Gereformeerde dogmatiek. Derde deel
Part 69
De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het de verplichting mede, om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt. Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, boven bl. 194. En als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet, anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29; en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30. Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6, 12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart, blijft eeuwig bij hen, Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk, Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste, legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze, Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus, welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. 11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal. 4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr. 11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8.
Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden. Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide: Deus melius esse judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas, bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzij door bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was, im höchsten Grade unheimlich zou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen weren, dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197. Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden. Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat de zekerheid insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. 35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131. Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.
* * * * *
Correcties:
Pag. 4: „sehepselen” vervangen door „schepselen” (de lagere schepselen en de kleinere gebeurtenissen).
Pag. 8: „1I” vervangen door „II” (Heid. Cat. X. Zanchius, Op. II 425).
Pag. 17: „1:4” vervangen door „1:14” (Habakuk klaagt er hoofdst. 1:14 wel over).
Pag. 38: „en” vervangen door „en in” (en in 2 Cor. 3:11 is Paulus van dezelfde meening).
Pag. 56: „meer” vervangen door „neer” (bij deze oplossing legden zich neer de Pelagianen).
Pag. 62: „det” vervangen door „der” (de werkelijkheid der zonde).
Pag. 64: „alof” vervangen door „alsof” (alsof God de zonde met geweld wilde keeren).
Pag. 65: „imaginiret” vervangen door „imaginiert” (in den afgrond der zonde hinein imaginiert).
Pag. 89: „van” vervangen door „vom” (Die Lehre v. d. Sünde u. vom Versöhner⁸ 1862).
Pag. 91: „1S82” vervangen door „1882” (Stud. u. Krit. 1882 S. 284 f.).
Pag. 91: „Biedermaun” vervangen door „Biedermann” (Biedermann, Dogm. 614 f.).
Pag. 97: „89” vervangen door „98” (cf. Dorner, Gl. II 90-98).
Pag. 111: „overloediger” vervangen door „overvloediger” (de genade is overvloediger en het leven is machtiger).
Pag. 115: „senipelagianisme” vervangen door „semipelagianisme” (Volgens het semipelagianisme bestonden de gevolgen).
Pag. 122: „voorvloeide” vervangen door „voortvloeide” (in de Roomsche theologie voortvloeide).
Pag. 122: „superaddditum” vervangen door „superadditum” (langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op).
Pag. 136: „gebäbren” vervangen door „gebähren” (dass sie fortwährend Böses muss gebähren).
Pag. 136: „willekenr” vervangen door „willekeur” (met onberekenbare willekeur nu eens naar den eenen).
Pag. 140: „wetenschapelijken” vervangen door „wetenschappelijken” (allen nuchteren wetenschappelijken zin).
Pag. 144: „inbaerent” vervangen door „inhaerent” (zij is zoo inhaerent aan de menschelijke natuur).
Pag. 153: „ansusehen” vervangen door „anzusehen” (sind anzusehen als eben so viele Tiger).
Pag. 156: „Dent.” vervangen door „Deut.” (het O. Test. zelf, Lev. 19:18, Deut. 32:35).
Pag. 160: „overschillig” vervangen door „onverschillig” (hij is er evenmin onverschillig voor).
Pag. 163: „schulbewustzijn” vervangen door „schuldbewustzijn” (Wie uit het schuldbewustzijn tot de schuld wil opklimmen).
Pag. 170: „Verzweifling” vervangen door „Verzweiflung” (Kinder der Angst, des Schreckens, ja der Verzweiflung).
Pag. 170: „zondern” vervangen door „sondern” (sondern nur zur ewigen Freude).
Pag. 175: „du” vervangen door „de la” (Le problème de la douleur, Etudes évang. 1867).
Pag. 176: „Ps. 89:4S” vervangen door „Ps. 89:48” (Gen. 3:19, 18:27, Job 4:19, Ps. 89:48v., 90:3, 103:14v., 146:4, Pred. 3:20, 12:7).
Pag. 179: „Authropologie” vervangen door „Anthropologie” (in zijne Studie der Christ. Anthropologie).
Pag. 179: „celni” vervangen door „celui” (aussi intact que celui de la vie).
Pag. 179: „protoplasma” vervangen door „protoplasme” (La structure du protoplasme etc. 1895).
Pag. 183: „voort” vervangen door „voorts” (en voorts Polanus, Synt. V c. 12).
Pag. 185: „I6” vervangen door „16” (Hd. 16:17, 19:15. Deze obsessio nu, hoe ontzettend ook).
Pag. 185: „anoloog” vervangen door „analoog” (een analoog verschijnsel zien optreden).
Pag. 185: „bij” vervangen door „by” (With an introduction by Rev. F. F. Ellinwood).
Pag. 197: „waarbeid” vervangen door „waarheid” (toen beeld, nu waarheid; toen schemer, nu licht).
Pag. 202: „werel” vervangen door „wereld” (doch de gewijzigde wereldbeschouwing vergde).
Pag. 208: „voorafgang” vervangen door „voorafging” (onze periode eene andere voorafging).
Pag. 233: „berschappij” vervangen door „heerschappij” (maar een religieus-ethische heerschappij).
Pag. 244: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (werden rechtstreeks en onmiddellijk het deel).
Pag. 245: „omgerijmd” vervangen door „ongerijmd” (alwetendheid enz. is ongerijmd).
Pag. 249: „Cristus” vervangen door „Christus” (de leer van Christus in de moderne dogmatiek).
Pag. 258: „onmiddelijk” vervangen door „onmiddellijk” (dat Christus onmiddellijk zijne plaats kon innemen).
Pag. 272: „preumatisch” vervangen door „pneumatisch” (psychisch en pneumatisch leven).
Pag. 274: „26:43” vervangen door „24:43” (eene jonge vrouw, en vooral eene ongehuwde, Gen. 24:43, Ex. 2:8).
Pag. 278: „philosopie” vervangen door „philosophie” (de nieuwere pantheistische philosophie).
Pag. 284: „théeol.” vervangen door „théol.” (Revue de théol. et de philos. Mars 1891).
Pag. 290: „apotelesmatum” vervangen door „apostelesmatum” (apostelesmatum en charismatum).
Pag. 302: „כֹהֵן” vervangen door „כֹּחֵן” (de namen in andere talen, zooals כֹּחֵן, ἱερευς, sacerdos)
Pag. 305: „מִגְחָה” vervangen door „מִנְחָה” (Eerst was het offer eenvoudig מִנְחָה, gave, Gen. 4:3).
Pag. 312: „alleen” vervangen door „allen” (den naam boven allen naam).
Pag. 316: „Augustius” vervangen door „Augustinus” (Augustinus Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi).
Pag. 330: „Me” vervangen door „Mc” (en Dr. John Mc Leod Campbell).
Pag. 331: „oenvre” vervangen door „oeuvre” (Etude sur l’oeuvre de la Rédemption).
Pag. 331: „bij” vervangen door „by” (the atonement as taught by Christ Himself).
Pag. 363: „53” vervangen door „52” (Lev. 25:51, 52).
Pag. 377: „11” vervangen door „22” (en 1 Petr. 3:19-22 spreekt in geen geval).
Pag. 393: „scholatiek” vervangen door „scholastiek” (de scholastiek leerde wel).
Pag. 395: „Dordsche” vervangen door „Dordtsche” (Op de Dordtsche synode).
Pag. 422: „κηρηγμα” vervangen door „κηρυγμα” (was een κηρυγμα tot de geesten).
Pag. 424: „eu” vervangen door „en” (en het hoogst en rijkst in Christus).
Pag. 426: „veplicht” vervangen door „verplicht” (is het volk nu ook verplicht).
Pag. 432: „gemeemte” vervangen door „gemeente” (niet alleen voor de gemeente stierf).
Pag. 432: „Gol.” vervangen door „Col.” (1 Cor. 3:10-15, Ef. 4:1-16, Col. 2:19).
Pag. 434: „his” vervangen door „bis” (Freiheit von d. ap. Zeiten bis auf Aug. Freiburg 1856).
Pag. 445: „poemitentia” vervangen door „poenitentia” (De poenitentia bestaat bij hem altijd in twee stukken).
Pag. 451: „Remonstantisme” vervangen door „Remonstrantisme” (dat door Socinianisme en Remonstrantisme voorbereid werd).
Pag. 458: „Durchburch” vervangen door „Durchbruch” (geen eindelijk intredenden Durchbruch).
Pag. 459: „bebben” vervangen door „hebben” (eene neue Schöpfung plaats hebben moest).
Pag. 464: „moeielijkheid” vervangen door „moeilijkheid” (met eene eigenaardige moeilijkheid).
Pag. 464: „eu” vervangen door „en” (aan Christus toeschrijft en ons toch opwekt).
Pag. 467: „aggressief” vervangen door „agressief” (naar methodistischen trant agressief in de wereld).
Pag. 467: „eu” vervangen door „en” (ook toepassen en uitdeelen).
Pag. 509: „ontneent” vervangen door „ontneemt” (maar zij ontneemt er ook niets wezenlijks aan).
Pag. 519: „πιστενειν” vervangen door „πιστευειν” (want Johannes spreekt menigmaal van πιστευειν εἰς τινα).
Pag. 527: „inzon-heid” vervangen door „inzonderheid” (heeft de Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn).
Pag. 532: „parallele” vervangen door „parallelle” (om de parallelle vormen de voorkeur).
Pag. 562: „16, 16” vervangen door „16” (want Ik ben heilig, 1 Petr. 1:16, _weest_ volmaakt).
Pag. 567: „aannnemen” vervangen door „aannemen” (die de mogelijkheid van afval aannemen).