Gekken

Chapter 3

Chapter 33,894 wordsPublic domain

Antonio, zooals ieder hem noemde, was Italiaan van afkomst. Zijn vader, een vreemde snuiter, een aangetaste door de vrijheidskoorts, een woelig kind uit de onrustige revolutietijden, was al jong uit zijn land gejaagd, toen soldaat geworden in de Fransche legers onder Pichegru, vervolgens met Lafayette naar Amerika gegaan, later diens kok, eindelijk na veel, o veel wonderbaarlijke gebeurtenissen hier in Tanger terechtgekomen en daar wegwijzer geworden. In de oude reisboeken werd hij nog altijd aanbevolen om zijn groote geschiktheid. Hij had er een der eerste Fonda's opgericht en Antonio zette nu op vaders begonnen manier het zaakje voort. Daardoor, vertelde hij zelve, sprak hij 't Italiaansch even goed als zijn vader; en 't Arabisch als een geboren Tangeriaan; ook 't Spaansch als een Spanjaard van de overkust; bovendien was zijn vrouw een Spaansche; en 't Engelsch sprak hij als een inwoner van Gibraltar; en 't Fransch, bijna zijn dagelijksche taal, gelijk een stuurman van de Trans-Atlantic, die alle veertien dagen Tanger aandeed; en ook wel een paar woorden Duitsch kon hij begrijpen.... Toen Johan hem vertellen moest dat hij een Hollander was, had hij dadelijk "Gofferdom" gezegd, en stuipachtig het hoofd achteruit en de handen op zijn knieën slaande almaar, zich aan zijn vroolijkheid overgegeven als een dolblij kind.

.... Ah oui.... er was hier nog een compatriote van monsieur, die dat altijd in zijn baard knorde.... ah oui.... de admiraal van de Marokkaansche vloot.... ha, ha, ha! opperbevelhebber van één schip.... een oude Spaansche kast.... dadelijk na de afdanking aan 't verrotten gevallen en voor afbraak verkocht.... dat maar éens gediend had om den Sultan te brengen naar een kustplaats waar een oproer dreigde.... een lek ding met negen vreemde matrozen bemand; nu, met hun admiraal al een jaar lang.... ha, ha, ha! op non-aktiviteit.... die alle morgen vast om zijn paspoort ging vragen en aldoor maar weêr werd afgescheept en zijn hooge gage ontvangen bleef, omdat die Moorsche beambten het zoo lastig vonden dat ding klaar te maken.... ha, ha, hi, ha!.... Hij wordt altijd woedend als ik zeg, dat zijn taal een bedenkseltje is van hemzelf.... als ik hem vraag of er dan nooit eens iemand komen zal hier, om wat Hollandsch te praten.... ha, ha.... Ge zult u wel amuseeren.... nous avons encore ici d'autres....

Johan had een der tabouretjes genomen en zich zettend, Sivory toen gevraagd wat hij wenschte. Neen; groot papier, ongeliniëerd, had deze niet; maar hij zou 't wel weten te krijgen. En terstond had hij door het buffet geroepen, neusachtige woorden gelijk een Arabier spreekt; en een Jodendeerne met zwarte vlosharen bossend om haar hongerigen kop, een prachtige meid, een vervuilde aankomende schoonheid, kwam binnenslobberen achter het buffet om. Zij sloeg, de boodschap aanhoorend, een koffiezakkig vaal omslagdoekje over haar violette oude jurk, met vetkleuren om de randen der mouwen en onder de armen, en keek wild-schrikkerig in het opschijnende licht van de buitenstraat. Toen slemierde zij de deur uit.

--"'t Is nog wel wat vroeg voor een glaasje, is het niet?" vroeg Sivory, en 't was Johan weêr zeer vreemd, die hooge, jongensachtige stem uit dat groote lichaam te hooren komen.... "maar wat dunkt u van een glas spuitwater.... bon?".... "monsieur le docteur," babbelde hij voort, opgestaan naast 't buffet, de hand aan de kruk van een siphon, terwijl zijne oogen den straal, die met hevig schuimgeruisch in het glas spoot, bewaakten; "dokter, daar is misschien iemand voor u om meê te praten!"

--"Gut," bromde het onverschillig van uit den hoek.

--"Gut," lachte Sivory terug met een knakkenden knik van zijn hoofd, tegelijk het accent nabauwend boven 't gesuis van het uitparelende water.

Johan had bij 't binnenkomen den man wel gezien, daar achterin; de enkele keeren dat hij de kroeg had bezocht, had hij er hem altijd zien zitten, in elkaâr gedoken, lurkend aan een houten tyrolerpijp of met zijn neus boven een dampenden rumgrog. Nu, zich omdraaiend op zijn stoeltje, groetboog hij beleefd naar den als dokter aangesprokene, die ook een beetje opgekomen, de hand onder den elleboog van den arm met de pijp, moeielijk alsof hij zoo zijn bovenlijf van de tafel moest aftillen, hem op zijn beurt in de oogen keek. Maar hij groette flauwtjes terug, hij scheen schuw voor 't lichtschijnsel in de kroeg, keek vóor zich neêr, deed een greep naar zijn glas, dronk 't voor de helft uit, en zakte weêr terug in zijn suffende hoekhouding.

Vervloekt, wat had die dokter een bekende oogen, waar had hij zulke oogen meer gezien.... zulk ver blauw.... dat grotje in de pupil zoo angstig zwart.... nevel-oogen.... oogen nat van een weenend licht....

Johan, voelend dat de man geen praatje begeerde, draaide weêr om en keek de deur voor zich uit. Naast hem begon de kolonel op nieuw moppen te tappen voor Antonio, die met zijn mond al klaar tot lachen zat.

De kroeg, waar Johan zoo op zijn papier zat te wachten, had iets van een hol of van een pakhuis; waarschijnlijk was het vroeger, vóór dat de oude Antonio er zijn fonda[1] begon, een Arabische woning geweest. De twee deuren wagenwijd open tegen den muur van het voorplaatsje aangeduwd, anders was er geen licht. Ieder die er in kwam, liep dat plaatsje over, dat óok wel een kamer scheen geweest te zijn vroeger, tusschen een paar muurtjes door, een plaatsje, waar 't vies nat was en de goot plasvol, alsof de kuip, die daar in den hoek stond almaardoor lekte, of er zoo pas iemand hoopen flesschen had zitten spoelen. Zoo liep die inkwam recht op het buffet aan. Dat was een raar ding.... een insteek in den muur, nauw, 't leek wel een uitgebroken bedstede, nu tot een bergkast omgewerkt.... met drie rijen van planken, waar vanalles opstond: veel schitterende flesschen geëtiquetteerd, karaffen met gekleurde vochten, doosjes en pakken met droge waar, trossen touw en kloentjes gekleurd garen. Vóor de kast, de toonbank, een losstaande bak, een breede, roodgeverfde, op zijn kop gezette kist, met een plint stevig aan den grond.... wat zag het ding er gehavend uit.... van onderen bij den vloer was het bekrast, bekrabd, verveloos, als door ratten beknaagd; alsof al de menschen die binnen waren gekomen, tegen de plint waren aangebotst, hun vaart daar tegenaan hadden stil gestooten. Bovenop, een zinken bak, een gladde veel gepoetste metalen bak, rondom met koperen spijkertjes vast op het hout.... in 't lage straatlicht een rondedans van rinkelende goudlichtjes om 't effen metaalgrijs. Een paar flesschen, onder den greep van Antonio staande, blonken er in den hoek; een natte vaatdoek, met den druk van zijn herbergiershand er nog in, lag er tegen aan, een hoopje sopperig grijs, katoen-dof op 't metaal en tegen het harde glas der schenkflesschen.

[1] Logement.

Maar wat vooral van dat onbeholpen buffet een stil glimmend wondertje van schittering maakte, dat waren de zware spelonkkleuren overal in de kroeg er om heen; de wanden vetbruin en smookgrijs; het donkere gangetje, waar de meid purper uit was komen aanslungelen, en er vlak naast, maar in den hoekschen linkerwand, een groot poortinzicht met het lichtlooze er achter van een tweede pakhuisruimte. Een groezelig groenzwarte inkijk was daar, waarin hij veel gewemel raden kon van spinrag en opgegaarde stof, en waar een opgestapel uit schemerde van ronde tonbuiken, logge dingen, onverzetbaar, met ijzeren hoepels om de duigen, verroest rood. En van af den zolder en om het vierkant der kastholte, bezemden de bossen kiff.... het kruid, dat de Arabieren, kortgehakt en onder tabak gemengd, rooken.... dat met een geurtje van wierook verbrandt.... Ze hingen neêr, heiplanten, dorre franjes van een bleek kamillegroen en deden de kroeg gelijken aan een drogerij of aan een alchimistenwerkplaats. Eenige pistolen van oud kaliber met den haan aan spijkers opgehangen en solide zeslooprevolvers hingen er te koop, kreeftachtige dingen, of 't schaaldieren waren in hun donker pantser.

Rechts van het buffet, er tegenaan beginnend, verliep een lange bank den muur langs; Sivory op de eene punt, de dokter op de andere, daar behoorend in den toon.... menschen, geborgen in den schemer van hun woning.... Een soort scheepsbank was het, met een opengewerkte matten zitting, afkomstig, leek wel, uit de derde-klaskajuit van een Transatlantic. Een wit-houten tafel er voor, bekringd met drank-rondtetjes. Naar achteren in de diepte van den rechterhoek een paar kleinere tafels, oude tuintafels met marmer blad; en er om heen slordige tabouretjes. Die stonden als gestrooid over den vloer, bewarend iets nog, in hun onverschillig op vier pooten staan, van de haast, waarmede de laatste bezitter ze onder zijn loopen-gaan-willend lijf had weggestooten.

Bij den ingang, half achter het deurlicht, helde als een losgeloopen wagenrad, geleund tegen den muur, een groote doos, en daarin een kolossale Zwitsersche kaas, die Antonio vier dagen geleden ontvangen had. Een driehoek als een hap was er al uitgesneden, de blanke, vette kaas uitstallend; 't ding had de geheele ruimte met zijn stank verzadigd; en onder om den hoek van de pakhuispoort, laag op den vloer, een blakertje met een eindje vetkaars, vuil en beloopen, geel vet, smelterig om de zwarte, uitgebluschte pit.... een nachtelijk dingetje.

Johan's kijken, niet te verzadigen door de wonderlijke nieuwheid van alles om hem heen, dwaalde van uit de kroegschaûw de deur uit. De straat over, kon hij door de wagenpoort heen, recht in de werkplaats zien.... van een kleêrmaker, bepaald.... Dat was zeker de baas.... Een man zat op zijn vloermat laag, en zijn arm ging gestadig rukkerig op en neêr. De kop was niet te zien, onder de fez, voorover.

Naast hem, voor den drempel, zat een knechtje in een wit mouwhempje peuterig te pieken, ijverig in de weêr aan een stuk lap, zijn geschoren hoofdje bewegend naar links en rechts, zijn geknutsel in zelfbewondering telkens betrachtend; een slim, tanig en aapachtig kereltje, met de ooren rood en wijd van het hoofd afstaande. En het vermaakte Johan het ingespannen getreuzel van het ventje te gaan bekijken.

--"Antonio, wil je me nog een rhum geven?" hoorde hij achter zich den dokter roepen, onderworpen, alsof deze een lesje opzei.

De zon, blank in de straat, snelde gelijk een baan licht de wagenpoort voorbij, schrampte op tegen den muur, berafelde de oude steenkalk en het versplinterde hout van den uitgesleten drempel; wanneer de jongen met zijn hoofd keerde, glansde zijn rein schedeltje van een blauwend fosfoorlicht. En een voorbijganger kwam stil in de lijst van het deurraam en liep er weêr uit.... en wat later kwam er een ander, een vettige vent in een donkere burnous. Hij schouderde zich in zijn houding van grooten nietsdoener, steunzoekend tegen den deurpost der werkplaats en begon een praatje, als een gedrocht staande met zijn monsterachtig bekapt hoofd. Achter zich hoorde Johan, Antonio weêr neêrvallen op zijn bank, en het gulzig inhalen, het slobberen van den grog. In het werkplaatsje keek de baas op, van achter zijn door een grooten zwarten bril beringde oogen, een bril, als de kwakzalvers en woekeraars dragen op oude Vlaamsche schilderijen. De kleêrmaker bleef babbelen met zijn handen in den schoot.

Maar achter Johan schaterde Antonio het uit, klakkend zijn handen met een doffen vleeschslag op zijn dijen telkens. De kolonel vertelde een geschiedenis uit zijn soldatenleven. Hij trok, toen hij zag dat de andere kwam meêluisteren, triomfantelijk zijn hoed recht, en begon ook dadelijk beleefd zijn vertelling voor zijn twee hoorders te verdeelen: "voyez-vous, monsieur le peintre.... imaginez-vous, Antonio." Zijn vertel met veel delicate handaanduidingen begeleidend, speelde hij het geval. En met zijn klankende, voor in den mond gesproken stem, half zingend de phrases onder zijn nobele snorren vandaan, was hij een smakelijk verteller zoo; als een man die zich altijd op zijn voordeeligst wil laten zien, zat hij zwierig op zijn tabouretje, rechtop, met de beenen aldoor wijduit, als op een paard, de dijen strak, heelemaal niet burgerlijk, maar verradend in het zorgvuldig telkens opgehaalde knieplooitje van zijn pantalon, veel uurtjes van intieme beslommering.

--"Bonjour, mijne heeren," en een ferm stappende man ging achter den kolonel om. In den hoek naast het buffet zette hij zich als op zijn vaste plaats.

--"Bonjour, monsieur Crépieux. Hoe gaat het?"

--"Merci," zei kortaf de binnengekomene, een jonge man, korrekt gekleed, hooge witte boord, het haar bij den wortel afgesneden, als geschoren was zijn hoofd onder den fantasiehoed. Hij trok zijn manchetten recht, kijkend met een stuursch gezicht, heerscherig met den kop van een willer, maar stompig en hondachtig door zijn opgewipten neus met wijd snuivende gaten en hooge wangbeenderen. Zijn knevel was stoppelig, wreede haren gelijk geknipt om de lip, een kuilgleuf was in zijn kin.

--"Antonio," begon hij met zijn dwingerige stem, "hoeveel glazen rum heeft de dokter gehad?"

--"Twee, monsieur Crépieux, twee maar," de herbergier had er de vingers bij opgestoken en schudde ze naast zijn lachkop, als zwoer hij een grappigen eed.

--"Twee.... hè.... niet meer geven van morgen, verstaat ge.... Twee," herhaalde hij, als schreef hij ze op in zijn hoofd. "Dokter...." riep hij vervolgens over het buffet heen, "ik ben van morgen aan het atelier geweest, en gij waart er niet."

--"Bien possible," zei deze, glansvlekkend den schemer daar met zijn opkijkende oogen.

--"En waarom? zou ik u willen vragen, ge wist toch zeer goed dat Mustapha van morgen met vogels komen zou. Heb ik het u gisteren niet laten weten, daar ik zelve geen tijd had om u te komen spreken hier?"

--"Ik weet het heel wel," antwoordde de gebogen man met een vreemd accent, als een Zwitser het Fransch uitsprekend, "ik weet het heel wel, maar 't wachten verveelde me.... toen ben ik hem maar gaan zoeken op 't Zocco.... daar ie toch te slenteren liep.... We hebben vier vogels gekregen.... pas grand' chose.... twee arendjes en dan"....

--"Dat maakt met de andere zes.... En hebt ge gisteren een goede vangst gehad, hebt ge wat kunnen verzamelen bij Kaap Espartel?"

--"Gisteren?" een spoogje kwade lustigheid glimmerde in de waterige oogen van den dokter, in zijn voorhoofd trokken spotzieke rimpels op, als in 't voorhoofd van een komiek grijnzenden aap.... "Gisteren.... o, een goede vangst, ik heb vier schorpioenen gevangen, mooie volwassen exemplaren, en drie calioptères, met nog ander klein goed.... 't heeft moeite gekost.... ik heb er rotsblokken voor moeten omkantelen, monsieur Crépieux, vous n'avez pas une idée comment ces bêtes se cachent."

--"Dat geloof ik graag," blufte de kolonel er tusschen. "Dat lijkt me niet pleizierig, eerst een douche van collodion.... puf.... en dan op een speld opgeprikt zich zelven te moeten zien sterven."

--"Hi, hi," lachte Antonio met een luchthappenden mond....

--"Weet wel, monsieur Badaud, dat schorpioenen door mij niet worden opgeprikt, maar bewaard op sterk water." De dokter sprak haastiger nu, met een sneller slag, "weet dat wel.... en geloof ook maar niet, dat uw agonie, par exemple, zooveel zachter zal zijn dan van die beestjes.... en in geen geval korter, monsieur Badaud.... Voor Antonio is dat wat anders, die zal er gauw uit zijn, die zal nog eens doodblijven in een apoplexie.... mijn God, wat lacht die man!"

--"Ah, docteur, wat zijt ge weêr sinister." Als een lijkengrimas was de lach om Antonio's lippen verstard. En de kolonel zat een weinig verlegen met zijn geknakten bluf.

--"Kom, kom, Antonio, maak je nu maar niet ongerust, beste vriend.... af en toe een beetje huilen.... kom, kom, dan zult ge wel oud worden.... Gisteren hadt ge meê moeten gaan, dat was goed geweest, zooals laatst.... hebben we toen geen plezier gehad samen.... já schudt uw hoofd en 't liegt niet.... maar gisteren was 't glibberig op de rotsen, en regen.... regen.... ik heb wel driemaal mijn nek kunnen breken.... en dat zou toch jammer geweest zijn, niet waar, monsieur Crépieux?"

--"Taisez-vous, docteur, ge zijt weêr dronken."

--"Ah, moi? par exemple.... 't is waar, ik hou van een glaasje.... en waarom zou ik niet? houdt gij niet weêr van andere dingen, monsieur Crépieux? heeft iedereen niet wàt waar hij van houden moet?.... Et boire, n'est-ce-pas quelque chose? Maar hoor toch eens aan hoeveel ik altijd om u denk, en wat een moeite ik gehad heb om ónze schorpioenen goed, vooral droog thuis te brengen.... waren ze niet goed droog, Antonio? en ik heb soms tot aan mijn.... nun, nun.... zal ik zeggen tot aan mijn lippen door het water moeten waden, in het donker, door een kreek, die ik niet wist dat er was.... non, non.... ik verzeker u, dat ze er 's morgens nog niet was...."

Tusschenbeide hadden zijn lippen even geklakt, zooals een voerman doet, die zijn paard kalm sust, waneer het door vliegen geplaagd wordt.

--"Ah bah!" was hem de kolonel in de rede gevallen, "met den regen, moi, je connais ça."

--"We weten wel dat ge veel ondervonden hebt, monsieur Badaud, vooraleer gij hier van uw renten kwaamt leven." De dokter, toen hij dat gezegd had, stopte met een krommen vinger de tabak wat vaster in zijn door het vuur zwart uitgevreten pijpekop, zoog, half uit als de pijp onder 't praten gegaan was, er den brand weêr in met een paar stevige zuighalen en zakte toen achter een damp van blauwen rook, in zijn suffende hoekhouding opnieuw weg.

--"Cochon," hoorde Johan den kolonel onder zijn favorites schelden.

Met doffen beestenstap was een Moor komen binnensloffen en hij stond nu voor de toonbank stil. Monsieur Badaud schoof een weinig op zijde, alsof hij vies was; terwijl Antonio, dadelijk in functie, zijn lichaam opheesch en in een dikkemanswaggeling achter de mannen en voor 't buffet omliep, grappig in zijn grijs linnen herbergiersbuisje, te kort van mouwen, dat hem jongensachtig stond; 't hing met een diepe plooi opgeschort boven de kussens van zijn geduchte billen. Hij donkerde weg in de gangpoort, maar kwam dadelijk terug voor den dag, doorbukkend onder de planken.... was daar een deurtje?.... en te staan weêr in 't buffet, gedienstig, op en top verkooper, het grijze lijf met den lachenden kop boven de toonbank op. Hij herhaalde wat de man gevraagd had.... schorrig knorde de landstaal, zooals een verkouden mensch spreekt.... bewoog zich tusschen zijn flesschen, spoelend een glaasje, schenkend toen den klaren brandewijn voor den begeerig wachtenden Arabier, die, schuw tusschen de donkere moderne mannen, in zijn witte burnous verhuld, naar niets keek dan naar den venijnglans van het witte water. Het glaasje bevend vol, goot hij toen dadelijk leêg in zijn gretig open lippen; als in een ontvangenden nap vooruitstekend uit zijn achterover gegooiden kop, wierp hij 't in zijn strot, in éen driftig verlangen van 't gauw en ongezien binnen te hebben.... 'n clandestine dronk.... Antonio maakte nog een bos kiff los, en de Arabier tastte achter in den hangenden zak van zijn mantel, snuffelde geld er uit op, en sjokte toen weêr weg, de wagenpoort uit en de zon in.

Monsieur Crépieux redeneerde met monsieur Badaud. Ze praatten gelijk welopgevoede lieden doen, als flaneurs die elkaâr ontmoet hebben voor een café op een Parijsche boulevard, heeren.

--.... "ils m'ont abruti, monsieur, abruti, bien sûr, die drie dienstjaren".... Johan zag over de toonbank heen, het gebobbelde voorhoofd van monsieur Crépieux, koppig en laag, boven koud metaalgrijze oogen met snel knippende wimpers; het wreede geborstel van zijn stugharigen rondkop en een dikke huidplooi in den nek als bij een dog. Hij bestelde Antonio, die naar zijn plaats wou gaan, sigaretten; de beide heeren rookten en redeneerden over het voor en tegen van de conscriptie; Badaud met de handen op den knop van zijn rotting.

Johan ongeduldig om 't lange wachten, keek eens om naar Antonio, weêr op zijn plaats. De waard haalde zijn schouders op.... hij kon 't toch niet helpen, wanneer die meid wat lang wegbleef, 't was zoo'n rakker, die meid, een straat-slentster.... een wilde.... die zijn vrouw verschrikkelijk veel last gaf.... gisteren had ze den kleinen jongen op de steenen laten vallen.... ah oui, monsieur, een wilde, en die had hij nog wel uit puur meêlij in zijn huis genomen....

En in een opvlieging van zijn gragen lachlust, als had hij plotseling iets bijzonder koddigs gezien, ging hij aan het slaan op zijn knieën, wippend met zijn lichaam, wiegelend zoo zijn pret, zijn binnenst plezier.

--.... "oh.... een historie.... imaginez-vous, monsieur le peintre.... een paar maanden geleden.... ze was toen nog niet hier in huis, was die meid boven van een bordes gesprongen, in de straat neêr.... hi, hi, hi.... met éen razenden sprong had ze zich gered voor een ouden Arabier.... een ouden Arabier.... een grand seigneur de la ville. die haar in huis gelokt en schande had willen aandoen.... ah! bougre.... quelle courageuse!.... een sprong van meer dan vijf meter.... hi.... hi.... hi.... ge ziet het, niet waar?.... le vieux.... zóo.... de sidderende handen in de leêge lucht.... rien!.... Rebecca beneden, ongedeerd, als een kat op haar pooten terecht gekomen.... hi.... hi.... en dadelijk aan 't hollen gegaan, schreeuwend haar angst uit, de straat langs.... 't geval had opgang gemaakt.... rijke geloofsgenooten en ook Christenen, zelfs de Fransche en Oostenrijksche gezanten hadden geld voor haar bijeengebracht, dat nu op renten gezet, bestemd bleef voor een bruidsschat.... Dat is de bedoeling, begrijpt u.... want natuurlijk is ze dan eenmaal een partij.... zal er wel een man om haar komen die haar eerlijk trouwen wil."

Monsieur Badaud, om Antonio's lachen bijgedraaid, minachtte: "des contes à dormir debout" en redeneerde voort met monsieur Crépieux, als twee dorpsheertjes, die de oude nieuwtjes van hun plaatsje wel kennen.

--.... "en of er dan geen politie was of recht?" had Johan gevraagd.

--"Securo," schudde Antonio, "hebben we onze justitie.... daar.... kijk daar.... notre police de nuit.... regardez!"....

Hij wees de wagenpoort uit, waar de leêglooper onveranderd geschouderd stond tegen het werkplaatsje aan, verschemerend achter den sluier der zon, die in de straat begon te hangen.

--"Ah oui.... zijn wapens.... wacht.... ik zal hem roepen.... iedereen die hier komt, moet dat zien.... Holé Saleh!" riep hij van zijn plaats vandaan, al molenwiekend met zijn arm.

--"Ik zal hem uit uw naam een glaasje offreeren, let eens op."

Van den lichten muur was de donkere schooier losgeraakt, er afgevallen als een rijpe vrucht valt van zijn tak, weggekropen in zijn nachtachtige jas, slofte hij aan en stond onnoozel.

Dan dadelijk los van handen, begon hij, makend een breeden zoom, zijn kap terug te vouwen naar achteren, lospellend den kalen kop zoo, en hij kromde zich voorover naar het glaasje, dat tot overloopens bol, bibberde weêr in zijn weeïge glimmeringen van kleurloos vergif. Hij lebberde er het zoompje af, den overvloed weg en goot het toen, als die andere, in zijn verlangenden snoet.

--"Kijk goed," lachte de herbergier.

De nachtwacht, die zich de lippen langzaam likte, haalde onder zijn jas een zwarte knots vandaan, een glinsterend ding, glimmend van ijzerbeslag; met een luie handtoesteking, alsof hij 't voor de zooveelste maal al deed, hield hij den knuppel vooruit. En gelijk 't lichten van een plots opgestoken vlammetje, lichtte in Johan's hoofd toen het preciese begrip, dat er een klein comedietje daar voor hem werd gespeeld. Neen, maar.... die was goed.... die schoelje van een nachtwacht had hem nageloopen, overal op 't Zocco stil gestaan waar hij stil stond, lekker op zijn verhemelte het vuurwater al proevend.... sapristi.... hij wist wel dat de waard hem roepen zou, om zijn knots te laten zien.

--"Maar kijk dan toch," riep nu ook monsieur Badaud, van-op zijn tabouret, achter den Arabier omkijkend.

De kerel, in zijn jas zoo duister als van oud hout een gesneden pop, stond met zijn glimmend wapen in zijn vuist, onder zijn kap aan 't lachen, welwillend; 't smoel gekerfd door een dwarse grijns.