Gekken

Chapter 8

Chapter 83,914 wordsPublic domain

Maar was 't niet bepaald dwaas, kijk, het rijk stuurt je uit.... nu ja, dat is een wassen neus, goed dan, je wordt uitgezonden namens het rijk door een School-Commissie.... kunstvrienden uit de eerste ingezetenen der hoofdstad.... rijke burgers.... de beschermers, de heeren, waar ten allen tijde de kunstenaars de troubadours van zijn geweest.... uitstekend; die komen overeen, geven je op, kopieën te maken.... of je het mooi vindt of niet, daar wordt niet naar gevraagd, jonge wildzangen als de pensionnaires zijn, voor je welzijn dus en voor hun-zelfs plezier.... naar oude schilderijen, die ze.... neen, corpo di Bacco, dat was wel zeker.... ga maar na wat je te doen hadt.... zoo het origineel werk was, niet in hun huizen zouden willen hebben. Voor den drommel, dessertkost was 't juist niet.... Hoe zat dat zoo.... dat kwam dus niet van hen, niet van die eerste lui.... dat kwam bepaald dus van het land, van dat ding in de lucht.... Hoe zat dat zoo?.... Men moet redeneeren.... moet men niet?.... Al deze schilderijen zijn beroemd als groote kunst.... de bedoeling is: de kunst grooter te maken. Groote God, wat een tegenspraak.... want hoe meer de pensionnaires de kracht uit die groote meesters inzogen.... en dat was toch de bedoeling, ga maar na.... hoe meer ze thuis de kans hadden hun heele leven lang hongerlijders te zullen moeten blijven.... dat kwam er nu wel niet zoo opaan.... maar zij zouden dan van armoê ook wel niet veel uit kunnen voeren en waar bleef dan de groote kunst?.... En de pittigheid van die oude heerooms, want pittig waren ze.... kon je wel eens als oude wijn in je bol blijven zitten. Wat moest hij daar nu meê doen?.... Et la bonne reste.... het tweede deel van het officieele programma.... de natuur ingestuurd.

Zoo toegevend aan zijn oude hebbelijkheid, had hij zijn vlinderende gedachten laten gaan, en toen zacht-ernstig in het gras had hij herdenkend gelegen, de handen in mekaâr onder het hoofd gevouwen, boven het weeke zwellen van zijn hart, en gezien als door den nevel, die een roes in de oogen nalaat, hoe het blauw boven wegkromp in een hooghangende melancholie....

.... Dat was al begonnen in het Museum. En daarna, zonder thuis, wonend in herbergen, plots verloren gezet met je groeiende oogen in de wreede zonnatuur van het stoffige Zuiën, middenin het alles vernielende licht, middenin daar met je arm hoofd en je onmogelijke handen, zwart, zwart van al die binnenkamersche, oud-eeuwsche schilderijen....

Dat begon al vroeg, drie uur in den morgen; daar was hij al weêr, de harde dag, je opbrandend met onrust uit je slaap in een damp van zweet. En je wou nog niet zien, maar het verschrikkelijke licht sloeg je in je hersens, door je oogen in, als witte brand met rook van blauw, zengend op alles neêr, spattend van alles op.... En dan maar aan het werk en om tien uur al dood moe, en weêr als gisteren het werk vernietigd. Dagen dikwijls had hij gevoeld krankzinnig te zullen worden als dat niet ophield, en zich opgesloten met de stores dicht van zijn slaaphokje, en op bed gevallen met het gezicht in de kussens. Maar het licht vloekte in je hoofd, en dan verdooving gezocht in den landwijn.... hij van nature geen drinker, om het ellendige huilgevoel in je te smoren, hoe je niets zijt, niets in dat lichtoordeel.... Vaak midden op den dag aan den dwaal, onder den rechtstand der zon, om wel een zonnesteek te krijgen, wankelend tegen den brand in en dan met weêrhakerig plezier achter in je ooren hoorend, hoe het vadsende volk je uit de schaduwen nariep, en jongens die naakt in deur-inkijken lagen te zwijnen, achter je aan joolden:.... "Dronkaard.... Tonto.... Gek!"

Met klein, pijnlijk leedvermaak had hij na-geproefd, hoe juist in die dagen, hij ergens, poste-restante, een brief van een vriend had gevonden, hoe woedend hij zich toen gemaakt had om de ongeloofelijke liefelijkheid van dat schrijven.... als gekluts-kluts van water dat onder boomen voorbij zappelt.... en dat hier in deze verzengde wereld toen....

Hoe lang had hij daar wel gelegen, ongejaagd, zoo warm onder den koelen hemel, te genieten het volle liggen.... dan òp, want dat vervloekte rekenen moest gedaan zijn....

Van Madrid naar Burgos, zooveel.... was ook op de route voorgeschreven geweest te bezoeken om zijn kathedraal. Daar had je het nu weêr....

Was het niet zonderling, had hij honderdmaal wel gedacht, dat in al die voorschriften de architektuurstudie zoo gebiedend was aangewezen. Voor Spanje:.... Toledo, 't Escuriaal, Cordoba.... in Granada was bevolen ernstig het Alhambra te bestudeeren. Pompeji, Ravenna vooral in Italië.... Ja, er was bijna geen stad, als 't niet was om de museums, dan ging je er met je boeltje naar toe, uren sporens, om de architektuur. En dat had veel geld gekost van je traktementje en moeielijke zuinigheidsdagen had het gegeven, vooral in Italië, dat achterna moeten zitten van de architektuur.... Nu ja, dat was voor het breede zien.... "l'architecture est la mère de tous les arts", leerde de school.... Byzantium in Italië nagaan.... Egyptische invloeden over Griekenland terechtgekomen in Italië.... net zaadpluisjes, hier groeien ze en honderd uren verder komen ze eerst op. Italië had soms wel geleken van oude overschotten te zijn gebouwd. En in Spanje, de Moorsche architektuur, de Moorsche geheimvolle zon-schaduwkunst met zijn zinnige spinsels van nachtwichelarij, gehavend en in 't hart getroffen door den ascetenijver van de dwepende Gothiek:.... de moskee van Cordoba.... Maar 't Alhambra, het wellust-bouwsel waar de oude Moorenweelde het mooi vrouwenlijf meê heeft overdroomd, borduursel en weefwerk van steen en als in gaas de koelte bewarend bij het klaterende zonnewater van vijvers en fonteinen.... hij had het er geen twee uur in kunnen uithouden; gerestaureerd, beknoeid stond het daar, gelijk een opgezet beest dat naar kamfer stinkt, dood, leêg, de kolossale liefhebberij van een heel volk. En dan de Renaissance, die overal wel, storm van menschenhartstocht, scheen rondgegaan, waai-ademend hoe in elk mensch God woont, blazend de stelsels door elkaâr, brokken naast brokken, maar zettend eindelijk de hoogmoedige persoonsdaad in 't gezicht van de verstervende leeren.

.... Van Burgos naar Parijs.... zooveel.... te lang.... Bordeaux.... het eerste plan rechtdoor is beter.... Burgos.... Irun.... Bordeaux.... daar ook een museum.... tot Parijs.... zooveel en eenmaal daar.... och wat.... als de hemel invalt dragen we allen een blauwe slaapmuts....

Toen alles zoo gewikt was en nagecijferd, had hij zijn gordel om het lijf gegespt, opgelucht klaar, en was weêr achterover wat gaan liggen, lekker op den grond als op een tapijt.... Parijs, Parijs, was het begonnen te gonzen in zijn hoofd.

Vier jaar wel al geleden, in de maand Mei, voor de eerste maal op reis, was hij er geweest. Vrienden die er waren, zouden hem af komen halen van de Gare du Nord.... herkenningsteeken: het wuiven met een witten zakdoek....

.... Veel muren met gele plakkaten langs, aanplakbiljetten bedaverd met veel letters.... plezier.... plezier.... en met de schuddende omnibus, andere schuddende omnibussen voorbij, donkere, volgeladen reiswagens, waar van-achterop de conducteurs onverstaanbaar riepen naar elkaâr, schuinzeilend stonden met de hand aan de trapleuning naar boven.... Dan leigrijs, van buiten een huis zoo stil, met een breed-uitvarende steentrap onder een tempelend portiek.... de Madeleine.... drie bekende gezichten.... Frits ook, met hem op de trap. Maar van binnen een mist van wierook en bloemengeur in de dreunende bedwelming van koraal en bazuinen. Het ruim boven donker, open met bleeke gaten nacht, de muren vaag met sidderende nissen weg. Beneden een volk van dames, geknield op den kerkvloer, een stil-ruischende en plooi-schuifelende schaar voor de bidstoelen neêrgezegen in lekkerruikende verdooving. Bij de zacht toe-vallende tochtdeur een veranderzieke bijeendringing van in- en uitgangers, veel straatgezichten, werkmannen in blouses, met petten in handen; wijven met hooge wangen en rulle haren, zich bekruisend of niet; heeren met kale hoofden en snorren, zich bekruisend. En van achter, boven het rood-rooklichtende altaar, uit den schemertuin van bloementuilen, het gehosiannah van een vrouwenzang, de hemelstem wel van een onzichtbaar vliegenden engel door het ruim, blauwend in dank.... Alzoo leeft een mensch van herinnering.

De dienst uit.... en een verwonderlijk hoog opstekende Engelschman in een geruite reisjas, met een oogglas in zijn kop van rood kippenvel gekneld, dringend vooruit met onwijkbare schouders, brutaal naar de bloemen toe. Doch de dames voorbij in een wasem van violetten en tusschen de rijen geschemer van witte kinderen, meisjes, serafijntjes in wolkjes van gaas, mistig omsluierd, met kroontjes om de hoofdjes. En een gezeur van stemmetjes; want bij de deuren ook de communiantjes, blozend met neusjes nieuwsgierig onder pimpeloogjes en bedelend allerliefst: "la charité s'il vous plaît." En klankspringen lieten ze de aalmoezen in taschjes van roode pluche, in de handjes wit geganteerd: "la charité, als 't u blieft, voor de maand van Marie."

* * * * *

--"Hè!.... hè!" grauwde het nog eens terug.

Vooraan, waar de Zoccostraat gaat in de kleine markt, was Johan een man die klom in de borst geloopen, en geschrikt blijven staan met de handen bang voor zich uit.

--"Hè!" uitte hij ook op zijn beurt, helder hoorend hoe zijn stem lager was dan gewoonlijk.

--"Ah, daar hebben we den schilder," ginnegapte hoog-uit Vogels bekend geluid, "wat een buitenkansje." Hij stak zijn pijp bijna in 't gezicht van den ander en raffelde in een adem van rhum en smook: "hoe is het, zijt ge bang, mijn waarde, dérangeer u niet.... 't Is waar, het is een weinig donker, mais que voulez-vous.... men is hier niet in Amsterdam, par exemple." En goed gehumeurd als hij scheen: "zal ik u naar Antonio brengen, ik kom er vandaan.... hé?.... ging wat eten.... daar heb ik den jongen Jachjemed gezien, Antonio geeft wel een lantaarntje"....

Maar Johan:.... "merci".... hij wist nu wel den weg, het was altijd 't zelfde paadje.

--"Nu ja," smakte Vogel en hij deed zulk een zwaren haal, dat het gelurk wel uit een kelder scheen op te reutelen, "nu ja, het is niet ausserordentlich groot hier, dat vindt zich vanzelf; maar kom, ik heb den tijd. Zoo goed als gij tegen mij opliep, kunt gij ook tegen een ander oploopen; waarom zou ik u niet liever brengen."

--"Ik had u gisteren avond nog verwacht," praatte hij naast Johan.... "men ziet u zoo weinig."

Het kleine marktruim, nachtvol, zwanger van zwart, zwol op onder te raden wanden. En Johan, zoekend grenzen en tastbaarheid, speurde het moskeetorentje zoo 't hoog uit den omme-chaos reikte, want de hemel bewaarde nog licht. Een geflipflap van stemmen vleermuisvlerkte de donkertes laag uit.... late mannen.... schooiers misschien zonder thuis, die den avond door verpraten bleven onder de bogen van den bazar.... stak daar niet iemand het plein over.... een geschimmer gleed er.... hij zei:

--"Gisteren avond.... toen.... heb ik gewerkt."

En hij had de woorden nog niet gezegd, of het onbegrijpelijke beroerde hem, hoe hij zoo in eens kwam aan dit prompte leugentje.... waarom? was het niet even eenvoudig geweest te vertellen hoe hij met zich zelven geen raad geweten had en maar naar bed was gegaan....

Waarschijnlijk liepen ze nu tot voor het klimmende straatje, in Johans staroogend nog-willen-zien begon het duister te blauwen. Dat ondoorgrondelijke, dat tastdonker was dat niet de steeg naar Sivory's kroeg.... Maar achter hoekhuisblokken verslonk de laatste lucht, de voeten gingen meer aan het aarzelen. Vogels stem kwam rad en spoelend uit het vocht van zijn onzichtbren mond.

--"Wij waren met zijn.... hoeveel wel?.... monsieur de Redacteur du Réveil, monsieur de kolonel mijn vriend Badaud, monsieur de minister, ook wel, knecht van den Zweedschen consul, wissen Sie.... even voor 't tafeldienen zag 'k hem bij Antonio, ha!.... mijn kameraad de Zwitsersche fotograaf en ik.... voilà déjà cinq.... n'oublions pas, monsieur Cré.... Wat is dat?" zweeg het geraffel met een hik.

Een duistere knel om den arm had Johan tot stilstaan gedwongen. De dokter rommelde voor zijn voeten, zijn spraak zwom laag en slibbig, terwijl hij prevelde: "encore un petit aigle."

Maar dadelijk huiverde zijn hoofd weêr op, blootshoofds steeg het met zijn hoog frontaal, schimmerig of het met fosfor was bestreken.

--"Ik wist het wel," hinnikte hij, "ik heb het door mijn schoenzolen heen gevoeld.... weêr een buitenkansje.... de tweede vandaag al.... voel hij is nog warm, nog geen half uur kapot." Zijn stem zakte, Johan bleef staan. Vogel zei zijn hoed te zoeken, in het bukken gevallen.

--"Zeg er niets van aan monsieur Crépieux.... niets, hoort ge," drifte het vraag-bevelend.... toen alsof Johan wat gezegd had: "nun, wat zou het, ik vertel hem morgen dat ik ze met andere van Mustapha gekocht heb".... Hij streek het doode beestje de veêren glad, zijn hand aaide. "Ça vaut bien deux autres bons grogs. Que voulez-vous? heeft hij niet het geld, hij.... en ik.... heb ik niet een fijne neus? Maar gaat u even meê terug, hij mag 't niet zien, deze bêtise in mijn hok deponeeren, 't is dichtbij.... dichtbij."

En over het plein, door den al blauwender nacht sjokten weêr hun paren voeten; zwaar gezet, klankten ze hol, wanneer geen rulligheid knerpte, stappen gelijk die bauwen in een kerk. Vogel bromde dikwijls wat, als spon hij raadselwoorden in zijn knevel, maar ging vooruit, den weg wel wetend. Johan achter hem aan, waadde door den nacht, soms geloovend te zien het zwakke licht-beweeg, de schommelende hand van Vogel, maar ruikend waar hij liep, de prikkeling, de aanwaaiing van den smook. En 't was binnen in hem ook duister en leêg, die sombere voeten klopten zoo ellendig alleen, hij had wel willen gaan wegloopen. Diagonaal staken ze de markt over.... Zoo was ook zijn weg naar het logement.... daar was gauw licht en ordelijke gezichten, wat moest hij nu meêgaan naar dat hok.... Boven de algeheele verzinking van de dingen begon de hemel te gaan in desolate pracht, enkele sterren, koel en eenzelvig, pinkten er als knipoogen hun wit licht-gevonk.

Maar een dijk van opgestopt duister kwam verbijsteren zijn spalkstaren. Hij wankelde terug, zoekend opnieuw met handen en het stapbeen te hoog in de knie gekrompen, zocht, zocht. Tegen zijn geloop in begon de weg als een berg te staan.

--"Pas op, mon petit monsieur," riep Vogel vooruit.... "we gaan de ruelle in.... attendez! Dan zal ik u wat licht geven."

Er gloeide als een vuurvlieg een lichtstip. Witte rook-kringeltjes festonneerden, siswolkjes, en dan niet meer, want zuchtend zogen Vogels lippen het pijpkratertje in brand. Johan hoorde hem zacht tegen den muur de asch uitslaan en toen aan 't blazen, tot er vonken vlogen, tot bloedend voor het steeggat het schema van zijn hoofd verscheen met tintels in 't natte saffier van zijn oogen. Hij spoog, den mond bitter, en kortademig van inspanning ging hij opnieuw zijn klots-klots, verzwolgen in het slopzwart.

--"Ha, ha!" lachte hij vroolijk daarna en stootte zijn stem de steeg in.... "je me dis, hoe gemakkelijk het zijn zou, zich zoo een beetje te kunnen bijlichten, als we in den kuil zullen liggen.... Des clowns que nous sommes.... vanavond is hier réunion in de Engelsche club.... een Italiaansche prestidigitateur die de kust afreist.... alzoo hebt ge gisterenavond gearbeid.... Ja?"

--"Zeker," antwoordde Johan kortaf, met zijn verzinsel al verlegen.... maar het kon toch evengoed zoo geweest zijn, niet waar? waarom, wat behoefde hij het te vertellen hier in deze akelige steeg, waar je telkens met je neus tegen iets geloofde op te loopen.... Waarom? 't Is waar, verscheiden malen had hij hem ontmoet, op straat of bij Antonio, en al was dan ook onwillekeurig de eerste opwelling: alweêr die man, zij hadden elkaâr gezocht, daar was niets tegen te zeggen, samen gewandeld, gepraat, gepraat.... O, hij mocht het zich willen bekennen of niet, Vogel trok hem aan door zijn.... ja, door wat niet al, door zijn oogen, die raadsels, onnoozel soms en dan weêr zoo ironiek schril, maar vooral door den hoogen toon van zijn oordeel, vaak zoo heel voornaam.... Was 't niet prachtig, hoe hij telkens het geklets in de kroeg kon uitmaken.... precies een stop op een flesch.... dicht.... het schenken is gedaan.... drinken jullie liever wat anders, bijv. een grog van rhum.... kittelig was het om er naar te zitten luisteren.... van zelve begon het dan te jeuken van binnen, er groeide tegenspraak.... "Zeker", herhaalde hij stelliger, alsof hij 't zelve geloofde.... "en daarna heb ik nog een brief geschreven."

--"Zoo, zoo, ook nog een brief geschreven, wel dat's braaf," lachte de ander, "nun das versteh ich, war doch auch einmal jung, leidenschaftlich jung".... zijn geluid stond.... "En ze is mooi?"

--"Wat?.... o, erg mooi, bepaald heel mooi, wissen Sie."

--"Hm.... dat zeggen wij mannen allen."

Door het slop smakten en zogen de schoenzolen weêr voort of sloffend òp van uit het benauwde lage, telkens wanneer het brokkelige gepraat, het harde klanken van Vogels stem maar even stil was. Johan door al dat stikkedonker verbijsterd, voor het immer aandringende zwart schuw als voor gevaar, aarzelde opnieuw, tastend naar de kilkou der muren, zoo dichtbij, en strompelde dan, al trachtend met de voeten den weg te begrijpen, tegen vuilnis op, er onder tegenaan geheuveld.

--"Dat vervloekte donker," mopperde hij, aan zichzelven overgelaten, Vogel vergeten.

--"Houd uw oogen naar boven, dan ziet ge van zelve het pad in de lucht," waarschuwde de stem een eind hem vooruit in den vunzen nacht. Hij bleef stil, vroeg plagerig: "en wat hebt ge gisteren wel gedaan, darf ich fragen."

--"Ach, niet veel bizonders," loog Johan door, nu zekerder gaande en den spot in de stem van Vogel niet dadelijk hoorend. "Ik was een teekening begonnen.... verbeeld u," sloeg hij door, geïllumineerd door zijn verzinsel.

Maar Vogel viel in:

--"Attention, we gaan rechts om, de weg klimt wat, pas op.... geef me uw hand.... pardon!"

Wendend en toen blind voorover tegen het duister klommen ze langzaam, stap in stap. Vogel rookte niet meer, scheen wel, zeker was zijn pijp leêg. En Johan kijkend naar de geul lucht boven zijn hoofd, in het nachtelijke ongewisse blauw, vervolgde met radde tong:

--"'t Is een heel mooi geval, wissen Sie, er zijn er hier honderden, het zou prachtig kunnen zijn, zoo ik het zie nu, magnifique...."

--"Pas si bête, waarde: toch nooit zoo mooi als uw leugen wel zijn kon. Hebt ge dat gisteravond allemaal in uw bed bedacht.... indien onze compagnie u niet bevalt.... mij ook niet.... waarom te liegen?.... gelooft ge inderdaad.... ach neen.... dat's rein onmogelijk."

.... Hoor hoe hij liep te grinneken in zijn snor, zijn eigen plezier te eten, blij natuurlijk dat die ander daar achter hem aan moest gaan als een bestrafte jongen. En de lust begon Johan op de tong te branden om te zeggen, om het uit te roepen dat het wel waar was, en dat het hem niets schelen kon uitgelachen te worden hier in dat smerige donker.... maar toen, plotseling zonder wil.... rammelde de bekentenis zijn mond uit:

--"Och ja, ik was een weinig verdrietig en ben maar naar bed gegaan; en van dien brief is ook niet waar, wissen Sie, 't is allemaal niet waar."

--"Maar dat is een confessie, mijnheertje, dat wordt hoe langer hoe grappiger, o mon bon, ce bon petit monsieur!"

En het was of daar waar hij ging het zwart schudde van de pret.... Zeker, hij liep met zijn mond open van vroolijkheid, de tanden bloot in den nacht.... Hoor, nu hield zijn slof-stap stil en de stem kwam kappen zijn eigen genot af:

--"Nog wat rechts, en dan zijn we er!"

Bengelend gelijk een klokkeslinger kwam diep uit de hoeksche steeg een vlam aan wandelen. En spookhoog, ook los van den grond, geestte het lichtbeeld van een Oosterling in een damp van ontbonden duister, stillig-stil.

Een schok, die hem in de beenen sloeg, had Johan doen staan. 't Doffe klop-klop van paard-hoefslag was als vijzels in zijn ooren aan het stampen, even waren zijn tanden in zijn mond aan het rikketikken begonnen.

De naderende Arabier bleef aanvaren winnend in grootte en in lichtkracht, nader kwam hij gewiegd door zijn paard, hoog heerlijk gezeten in het reine mousseline. Gelijk een ster voor Drie-Koningen, bakende over hem heen de aan een stok gedragen lantaren, het pad zoo blootleggend voor zijns paards pooten. De lantaren wiebelde aan tusschen de wanden van de wijdere steeg, het duister ontraadselend waar de ruiter ging, die blank-straf en ondoorgrondelijk, keek naar niets uit de koepelende omhulling van zijn nachtwitten en begloeiden mantel. Koolzwart roezemoesde uit het kappe-open knevel en baard, waar achter hem nachtte de luchtstrook; waar de knechtskop van een neger schonkglimmerig uit aankwam met een roodende fez; toen zijn roode lijfjas.

--"Ziedaar een licht dat tenminste op zijn tijd komt," zwetste Vogel nog, toch ook wat lager. Voor een nis op een stoepje zag Johan hem staan schemeren, los ook hij van den nacht, gebukt-schevig, bezig met rommelig te zoeken naar een sleutel in zijn broekzak en hanghebbend in zijn lage hand den gevonden arend aan de krampende pooten.

Dan een muurlengte rechts, wendde het paard al schuif-trappelend om, gestuurd door de onteziene handen van zijn heer. Dwars stond het in de steeg. De lantaren, wind-schommelend, brandde neêr op de ritselooren van den witten hengst en op zijn omkruivende manen zijig, merkte de gleuven van den krommen spierhals en de uitsnuivende wrongen van den neus waar stil hijging uit dampte. En op stangen en trenzen vonkte het rood en goud, want het paard knikte de pooten in stap, toen kwam het schabrak ontbloeien in een mysterie van arabesken, en in den bak des stijgbeugels de gele voet van den hoogen musulman.

En als in een tooverhuis droeg het paard den Moor onder het nu stille gloeilicht voorbij, wiegend hem statig weg, ijskalm en onbegrepen hoogheerelijk in het open donker.

Zwart-glanzig stuurde de knecht zijn paard vast aan. Hij hield in zijn knookvuist den lantarenstok, zoo een lans in rust wordt gedragen, nu ook het achterlijf van den hengst heenhobbelde, rozig als besneeuwd, bebaldakijnd onder den nasleep van den mantel.

De lantaren binnen, omraamde rood het portiek; schuw blauwde het in de steeg. En binnen de roode knecht met zijn glimmende eunuchenfacie; toen viel de nacht als een bui. Op 't gevoel af had Vogel met doffen smak het doode beestje neêrgesmeten in het andere open donker.

Hij peuterde zijn werkplaats dicht: "Die arme Seigneurie, hij heeft meer dan vijf vrouwen, men zegt zes, men zegt zeven."

En door den nacht terug en veroordeeld tot een dubbel donker, daalde Johan met hem.... twee duistere menschen die elkaâr niet zien. Vogel was stil geworden, het broeide om hem als liep hij in een stom dreigement, niets was er dan het leven van de voeten. Dom ging het loopen goed, de zakkende weg maakte nu het gaan gemakkelijk. Uit de hemelstraat boven de steeg prikten de sterren hun blinklicht neêr in Johans oogen, en kasteelige donkers schoven voorbij.... de uitbouwsels, die als groote kooien zijn, op schraagsels in den muur gestut.

En hij zoo gaande was blij dat Vogel niet sprak.

.... Was het niet als een droom nu al veertien dagen, een wonderlijk leven, onverzadelijk om er naar te kijken, nooit genoeg, telkens wat anders om het vorige te verdringen tot het wel herinnering geleek; zoo kwam er van werken maar niets, alle dagen dezelfde beloften aan zichzelven vandaag zal ik dit doen, dat en dat, en er was nog altijd niets gebeurd. Nu ja.... een paar schetsjes.... niet veel.... hoe kon het ook anders.... dat nare geld.... nog een paar dagen, dan was het sprookje voor goed uit.... Hoe zou hij zich in Holland weêr voelen.... hoe langs de straten daar gaan.... allemaal andere menschen geworden in die twee jaar?.... twee jaar.... waren het er niet meer.... waren het er geen twintig.... dertig....