Gereformeerde dogmatiek. Derde deel
Part 64
Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods. Het is το ἐργον του θεου bij uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten, geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart, zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen, πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking, heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift eraan toekomt. 1º Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën, die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van hen, voor wie zij verworven zijn. 2º In zooverre is het volkomen juist te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor. 5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus, gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God _is_ verzoend, neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl. 383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3º Te meer dient dit vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken kan in de gemeenschap van Christus. 4º Met name behoort onder die weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5º Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6º Deze reëele schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter heeft hetgeen geschiedt in den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7º Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt, moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. 8º Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden weldaden te ontvangen en te genieten. 9º Wijl de schenking van Christus en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen, hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen. De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk, waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10º Het geloof als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het geloof ook naar zijn aard onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom. 4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz., Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat, Sohnius, Op. I 976. 11º De fout van het antinomianisme bestond dan ook niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte, wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12º Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest, maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot priesters, die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft, Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13º Of men het geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II 6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef. 3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe, maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz., Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’ tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren, Rom. 4:17.
4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. הצדיק duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor onschuldig verklaart, en staat tegenover הרשיע, verdoemen, Deut. 25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1 Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1. Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem, den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd. In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν, 8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19.
Nu kan het woord הצדיק, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed. Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs, Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff, Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522 f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist, dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol. VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. 140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den _staat_ en den _stand_ der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι, geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven grondslag heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11 verdient de lezing δικαιωθητω om de parallelle vormen de voorkeur en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St. Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.