Chapter 4
--"Oui, daar slaat hij meê," ginnegapte Antonio, terwijl de nachtwacht bevestigend met zijn hoofd aan 't knikken viel.
--"Un baiser de cet ange ne me paraît nullement doux," meende de kolonel.
--"Ah, oui, il frappe," herhaalde Antonio, die scheen te gelooven dat de schilder het voor een grapje hield.
Lacherig keek Johan 't ding aan, een ebbenhoutachtigen knoet, die van boven wel de dikte had van een jongenspols; een leêren lis was door 't dunne einde geregen en daarmeê hing het om den pols van den politieman. En met allerlei vondsten had de nachtwacht zijn wapen harder gemaakt; hij had er alles maar ingeslagen wat hij meester had kunnen worden, scheen wel; schoenspijkers veel, een zaaisel van ijzeren koppen blank geschuurd door 't gebruik, als de beslagen schoenzolen van Duitsche straatmuzikanten; of had hij het gedaan voor 't kinderlijk plezier om de glinstering, of omdat hij er zijn borrels meê verdienen moest?.... en platte plaatjes ijzer, als stukjes glas, 't hout ingedreven, vreemde figuurtjes geworden, door het toeval ontstaan in een wildemanssmaak voor versiering.
--"Ge moogt het wel dichtbij bezien," vertaalde de waard, "en 't in uw hand nemen, zegt hij."
--"Geef den man nog maar een borrel, Antonio," lachte Johan, die den nachtwacht als een opgewonden mechaniek met zijn hoofd snel van ja zag staan knikken.
--"Is hij niet aardig, ce bonhomme, notre garde de nuit?.... als u van avond naar huis gaat, zult u wel over hem heen moeten stappen, hij slaapt den godganschen nacht als een hond op straat.... regent het.... dan kruipt hij in een ton.... maar wees op uw hoede, maak hem niet wakker, want dan slaat ie er op."
--"En ondanks dat, of liever nog, juist daarom," begon monsieur Crépieux te leeraren, "is men hier zekerder dan in de straten van Parijs."
De nachtwacht, weêr in zijn huid heelemaal gedoken, duisterde als een schaduw weg, de zonstraat in.
Monsieur Crépieux ging voort Johan te onderwijzen over 't zonderlinge recht in Marokko, en de betrekkelijke afwezigheid van misdaden; moord was nog de meest voorkomende crime; meestal een wraakgeschiedenis; maar diefstal bijna nooit, en dat liet zich begrijpen, facilement.... "U hebt natuurlijk de prison gezien.... en door het kijkgat al die miserable gevangenen daar.... voor 't meerendeel opstandelingen, politieke misdadigers, een enkele ook voor bloedschande. Eenmaal in 't hok, komen ze er nooit meer uit, ze vervunzen in 't vuil, sterven spoedig, en de medegevangenen schuiven het cadaver door 't zelfde gat terug, waardoor het is binnengekomen; ze sterven allen klachtloos, de een na den ander, berustende in hun stupide geloof: que tout est écrit."
--"En voor diefstal hebben ze nog een veel grooter absolutisme. De eerste maal dat een man steelt, 't zij een ezel van een buurman, of een kip, of iets van die noodzakelijkheden, wat die arme lui malkander maar te benijden hebben, krijgt hij een geeseling.... vlàn!.... op zijn naakten rug; maar wordt hij voor de tweede maal betrapt, comprenez-vous, dan hakt de beul hem op het hooge huis, tout court, de rechterhand af. En zoo het ten derdemale gebeurt, begrijpt u, of ook wanneer de diefstal groot is, dan oefent de bestolene op 't Kasbah geroepen, zelve recht en brandt met een gloeiend gepunt ijzer.... s.s.t..... den toch onverbeterlijken dief de oogen blind; u zult ze wel hebben gezien, er zijn er hier eenigen, ze zitten bij de poorten, of aan de markt, op de hurken te schommelen, te bedelen met de linkerhand en roepen het medelijden van de voorbijgangers in, op het deuntje van hun miserabel geloofsartikel: 'God is groot.' Gij zult ze gemakkelijk herkennen, ze zitten altijd met den neus in de lucht, zoekend het licht op hun verschroeide oogen, die er precies uitzien als de oogen van zangvogels door den vogelaar blind gebrand.... straffen.... 't lijf pijnigen.... eh bien.... daar hebben ze hier verstand van.... middeleeuwen noch inquisitie vonden verfijnder tortures dan deze kaalkoppen van schurken.... ik noem bijvoorbeeld: 'les mains au sel'.... excuseer mij zoo ik u niet verklaar wat dat zeggen wil.... trop horrible.... trop.... maar gij begrijpt.... zulk een recht jaagt er de vrees in."
Kordaat in al zijn doen had hij een nieuwe sigaret van het buffet genomen en ontstoken, zeggend, "hij rookte te veel", haalde de teugen in, blazend den stralenden rook zijn sper-neus uit, en zat dan met het witte dingie tusschen zijn nog onderrichtende vingers. Hij besloot:
--"Je vous dis.... la peur, c'est une bonne chose."
--"Assurément, la peur, c'est une bonne chose," beaamde monsieur Badaud, "ik herinner mij, hoe 'k eens in Algiers"....
Maar de dokter viel in de rede:
--"Zou mijnheer daar, niet gelooven gaan dat wij heiligen zijn, monsieur Badaud.... oh, als u een Arabier was...."
--"Taisez-vous, docteur."
--"Ah bah, monsieur Crépieux, vous avez raison.... la peur, c'est une bonne chose.... je me tais."
En teruggezakt in zijn onbewegelijk-zijn, verborg hij zich achter rook-mondevollen, terwijl de beide heeren kameraadschappelijk elkaârs gezelschap dadelijk weêr zochten, Badaud rooder geworden bovenop zijn koonen.
--"Bepaald," zei hij half-hard-op, "de dokter is dronken."
--"Sans doute," bevestigde monsieur Crépieux.
--"Is het geen zonde van een man met zoo'n intelligentie?"
Johan, die wel voelde hoe dit eigenlijk tot hem gezegd werd, was niets op zijn gemak.... wat drommel, konden die menschen hun vuil linnen niet en famille wasschen.... kwam die vervelende meid maar terug.... Antonio was ook al gevlogen.... als ze nu kwam, ging hij dadelijk weg.
Gepulver van goudstof, zakte de zon in de straatgeul neêr.... 't liep naar twaalf uur.... achter den zonnedamp was de steeg als breeder, de witte muur van het werkplaatsje stond achteruit, van warme weêrschijnen bebeefd. En weêr een loopende man deisde voorbij, badend nu in den lichtdamp, hard en dichtbij klepte de slag van zijn sloffen. Boven den drempel uit zat het knechtje steeds ijverig te pieken, vol aandacht turend op zijn prettig getreuzel, maar schimmig verschijnend in zijn blank hemdjasje, zijn lichaampje verteerd in de kracht van het krioelende licht.
Diep en donker brokstemde van achter uit de kroeg het gepraat der beide heeren; zonder het te willen was Johan er bij, moest hij luisteren naar wat ze vertelden. Crépieux klaagde over de moeielijkheid fatsoenlijke Arabische vrouwen te naderen, maar monsieur Badaud beweerde dat ging wel en vertelde toen een geval. Uit den hoek reutelde een slurpje.... blijkbaar rekte de dokter zijn grog.... wat een zonderlinge man, roofvogelneus onder weeke open-luchts-oogen.... waar had hij dat kijken meer gezien.... was 't niet....
--.... "En ik hield een vijf-pesetastuk in de hoogte, zóo!" verhaalde monsieur Badaud, "de vrouw keek om, in haar kleed onzichtbaar.... ik lokte, zóo; ze kwam dichterbij, kijkend bangig over de heggen van aloë's; ik weet het nog heel precies, in de verte tegen de berghelling op was een Moor met een span roode ossen aan 't ploegen. Ze kwam, aarzelend wel, maar ze kwam; ik bleef den vijf-frank toonen, zóo. En telkens omkijkend, ik was nog meer den hoek omgegaan, of ook iemand haar zien kon, kwam ze tot bij mij en maakte toen haar gelaat open.... En of ze mooi was.... dat zou 'k meenen.... ik heb haar gekust op mond, oogen, partout.... natuurlijk voor de vijf franken."
--"Gelogen," drifte dokters stem den hoek uit.
--"Maak u niet boos, monsieur Badaud."
--"Ik zeg u dat het niet waar is, dat het een onmogelijkheid is voor een Europeër een Arabische vrouw te kussen.... moi aussi, je connais un peu mon Afrique, monsieur Badaud, une putain, oui, se découvre, nooit een fatsoenlijke vrouw, c'est de la blague...."
--"En als ik u toch zeg...."
--"Zeg wat u bevalt te zeggen, ik zal u zeggen, dat het niet waar is."
--"Ivrogne," schold de kolonel onder zijn favorites.
Bah, wat stonk die kroeg naar kaas, 't was er benauwd, onaangenaam.... eindelijk....
Stuivend om den muurhoek, slobberde in haar violette jurk de Jodenmeid naar binnen; het koelwitte papierrolletje, als iets dat ze gevonden had, hield ze in de hand vooruit. En achter haar rug om, in den stofregen van bleekgoud vroeg-middaglicht, zag Johan, met éen blik, den mooien jongen schooier, dien hij daar straks op het Zocco gezien had, in het vierkant der wagenpoort treden, op zijn bloote voeten ging hij, voorzichtig met teêren tred. Aan den overkant keerde hij zijn rug tegen den muur, trok zijn been dadelijk op, zich schikkende zoo goed en kwaad dat ging, in zijn voddenmantel.
--"Ik vraag u duizendmaal verschooning, monsieur le peintre," kwam Antonio de gangpoort uit spreken, "maar die meid vertelt een heele geschiedenis, ze is overal geweest, 't is overal druk in de bovenbuurten, vanmiddag gaat de processie weg."
--"Wie is die man daar, Antonio?" vroeg Johan, schichtig.
--"Soleimon? o, een arme gek: hij wacht daar bij mijn buurman op zijn eten."
--"Spreekt ge Duitsch, Herr Maler?".... 's dokters stem was al haar kantigheid kwijt, "ja, ein wenig?.... mag ik u raden voorzichtig te zijn, als ge dien man soms teekenen gaat, een gek, dat is een heilige hier, verstaat ge?.... de Arabieren zouden het u kwalijk nemen, ze zijn wat fanatiek, als ge 't nog niet weet."
--"Men zal mij geen kwaad doen."
--"Zoo, gelooft ge?"
--"Voilà, dokter, eindelijk iemand waar ge meê praten kunt."
--"Merci, Antonio, maar ge vergeet den redacteur van de Réveil, l'Alsacien.... en onzen minister dan met den blauwen bandelier...."
--"Ha, ha!" schaterde de herbergier. Toen, Johan opgestaan ziende: "om twee uur, vergeet het niet, gaat de processie weg, ils partent du Grand Zocco."
--"Verzuim het niet, het is zeer interessant. Ce sont des religieux, des fous, des mangeurs de moutons. Men moet dat zien, 't is zeer belangrijk uit een ethnografisch oogpunt."
--"Merci, monsieur Crépieux."
--"Mag ik meêgaan?" verzocht de dokter, haastig zijn hoek uitgeschoven.
--"Adieu, mijne heeren."
--"Om vier uur kom ik aan 't atelier, dokter," riep monsieur Crépieux, bazig.
--"Bonjour, Antonio."
--"Au revoir, docteur, mijn groeten aan uw minister, ha, ha, ha...."
De beide mannen waren de kroeg uit en onder de zonne-neêrzinking. Achter zich hoorde Johan, Antonio's lachen nog rollen, toen zij 't gekje al voorbij waren. Rustig stond de jongen tegen den muur te droomen, vertoonend zijn sterk en bloeiend spiernaakt, stil lachend zijn gelukkigen glimlach, bestrooid nu en belooverd met zon.
Ze gingen naast elkaâr.
--"Ich möchte wohl mit Shylock sagen," begon de dokter, als iemand die hardop denkt, "Antonio ist ein guter Mann," toen plots zichzelven voorstellend, en met de oogen vragend den ander, zei hij: "Mein Name ist Vogel."
III.
--.... "wat ge me daar vertelde is zeer karakteristiek.... also Sie sind Holländer!"
Zij daalden door de breede hoofdstraat, recht onder de zon, midden loopend in den uitgezakten weg over de hobbelige keien naar de haven omdalend.
--"Drôle de pays votre Hollande."
Ze gingen langs den bazar, een tentoonstellingshuis, opzichtig beschilderd, met achter de vensters, uitstalling van filigrane-mooie dingen, en van veel aardewerk, dat naar buiten glom uit de schaduw van 't mineraalkleurig verglaassel. Ze liepen de moskee langs, waarvan de kerkpoort wijd open, maar 't inzicht naar het heilige als achter een voorhang versloten was door een hoogopstaande mat. Zweeterig-gele sloffen, bij paren schots en scheef op den grond, want daar binnen was 't altijd gebed. De straat droogde tot wit, er liep geen mensch in de straat.
--"Oui, ik ben er tweemaal geweest."
Op de moskeetrappen en onder den rullen straatmuur lagen duistere kerels languit te vadsen, als gestrafte dieven plat op den buik, en er zaten er gerugd tegen den wand, vodderig, met den kop weggeschrompeld in de schaduw van de kap; hun monden waren opengevallen in de lamheid van den slaap.
--"Ja, tweemaal.... wie die Zeit schnell geht.... voyons.... ik was in Amsterdam voor een internationaal hygiënisch Congres.... gemoedelijke lui die Hollanders.... en de tweede maal, om relaties te zoeken voor een andere groote reis door Afrika's binnenland, die ik toen prepareerde.... ik was niet altijd wat ik nu ben.... wissen Sie.... verstandige lui die Holländer.... natuurlijk is u ook een zeer intelligente man."
--"Hoe zoo?"
Ze gingen drinkbakken voorbij, waar paarden aan slobberden, roodbruine, als nieuwe kastanjes glimmend onder de zon; een melkwitte hinnekte, den toom op den nek tusschen het gespleten maanhaar; ze stonden met uitgerekte halzen, water morsend langs de soepele lippen en langs de gele graastanden, de bitten rinkelden tegen de bakken, ijzergeluid klinkklonk in de zonnige straat.
Bijna zonder eigen schaduw op den grond stapten ze; Johan zag naast zich den dokter loopen, grooter dan hij zelve, al liep deze ook met een ronden rug, als in de schouders geknakt. Vogel ging voort in zijn schunnig-blauwe jas, glimmend tot langs de beenpanden, de hand aan zijn pijp, rookblazend veel boven zijn stijven romp, voorover geheld ook in de daling. Hij ging zoetjes aan, als iemand die over den schouder wat voorttrekt, als een myop mensch met halfdicht turende oogen. Nu van ter zijde bekeken, was zijn snavelneus het voornaamste van zijn gezicht, schedel en kaakstuk leken onbelangrijk bijna; aan zijn voorhoofd, dat druk van rimpels, bultte onder een ouden flaphoed, groezelden uitgebleekte, als weggeschroeide wenkbrauwen. Weifelend kromp de kin achteruit, stekelig van roode en grijze stoppels, ook waren zijn wangen slordig onder een baard van acht dagen; maar klein en verstandig schulpte het oor met een dikken luisterrand. En zijn mond verdween geheel onder een bos half-cirkelende snorharen, in 't midden als pegeltjes, altijd nat, onder de dubbele beademing van mond en neus.
Ze liepen de straat af, de weg elleboogde, en een poorttunnel door. In den dunnen schemer zat er een schildwacht op een bank, als een vrouw in witte kleêren, alleen zijn oogen leefden. En zij daalden tusschen stomme muren, wallen; hoog was het zonblauw.
--"Verstandige lui, uw landgenooten," vervolgde Vogel in een droge, opsommerige gewoonte van maar-door-praten, "en extra-ordinaire gemüthlich." Hij gebruikte een onverschillige manier van redeneeren, bandeloos sprong hij over van 't Fransch- naar 't Duitsch-spreken.
--"Die brave monsieur Crépieux met zijn schorpioenen.... dat wil entomoloog spelen.... aartsdomme kerel.... ik had ze wel in een half uurtje kunnen gevangen hebben.... maar een anderen dag.... wissen Sie.... als ik een dag wat veel gevangen heb, deponeer ik er wat van in den toren.... niet zeggen, hoor.... Antonio versteht mich.... moest Crépieux niet begrijpen kunnen, dat met nat weêr niet te vangen is.... wijntje gedronken.... wissen Sie, met den wachter van den vuurtoren op kaap Espartel, een landgenoot van me.... nu ja, Oostenrijker.... ik ben Hongaar.... zijt ge al geweest op kaap Espartel?.... Neen.... mooie wandeling...."
Als iemand die de behoefte heeft zich uit te praten na lange stomheid, raffelde zijn stem; lijmerig leuk, of spotziek, met een ietwat dikke tong en dan in eens heel rad of het van binnen bij hem stookte.
Een Arabier draafde achter een ezel tegen de straat op: brandrood gloeide zijn fez. De vent begon zijn beest te slaan en aan te schelden, omdat 't niet voort wou, maar met luie gretigheid lipte langs de rottige muurkanten naar de dorre distels.
--"Weet ge wat die meerschuimen pijpekop daar langs ons uitschreeuwt? 'Vooruit, hond van een Christen,' roept hij naar zijn bourriek.... We staan niet erg hoog aangeschreven, vindt ge wel.... de kerel verlangt naar zijn slaapje.... ja, slapen, slapen te kunnen!"
't Pad geelde, want het strandzand begon den weg te bevloeren, 't loopen werd al moeielijk.... zoo dadelijk zou de zee wel verschijnen. Maar de dokter sprak voort en Johan's oogen begonnen van zelve het kijken te laten, hij begon meê te loopen in de dommeling van den praatroes. Telkens voelde hij wel het klotsgeschok van zijn teekentasch tegen zijn beenen, maar overigens.... Wie zou hij zijn, wat was dat voor een man?....
--"Badaud is een jakhals.... wissen Sie, en Crépieux.... ah bah!".... Vogel maakte met zijn pijp een zwaai door de lucht of hij lastige vliegen wegjoeg; het klakte sussend in zijn mond.... hij herhaalde: "ah bah.... wat kan dat u schelen!"....
--"Kaap Espartel?.... vier uren hier van daan," gaf hij antwoord op Johan's vraag.... "altijd als ge den ouden weg neemt, de nieuwe gaat in drie uren direct naar den toren.... menig keertje er geweest.... de rotsen waar de toren op staat, zijn rijk voor een snuffelaar als ik ben.... die vuurtoren.... als ze maar durfden, braken de Mooren vandaag nog dat ding af.... dom volk, zou amice Badaud zeggen.... maar ik vraag, wat kan hun die straat van Gibraltar schelen?"
--"Die toren? wel,.... die is daar gebouwd door een Fransch ingenieur, voor rekening van een internationale compagnie."
--"Ja!.... een compagnie.... une compagnie.... wie heeft ooit kunnen uitmaken wat een compagnie is, vraag zulke dingen aan Antonio.... al de mogendheden hebben er natuurlijk belang bij dat de vaart door de straat goed is.... die toren is een internationale behoefte.... voilà ce phare. Braun, mein guter Wiener, is daar wachter.... Immer ganz allein da oben."
--"Holland".... bromde hij weêr met zijn ontevreden binnensmondsche stem, als hij antwoord geven moest.... "Holland?.... weet niet, denk van niet.... Holland, zeg.... hoeveel malen zijt ge Holland buiten Holland al tegen gekomen.... Voor eenige jaren was hier nog een Hollandsch consulaat.... de Belgische is nog een groote heer hier.... maar 't was te duur, een eigen consulaat te hebben, en nu neemt een ander 't baantje waar.... dass versteht sich.... de Engelsche of de Zweedsche of de Belgische, of een die het op een koopje voor drie, vier landjes gelijk waarneemt.... hm, 't is een lastig ding.... vraag het maar aan Antonio, die krijgt al zijn brandewijn uit Holland.... sind ja doch wirklich ganz gemüthliche leute, die Holländer.... Drôle de pays.... Rooken dat is goed tegen de vliegen, wissen Sie!...."
Hij snapte, mopperde, dikwijls moeielijk voor den ander te verstaan; in zijn damp loopend, blies hij den rook machinaal voor zich uit.
--"Il y a là-bas du bon tabac, 't is waarlijk een culte bij u, al die mooie winkels waar tabak verkocht wordt, on dirait des temples!" sprak zijn stem hoog, met wat kinderlijks in het geluid.
--"Niet waar? beste tabak."
--"Ah oui, c'est quelque chose."
--"Een pijp goede Porto-Rico, hé?"
--"Daar herken ik u weêr.... Drôle.... Antonio heeft Hollandsche sigaren.... kosten bijna niets."
Al het toeschietelijke en kameraadachtige in zijn manier van praten was als in eens gevlogen. Hij zei niets, stapte voort, of de ander niet naast hem ging.
De weg verliep tusschen verweerd rotswerk. Links, waar Vogel sjokte, steeg de wand rechtop, berghoog. Het Hôtel Central stond daar, een groote til gelijkend, in de lucht.... "sapristi, wat hoog."
't Pad was enkel zand geworden. Tusschen de wallen door kwam het blauwe water van de baai op-en-op verschijnen, 't geleek een scheur tusschen heuvels en aarde; een witte schuimstreep, feestelijk als een lange veêr, wuifde en speelde er door heen. En vèr-in, met de illusie van stilstaande poppetjes, prijkten een paar boompjes, smal en rood onder de roze heuvels, nog in najaarsgebladert.
Hoog de zon.
Toen was de weg zoo een duin snel afdaalt. Zij waren de muren uit.
't Strand lag verlaten. Daar aan de borstwering, een eindje nog langs de zee, leunde een man met lange, bloote beenen, de schouders op.... 't leek wel een hoofdloos mensch.... stond hij te slapen?
De dokter vertelde onverschillig, voor den wind weg.
--.... "Ik herinner me vooral van Amsterdam een ouden mijnheer.... in mijn gedachten, rare gedachten.... noem ik hem altijd: le vieux. Tijdens het congres was ik meermalen zijn gast.... dat was een rooker.... hij had heel wit haar, overvloedig, als zij zoo zacht, en witte handen, verbazend blank met rose nagels.... ik zie hem nog.... het lachje waarmeê hij na 't diner een sigaar presenteerde.... ik hoor nog zijn zachte stem, als hij, na 't dessert, de mooie handen op zijn buik, rookende voluptueus en zichzelven bestreelende wanneer hij over zijn goed land sprak, zacht lachte.... o, suave, wanneer hij Fransch praatte.... en dan die handen met het rimpelige vel als hij goed gegeten had.... 't was zoo lekker dommelig.... dikwijls is 't mij later in Afrika's woestenijen gelukt, wanneer ik na een wilden dag, van overspanning onder mijn tent niet slapen kon, in te slapen door te denken aan 't geluid van die stem, zoodat ik 't hoorde.... te denken aan die witte, zegenende handen, zoodat 'k ze zag.... Le vieux bonhomme.... om u de waarheid te zeggen.... hij verveelde me soms geweldig, votre compatriote, wissen Sie.... c'etait trop doux.... Herr Gott, ja.... Eens herinner ik me, 't was bij een diner met de congressisten.... Gott, Gott.... wat is dat lang geleden.... mijn gastheer opgestaan, een toost van hem bij 't dessert.... ik niet alleen had een glaasje gedronken, wissen Sie.... 't was niet om te verdragen.... ik zat een eindje van hem af.... zijn mond ging open en dicht, gapen, geeuwen, 't was of hij sneeuw at, zijn woorden smolten in zijn mond. Toen heb ik mijn handen aan den rand van de tafel moeten vastklemmen, wissen Sie.... want ik wou opspringen en hem naar de keel vliegen.... het uitschreeuwen.... mais criez donc, nom de Dieu.... die goeie oude heer, hij had 't moeten weten.... We zullen maar wat blijven loopen hier aan de zee, vindt ge het goed?.... we hebben nog wel den tijd, 't is nog niet éen uur op de zon, dat klokje staat maar nooit stil.... 't is hier frisch, 't stonk daar ginds.... poeh.... petit homme, also Sie sind Holländer! Gij zoudt met mij niet in Amsterdam langs de straten willen loopen, hè.... wat zeg ik."
Onverwacht sprak hij op den man af, en evenals wanneer hij zijn wissen-Sie's uitsiste, loenschte hij om naar Johan, die zijn mond vol tanden voelend voor dien onstuimigen woordenstroom, de kwelling onderging van niets terug te kunnen zeggen.
--"Nun, nun," zei Vogel.... en hij suste weêr klakkend met zijn tong, "laten we hem met vrede; 't is waar, moi, je suis un homme fini.... waarvoor en waarom leef ik nog.... is het niet omdat ik te lui en te bang om te sterven ben?"
Hij was blijven staan, turend of hij wat zag boven zee, de oogleên in peinskringen om de oogen gekrompen, met een schuine vouw hing 't vel uit de kas, drukkend het bovenlid neêr; wat waren zijn pupillen zwart, verdonkerd nog in de staring, als een inkijk in zijn duister binnenste; het blauw er om heen brak onder de dichtrimpeling vanonder de oogharen.... zouen die oogen niet zoo zijn als hij gestorven was?.... Neen, dat was geen man die om meêlij bedelde.
Ze stonden beiden gezicht in gezicht. Stilte van een warmen slaap was om hen.... hoog de zon. Een blauwe rookgulp wolkte achter de snor van Vogel vandaan, vrij van achter de gulden tralies der knevelharen: lichtend wittig dan het licht in, stuivende pluisjes zondamp dan de ruimte door.
--"Wat is rook toch een mooi ding, hè!" zei Vogel.... "ach, Herr Gott, da fang ich wieder an sentimentalisch zu werden."
Ze stapten weêr verder.
Naast hen lag de baai blauw-uit, vlak gestrekt in zonnige rust. 't Water ebde. Loom deinden de lange waterbanen, rimpels en niets meer, onverwacht als denkplooien komen in een effen voorhoofd, kwamen ze op uit 't kalm soezende nat, met lange schuimuitkruivingen, bewegingen van zachte zwemmers, meeuwveêrwit aanscheren. Maar op het zand plaste het water uit tot een plots-kokende waterborreling, even kwaad, dan zoog en trok de baai zijn banen achteruit, pareling nalatend op 't strand, als bronwater op de tong, in een gisting van geruisch.