allah's wil niet was."

In tegenstelling met de talentvolle maar geslepene Grieken, prijst men de eenvoudige, ongekunstelde rondheid en de oprechte eerlijkheid der Osmanlis, die van oudsher gewoon zijn, zonder omwegen hunne meening te zeggen. Zij mijden de slingerpaden, die de vleiende Zuidelijke Oosterlingen (de Arabieren en hunne naburen de Perzen) zoo gaarne bewandelen.--Zij praten weinig en wat zij zeggen, zeggen zij langzaam, duidelijk en met uitdrukking, zoodat ook geringe zaken met hen spoedig afgedaan worden. Wat b.v. een Turksche koopman zegt, geldt bij hem als het eerste en laatste woord; afdingen is hem onbekend.

Men ziet het reeds aan hun uiterlijk, dat zij een heerschersvolk waren. Hun gang is statig. In al hunne bewegingen zijn zij afgemeten en deftig. Slechts zelden verraden zij uiterlijk, wat hunne ziel innerlijk aandoet. Waar wij hardop lachen, daar speelt om den mond der Osmanen slechts een glimlachje. Waar wij in de handen klappen, daar geeft hij zijn bijval slechts door een licht hoofdknikken te kennen, of wèl blaast hij den rook zijner pijp wat harder uit.