Chapter 7
Johan slenterde over het veld, dat kreetloos leêg werd, waar ezels en honden begonnen te dolen, snuffelend met de snoeten in 't schuifelende afval, schaduwen. Toen vond hij zich loopen op de straat achter twee heeren aan, hij tredend bijna in den stap van hun voeten. En in zijn hoofd redeneerde even het bewustzijn, hoe hij wel loopen kon blijven tot die twee naar binnen gingen.... Dat was tijdig genoeg, nog wel een uur vóor het diner.... Zoo bleef hij een eindje achter de schommelende en schemerwitte mannen stappen die toonloos liepen te babbelen naar elkaâr, lip-redeneerden in den avond, onder de ommekappen, onder de koepels der tulbanden vandaan, zonder gebaren, de handen over elkander in de wijde mouwen. Een eindje vóor de poort keerden zij om en hij deed eveneens, liet ze voorbijgaan en keerde toen weêrom, achter hen aan loopend, drinkend den avond en het zieltogen van den dag. Soms voelde hij wel klein pijnlijk, licht in de verdooving van zijn wezen zijn maag gaan hongeren, maar dat was niets, er woelden soms krampjes van binnen, 't was of er telkens wat van zijn lijf afging en in den nacht vervloog.
Zijn kijken ging nu de leêgte tegen van aarde en hemel. Daar voor het nog smeulende lichte, stompten als hooger grond de Engelsche en Spaansche fonda's op, voor het groenige geviolet van de benedenlucht. Maar westelijker was een haal geel gebleven, scherend bijna de vluchtende terreinen, een haat-flakker van brand nog in dat eindelooze gemurmel, in den sluimer der kleuren, in de al-aarzeling der ommerijzing.
Hoe langs hoe meer dampte de violette nacht de vallei vol. Onder Johan's tam-gaande voeten verzonk de straat, die aanschokken bleef als met wiegetred zijn slaapzieken wandel, voortvloeide onder de andere wandelaars, de weinigen die, vreemde en verstorven wezens, doolden, gingen. Voor hem uit bleef het praten van de beide heeren gaan, vlinderende alleene-stemmen boven den grond, en ginds daar glimmerde de weg nog wat, waar de straat opging tusschen de glooiingen, onder het weeë schijnsel van de zwijmelende kim. Daar, in een gewissel van oude en verbrande gelen, verrookt, verroost, leefde nog licht boven het donkere alomme, luister ver-af, vaag als schijnsels die komen in de gesloten oogen na lang staren in het licht.... Want alles schijn en geen leven meer.... schijn, schijn, in de groote onstoffelijke wereld nu....
Johan ging terug, met de heeren mede, een onnoozele wel waarvan de gedachten verloren zijn, met als rook boven in zijn hoofd, het vaag gevoelde weten van zijn nog vlottende eenzaamheid.
Hij had dien morgen een brief ontvangen over Gibraltar, Engelsche post, de brief kwam uit Parijs.... Frits was in Parijs.... die brief had hem beroerd met een plotselingen terugslag naar zich zelven. Hij had hem bij zich gehouden, er meê loopen praten in zelfgesprek, hardop vaak praten met den verren schijver. Hij had hem aldoor gevoeld zoo kreukelend in zijn hand, daar gevouwen in zijn borstzak; de brief, de brief, dat was het ding van zijn dag geweest. Iets heel vertrouwelijks was het geworden, dat fladderende van-uit de ziel van een ander.
Van huis uit, door de donkere straatjes en toen door het lichte buiten was het meêgegaan: hier ben ik, hier ben ik, om je oogen te dwingen naar binnen, naar mij; hier ben ik, en ik groet, kijk hoe ik groet.... hier ben ik en gij zijt mijn broeder, langs ratelende, stalen banen kom ik gevangen aan.... hier vrij en zie, over de zee en door de luchten, hier ben ik.
En hij had gewandeld, vreugdevol; zie je wel.... zie je nu wel, op het van-binnen juichen van zijn blije ziel; het strand langs als een opgetogen kind in slangetjes loopend tusschen de draderige hoopen bruin sponswier, die de vloed op het strand nalaat. Luchtig, als was er in hem een dronkenmakend zonnegas; de handen koud; maar gevoeld aldoor het klieven van zijn warm hoofd door het zoel-schuimende licht. Wanneer hij er sterk aan had loopen denken, dan waren zijn oogen gaan wellen en in een weeke verteedering: O, ik wou, ik wou....
En den muur om, en de mierende drukte in, door de volste volte, roekeloos als hoorde de wereld aan hem. Een jonge, donkere kerel was woest gaan schelden en hij was tartend blijven staan: wel, wat wou je, wat zou je me wel kunnen doen, denk je.... en toen had hij in eens vergeten en aan 't lachen, aan 't lachen, omdat hij plotseling niets anders zag dan dien grappigen mond, zoo dicht bij zijn oogen, die ratelende en klappende en friemelende lippen. Dat deed plezier.... alles deed plezier.... wat een gek-doende mond, dicht als een doos die klemt en waar dan in eens rare dingen uitkomen, of als een tuitgaatje dat je bespuwen wil, of als een elastieke kouseband, dien je met je vingers kan rekken.... waar de man het wel over heeft....
En het klare blauw tegen en den buiten-bergweg op.... hier ben ik, hier ben ik, en ik groet.... en tusschen het wijd wegvloeren van de heuvelen, groen zaaigroen en roode vorenaarde, gonsde het in hem: hier ben ik, hier ben ik.... Zoo in den zomer je wereld kan vol zijn, om je en in je en overal, om het zonnezingen van maar éene cigale, had hij geloopen de vlakke wegen over, met zijn ziel zwervend boven een rust van gelijke gedachten, zoo ruim in den zondagschen dag.
Ja.... de brief had gelijk.... reizen dat was wel een heerlijk ding, vlottend te zijn in de vlottende werelddingen, gaan, maar gaan met je oogen vol droomen.
Telkens had hij er weêr in moeten lezen, lezen nog eens zulke in lang niet gehoorde woorden, vriendelijk en bekend, van ziel schijnende op ziel, bedwelmend als zoete zelf-vleierijen. En dan was hij 't schrift gaan bekijken, nooit genoeg, en de hand, de bekende hand had hij zien komen op het blaadje, en 't hoofd gebukt, donker boven de hand en de stille schouders, de sterkstille schouders. En dan de hand aan 't gaan, de rijen langs, strepend het papier, in de hersenkracht die zet de lange visioenen op 't papier, en den warmen bloedklop door de pen neêr op het papier, en dan de pen aan 't ijlen, dun dik, dun dik, op neêr, op neêr, krassend, hakend, opsjouwend tegen de koortsende emotie, in den drang van binnen, blaadjes vol nauw geboren woorden, doorhalen hier, vergeten woorden daar, en woorden onleesbaar als raadsels gelaten door de ontroering op 't papier.
O, die brief met zijn eindelijke erkenning; stond hij daar niet zelve zoo, nu plotseling het leven van die twee geleden zware jaren vattend, den wreveltijd van het stille verzet, en het langzaam groeien van zijn haat tegen al dat hem had willen fatsoeneeren, links en rechts.... ik voel me zoo vrij....
In een wedloop van woorden vertelde de schrijver, hoe hij het in Amsterdam niet had kunnen uithouden. 't Had wel een vlucht geleken, zooals hij was weggegaan, het hoofd zwaar van het omme-geredeneer, vies geworden van zich zelven. Naar Parijs was hij gegaan, hopend daar een grooter leven te vinden, dat meer om hem heen stond, waar hij stil en aan zich zelven overgelaten zou kunnen werken. En Parijs, het had zich dadelijk zoo mooi aan hem voorgedaan, nu in den damp van zijn eersten winterdooi, het licht-lilalillende Parijs met zijn schitterende dorures, het verguldsel als bajonetten-geflikker op hekken en spitsen en het geglans van zijn gouden reclames boven al de willige beweging van de boulevards.... o, je zult zien.... ik zal.... ik zal.... maar och, het is nu zoo'n genot, dat vrije flaneeren hier langs de straat, met mijn oogen maar voor me uit, de handen in mijn jaszak, de armen dicht aan mijn romp.... zoo vrij.... en zeker, zoo plezierig zeker, dat ik niemand kan tegen komen die het noodig vindt je aan je mouw te trekken, om je eens te laten kijken wat hij mooi vindt.... O, de stumpers.... En als ik moê word, dan ga ik zitten voor de ramen van een café, suf-oogen naar het spektakel; of van-boven een omnibus het prettig vinden het leven in den nek te zien, terwijl de wielen onder je zoo knarsig hun bedrijfleven gaan en het van de boomen zoo kalmeerend neêrdrupt in je hals. Als het me dan te binnenkomt, hoe ik me daar ginds kwellen liet tot in de wanden van mijn atelier, hoe ik er gewichtig moet hebben uitgezien, met een komediantengezicht, verdwaald tusschen al die bij elkaâr gestoken hoofden, dan moet ik lachen, lachen, en dan vindt zoo'n leuke Franschman het noodig te zeggen: "que j'ai l'air content." Maar ach, je weet ook niet hoe gauw je er in zit in dat bedrijfleven; blijf maar weg, als je kunt; dat het je nooit gebeure, hoe je op een oogenblik lucide, schrikt van te zien in wat een verwarring je meêliep, hoe ge alles zaagt zoo, en niet het stinkende gedrang tegen je zelven in.... Verbijstering.... Maar, hoor ze dan ook orakelen, roepend als marktschreeuwers, allen door elkaâr, allemaal en niets anders toch dan: ik, ik, ik.... Bah, wat een drukte, als je maar te gaan hebt met je oogen en rustig werkend, verlangend voort.... wat weten wij voor anderen, slangen die we zelve zijn met het staarteinde in den bek.... zoeken we dan nog wat anders dan ons eigen einde....
.... En gelezen en herlezen en meêgevoeld tot in het kloppen van zijn polsen, den naslag van dien in eenzaamheid gestilden toorn en het zachte zelfsussen van die onstuimige ziel. Hij was er in meêgegaan tot er hem de slapen van waren gaan gloeien.
Want in een opflakker van binnenbrand was het schrijven ten einde gegaan.... O, nu ik hier ben, los van dat zwatelende koor, alleen met een nieuwe wereld die tegen mijn oogen aanvaart en ze wijd open doet gaan, nu voel ik het nog meer, dat ik toch niets anders liefheb dan mij zelven, en al wat anderen doen en wat anderen praten me nooit gescheeld heeft. We babbelen daar wat over een wereld, die vlottend en broos is als van geblazen zeepwater en voelen niet, dat ons hongerend ik daar vloekt met zijn veel, veel, en er wel sterven zal.... Welk ander wijst mij mijn wondervol zelf, mijn zelf, waar ik in rondleef als in een roes van raadsels, dat ik liefheb en alleen begeer; och, ook nog in de dagen toen ik me zelven martelde en kwelde, adoreerde het toch zijn hoongod in 't carnavalspak zoo zeer. O, die weters, wij weters, onze monden zijn maar dingen die spreken, waarmeê we wachtertje spelen voor de poort van onze zwijgende begeerte.
Zoo weêr geschreven; en klaar als iets te zien, zag hij het gezet tusschen hen beiden.... en voor hem was het een antwoord geweest op zijn eigen vage gedachten. Want in zijne van natuur buiten zichzelve levende ziel wou het groeien in gezichten en in gedachten niet. Denken; wanneer was hij begonnen te denken, was het van 't jaar, verleden jaar of nog vroeger. Denken, peinzen, 't liefhebben van wat er zoo om kan gaan in je hoofd, het troetelen van je eigen overweging, het uit elkaâr rafelen van gedachtenweefsels en het weêr weven van nieuwe. Wat was er overgebleven van al de wijsheid, die hij toch aangehoord had uit beminde monden? Gezegden veel, die beelden opriepen.... maar wat al woorden waren niet voorbijgegaan. Doch, men had goed praten, ze waren gekomen, maar door, ongevraagd, de woorden met hun naweeën van gepeins.... Wij zeggen dat, denk er eens over, in brief op brief, van vriend op vriend.... En zoo gewichtig zagen ze er uit, de geschreven woorden, waar elke aarzeling in scheen verstijfd, heerscherig en overredend, al voelde hij wel dikwijls, 't was als een reuk op een afstand, dat ze kwamen van iemand, die zichzelven bedwelmde met woorden, woorden, woorden.... of van een overvolle, die van zijn kracht in den wind smeet, verzot geworden op het rondom martelen van zijn woordjes. Soms was het dan als een schreeuw in hem: "ze willen je kwaad doen, ieder wil je kwaad doen,".... maar de redeneering ten langen leste had weêr gevraagd: "waarom?" Zoo waren ze telkens blijven trekken aan vezels daarbinnen, die hij niet wist dat er waren, getrokken hadden ze aan al die draden, van zijn binnenste naar buiten uit, ondanks hem zelven, en met pijn, met pijn, spinsels van weêrwoorden, in brief op brief, aan vriend op vriend.... Ik heb een gevoel, placht hij vroeger van zich af te roepen, wanneer gevraag hem in het nauw joeg, of je mijn darmen afhaspelt; en het was eigenlijk nog niet veel beter.
Later ook.... vandaag de opleving.... had hij zich zelven opgedrongen dat het toch wel goed was en verstandig veel over alles te denken.... Maar och, het verveelde zoo gauw, en eer hij het wist stond hij voor een spiegel te spotten.... kijk, het baat niets, je hoofd blijft even groot.... wel, was lachen niet een wijs ding?
Destijds was op een nacht eens in zijn slaap een droom gekomen.... 't was ook weêr na een brief.... vriend N. heeft zijn baard laten groeien en ziet er nu uit als een profeet.... stond verteld.... Toen was een groot hoofd met een schedel als een koepel, een droogvellige gevelkop met plooien als van leêr, met tusschen de geloken oogledenspleet een lichtvaag, koel om van te ijzen, over zijn borst gebogen geweest. En het hoofd verlengde zich nog door een baard, een langen profetenbaard, eerst wit, daarna rood als oude wijnmoer. En dat stroomde over het laken en dat knapte in 't slepen als gloeiende metaaldraden die koud willen worden. En het hoofd, bovenop, dampte en borrelde gelijk water dat aan de kook is. En hij was, de ontzetting, in zijn droom gaan liggen tellen.... bij den hoeveelste zal de bol bersten.... En toen zat er zoo ineens een stoffig-zwarte stille spinnekop met zijn krommen voorpoot op het voorhoofd te tikken, oogenloos zat hij te tikken, en achter uit zijn zwaar lijf spon hij draden.... een ruim vol draden.... almaar draden.... Het wakker worden.... de nachtmerrie.
Dat alles was wel koud nu en om te lachen, maar toen hij las: "blijf maar weg", had hij dadelijk gevoeld hoe er bij hem uit al die doorleefde dagen een heftige weerzin gegroeid was, daarginds weêr te zullen moeten terugkeeren.... "Ik zal het rekken, ik blijf zoolang, als ik kan weg".... had hij voor kort nog in een brief gezegd.
.... Al vèr in den namiddag, naar zijn plekje gedwaald, was hij, willend weten hoeveel hij nog aan geld bezat, zijn gordel gaan losmaken, en zijn bezitting gaan tellen, stillekens het rammelen vermijdend.... Ja, dat geld, al was het zuinig geweest.... het was die twee jaar door toch maar altijd zoo gekomen, als iets dat vanzelf sprak.... maar nu was 't gedaan.... En hij was aan 't cijferen begonnen, zittend achter de ondoorkijkbare heggen, die hoog als olifantstanden over hem heen stekelden, en aan 't uitrekenen in zijn jaszakschetsboekje, als een oude duitendief over zijn schat gebogen.
.... Laat eens zien, was zijn gedachte gegaan, indien ik morgen vertrek.... maar dan moet ik eerst met de proviandschuit van het Engelsche garnizoen oversteken naar Gibraltar.... gaat met het kanonschot hier vandaan.... vervolgens van Gibraltar, den volgenden dag, met ezels en een arriero over Algeciras naar Cadix.... geen kijken naar, een veel te dure historie.... dus blijf ik liever.... over een week komt de Transatlantic in de baai.... zoo ben ik wel genoodzaakt hier wat te blijven nog.... en dat vindt je toch eigenlijk wel prettig. Men kan nu eenmaal toch niet alles zien.... al was het ook waar, dat je in die treinen en booten het karakteristiekste altijd langs vloog. Flap.... weêr een mooi ding voorbij, en zoo ging het altijd.... Eerst het hôtel.... zooveel.... fooi, zooveel.... als ik eens wegging zonder fooi, dat doen de Engelschen ook.... dan de overtocht naar Cadix.... het aan boord brengen.... die vervelende kleine dingen kosten het meeste geld.... je rekent er nooit op.... zooveel.
Van Cadix naar Sevilla.... daar.... den koffer lossen in el Cisno.... O jee.... daar ook een rekeningetje betalen.... vijf dagen logies.... neen zes.... zooveel....
Vervolgens naar Madrid, een lange zit, gelukkig was 't nu niet warm.... derde klas.... zooveel.
Dan, in Madrid allicht een paar dagen overblijven. 't Museum.... de Velasquezzen nog eens goed zien, en de Goya's.... de zaal met zijn ouden oppasser.... Vier maanden kopieeren, vier maanden.... et la bonne reste....
Dat was aanraken geweest van een oude wonde, want al had hij zichzelven gezegd er niet meer aan te willen denken, de wrok was er ingeroest en wou maar niet uitslijten.
Wat had dan ook niet al meêgewerkt om hem dat gedoe ongenietbaar te helpen maken, was het niet alles?.... En zoo het eens ongestoord had kunnen gebeuren, hoe zou het geweest zijn?....
"Waarom?" was herhaaldelijk door vrienden-brieven gevraagd: "vertel ons, waarom maak je toch eigenlijk zoo'n ding, waarom laat je je vier maanden van je rijk leven, in een tijd dat je geen raad weten moest met je vollen kop, je aldus kloosteren in een museum, is niet éen streepje dat je zelf gevoeld hebt, meer waard, en meer wenschelijk voor wat je bereiken wilt, dan al dat na leeren doen wat een ander heeft gelijnd.... geniet het, goed.... maar maak ons niet wijs, dat het voor jouw plezier is, het doen van zoo'n hondenbaantje.... neen, amice, een slachtoffer ben je van de domme school-traditie: groote mannen bestudeeren kweekt groote mannen.... stijl.... stijl.... wel dien hebben we te halen uit ons zelven.... en niet uit museums.... 't bederft je.... geloof me...."
En vaag had het toen door zijn gedachten getwijfeld:.... stijl.... je zelf.... is het wel heelemaal dat?....
Maar dat het voor zich zelven was wat hij deed, geloofde hij ook al niet meer. Was het niet onnoozel, zoo alle dagen aan alle wanden van het museum te zien, te moeten bekennen, hoe het juist niet het beste van een almaar heerlijk doorgegroeid kunstenaar was, wat je als voorbeeld werd voorgehouden.... En hij had die meening niet voor zich kunnen houden.... "Wel, dan doe je het om het geld of om een banale eer".... Een oudere vriend had daarentegen geschreven: "gij zult eenmaal blij zijn, een doek van die importantie te hebben vervaardigd." Ook al niet plezierig om te hooren.... Weêr een ander zei: "Nu je zelf vindt dat het onnoodig is, waarom laat je je dan nog langer exploiteeren. Kom terug.... je hoort hier.... wat hebben wij te maken met die vreemde landen.... Mauve!.... Maris!"....
Dat was wel zeker, hoe ook die eene schreef: "trek je toch alles niet zoo aan, je doet genoeg, neem maar wat plezier," zij moesten maar eens als hij hier zoo alleen zijn, dag in dag uit met je wrokkende zelf, al die anderen, die altijd wel een rug vonden om tegen aan te staan.... dat was wel zeker, dat hij ellendiger dagen nog niet gehad had.... pijn hebben is erg, maar als je lichaam lijdt en schreeuwt, dan is er geen mensch die dat geluid niet verstaat. In de zaal van het museum was het balkon een uitkomst geweest, daar kon je de spijttranen laten opdrogen in de harde zon en daar gaf het oude ventje stilletjes permissie sigaretten te gaan rooken; als 't werk je doodverveelde, kon je daar als een bedelaar met je rug tegen den muur gaan staan niets doen. Daar bewaarde dat kereltje ook zijn kruik met water onder een oude sombrero voor de koelte.... De heete dagen.... Dat oppassertje met zijn leuk rimpelgezicht en zijn vriendschappelijke op-den-schouder-klop-maniertjes van kom, 't zal wel gaan, houdt je maar goed, 't wordt mooi.... en dan dat baasjes lachen.... Krom stond hij er bij met zijn handen op zijn knieën, wanneer hij van al het Hollandsche gevloek van zijn beschermeling geen jota begreep.
Ook was gezegd: "het rijk krijgt die dingen meteen op een koopje zoo." Nu ja, geld was geld en 't rijk gaf 't.... maar 't was toch wel waar ook.
Het rijk, het land, de regeering.... dat waren nu ook weêr dingen, waar hij nooit een begrip van had kunnen krijgen uit officieel geschrijf.... was 't éen ding, waren het er honderd.... iets zonder houvast, dat niet aan te spreken was en dat hij toch almaar zoo door boven zijn hoofd gevoeld had.... het rijk, dat kon wel eens waar zijn, haalde er die subsidie-gelden wel weêr netjes uit zoo.... nog niet zoo dom, dat rijk; en als ze nu eens een kat in den zak kochten.... dat kon.... erg ook.... en wat zou het eigenlijk dat honderdkoppige ding kunnen schelen een kopie naar een beroemd schilderij te bezitten. Maar waarom gaven ze dan de toelage niet zoo, zonder meer.... waren ze bang dat je het in weelde verteren zou?.... neen, er moest wat voor gedaan worden, je kreeg het op een papiertje meê. Houden ze de jongens, die ze uitzenden voor futloos?.... wat stond er niet al overbodigs op voorgeschreven.... groote meesters.... natuur.... of je daar niet van zelven naar kijken ging.... je wilt toch schilder worden en dan.... officieel mensch als je bent, de gezanten complimenteeren, en die ontvingen je als lastposten en deden of ze voor de eerste maal van kunst hoorden in hun leven; niets, niets voor je weten te doen, misschien niet willen.... een schande als je toch van de regeering komt.... daar moest je nogal een zwart pak voor meêsjouwen.... En dan series studies laten zien.... waar leveren voor je geldje....
"Zeg het maar, zeg het maar!" was herhaaldelijk geschreven.... "is het niet goed voor jou, dan is het voor die na je zullen komen".... en dan....
Neen, dat begreep die Russische pensionnaire in Rome anders. Welk een man was dat geworden in z'n herinnering met zijn rustig praten: "vous m'embêtez avec votre Hollande.... il faut être plus sage que vos amis.... ge zijt hier om je wat uit te zetten, pour vous élargir".... en: "als je een wond in je hart hebt dan brandt je er hem uit.... soyez tranquille, regardez".... En de Grieksche en de Oostenrijkers, en.... Rome was vol van die jongens, dat waren toch ook geen Fransche seigneurs, en die liepen hun mooie dagen zoo onbezorgd door, zoo benijdenswaard, dacht hij dan, met hun neus in de lucht.
Schacheren.... wanneer ze het là-bas nu eenmaal deden, omdat het zoo hoort en er niet veel voor over hadden, waartoe dan al die schijn of 't heel wat was.... wist daar dan geen mensch wat reizen een duur en moeielijk leven is. Nu was het alleen een baantje voor rijke jongens.... je waagde er alles aan, je gezondheid.... had hij niet in Venetië een maand lang op zijn achterstallig kwartaal moeten wachten en geleefd als een heiden, had hij niet zijn gouden Prix de Rome, er nog aan hechtend, in den lommerd beleend om geld te krijgen.... was 't niet ridicuul....
Halfheid.... meêdoen.... kunstglorie van een land.... zoo'n beetje à l'instar de France. Nu ja, dan moest je den Paus niet van dichtbij gezien hebben.... Dinges had wel gelijk, 't leek veel meer op een exploitatie....