Gekken

Chapter 6

Chapter 63,701 wordsPublic domain

Rechts streken de heuvels naar het kerkhof op, achter zich een dal latend, waar de hemel als in neêrviel. En daar tegen de helling rezen stijf en onthuis, in een begonnen begrenzing, gelijk de eerste huizen van een nieuw ontworpen wijk, het Hôtel de France en de Spaansche Fonda:.... dingen van speculatie, overbodig en karakterloos uitziende dingen, die ge wel zoudt willen omschieten, zoo onnoozel stonden ze daar het uitzicht te bederven.... Het eerste was een villaächtig heerenhuis, damesgezichten plekten er uitkijkend voor de ramen, een kellner.... hoe kwam de snoeshaan hier.... met een wit voorschoot als een rok om zijn beenen, stond er strak in de deur.... de Spaansche, meer armelijk, als stal en koetshuis van het Fransche.

--"Dàar!" wees Vogel tegelijk omkeerend op het pad, "logeerde ik vroeger.... nu ben ik in pension.... ginder, buiten den muur.... ook bij een Spanjaard.... daar slaap ik met nog een ander, een photograaf, een luien Zwitser, nog luier dan ik, in een klein kamertje.... 't is er wel wat benauwd, maar 't kost niet veel.... ah bah.... 't slaapt wel.... als ik maar slapen kon."

Ze gingen terug, den weg weêr af.

Nu vóor hen, zooals een tunnelopening in een bergwand een spoorweg eindigt, boorde het Zoccopoortje waar ze waren uitgekomen, den muur in. Rechts kleurden kramerijen, zadels, kameeltuig. Maar uit het gat der poort drong in durende botsing het helle in- en uitgaan van de bezige mannen, en van de vrouwen, die gesloten aanwandelend opklommen naar de wachtende witte gelederen, blinkend nu links boven in Johan's oogen onder de glorie der zon.

--"Hoort ge nog muziek?" zei Vogel. "Kijk.... dàar, dat zijn de fameuze tuinen van den Zweedschen consul.... en daar, waar die man op zijn wit paard rijdt, de kolonel.... ziet ge hem?.... achter die vier vrouwen.... ziet ge het?.... een goed paard, hé.... daar gaat de weg naar Kaap Espartel.... Lieber Herr Gott, als ik nog denk aan Crépieux zijn schorpioenen.... aartsdomme kerel...."

Hij wees, maar dadelijk weêr halend aan zijn versch gestopte pijp, naar 't gekruin van donkere boomen, groen als sombere cypressen met hun rossig stammenhout. Ze schaduwden stevig onder den schroeierigen opstand der rotsen bestapeld met de oude stad.

De volte werd al dunner, de drukte draafde. Kale plekken begonnen te liggen tusschen de nog groepende menschen, stukken grond bespikkeld met den afval van den handel. En vrouwen die er pas nog zaten met de zoor-zanderige voeten bloot, hurkten, rapend de gele waterflesch, den bast van een uitgedroogden pompoen, naast zich op; dan schikten zij zich de plooien voor het gezicht recht en stegen ook naar de stilstaande rijen. Enkelen droegen nog hun onverkochte koopwaar, boenders, karbiezen, of goudgele kippen aan de pooten saâmgesnoerd, de vleugels lam hangend, de lellen rood; zij klauterden met de bulten op den rug van hun meêgedragen kinderen, met hun van pijn luid kakelende marktwaar.

Hoog en ongezien de zon, zacht dalend.

--"Voilà!" riep de dokter.

En als de snerp van een aangeschoten wilden vogel sneed er een blaasgil recht uit een houten fluit over het Zoccoruim. En een teruggalm, dadelijk, weêrgeluidde nu van de hooge heuvels: een breede gil groette wijd, het blanke vrouwenvolk hoogkeelde in éen zonnekreet:

--"Dzji.... dzji.... dzji-e."

Door de poort was een legertje uitgedrongen, twee vaandels bukten onder den boog nu door, blauwbloederig-violet was het eene en het andere van een gelig schel voorjaarsgroen. Ze verschenen met plotsflappende schitterlichten op het verguld van de halve-manen.

't Legertje bleef met de voorvoeters stil op den straatweg staan. Een klein troepje in witte boetelingenhemden, acht misschien wel, en nog een twintigtal waren er donker in dagelijksche kleeding.... Maar de drukte kwam aandraven al met flakkerend wisselspel van kleur, en het schaartje ineens omstuwd, verdween voor de naar beneden kijkende oogen van Johan, die den dokter toen vergetend, aan 't hard meêloopen begon, het pad af, recht-aan op de zijïge banen der twee vlaggen, trofeeënd boven de krioeling langs de hoog gehouden stokken met hun gouden sikkels.

Het hart van den loop nog bonzend, was hij toen middenin den troep terecht gekomen en had vóor zich een grooten, stroeven man, die half in de krooken van de violette vlag, den stok tegen zijn buik geklemd hield en in een gelaten houding stond. Maar overal glurende, glimmerende oogen in een omstanders-kring, zonkoppen onder doeken gezien, met de tanden ontbloot door het optrekken der lippen in het zonnekijken en allen bedonkerd onder de baarden en in de jukken van de wangen. In het midden blonken de stille witte ruggen van de heiligen.... dat was een vrouw.... en naast haar nog een, eveneens in het witte boethemd.... de grootste heur haar hing los, glanzende losgemaakte strengels glijdend langs den rug.

De drukte duwde, en Johan kwam te staan naast den trommelslager, bij een ouden neger, grijzig en krullig van baardjes, wenkbrauwloos, maar met een vlok als een kuif wol midden op zijn stoffig-zwarten kop.... een duister oud lichaam in de aschkleurige lappen van een niet thuis te brengen hemd. Zijn taaie nek werd gestriemd door een vet koord.... kijk, in zijn borstgleuf hing een amulet, geschaafd was de huid van den ouden man, die slaande de doffe slagen, boem, boem op een trommel gedragen als een overlangsche ton, zijn gebarsten lippen breed en paarsch openspleet in een geheimen lach, zijn oogen in de haarlooze leden rondglibberen liet, en 't wit er van was roodig.

Naast hem de pijper onder een witten tulband priesterlijk aan 't staan. Een mantel van blauwgaren stof droeg hij over den rechter schouder geslagen, bloot latend zoo den linker met de witte mouw. Statig gebogen hielden zijn armen de blaaspijp tusschen mond en kin, die half verdwenen achter een houten schijf als een grooten ducaton er tegenaan geschoven. En hij blies, hij blies, de lippen gekneld om het enge mondstuk, de wangen vol wind als twee elastiek appelronde blaasbollen, onophoudelijk, terwijl hem de oogen benauwd puilden als van een gemarteld man.

En krijtende om de houten randen van de windpijp, scheurde de snerp langs Johan's ooren heen, ongebroken, dan dadelijk geknakt in zijn stijgvlucht door de moduleerende vingers van den muzikant, wanneer hij de windgaatjes kneep. Krimpend en kreunend, neusklankig, in zijn houttrillingen oproepend het menschelijke van eene stem, joedelden de vijf, zes klagelijke nootjes, het melodietje, als een donkere zig-zag en klangden naar de lichte lucht.

Vóor den blazer, achterin, voorbij de hooge stijging van de groene vlag, bewoog een verdolde, schichtige kop vol genezen nerven, een bovenhoofd gekliefd door de litteekenen van de hakken der zelfkastijding; en een nek van de kleur als dood loof kwam schudden, door ijzeren kettingschakels omsnoerd; en hoogeròp zwaaide een hakmes, de blinkende hellebaardvorm van een moorenbijl.

Naast achter den pijper zaagde een hand heen en weêr over een snaartuig, over een rommelpotachtig ding.

Maar Johan voelde een stomp en toen een ruk aan zijn tasch, hij raakte naar achteren; een snauw ging recht uit den donkeren baardsmoel van een wilden kerel zijn gezicht in; twee haatoogen, dat was het laatste wat hij zag. Hij was 't gedrang uit met plotseling veel luchtkou om zich.

--"Hoort ge niet, "hond van een Christen," dat ge uit den weg moet gaan."

Vogel stond achter hem.

--"Dwaas, wat komt ge die menschen irriteeren, ga meê, ze komen den weg langs dansen, daar kunt ge zien zooveel ge maar wilt, kom!"

En ze liepen haastig, allebeî den weg weêr op.... tot onder de loofhut waar de kooplui kopjes thee hadden zitten drinken. Nu stonden dezen, rustige rijken, in het inzicht van het hutje, onder de wijde kappen uit te kijken. Nieuwsgierigen waren op de tonnen geklommen en op de stapels koopwaar onder de karavanserai gestapeld, er waren er die om voorbij de anderen te kunnen zien, den voet vooruit hadden geplant op de ruggen van de suffende ezels.

--"Voilà!" herhaalde Vogel.

Van beneden kwam de stoet al opdansen; en langs de hoogten rommedomme schalde ten tweedemaal het schelhelle vrouwengehuil, hooguit als hondenjanken:

--"Dzji.... dzji.... dzji-e!"

Over de straat, uit de bont-klimmende omstuwing, onder de wilde vlaggen-kleuren met het geschitter van de twee gouden sikkelen, sloegen op en neêr, lichtend en duisterend van uit de verte, haarhoofden en boven-aangezichten: de knikkende hoofdbollen van de dansende heiligen; terwijl in 't rechts-alomme het ophitsende gillen van de vrouwen begon te duren tot een oorlogsgeroep van slagorden, een wolk lichtende klankpijlen stijgend en vallend onder de zon.

Laag over het pad snerpte de herdersfluit bezetener, en het triolend melodietje overschreide er het bange dompen van trommel en gong.

--"Dzji.... dzji.... dzji-e!"

Langzaam op, langzaam aan, het stoetje klom, sprong voor sprong, den grond onder de voeten winnend, in een rechtoppe cadans van het springende lichaam. Aaneengesloten was het hoopje witte gekken tusschen het meêgaand gedrang.

Achter den troep spande de walmuur zijn bezonde baan, lang, strak uit, ging dan wimpelen naar boven over de rotsen op.... En de witte stad hoog in de oogen als een pagode gezien onder 't azuur der lucht.

--"Dzji.... dzji-e.... dzji-e!"

De gekken naderden aan in eenzelfde dansen; 't hoofd óp, licht; schouders óp, licht; het hoofd neêr, donker; 't lijf ongezien op de beenen óp en dan het hoofd weêr óp, en de muziek blazend in de slingerende halzen óp. Maar de vlaggen stil aanschuivend. Zoo kwamen ze aan met hun martelgang.

--"On dirait des kangourous, n'est ce pas!"

--"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... ijlden de blanke kreten.

Ze waren tot voor Johan.... bijkans.... nu....

En tusschen de voorbijschuiving van het donkere joelende volk zag hij de hoofden der twee springende vrouwen; toen kreeg hij gezicht op hun witte lijven met de devoot hangende armen.

De vèr-affe was teêr en wasbleek onder de serpentbundels van haar zwart-zwiependen haren. Ze hield de oogen dicht, neêr de rouwfranjes der wimpers; en haar mond met de bloedlooze lippen hield ze geknepen tot een smartglimp omgekrompen in de pijnigende inspanning van de jammerlijke beweging. Maar zij danste met een rein, recht opgooien van haar afgetobd hoofd in het licht; recht òp den schouderromp met de fijne borstpunten in het licht; rein òp het witte boetelingenlichaam, en ze viel weêr op de voeten, den linkschen voet vooruit, klaar al voor den volgenden sprong. Dan plooide het lijf voorover in doorval met de hangende armen, en het hoofd dan laag met den daarna zwaar zwart ploffenden haarbos.

--"Dzji.... dzji.... dzji-e!"

Naast haar de dichtbijë: een bruin-roode en glimmende vrouw, forsch uit haar hemd komend, sterk en kort en een beetje zwaarborstig, met een volkskop onder krioelende haren. En ze ging den zelfden gang maar gespierder, de ellebogen knotsend, de vingers stompig krom en leêg hangend, den romp zich overgevend met de schouders. Zoo sprong ze in een schuin opschokken, persend den buik naar voren, en haar gezonde nek rimpelde in den opgooi van het hoofd. Zij hield ook de oogen gesloten.

Daar kwamen de mannen, de witte, achter de vrouwen aan; allen aan 't springen op denzelfden bezeten lichaams-rhythmus, maar met meer geweld van leden, spillend kracht met de behaarde en mager-donkere ascetenarmen. Daar éen met een witten band om zijn stompen schedel achter de ooren gestrikt, die de glimmende kogels van zijn oogen rollen liet in den opzwaai van zijn verstarde facie, uitstallend zijn geweldig gek-zijn voor de joelende meêlooperij.

--"Dzji.... dzji.... dzji!...." gingen de ziedende kreten.

Van de beide Noordmannen ging het witte stoetje al af, en nù voorbij de kleurende en naspringende en meêdansende bende. Het volk begon uit elkaâr te vluchten, dravende over het zonveld, brokkelig hier, kloenend daar weêr samen op goede standplaatsen, van waar men de gekken nog éens zou kunnen naoogen.

Voorbij ging de trommelman, de grijze neger, die aandriftend, zijn oude beenen in de hoogte meê opsmeet soms, maar slaan bleef almaar zijn doffe slagen en lachte almaar zijn breeden, wellustigen geloofslach.

En de pijper in zijn blauwgaren mantel voorbij als een leviet; uit zijn wangen vol wind blazende de opwinding den heiligen in de nekken, de onophoudelijke razendmakende eentonigheid van zijn krijtende woestijnmuziek.

Kop voor kop, lichaam na lichaam ging voorbij, òp-neêr, òp-neêr; de dragers toen voorbij van de schrille banieren, met de handen om de stokken stil, hoog heffend hun vlaggen met de branderige schaduwen in de hangende plooien, met de halve manen in vuur.

De drukte draafde voor het stoetje meê op; het gedrang er achter spleet al grooter en grooter, de springers waren vaak voor Johan als een schooltje te zien in hun gezamenlijken opgang, zoo zij zich opgaven van den grond in d'eenzelfden schok; òp-neêr, òp-neêr. En onder de duistere voeten dansten dan donkere slagschaduwen over het hobbelige pad onder den schuinser vallenden licht-overvloed.

--"Dzji.... dzji.... dzji....!"

Maar zooals een hond holt om de beenen van zijn meester, kwam nu in cirkelenden omgang de Arabier met de kerven in zijn voorhoofd en met de oogen rood beloopen, het legertje omdraven, gaande in wijdgenomen kringen achter Johan en den dokter om, de heeren voorbij; de vlam-lichtende moorenbijl hoog.

--"Dzji.... dzji.... dzji....!"

Hij torste op zijn rug een lang blok zwart hout als een groote flesch, als een spitsig aambeeldje van zwaar ijzerbeslag glimmend, en om zijn doffen nek, draderig van de touw-achtige spieren en aderen, snoeren van zware ketens, die neêrschakelden tot over zijn buik. Hij hield hangsloten door zijn vleesch geregen, door 't dikste van het armvleesch, en hij kreet uit een open martelmond met uitgeslagen tanden, schorre, zinlooze geluiden.

Alzoo toegetakeld en rammelend sprong hij, niet voelend scheen wel, zijn godgewijden last en stampte dan als zich bezuipend aan pijn, diktranende en donkerroode bloedstralen zijn vaste kuiten uit, die hij doorstoken had met ijzeren naalden, zooals pennen gaan door een stuk opgemaakt tafel-vleesch. Weg!.... achter het legertje om.... daar ging hij met zijn dreigende bijl, licht-flappend in de zon....

Hooger danste de troep. Knikkend sloegen de hoofden voort onder den zweepslag der bezetenheid, weg weêr, donker, licht; òp, neêr, òp, neêr, gelijk de koppen van riethalmen buigen en zich terugzetten onder het slaan van den wind; de kronkels vrouwenhaar slierden, de vlaggen brandden, en krijtend snerpte de houtfluit.

--"Blijf hier staan," zei Vogel, Johan met de hand inhoudend, "ze zijn toch dadelijk weg.... zoo gaan ze naar Mekkaenes, van heiligen-graf naar heiligen-graf, groeiend onderweg in getal, biddend en vastend.... en op den dag van de geboorte van hun profeet komen ze dan terug, wissen Sie, na een paar weken, uitgevast, dol gesprongen, complétement fous."

--"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... groeide het over de heuvels.

--"Ah bah!" vervolgde Vogel. "Ça me paraît bien un fort bon grog, la religion.... voilà donc encore quelque chose.... ah bah!"

Hij spoog op het pad. Johan hoorde zijn speeksel kletsen tegen de straat en de rookwolk uit zijn mond gegaan, zag hij wegwitten in de ruimte.

Wijl òver de heuvels doomde het licht. In het holle wegje bobbelde het troepje gekken; weg sloegen de hoofden, langzaam zakten de vlaggen al met hun bloederig paarsch en schel voorjaarsgroen.

En van de hoogten rommedomme ging nu als windgehuil, als klaaggeschrei van hongerende beesten, het roepen van de vrouwen, die lichtelijk gekeerd, stonden in het parelend warmblank van hun zonnige gewaden.

--"Dzji, dzji, dzji, dzji-e!...."

En de stoet ging weg onder een hallelujah van het hooge geluid, duikend naar-onder het roode loof met een laatsten blinker op het goud van de halve manen, weg onder het hallelujah van het hooge middaglicht.

TWEEDE GEDEELTE

IV.

Achter de heuvelenvlucht van het Zocco was de zon alweêr gedaald. De lage hemelen langs vervloot het nu al verre schittergoud wijd-uit in strooken en banen kleur, intenselijk als metalen gebruineerd, geel koper, rood koper en bleek aluminium; gestolten licht; brandglansen walmend over dwaalschijnsels en verloren zweemen; en 't hemelgewemel, dat groende als warrelgevlam van zink en natron, smeltende in veel heftig vuur. De aarde donkerde snel; gedoofd lagen de gronden onder het vuren van de lage atmosferen, asschig in de kuilen der dalen van duister vol, maar op de terreinen hoog, nog gevioletteerd, begloeid door het lichtrag uit den horizon.

Langzaam daalde nu Johan naar de stad terug, kalm onder den blusschenden hemel.

Hij had dien dag geloopen, veel geloopen maar door, het strand langs tot aan den riviermond en terug, toen, wat hij nog niet had durven doen, alleen tusschen de heuvels het land in; alle bezorgdheid en vrees voor kwade ontmoeting, hij had er niet aan gedacht. En in den namiddag was hij naar een bekend plekje gegaan, bekend geworden, achter het kerkhof, en hij had zich neêrgezet daar op het groene veldje, de beenen onder zich gehaald in een gewoonte-zitten. Het was daar goed, bijna een thuis, niemand kwam er. Van onder over het pad trok wel eens het lange loopgeluid voorbij van een muildier met schellen aan zijn tuig, en het "huï-huï".... van den drijver. Dat was alles. Achter de heggen kon hij vrouwen hooren babbelen, maar niemand kon door dien gegroeiden muur heenzien. Andere avonden was het zoo lekker geweest daar te zitten wachten op het donker; er zoo onbespied lang-uit te gaan liggen, rustend met al de leden, de armen wijd-uit en de handen open, als een gekruiste op d'aard, te liggen kijken zoo, tusschen de stekels door, hoe de hemel somberde. En weêr had hij, terwijl allengs het veldje bleeker om hem werd en de blaadjes van het ronde kruipkruid blikkerden als schijfjes geld, de planten-schutting langzaam-aan donker zien worden, groen-donker, blauw-donker en bister-donker; en nu mineraal-zwart, leken het wel versteende stronken van reuzige koolgewassen, zoo hard en fossielig stonden de aloë's tusschen de pluizen van het week wuivende riet. Maar de vrouwen waren opgehurkt van bij hun graven, hem voorbijgegaan hoog loopend langs waar hij ongezien lag, daarna was hij ook opgekomen, om vóor het sluiten der poorten nog binnen te zijn.

Rondom dauwde van den grond het duister. En het was als een vlaag donkere regen geweest daar voorbij de stad, die tronend met het bleeke Hooge-huis, haar steenschijn al verloor. O, de stille avond, de zachte avond. Beneden lag daar ginds het water van de baai te duizelen, meêviolettend onder de verre strandheuvels, strekkend hun schuiningen uit in het weefsel der nachtkleur, lila's en blauwen doordraad met rood en esmerald. Voorop ijlde de minaret van de moskee de huisblokken uit, daaronder verzonken in dit uur van het gebed.

Het was in 's wandelaars hoofd nu een kalmte als voor slaap, nu de moordende gedachten niet meer jaagden, nu ook de jacht van zijn hart uit was. Avondrumoer zwom aan in zijn gehoor in een laag spoelen van golven, terwijl hij ging, ging, aankijkend met de al-leêger blikken, den al-bedroomder hemel. Langs het kerkhof volgde hij een smal spoor tusschen de zoden geloopen; het was hierboven kil en woestijnig; lucht van runderen wademde in zijn ingeadem.

Staâg tredend de glooiing af, voelde Johan zich loopen als zette een ander zijn voeten aan den gang. Daar lagen de lastbeesten al neêr, de pooten gevouwen, saâm kuddend, saâm laag. Eén was er nog tegen de lucht aan 't opduisteren; of hij mank was, stond de kameel op drie pooten, gekluisterd, te herkauwen stil met den rechtgedragen kop als een windvaan voor 't nog-lichte, maar met de hoeven verschrompeld al in den duisteren dauw.

Van beneden kwam nu het buitenwijkje opdringen in een gerommel van plekkerige wanden, en de smerige stadsmuur kartelen uit de diepte van het marktveld, bibberen uit een dal vol schemer met schemerend beweeg. Er achter schoven de huizen fosforesceerend onder den vallenden nacht. Zie, de poorten waren nog niet dicht, zwoelzwart om in te kijken, al trager gingen zijn voeten nu over de dikke delling van het marktveld, over den met voetzoolgaten veel bekuilden grond.

--.... Vandaag veertien dagen dat ik hier ben, kwam even een herinnering zwerven.... toen weêr vergeten.

Hij ging over den straatweg, tusschen menschen, met hen meêloopend in de oplossing van het licht, zelf lichtloozer en vol al grooter leêgte, gedachteloos, gelukkig zich zoo wegsmelten te voelen gaan. Dat was een vriendschappelijk gevoel, dat was genotrijk geworden, dat kwam bijna elken avond weêr, wanneer hij alleen was, dat leêgworden in het langzaam ontastbaar worden van de dingen om hem heen. Dat kwam schokloos droevig, zonder smart, als langzaam bezwijmen bij veel bloedverlies, dat dampte alles weg, begeerten, minnen en haten, alles weg in de éene neiging naar het weg-willen-wezen.

Langs hem haastten de gangende steêlui voorbij; enkelen en bij meer; vrouwen schuivende boven het ratelen der baboesjes, in nachtwitte omhuiving; mannen stoer en groot, roeiend met armen en beenen voort in den avonddroom, al verder-op zich meer omwikkelende met duister in dit stervensuur. Ze verdwenen, klimmend de muren langs naar de hooge stad, of ze doken den nacht van de poorten in. Daar ging de sprookjesverteller, gelijk een bekend gezicht in sluimer komt en gaat; en het vage herinneringszien kwam als een knipoog meê, van dienzelfden man, den slangenbezweerder.... Avond aan avond had hij naar hem staan kijken, nooit kunnend scheiden van die markt; een bekend figuur met zijn tasch was hij er zelve geworden; tot in het late uur doolde hij er, wanneer het veld blond lag, wijl achter de heuvelen de zon zoo pracht-stil van de aarde wegboog. Dan stond die man in zijn wit hemd, en vóor hem kringen van in goor-witte krooken en vouwen verscholen Arabieren-volk; de voorste rijen gehurkt; hij gebaren aan 't maken met zijn oud-roode tamboerijn, schuddend de haren, die zwart en lang als bij een vrouw, en begroezeld met vuilnis waren. Met strootjes om de staarten aan een pin gebonden, sliertten zijn slangen slap over den grond, venijn-geel gekronkeld, glibberig languit, schimmelachtige dingen, onbewegelijk en smerig. Maar de tongpriemen flitsten en vlijmden hun de harde bekken uit, streelerig, koudmakende wellust-rillingen, wanneer gaande in kringloop, de naakte voeten van den slangenman, als bezeten dingen langs hun koppen dansten. Grimasseerend zat het volk dan te luisteren, knippend de oogjes, klein en sluw, om de wreede neuzen rilde het, opgegaan waren ze in het voor Johan gansch onverstaanbare verhaal, dat over hen als uitgeniesd werd. En ze begonnen te prevelen en zij kusten handen en gewaad zich, zoodra maar Gods naam werd aangeroepen op den slag van de tamboerijn.... Nu draafde de man zijn loop naar huis, geweldig spannend den grond onder zijn koelbloote beenen, de ben met slangen hing morsig achterop zijn rug, een flard van zijn wit toovenaarshemd hing onder den grauwen lapmantel neêr.... weg.... weg.... rinkelde de tamboeriene langs zijn zij.