Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel
Part 66
§ 5. _Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek_ bl. 51-139. Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt 1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr., Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10, maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv. weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op 17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant 22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29, ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme, Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie, supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren. richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en Schotland 37, Amerika 38, 39.
HOOFDSTUK I. PRINCIPIA IN HET ALGEMEEN.
§ 6. _Beteekenis der principia_ bl. 140-145. De naam ἀρχη, principium 1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum 3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4.
§ 7. _Principia in de wetenschap_ bl. 145-170. Het _Rationalisme_, dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en vervalt tot idealisme en illusionisme 3. Het _Empirisme_ zoekt de bron der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ. cogn. internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat het _Realisme_ uit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8, maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10.
§ 8. _Principia in de Religie_ bl. 171-214. Het _wezen_ der religie, wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich openbaart 6. De _zetel_ der religie is vooral onderzocht, sedert het wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel en altijd en overal dienen moet 15. De _oorsprong_ der religie is niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt 19.
HOOFDSTUK II. PRINCIPIUM EXTERNUM.
§ 9. _Algemeene Openbaring_ bl. 215-244. Openbaring is een religieus begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de gemeente van groote waarde.
§ 10. _Bijzondere Openbaring_ bl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten, beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, φανερωσις, ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie 2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring eene passende, harmonische plaats in 12.
§ 11. _De Heilige Schrift_ bl. 295-362. De bijzondere openbaring, die historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. De Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2. Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7, maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude Test. 9, en in het N. T. aangaande het O. T. 10, als ook in het N. T. aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods 12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren, tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.
§ 12. _Eigenschappen der Schrift_ bl. 363-415. De leer der eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome, dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming bepaalt 1, 2. Het _gezag_ der Schrift rust bij Rome op de kerk 3, en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag de auctoritas historiae et normae te onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. De _noodzakelijkheid_ der Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling steeds behoefte blijft houden 12. De _duidelijkheid_ der Schrift wordt eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van de facultas S. Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis 16. De _genoegzaamheid_ der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie wordt ontkend 22.
HOOFDSTUK III. PRINCIPIUM INTERNUM.
§ 13. _Beteekenis van het principium internum_ bl. 416-421. Aan het objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der religie en het werk des Geestes miskennen 3.
§ 14. _De historisch-apologetische methode_ bl. 423-431 werd vooral door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.
§ 15. _De speculatieve methode_ bl. 431-444, door Hegel 1, door de Vermittlungstheologie 2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste Erkenntnistheorie 6.
§ 16. _De ethisch-psychologische methode_ bl. 444-465, schoon van ouds gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande 3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen gelooven en weten 8.
§ 17. _Het geloof_ bl. 465-484. Wijl het principium internum aan het princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft 6.
§ 18. _De grond des geloofs_ bl. 484-509. Wijl dit geloof door geen bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.
§ 19. _Geloof en Theologie_ bl. 509-532. Ofschoon in het geloof zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie 1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie eindigt 8.
TWEEDE DEEL.
HOOFDSTUK IV. OVER GOD.
§ 20. _De onbegrijpelijkheid Gods_ bl. 1-24. De dogmatiek leeft in het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.
§ 21. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei insita_) bl. 24-44. God is kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer, niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.
§ 22. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei acquisita_) bl. 44-62. De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita 1. Beide behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6, teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.
§ 23. _De Namen Gods_ bl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich openbaart en op geen andere wijze noembaar is 4. Zij geven daarom wel geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge kennis van God 6.
§ 24. _Indeeling der namen Gods_ bl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata 7. De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.
§ 25. _De eigennamen Gods_ bl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals θεος, deus, God 1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh Zebaoth 4, κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.
§ 26. _De wezensnamen Gods_ bl. 115-227, welke vóór de leer der triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede God als de _Zijnde_ in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als _Geest_, n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7. Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen zichzelf bewust, als _Licht_, n.l. kennis van zichzelven en van de wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt) 8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen als den _Heilige_, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13, gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet treedt als de absolute macht, als _Souverein_, n.l. de wil, die als propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas (libera) onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts in voluntas beneplaciti en signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is 18.