Chapter 9
--"En dan te denken dat ik ook eens mijn eigen paard reed, mijn goed paard.... ma pauvre Mirsa".... mopperde de dokter vlak voor hem, uit zijn eigen gedachten.
Grottig vloeide voor 't gezicht weifeling van lucht. Haastiger onder het gaan slonk de al dalender steeg. Toen klankten weêr de eenzelvige stappen op het kleine Zocco. En de opstapelingen, duister als waren zij gegroeid, stuwden zich op naar het hooge open boven, naar het rouw-blauw van den hemel, magistraal met zijn benageling van sterren. Maar insidderend lag er het zwarte van onder, er doolden spinraggen en raadselen van schijn, draderig geflinster schoot er het wanden-duister langs, als lijnen van telegrafen. Vogel kwam aangedrongen, Johan rakend en toen los, toeschietelijk met het goeielijke in zijn gepraat dat hij hebben kon, liep hij weêr te vragen:
--"Alzoo gelooft ge wezenlijk, dat een vreemdeling die hier veertien dagen is, als gij; die komt waar wij komen, als gij; op een avond naar bed zou kunnen gaan, dadelijk na zijn diner, en zijn twaalf, nun, zeggen we elf uurtjes, kan doorslapen zonder dat wij het zouden weten?.... hoe is dat zoo?.... pscht," slikte hij tot fluisteren zijn stem in, "loopt u een beetje hier, daar komt monsieur Crépieux aan.... ik ken zijn lantaren."
Maar in het gauwe gaan was het lichtje achter Johans rug flap uit gelijk een uitgewaaide vlam; nagezeten menschen die op de teenen vluchten, zoo draafde hij schichtig achter den schichtigen Vogel. Ze waren de groote Zoccostraat voorbij gesneld. En nu langs den opstand waaronder overdag de koopvrouwen met de brooden zaten, bedaarde het geloop. Achter hen bauwde uit den donker de stevig aanstappende mannenpas, in den zakkenden gang met val van klank.
--"Hij gaat eten.... hij woont bij den muur, mijn patroon.... ce Crépieux."
Dan vóor hen, waar kwam het zoo snel vandaan? schommelde alweêr een ander rood lichtje, het ging, schijnende dwaalvlam, op, neêr, soms als in een tocht aanvarend.
--"Loop wat aan!" stookte Vogel weêr op. "Ce bon brute daar kan ons wel een beetje bijlichten.... Kom toch."....
--"Ik zeg: 't is niet de eerste maal dat ik zoo mijn geluk zoek."
Tot op twee manslengten achter het bakentje liep Johan meê, willoos in het rillerige donker. De Arabier keek niet om of op, gewend. Hij sjokte als een nachtdief, vallend het duister tegen, met zijn bekapten kop in den loop voorover; met het soppige geluid van zijn tippende muilen onder het opgeschop van zijn nachtjas, geleek hij soms meer een vrouw. En het vlammetje oproepend zijn knuist uit den nacht der mouw, brandde roetlicht neêr in een cirkelkring van stervend rood: een heraldiek teeken, de lichtschim van een kruisvaardersschild, zoo schoof het naast den duister-witten man. Spraakloos gingen ze in het lawaai geworden leven van de voeten; de blinde muren schroeiden op uit een gerikketik van vuil en onkruid, schijn vlottend naar schijn. De eerste steeg week wijd-zwart in den wand en duisterde achter hem dicht; een deurpost paalde met zijn hoogen drempel er onder en voorbij; toen zwenkte Vogel, latend den gangenden lantarendrager, op den lichtschraai af die midden in de steeg Sivory's kroeg uitwalmde.
--"Een glaasje op onze gelukkige ontmoeting, is 't niet?" zei Vogel.
Maar Johan bedankte, neen, wezenlijk, hij had geen lust, ergen honger.... en 't was al zoo laat, de dokter moest Jachjemed maar naar buiten sturen.... neen, wezenlijk niet.
--"Des bêtises."
In den schamperen kroeggloed, glom het ellendige geween van zijn lichte oogen. Zeker, ze waren groot geweest en gespannen in het duister, maar al gordijnde de vouw er over, brekend het even kralende gekijk. En zijn neus vlak pakkend het deurlicht, snavelde er tusschen neêr, hard en onverschillig in een stijlen rug, maar verdrietelijk toch met zijn hangende punt. Een zenuwachtig rilletje trok op onder uit den bluf van den knevel en zijn mond, zijn spotmond, hoe zou die er wel onder uitzien. En nu ging zijn linksch oog daar nog meer knijpen in een geraad van rimpeltjes; maar boven het andere kromp de brauw, stijgend, als in hoon, hooger.... Och, oolijk was het bijna om er om te lachen, maar ook om er beroerd van te worden. Hij stond vaal in zijn verwaarloosde jas; tegen zijn nek op frommelde een boord te hoog, welig warde het haar er over. Laag hingen de handen langs neêr, missend de pijp.
--"Ik zal nog een glaasje nemen.... een tout petit.... waarom zou ik niet?.... de rhum van Antonio is goed.... geeft me slaap.... en slapen wil ik.... waarom niet?.... Bonsoir.... ge weet.... niets vertellen aan monsieur Crépieux.... Dus ge komt morgen bij mij kijken?" bleef hij even staan zeggen.... "doe het maar.... tot morgen dus, bonsoir."
Johan alleen, wachtte in het straatje.... Als nu die jongen maar dadelijk kwam.... 't was eigenlijk zoo noodig niet, eergisteren was hij ook wel alleen naar huis gescharreld.... Maar hij had zich nu plotseling verloren en zoo moe gevoeld; tegen den muur was hij aan gaan leunen, met niets geen kracht meer. Hij wachtte. Uit het kroegebinnen rommelde 't mannengezwatel, onverstaanbaar door-elkaâr-gewar van spraak; hoog op steigerde lachen, aanvarend op den lichtschraai naar buiten.... Antonio's plezier.... Voor zijn oogen was het werkplaatsje van den kleermaker verschijnend, slaperig met hangende deur, een dicht huis dat zijn geheimen bewaart. In het duister stond hij, machteloos, zoo òp, zoo leêg, zijn maag was een leêg ding ook, o, hij had honger en dorst. En de table d'hôte kwam in zijn hoofd blinken, linnen-blank met veel licht, met rinkelende karaffen, met rookend eten, volop, veel zou hij eten. Zwart, stop-zwart ging de steeg in het niet; door de wijdte was het stil, suisstil, maar de kroeg naast hem, een gat rood walmend leven hier in het nacht-overal. Hoor, daar ging een hond aan het blaffen, van vèraf hortte het de huizen over, viel het in donkeren huilval, druischend in zijn ooren neêr. Zeker, de nacht wou van hem, hij had den nacht gedronken, te veel, met zijn oogen, met zijn ooren, met zijn adem en met zijn handen ingetast. Hoog over de steeggeul en over de dompende blokken, daar achter en daar rechts en daar links, daar schoof de nacht ruimte van grondeloosheid, verijsd, gemat, vliedend in ijle atmosferen boven het maan-blauw al hooger, bewicheld met sterren, radeloos al meer. En met de behoefte, plotseling, iets van zich zelven heelemaal te zien, stak hij zijn hand langzaam van zich af in den rossen deurgloed.
Hoor, daar was Vogels verweerstem fel van zich afbekkend.... een onbekend geluid raffelde er tegen in. Dan gromde het wat van uit de diepte: zoetsappig gekeuvel, gekwispel en gekal van mannen die door den neus praten. Vast zaten er Arabieren te drinken.... Eergisterenavond ook.... Maar dat kwam van den opgeruimden kolonel met zijn joviale vertelsels, en dadelijk toen Antonio's jongensachtig lachen, duidelijk over het voorplaatsje aangedragen door het roetachtige geroezemoes:
--"Oh, monsieur Badaud, schei uit, ik stik."
--"Pak aan, muchacho.... licht."
Dat was de stem van Antonio's vrouw.... nu zou Jachjemed wel dadelijk hier zijn....
En Johan ging los van den muur.
V.
--"Herein."
Over den drempel met een stap als in een kuil, was Johan onverwacht gedaald in de kamer. Maar achter de al-dichte deur was hij staan gebleven op den uitgetrapten zandgrond, bestookt door een oogenblikkelijke benauwing, onwillig voor den vagabondeerenden menagerie-stank van opgesloten heete beesten, die prikte in den neus en terughinderde zijn vrij ademen. Schuw, onder een hoog troebel licht had hij Vogels blauwen blik zijn inkomen zien zoeken. Doch een lawaai barbaarsch, veel te geweldig voor zoo klein een ruimte, het krijschen van een bang geworden aap: een harig donker monstertje zat daar tegen tralies aangegrepen, gluurde, schuivend den kop; wanhopig-wit, verdwaasde beestoogen; dan stil, klapte het als in een groote siddering zijn smoel snel voorbij het grimmende gebit.
--"Ah, de schilder," herkende de dokter blijig, van boven de werktafel waarop zijn handen lagen bleek in den dag. Donker en hard, een mechaniek gelijk, stak hem de pijp onder uit den fellen neus of zij vergroeid waren met elkander.
--"Dat's goed van u.... zeer goed.... taisez-vous donc, camarade," knorde hij naar den aap, die de spangen deed rellen, dat er het hooren en zien in de werkplaats van verging.
--"Gaat u zitten, gaat u zitten."
De zitting waarvan hij was opgekomen, een plank gelegd op het matlooze geraamte van een stoel, wipte, sloeg blink-lichtend onder hem neêr, rumoerend weêr wreed de kamer. De aap plofte weg, verscheen opnieuw plomp-donker, tand-blikkerend. En de stoel alleen, lattig, van geverfd hout, bleef in zijn donkeren stilstand.
Johan bij de deur, houdend zijn tasch bij den schouderriem los aan de hand, zag Vogel met willooze handen in de war gebracht staan, in het leêge midden van de werkplaats, als een man die verrast wordt en ongewoon geworden is aan bezoek.... Was er dan niets om op te zitten aan te bieden.... Hij ging, sukkelig gebogen in een verslofd luuster huisjasje en halsstarrig nagegaan door de druilerige oogen van den aap, die tusschen de kieren doorloerend, klonterig zat bovenop zijn handvoeten, lang van span, knijpend de tralies. De haar-armen hingen er achter, en om zijn gemoedelijk vooruit-leuterenden snoet, mummelend, een oud-kereltjes-mond, rilde en kringelde nog telkens de grimas, zenuwig als bij een kind, dat na lang huilen het snikken niet laten kan.
--"Laat ik maar dàarop gaan zitten," meende Johan eindelijk, en hij wees naar een tobbe naast zijn beenen, een doorgezaagde ton, in een kring van weeken grond verzakt en met een plank ook tot deksel.
--"Neen, neen," lachte Vogel zich opzettend en hij stopte zijn pijp die vallen wou in zijn jaszak.... "Neen.... doe het niet, daarin huist de Gypohierax Angolensis van monsieur Crépieux, wissen Sie.... ha.... een meeuw.... niet meer."
Op zijn gemak snuffelde hij nu den spinnekop-stoffigen muur van grauw pleister langs, verzette veel pakhuisdingen, van-achter het hok, gestriemd door de tralies liep hij weêr terug en scheen te hebben gevonden; want hij zeulde een bankje van uit het donker onder de tafel; kalk-wit hortte het ding in het licht. Een flardige papierzak opengapend lag er op te kantelen, propvol nog in de punt met rul poeder. Sussend klakte hij met zijn tong.
--"Ah.... que voulez-vous?"
Zindelijk, zonder veel stuiven was hij al bezig de gemorste kalk in het zakje te schuiven; met de knieën wat geknikt en door zijn hangend jasje omflard, stond hij krom boven het kleine gierige schrapen van zijn voorzichtige hand; op de aangestampte aarde platten zijn schoenen met de kleur van den grond.
--"Hebt ge gearbeid?" vroeg hij.
Van tusschen uit het lang smalle raamkozijn, waarvan de harde haakschheid vernield was door veel nesterig en dwars-webbend spinrag, van achter het geraam der bestoven en gore ruitjes, zeefde het late licht van wel al vijf uur in den middag binnen, was wittig onder het nadende zolderhout dat dekselde boven de hoofden van de beide mannen. En Johan die laag het ploeteren van den dokter merkte, hoe hij het bankje schoon wreef met een slip van zijn jasje, zag hoe rechts een plank den muur in de lengte ploegde en bezet was met stuk naast stuk staande opgezette vogels; als sieradiën verstijfd in hun natuurlijk staan waren het bot glanzende veêr-lichaampjes op droge pootjes.
Het was er een gezigzag van hoog en laag. Tusschen de doffe, dikke, hoenders geleken het, rankten er kleiner, vogels die snel kunnen stijgen, luchtvogels: leeuweriken, spreeuwen, maar als lijsters zoo groot, maar blauw, onweêrsblauw, heet-donker, middagzon-hemelblauw. Het waren gansch en al onbekende vogels: kustvogels, want er hadden er bekken om visch te vangen, kroppen waar visch in wordt bewaard, slokhalzen, duikhalzen. En er hadden er pooten, strandloopertjespooten; ze deden blond en moederlijk om de kleine. Daar in den midden scheen er éen weg te willen vliegen van zijn knoestigen tak; een glanskrans als een regenboogje glom om zijn borst, maar de stompe botten van de open vlerken waren dof van het stof; zoo het vuil mat is op het glad-donker van een wijnflesch; poeder van houtworm lag gelig op het voorhoofdlooze kopje. Daar een insekten-pikkertje met een neb als een naald, een pluizig dingie, van een vaal overrijp bezie-rood; twee lange witte sprieten pronkten op, grashalmen gelijkend, en gaven het een staart als een lier. Doch als een soldaat in een schilderhuis maakte een reiger de rij af en den hoek vol. Dik zat hij in zijn krop, hongerig nog den zandgelen bek opstekend; zijn kuif hing neêr of hij pas had gezwommen, waterschuim-blauw waren zijn veêren. Onder zijn buik borg hij een papegaaiachtig beestje, droog en grasgroen, half toegewend met een praatmond, knabbelmond als van een oud vrouwtje. Van op hun plankjes staarden zij alle langzaam aan, alle met het kralende gekijker van hun glazen oogjes.
Onder in den tafelhoek, heel een mand uitgestort wild wel, lagen de vogels rumoerig over elkander, slap, lenig in de schaduw.
--"Voilà!" kwam de dokter op en hij plantte de bank wat dichterbij op den bultigen en om de tafel als vogelmest grauwenden grond.... "neemt u me niet kwalijk dat ik u niet wat beters kan aanbieden."
--"O," zei Johan, "dat zit wel, ik ben niet verwend."
--"Ook niet?"
Leuk had Vogel zich omgedraaid, dwaalziek in zijn hok, ging, met op den rug glansloos-grijs het licht. Hij was zonder boord, kaal en arm in den nervigen hals. Bij het hok stond hij nu met den neus door de strepende tralies, bijziende zocht hij den grond, zwaar tegen de aapkooi aangeleund, die van te nieuw hout, opdringerig, een gevaarte was in de kamer; schriel plekte zijn oor in het nog dikke en grauwe slaaphaar. Door de tralies heen verscheen het latwerk van een andere afschutting. Maar Vogel praatte zacht-roezig in zijn eigen huis tot den aap, die of hij alles verstond oplettend lummelde, met zijn vochtig uitziend handje den grooten mannenvinger vasthield.
--"Vous n'avez besoin de rien, verstehen Sie, ge hebt vreten.... ge hebt drinken, alors tu me vas être sage.... is het niet, camarade.... allons, wees maar niet bang, ce monsieur"....
Hij praatte vlug òm naar den ander, luider:
--"Ik had nog niet de eer u voor te stellen, mon ami Caca.... bonne bête en somme.... Regardez.... ik geef hem den vinger en hij neemt de heele hand of hij een mensch was.... oh.... ik ben zeker.... ge vindt het een bêtise, wat ik zeg daar."
Zie! boven die twee paar kijkende oogen bewogen de gemakkelijk plooiende rimpels gelijktijdig. Den duur van een oogenblik was dat verschrikkelijk geweest. Had Johan er zijn eigen oogen niet van voelen gaan verdwalen of ze weg wilden uit het hoofd?
--"Bestia, ge begint indecent te worden, kameraad."
Vogel spelend, krauwde met de vrije hand zijn aap op den kop. En Caca grimasseerend, ratelde schel met knippende oogjes, wrong zich genotvol onder het gekoos van den baas. Angstiger hield hij den vinger; al rommeliger krabde hij in zijn lenden en dijhaar, kleintjes klagend.
--"Genoeg, genoeg." Toen zich vrijmakend was Vogel met een paar groote treeën onder het licht, trok den stoel met veel ratelgerucht onder zijn zitten-willen-gaan. De aap plofte weg, verscheen plomp-donker, bleef in de vlucht met uitgespannen pooten en aan 't rillen met den bek. Een mand rolde, door den sprong geschud, boven op het hok.
Vogel diepte zijn pijp uit zijn zak op, babbelde of hij de stilte niet verdragen kon.
--"Al dat wat ge hier ziet.... we hebben nog een exemplaar.... een jakhals.... daar achterin.... hoor hem loopen, ça m'embête et ça pue.... daar is rooken goed voor.... kijk, ik rook niet zwaar.... komt van Rotterdam, zoo ge ziet.... nun.... nun.... al wat ge hier nog meer ziet, is nu de weelde van mijn patroon, monsieur Crépieux, maar weet ge wat zijn rêve is.... raad eens?"
Klankloos in den nog lichten dag brandde het vlammetje dat hij stil hield boven zijn pijp. Het danste lustig spelend door de rookmondevollen die hij smakkend deed gaan voorbij zijn lichten schedel.
--"Niet? hij zou zoo graag een leeuw hebben.... wissen Sie, une toute petite lionne de l'Atlas.... hij is er ziek van.... ja.... ze zijn te koop in Fez.... sait-il.... et il dit.... il dit, dis-je.... dat ze niet wild zijn.... ah, par exemple, dat zou eerst grappig zijn, zoo ik op een goeien dag opgevreten werd door de leeuwin van monsieur Crépieux.... Kreuzdonnerwetter.... ça sera tout de même drôle.... permettez...."
Onrustig, gestookt van binnen, hadden zijn knieën tot elkaâr geklept, toen sprong hij om op zijn stoel, liet zich voorover vallen met zijn armen op de tafel; rook nevelde op, gauw alleen verscholen in zijn rook, was hij aan 't werken begonnen.
En Johan vreemd in de kamer, voelde de onrust in hem geboren worden, ongestadigheid zakte in zijn beenen neêr; hij moest zich tot zitten dwingen.
Voor de tafel met de knieën in het donker zat de dokter. Boven blauwde het voor het raam waar de dag slonk. En zijn vingertoppen waren aan het tasten in de buikveêren van een vogel, die strak onder zijn hand lag met den hals rechtuit, als een onberispelijk gestorvene. Rijk omkraagd lag de kop achterover met de grijze rouwdichte oogkringen en de pooten rekten zich, neêrgestreken door de hand zoo tot een zuivere doodshouding. Stil poeierde de dunne dagschijn neêr over Vogels kalig hoofd en over zijn zoetjes zoekende handen, teeder met aderen beblauwd, wijl in de stinkende ruimte heel hoorbaar de loopgang van den jakhals dofte, heen en weêr; dan het schuieren van zijn haarbast de krabbende tralies langs, heen, weêr, met de dreinerige bezetenheid van een gevangen beest, dat maar loopt, omdat het er altijd uit wil.
Nu kwam van uit de tobbe even een gehamer, schichtig, zoo het snavelen van een specht komt uit het hout. Vogel, of hij vergeten was dat hij bezoek had, tuurde boven het beestje, hij spouwde het borstdons met de vingers open, de naakte huid zoekend, gelijk een aap die vlooit.
Van den eenen muur naar den anderen spande overlangs de planken tafel, vezelig, ruw van timmering. In het midden rondom het kadavertje was het vlak wit, zoor van droge kalk; tot een bergje lag het uitgestort op een journaal, achteruitgeschoven tot onder den greep der hand. Doodzwart brokkelde uit den kartelenden papierrand de kapitale letters: "le Réveil du Maroc." In het linksche hoekdonker rommelden veel snuffelige boeken, stapeltjes in de war gevallen, eenkleurig door het stof; stopflesschen, raadselig vol gekrioeld met gedrochtvormen verstijfd in het gelige sterkwater, blonken er nat als plassen in zand, en glazen zonder voet stolpten er met reine randen op de tafel. Een ervan, omglaasde in het licht een torrig, dikschildig insekt, doodgesparteld op zijn speld. Daar ook slingerde zijn halsboord met de punten omhoog, een boos uitziend ding, zoo het met een smijt tegen den muur daar scheen terecht gekomen.
In betrachting met het rookende hoofd op zij, hield Vogel met de linker vingers een kloof in de veêren van het doode beestje, spleet met een tornsneê de huid van borst naar buik. Hij mopperde boven het teêr snijdende scalpel:
--"'t Wordt al wat donker."
Johan al vreemder van binnen, voelde op zich drukken al zwaarder de zwaarte van de kamer. Maar hij zat. En in het benauwde vierkant klepte nu laf door de muren heen de slofstap van een ganger op straat, in kalm zakkenden pas voorbij.
--"Nous sommes en plein quartier arabe," zei Vogel, "er komen niet veel Europeanen langs hier."
Uit de gapende veêrvacht pelden zijn smoezelige vingers het boutje, koudbloedig, armelijk verscheen het. Hij snoof door den neus.
--"'t Werd tijd.... ça sent mal déjà.... le métier.... dis donc.... zoo het u interesseert open ik hem de maag en laat u zien wat hij het laatst heeft gevreten.... 't is grappig.... gij zoudt lachen zoo ge wist wat ik daar al in gevonden heb.... oef.... dat's sterk."
Hij kraakte een der pooten bij het kniegelid door, toen den tweeden; duwde voorzichtig de klauwen uit de veêrsokken terug, één voor één. Het lijkje zat nu nog vast aan den hals. En hij tilde het op bij den snavel, als een kleinood tusschen duim en wijsvinger, vertoonde het, schuddend de veêren vrij, of hij speelde om de schittering, lachte hij onder zijn opkijkende oogen.
--"Tenez, is hij simple genoeg, het arme beestje, on dirait un pendu, n'est ce pas?"
Maar den hals nu onder den kuifkop tot een lis gemaakt probeerde hij door te snijden, zoo een bot mes wringt tegen touw in; het vleeschkluitje met de opstekende pootstompen glibberig, en van het villen vol kerven, leî hij toen van zich weg.
"Dat is voor den jakhals."
Het huidje lag vóor hem leêg. En overrekkend de tafel, graaide hij in den kalkhoop, strooide een handjevol in het weeke van het vachtje, wreef zich de handen droog met het poeder.
--"C'est du plâtre.... gij begrijpt de veêren moeten rein blijven.... Nu komt het moeielijkste.... neen.... regardez.... ik ga de hersens wegnemen.... ze hebben er wel niet veel, 't is geen mensch, maar de kop is toch een essentiëel ding.... 't is lastig, ik heb niet meer mijn goede instrumenten."
Het mes draaide den hals in, hij deed het zorgvol om zijn bezoeker goed te laten zien; het kraste uit het van binnen of hij een noot holde.
--"Ik haal de oogen naar binnen toe uit.... comme ça.... sûr.... ça m'amuse.... dat kleine werk tranquilliseert me.... sûr...."
Hij peuterde door, zijn mes telkens rein strijkend langs den rand der tafel.
--"Al die daar heb ik zelf zoo geprepareerd.... die blauwe.... vliegende.... mooi hè.... dat is een.... nun, nun.... excusez-moi, er zijn wat gaten in mijn geheugen.... ratten"....
Het lijf los van de tafel had hij omgekeken, wees toen over den schouder met den duim in den wilde.
--"Die daar, ziet ge.... daar naast.... de zevende.... die er zoo poeierig uitziet.... la bonne poussière.... met zijn gehavende vlerkjes.... ratten.... kakkerlakken, luizen.... slecht geprepareerd.... nog uit mijn goeien tijd.... komt ver van hier.... Nun.... zoo ge eens wat zien wilt, vraag dan aan den patroon.... die heeft een heele collectie.... een kamer vol.... oui, dat heeft hij.... Maar mijn meesterstuk is toch bij Antonio, wissen Sie, boven het bed staat het.... une grue.... een pracht, met een kroon die wijduit pronkt, bovenop zijn kop.... et un plumage"....
--"Ja, soms krijg ik wel eens een mooi exemplaar.... Een tijd geleden heb ik een marabout geprepareerd voor den Consul; daar is moeielijk aan te komen.... het is de heilige onder mijn naamgenooten.... des bêtises.... non.... gij zult ze wel kennen.... hij staat kouwelijk, loopt met hooge schouders, filosoof zou men zeggen.... niet?.... soms is de krop totaal veêrloos en hangt hem aan den hals als een bedelzak.... un travail je vous assure."
--"Maar de meeste, wissen Sie, vooral kleinere als deze, prepareer ik alleen om de huidjes.... Dat zijn de zaken van monsieur Crépieux, hij stuurt ze naar museums, of als ik een hoeveelheid klaar heb naar de magazijnen voor de hoeden van dames.... à Paris, à Bruxelles, à Petersbourg, à Vienne.... à Amsterdam possible.... dragen de dames van mijn veêren op hun hoeden.... als ze eens wisten hoe ik ze heb vergiftigd met mijn gedachten, als ze eens voelen konden.... ah bah.... que voulez-vous.... het is een van mijn pleiziertjes er aan te denken wat vroolijke hoofdjes ze dragen zullen.... soms zet ik er een op mijn hoed om te kijken hoe het staat.... ik zei u toch hoe sentimenteel ik mij zelven ken, oude clown, ik."
Zijn gepraat dompte, achter zijn armen rommelde hij. Een blond vogeltje als een musch met een oranje neb, speelgoed, lag onder zijn alweêr tastende vingers.
--"Een woestijnvinkje.... heeft Mustapha van morgen meêgebracht.... Gisteren hadden we toch een aardig dagje, niet waar?"
De door zijn vraag dadelijk opgeroepen herinnering vlaagde verfrisschend Johans hoofd binnen. En hij was weg uit de kamer, met zijn ooren ook weg uit het gedruisch der woorden.