Chapter 5
Aan den overkant lag blank, met een kerkspitsje laag, vaag een wit menschendorpje, aandommelend met zachte spiegeling onder den wal.... het vaste land weêr.... Europa.... maar verdroomd achter 't licht. Rechts, een bastion in zee, Gibraltar's dreigende torenschim, en met een sprong der oogen het waterblauw, de straat, over, de toegankelijke straat naar de onbekende groote en diep-in geweldig-lichtende Middellandsche zee; en dan de rood omsnellende heuvelreeksen.... Afrika al.... woningloos.... vèr aan den duizelenden horizon het gesilhouet van den Atlas, berg-ijs-blauw.... en vlak hierbij.... duinen.... wit zand met twee schrale boompjes als witte berkjes.... begoocheling van eigen stranden.... woestijnbegin en thuis, en dan een dadelijk verschrikkelijk gevoelsvisioen van dorheid en dorstlijen.
--"Ongeluk, 't is een ongeluk," zei Vogel, en 't klonk als een jammering in den wind, "een groot, goed mensch geboren te zijn."
Hij lachte luid na, even schril:
--"Vraiment, c'est du Sophocle.... waarom niet?"
Zij liepen over het natte en donkerder zand door de waterkeering verlaten. Het strand deinde onder de stappende voeten.
--"Des bêtises, wissen Sie, maar dat is toch erg, gehoond te worden tot het laatste, te moeten verdwijnen, zonder dat vuile, krieuwelige tuig, mijn innige verachting in 't gezicht te kunnen spuwen. O, ce Crépieux!" en zijn knorrige stem was met vocht beloopen, "hij is me de baas."
Ze liepen. 't Zand lag in lange ribbelingen; op de aarde, als op een reuzenschaal had de zee den geleidelijken achteruitgang gemerkt van het almaar ebbende water.
--"Vergeef me," begon hij wat weeker, "wat kan het u schelen als ik naar den grond ga.... ça arrive.... n'est-il pas que tout existe pour faire penser?.... maar och, ik zou willen nu, dat ge me gekend hadt, vroeger.... en waarom?.... dat ge wist hoe mooi ik begonnen ben.... Bah, wat brandt dat water daar fel in mijn oogen".... Hij spoog op 't zand, den mond vol speeksel, gaf een veeg langs zijn snor met den rug van zijn hand.
--"Attendez!" zei ie, "mijn pijp is vuil."
Hij stond weêr stil. Johan met hem. Vogel bukte naar den grond, zoekend een stokje of een strootje of een verloren veêr.
Het strand blonk nog altijd verlaten. Heel in de verte leek het wel of er menschjes liepen, donkertjes onder de ietwat al dalende zon. Walmpjes wind doesden breed aan, op de tong verziltte het speeksel, en een benauwde nicotinegeur ging om de pijp van Vogel.
--"Daar," wees Johan naar den grond den dokter aan, die laag, bijziende als hij was, met de handen scharrelde.
--"Daar, neen, die is te kort."
--"Is die goed?"
--"Merci."
Ze kwamen beiden op, Vogel even kreunend.
--"Badaud?" vroeg hij, met zijn pijp onder zijn oogen peuterend, "hoe vindt ge Badaud.... kolonel.... geloof er maar niets van.... de la blague.... ach, Badauds kunnen alleen zwakkelingen als ik ben kwaad doen, wissen Sie.... maar Crépieux.... pas op de Crépieux."
--"Zoo," zei Johan, zacht meêgaande en proevend uit den klank de bedoeling.
Stom was hij naast den dokter blijven loopen. De kleine vertrouwelijkheden van dien man, van wien hij voelde hoe hij onder de zon al in den dood leefde, bleven in hem vallen en brachten meê hun eigen zwarte beklemdheid. Hij liep naast Vogel, soms met het onpasselijke gevoel dat angst voor iets onbekends geven kan, iets dat men uit zou willen spuwen, zoo kropt het in de keel, en dat men maar niet van zich af te zetten vermag. Hij bracht zijn handen aan zijn zij, instinctmatig, als om zich zoo bij elkander te houden.
--"Laten we teruggaan," sprak weêr in rookdamp, Vogel.... "'t is half twee.... hoor, de muziek is boven."
Schaduw sloeg al voor hun voeten uit op 't korrelglanzende zand, schaduw als van dwergmannetjes. Het zachte branden van de middagzon prikte Johan in den hals nu.
Ze gingen. Vóor hen om de kromming der baai praalde de stad in 't op- en uitgestapel van haar bordessen, met het optronende hooge huis, zonblokkend op de schroeierig roode rotsen. Gelijk een star maanvisioen verscheen Tanger boven de blauwe pracht van het soezende water, onder de luchtblauwe overspanning van den wijden hemel.
Beneden donkerde het havenwerk, rommelig, maar verlaten van drukte; een keikleurige pier stak het water in, en de Moorsche lichtervaartuigen met de dwarslijnen van hun ra's met gereefde zwarte zeiltjes, guirlandeerden er tegen de vuil-blanke onderste huizen van de oude stad. Maar zie, lager naar het strand, daar was al beweeg van omloopende figuurtjes, wittigheidjes van burnous en kleurtjes van kaftans. Ze gingen schichtig de walstraat in.
Buiten de baai, in de wijdweg blauwende waterruimte, van plezierscheepjes scheen wel, witte zeiltjes.... twee, drie, vier, als driehoekige vogelvlerken.
Maar uit het stil stralende stadje zoemde, en al dichter en duidelijker, het openluchts-joedelen van een herdersfluit, woestijnmuziek, en toen aangedragen op den wind, het ondergrondsche gebom van een geslagen trom; 't woei weêr weg, maar jagen kwam een wilde snerp, dol geworden, zich opslingeren in de lucht.
--"Ik vraag mijzelven af," ging Vogel voort, "waarom toch vertel ik u dat alles, aan u, dien ik voor een uur nog niet kende.... steun zoeken.... zwakheid van me.... 't is waar, ge hebt geen kwaad gezicht.... laat kijken.... dat bedriegt wel.... dan.... gij zijt een Hollander en ik ken uw land tamelijk wel, votre drôle de pays," begon hij weêr te schimpen.
--"Ge schijnt erg in uw schik die uitdrukking gevonden te hebben," liet Johan merken dat hij geraakt was.... "of, en dat is niet aardig, ge wilt twist met me zoeken."
--"Waarom?"
--"Omdat ge nu al zoo dikwijls hetzelfde zegt."
--"Ah bah! zet er u toch geen gal van, jongmensch.... 't is om te lachen.... lachen, lachen.... meer waard dan de vrees, die de patroon.... pardon.... monsieur Crépieux, ons zooeven aanprees.... leer lachen.... Bah, daarvan komt al mijn kwaad.... ik deed het nooit genoeg.... Zeg zelf, wat baat het mij nu, lachen te kunnen.... en wat scheelt het een ander als ik vroolijk ben.... u, par exemple.... over uw Holland, en pour cause...."
--"Dat doet me zeer."
--"Allons donc, 't is de moeite niet waard."
Met de zon in zijn nek, begon er kwaadheid in Johan te schroeien en hij flapte uit:
--"Ik wou dat ge uw mond hieldt."
--"Dat zegt monsieur Crépieux ook, ha!"
--"Ge kent mijn land niet, al denkt ge 't, gij hebt niet het recht met mij te spotten."
--"Allons donc, votre Hollande est tout bonnement un pays fini."
Vlàn! als een klap in 't gezicht, ontving Johan Vogel's onverschillig in den wind gegooid oordeel. Hij had een twist, een kibbeling verwacht en gewenscht, maar nu dàt, als 't eindbesluit na een lange redeneering sloeg zijn kwaadheid stuk. En het was of er een ander naast hem sprak, toen hij zijn eigen wrevelige stem hoorde zeggen:
--"Ge liegt."
--"En waarom?"
--"'t Is niet waar."
--"Ah, jongmensch, ik weet het heel wel.... ge zijt artist, et tous les artistes rêvent aussi un peu la gloire de leur pays.... maar zeg, waarom zou ik liegen, waarom u plagen, wat kan het u schelen, herhaal ik, wat ik meen, ik.... ik die de gewoonte heb gekregen alles luid uit te zeggen wat ik denk.... waarom?...."
--"Waarom? waarom? weet ik het?".... zonder het te willen deed Johan Vogels stem en manieren na.... "gij die...."
--"Ge durft niet.... omdat ik een verloopen kerel ben, wilt ge zeggen, is het niet zoo? wat is de waarheid eenvoudig, niet waar?.... ik wou dat dat water niet zoo helsch glom.... maar, petit homme, dat maakt het mij juist zoo gemakkelijk te zeggen wat ik denk.... où est donc votre fameuse intelligence?.... menschen als ik.... zijn als groote gekken, wissen Sie, ze hebben niets te verliezen, ze hebben niets te bewaren."
--"Verdomme," vloekte Johan.... en hij zei maar wat.
--"Wat, wat zegt ge.... goeie individuen.... maar zijn die niet overal.... onder de.... Dinka's, onder de Hongaren, n'importe.... waarom dan niet in uw Holland.... sans doute, 't is là-bas als in mijn uitgeblonken leven.... vonken nog.... ah oui.... opflikkerende vonken.... des morceaux de pensées.... maar het lichaam.... wissen Sie, la masse reste inerte, frappée d'apoplexie."
Wederom moest Johan maar wat zeggen, verslagen. Wat te antwoorden aan de driestheid van zoo'n naren kameraad, die in de vernietiging van zichzelven, den ander te treffen wist in zijn ongelukkige origine.
--.... "Waarlijk.... ge hebt gelijk, waarlijk, das bewegt sich, ça existe, 't maakt leven.... jawel.... als deze zee, wissen Sie, die maakt ook leven.... hoor.... maar in waarheid beweegt het water niet, water is traag, voortgaan doet het niet.... 't schommelt, 't schommelt.... uit.... thuis.... un songe.... begoocheling van beweging...."
--"O, we hebben nog kracht, we zullen nog veel.... we zijn nog rijk."
--"Steinreich, niet waar?.... Zijt ge 't bij geval zelve?.... Herr Gott, noch einmal.... daar weet ik van.... rijk.... waar is dan toch uw rijkdom.... une tradition.... als uw heele bestaan là-bas.... Rijk.... des vaches.... voilà une trouvaille."
--"We hebben nog, we hebben...."
--"Wat?"
--"We hebben nog groote artisten, par exemple, tout le monde le dit...."
--"Jessus...." hoonlachte Vogel met zijn hand aan zijn oor.... "daar heb je den ouden heer weêr.... hm.... hm.... een volk dat groote artisten heeft is zelve groot.... want de artisten komen toch uit het volk.... qui le dira, je demande.... Hij heeft ze mij genoeg aangeprezen, uw artisten.... le plus fameux.... une femme, n'est-ce-pas? et.... mais ce sont des vrais Mormones là-bas.... Drôle de pays.... dat is er van gaan houden zoetjes gekitteld te worden...."
--"Ik waarschuw u, mijnheer!"
--"Dreigen geeft niets.... dadelijk doen.... nu is 't al te laat.... nu zijt ge alweêr wat kalmer...."
--"Petit homme, petit homme...." vervolgde hij, gemoedelijk lurkend, "zet u er toch geen gal van.... à quoi bon?.... voorheen heb ik ook wel eens gedacht, sprekend met een goed mensch là-bas, dat uw vroeger zoo sterk, zoo springlevend volk zichzelve suicideerde, bewust, omdat 't niet anders kan.... maar 't is niet waar.... wissen Sie.... comme moi, traînard.... oh! ik weet wel.... ah, bah.... gaan we maar weêr naar boven.... even aanloopen bij Antonio en daar, wed ik, offreert ge mij een glaasje.... drinken, een sigaar in de zon rooken.... voilà, mon cher, voor 't oogenblik, absolument quelque chose."
Hij had Johan onder den arm genomen, maar die, wrokkend, zei:
--"Neen, daar houd ik niet van, ik loop liever los."
En de zee verdween. Daar op de borstwering leunde nog altijd de man, of hij te slapen stond.
Van-om de haven daalden nu veel menschen: vrouwen bij tweeën tredend, spookrecht in hun omsluiering; sommigen hadden een ronden bobbel uitpuilen van achteren, door het onder de doeken op den rug gedragen kind; en heeren, kalm loopend, ook in omsluiering tegen de zonnebranding. Veel mannen, werklichamen, kwamen op hooge naakte beenen aan, die ze uitwierpen, neêrspalkend de voeten in de smakkende muilen; scheenspieren spanden taaie vezels onder kuiten als van hard hout. Forsch met de armen zwaaiend, weken zij den hoek om en de walstraat in, dadelijk kleurend in samenlooping, of gingen den buitenweg op die achter de muren cirkelt rond de stad.
Johan en de dokter liepen meê in de walstraat, maar Vogel, thuis, sneed al gauw een zijsteeg in, en ging toen links en rechts, wankelend over 't lastige pad als een dronken man, in zijn pijprook schier dravend. Ternauwernood hield Johan hem bij. Langs versch gekalkte, met oker besmeerde muren gingen ze, lage slopjes door, nauw en gedrongen in gelen schemer, soms pakkend op een hoek een worp zonlicht gelijk een neêrgeschoten pijl. De straatjes volgden elkaâr, vaal als harpuis of wittig van wanden, bespat, bedrekt, waar een oud geluikt raam en op de ribbels met zand bestoven, soms met kruishouten dicht was; over een weg vol gaten struikelde Johan met telkens zwikkende voeten den dokter achterna, hoog en laag door de drogende modder, over struiken en groen, bossend en bezemend overal, vegeteerend in den vruchtbaren zonne-schemer.
--"Loop toch wat aan," riep Vogel.
Dan gingen ze voorbij een kleine deur en met een snellen inkijk zag Johan als in een droom, er een vrouw staan in een hemelsblauwe pantalon die uitpofte, opgeblazen scheen om de dijen, maar om de enkels straks was. Zij hing kleêren over touwen te drogen, hief de armen boven het hoofd op, het zwarte vestje plooide langs haar borst, soepel in 't witte onderhemd. Kin en bovenhoofd had ze, als bij een gekwetste, in doeken gewonden, aan haar voeten graaide een kind over den vloer van gebakken steenen en spartelde met de naakt-blozende beentjes in de lucht. Verderop verliet een Moor zijn huis, overstappend het drempeltje, neêrbukkend uit het lage kozijn, met een verstoord kijken ging hij norsch voort. En een schrale Hebreër, schriel-spichtig van kop, met een pluizigen en wormstekerigen baard, die een oude vijgenmand aan een touwhengsel in den knik van zijn arm had hangen, die een tooneelachtigen wandelstaf telkens tikte op den grond, liet hen voorbijgaan, groetend beleefd met de hand op zijn hart, door de looze oogen nieuwsgierig vragend: "wie zouen dat zijn?"
De muziek wandelde, scheen wel, oproepend door de stad. Onverwacht, gelijk aanwaaiing van tocht, zoemde bij wijlen het schreien van de verre rietfluit, en dompte het geboem van de gong; het was met den vinger aan te wijzen waar de muzikanten liepen.
Vloekende, van binnen nog kwaad, strompelde Johan achter den dokter aan, die zwaaiend met één arm, met langere beenen harder loopen kon.
.... Duivelsche vent, dat noemt zich òp en wat kan hij nog hard loopen.... Kijk, zijn eene schouder is hooger dan zijn andere.... en een neiging kropte in Johan's keel om Vogel uit te gaan jouwen, onder het loopen hem na te schreeuwen.... Zeg, struikel niet over je scheeve hakken! zeg, trap niet op de randen van je pantalon! Sapristi.... daar kon je op loopen, dat klonk als een deuntje.... trap niet op de randen van je pan-ta-lon.
Nog een hoek om en weêr een bocht. Vogel gaf een ezel die in 't straatje graasde, een stoffig-klinkenden klap op het kruis, 't beest sjokte uit den weg.... toen, een eindje snel dalend en ze waren als neêrgevallen midden in de straat, in eens herkend, die van 't Kleine naar 't Groote Zocco gaat, en waar onder de zon de drukte in de breedte drong.
--"Te laat voor Antonio," zei de dokter, even keerend, "de muziek is achter ons, boven, hoor maar!"
Dof, in een breede uitrolling van een geluid dat veel lucht verzet, dichtbij gehoord als na-dondertjes over wolken vertuimelend, bonsden nu de slagen van de donkere trommel: boem, boem, boem, gronderig onder het neusachtige getoeter van de klagelijke klarinet.... hoor!.... dat klonk als een melodietje, almaar dezelfde vijf, zes nootjes, je zou ze kunnen teekenen, het overspringen van de krijtende klankjes, een lijntje als een snel bliksemstraaltje, zigzaggend, en dan den gillenden snerp, recht.
Een keiige vloer, baande de straat op; drukte joeg onder de huizen, storend telkens de eenzelfde beweging van kalm opgaande menschen. Aan weêrszijden der straat winkeltjes; tusschen de lieden door zag Johan weleens een koopman gehurkt zitten op zijn mat, in de schaduw en aan 't rooken alsof er in de wereld niets anders was te doen, keek hij uit stil-bruin, doffige oogen den voorbijgaanden menschendrom aan. Op de platformen boven de winkels stapelde veel opgeborgen pakhuistuig; manden en tonnen, vervreten door regen en veel zon; hooger stegen dan weêr muren naar het blauw.... Daar gaapte een zwarte hoefijzerpoort over de hoofden.... van een hal, leek wel.... en kijk, daar puntte de hellebaard op van den marabout.... van dien aansteller in zijn splinternieuw oranje theaterpak.... den heilige met zijn gemeene, branderige oogen.... Zie, hoe dat ding gepoetst was en blikkerde in de zon.... Die vent liet zich teekenen.... dat had de gids verteld.... Een Belg had eens een schilderij naar hem gemaakt.... een heel duur.... dat weêr had Antonio verteld.... Hè.... wat rook die Arabieren-rug daar vóór hem.... muskus.... en uitwaseming van sterk vleesch.... 't stonk wild....
Zij liepen al onder den walmuur, nu aan het Zuidwesten van de stad. Ze gingen de straatpoort door. Daar zat zoo'n gestrafte dief, de oogen verschroeid als bij een blind gebranden vink, in den zonnigen post, onder de deur weggedraaid op sterke scharnieren, zijn godsdienstig deuntje te zingen. En Johan moest neêrzien op zijn dood gezicht, achterover met den jammerenden mond.
Tusschen de fladderende, kleurende en lawaaiende drukte gingen de beide Noordmannen, bijna schouder aan schouder, meê op den rhythmus van de veelvoetige beweging.
Tusschen de hooge walmuren onder het Kasbah liepen ze als door een droge vestinggracht. Hoog brokkelden de zon-oude steenen der kanteelen als een hoekig plooirijgsel onder de glinsterende lucht. Bossen wintergroen onkruid pruikten uit de voegen, slierden er langs neêr aan de roestrood harige wortels.
Nu, als tot een bastion, dijde de gracht uit. Smeden hadden er hun werkplaatsjes gemaakt in de uitpuiling van de muren. Een, gebukt boven den op zijn knie geknikten paardepoot, de fez achterover tegen het afvallen, hamerde het glimmende hoefijzer vast.
Toen, zooals water persend gaat door een duiker, drong de drukte samen en het enge Zoccopoortje door. Zij waren buiten.
En in Johan's oogen klaterde hel het zonneruim van het groote Zocco.
Het marktveld, beginnende met zware aarde, uitschuivend zijn drekkige heuvelgronden, rommelde van volte, krioelde van zich weghaastende kooplui. Links daalde de volte in de stadsmuur-schaduw, of was daar de markt nog in vollen gang; maar rechts rezen de terreinen in amphitheaters stijgend, en stonden daar beplant met stralende gestalten, met rijen van sluier-vrouwen.
In het dal-midden, waar onder het aantreden naar de rijen, de vloer telkens bloot schoof, in sombere lijnen als versch opgehaalde ploegvoren onder het neêrschuinen van den lichtvloed, golfden en sleepten de loopende witte plooien door 't bonte lawaai; maar hooger schaarden zij zich saâm, blinkende stil, tot een volk wel, in de zon-atmosfeer.
Tot waar de helling het hoogste tegen de rimpellooze lucht aanging, stonden zij, beeldjes achter eveneensche beeldjes; tot onder de heggen van het kerkhof: aloë's, die ratelden van groen licht op hun vervaarlijke stekels, die slurpten in hun schaduwen het hemelblauw en waar bovenuit, zooals een toren steekt uit een stad, een gladde obelisk steeg gelijk een naald stijf verstorven licht achter den rouwwaaier òp van een eenzamen ceder, stonden de stille vrouwen in het al-parelend warm blank van hun bezonde gewaden.
--"Waar blijft ge toch?" riep de dokter, vooruitgeloopen, naar Johan.
--"Maar kijk dan toch!"
Gelijk een schreeuw die plat slaat tegen de ruimte, hoorde hij fel zijn eigen bewonderend roepen en om zijn slapen ging een blaaskou van sidder-wind.
--"Wat?.... daar?.... vrouwen, die als wij op 't weggaan der gekken wachten, die, dàar en daar met die groote hoeden, dat zijn vrouwen van Tetuan."
Vogel had zijn pijp in de hand genomen en wees er mêe naar de stroohoeden, gelende dingen tusschen de lichte gewaden.
Zij begonnen den weg te loopen die als een waterbaan tusschen landen de terreinen inging. Johan rechts boven zijn oogen almaar ziende in de zonnehal het statuen-staan van de witte vrouwengelederen. Hard voelde hij den straatweg aan, maar langs de kanten was het slijk hobbelig, als water in kabbeling bevroren, bekuild, betrapt met de duizenden gaten van de voetstappen. In de vlucht van zijn oogen bleven de heuvels opglooien uit den weg: aarde-voortschuiving onder de menschjes, modder verkorst en molmend in de zon, maar omgewoeld weêr, zwellend van sop en onderaardsche kleuren; vertrapt gras en verrotte rommel, saâmgekloend voederhooi en geknakte stroohalmen die als gouderts-aderen flikkerden onder de zon in de rosbruine gronden; disteltjes en eendaagsch onkruid, schijngroen, onder het geschuif en gewrijf der almaar haastende voeten van de mannen die gingen met veel lawaai.
Doch zoo een vlieg dwaalt naar de kaars, keerden Johan's oogen van zelve naar de vrouwen, staande in éenzelfde berustende wachting, breed-blank, staand-blank; elke gestalte besterd voor 't hoofd, fataal, met een blauw-zwarte plek: de donkere plooischaduw voor hun oogen.
--"'t Is mooi, zeg!"
Maar de dokter ging het pad op, zei niets, smal, als verkrompen plotseling in zichzelven, en Johan, met de armen uitbundig geworden, had het genot in zijn oogen vochtig, wiegde zichzelven mêe op den schommelenden hooggang van zijn klimmend lichaam.
Overal haastte zich de marktdrukte henen, langs de straat, overstekend de straat en weêr kuilend de modder, voorbij hem, achterom hem, in plasserig beenenbewegen, links in een almaar gebuk naar den grond, bezig met de overgebleven koopwaar. Het was daar een geploeter van veel handen uit wijde mouwen gestoken, zonbruine handen sjouwende goorgele korven, soepel vlechtwerk aan groote biesooren op en dan ze tillend met een hijsch op de ruggen van de suffende ezels, of ze bij tweeën langs de basten in evenwicht ophangend, en klaar er meê vort, hooger op, lager in, altijd aan den gang. En onderwijl schreeuwden ze onophoudelijk, zetten de lucht om hen aan den gang meê; kruisschreeuwen, dwarsschreeuwen, keelstooten vol haast en zangerige uithalen van hun winden woestijnstemmen galmden over de glinsterende hoofdbollen, grommelden over den rommeligen grond onder het gebuk van de gekaftande mannen door de zon op de ruggen geslagen, krijschten met het gedraaf van de geburnousde mannen met kanten zon om kopkappen en mouwplooien;--een volksrommel, uitlichtend zóo tegen de groote stille schaduw van den stadsmuur, die plotseling als met een snede, achter de veranderzieke lijn van het licht, de kleur en de beweging in zich dronk.
Zij gingen.
Links nog, maar meer van hen òp en verder, was het veld begrensd onder de tintellichte lucht. De zonnebol, door Johan schuin boven zich gevoeld als een brandend groot vuuroog dat het gezicht wel verschroeien kon, vernietigde het blauw der eindeloosheid rondom zich wijd, wijd-weg.
Dáar uit de laagte optrekkend, zette de muur zich voort tot een buitenwijkje in huizingen zonder vensters, hoogblokkend, laagblokkend, verkalkt, verweerd, vervuild, éen geworden met den grond. En overal er tegenaan was hokwerk, schuurtjes, stallinkjes van rotdonker plankenhout, en vlechtwerk als hutten voor de zon, schaduw-inkijkjes gevend, en overal beplekt met kalm zittende witte menschjes aan den rand van de markt. Ginds een stuk steenvierkant, afgeknot gelijk een vervallen toren, met schietgaten; er naast en er tusschen verliepen hegjes van gevlochten riet, de pluimen nog in de lucht. Maar in 't midden van den huizentroep en het hoogste, was een oud, opgeknapt huis, wittig, met een pannendak en een jalouzieënraam, en op den muur een schreeuwende moderne reclame, zwarte letters: "The Britannia."
Zij drentelden langs een lang huis onder een regenoverhuiving, aan den straatweg gezet gelijk een loods, met halfronde, open poorten, als een karavanserai omstapeld met rommel en markttuig. Een knutselige betimmering van paalwerk en met veel zorg gevlochten takken zag hij als een loofhut tegen den muur gehecht, aan alle kanten open.... Zou dat de Beurs kunnen zijn?.... koopmannen zaten er te rooken of kopjes thee te drinken.... handelend misschien wel.... ze konden van-op hun matten de geheele markt overzien. Een Arabier als een vredebode met een palmtak in de hand, blikte uit den inkijk.
--"Daar ga ik morgen zitten werken," zei Johan.
--"Ge zult het wel laten."
Vooruit ging de straatweg het terrein uit-enden, bolde om tusschen de glooiingen en de diepte in, niet meer met de oogen te volgen. Rood loof van den achterweg kroonde er boven.
En ze liepen naar het einde.