Chapter 2
Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens gedwongen schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, de hakken telkens geplant in de modder, schrap met den rug achteruit, want almaar daalde de straatgeul tusschen de smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile wanden, die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen gevangenisachtige, leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers in den steen gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje voorbij dat stomdicht was. Van uit de verte, als 't gegons in een zeehoorn, een gedruisch als van een brekenden zeevloed of uitgeluiding van menigteleven. Overigens was 't straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die zijn oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen van den vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar hoorde hij hoog achter zich, metaal-lachen uit de lucht vallend. Zooals de geul, die het regenwater in het zand sappelt, met kronkels en onverwachte ellebooghoeken daalt naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje naar het kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter in.... 't ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij een onverwachten ellebooghoek was de muur links in eens open, een groot portiek kwam en een inzicht in een ruim gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. Laag op steenen banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, roerloos als pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van roode leem, vaasjes, waar kostbre specerij in verbrand schijnt te worden, en keken heet-droomerig den voorbijganger na, tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan herinnerde zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd had, dat daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij goed verstaan had. Maar het straatje begon snel te dalen. Het marktrumoer steeg gelijk wasem in de tuit van een ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf aan van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met roode fez boorde de steeg in. Voorover, als een man, die tegen wind opgaat, klom hij met heftige buigingen in de knieën. Hij kwam hooger, slijkspatten waren verdroogd tegen den beenigen kant van zijn schenen, zijn schilferige voeten trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel leêr; die hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week voor den ander uit als voor een onreine. Met een paar sprongen was Johan toen het steegje uit, neêrgevallen in de volle zon van het kleine Zocco.
En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang thuis zitten, plots komt te midden van een straat waar het karnaval is, zoo was het voor zijn grage oogen dadelijk feest van bewegend en van kleurig leven.
Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met schriel hier en daar een zwart gat, als een wantrouwend oog in de van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen vensterlooze witte muurvlakken--er was maar een enkele muur met vensters achter groene jalouzieën dicht--onder een breed-wit opgestapel van bordessen, als hoopen doozen op elkaâr gekanteld, als groote dompers over veel leven gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, een bont, veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. Tusschen opstellinkjes van hout en zeildoek, opgezet tegen beroeste en glibberig bemoste muurwanden; tusschen ambulante winkeltjes waarin getulbande kooplui schemerden achter hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen en toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat van drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde jongens. Als mieren, op den tast af, zochten ze hun weg door de volte. En ze schreeuwden en kreten luid uit, tegen elkaâr op, alsof ze woedend waren; maar joegen de pakezels door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun keeltaal en met stokken dreigend onder het loopen door; maar voortslovend pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige beestjes.... hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, rusteloos.
De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den gids was overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog gezien. Nu kreeg hij stompen en duwen overal tegelijk; en toen hij, lacherig en uitermate in zijn schik om die onverwachte kleurdrukte in de mooie zon, stil was blijven staan in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't gescharrel samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er een ruzie was in den hoek van het lange straatplein, daar onder den hoefijzerboog van een poort, ingang naar een straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken uit, de minaret der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij pas beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij geplompt en stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde drukte zijn ooren in. Voor zich uit keek hij in den woedenden kop van een kerel, rugs-òm kijkend naar hem toe, op den loggen kop van een half-naakten neger, die voortsjokte achter een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend uit zijn lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde vuist schuddend voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar Johan lachte den glimmenden vent om zijn boosheid wat uit, en ging verder. Hij wilde naar de kroeg van Antonio Sivory, die verkocht toch van alles, die zou hem misschien ook wel aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend dat hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten had.... 't schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam papier, zoo erg jufferachtig.... dat kwam er van, van die beroerde vrees te veel geld te zullen moeten uitgeven.... briefpapier zou Antonio wel hebben.... het teekende heel mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien brief van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien loopen.... hoe grappig.
Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan of staan, levend met zijn oogen alleen, soms met kleine, wakkermakende bewustwordinkjes over den te nemen weg, soms een oogenblik verstrooid door invallende gedachtetjes, aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de drukte uit, den stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig kleed. Tusschen stilstaand volk ging hij troepjes van schunnige leêgloopers langs, die in de zon schurkten onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude olijven; langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en vlooirood in de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje waar hij in moest.... ja, 't was 't wel.... Een bejaarde Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande naar de stroomende drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend op zijn oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot boven de enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon dichtom knepen, was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig en rood als wijnmoer; om het middel gegordeld en voor het lijf was de jas dicht met een rij van veel kleine knoopjes. Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, 't grijs haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, waarin de lip zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden neus, twee diepe lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... den driehoek dien de smart donker snijdt in het gelaat der menschen.... En hij ging zijn voorovervallenden gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat zocht, een haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man na staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen de zon een paar vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, dat het niet goed was van een vreemdeling nieuwsgierigheid voor vrouwen te laten merken.... 't Was je toch een vertooning.... leken het niet net spoken die twee aanwandelende witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze gingen hem langs en hij kon het teêre bewegen van een hand raden onder de gelaat-slip van het weeke kleed. Zij sloten zich geheel, ook het streepje voor de oogen, om heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log van gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, sleepend door de modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel met een roode hak onder het neêrgeslofte hielstuk, terwijl het kleed stil en zwaar hun om de beenen hing. Het tweetal ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen hun stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van even onbegrijpelijk geheim.
Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit een hoek van het kleine Zocco; rechthoekig er meê was daar een ander straatje, opschuivend weêr naar de hooge stad.... Zoo kwam je op de fortificaties.... gisteren er geweest met den gids.... bij dat monsterkanon van Krupp; een geschenk van Koningin Victoria aan haren hoogen cousin den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die Ben Jachjemed gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor wist hoe het te hanteeren, veel minder nog het af te schieten. Hij zelve had 't vreemd aangezien, dien zwarten reus daar zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber Noordsch intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen met fezjes op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in oranje en groene en in bloemkleurige hemdjasjes speelden er onder den loop, die als een omgevallen fabriekspijp in de beestachtig zware tappen hing.... Maar in het eerste steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, daar was Antonio's kroeg.
Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten ingaan, bleef hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak daar zaten een rist in doeken en plooien verscholen vrouwen, hel met den witten wand in de vlakke zon. Donker streepte het open voor de oogen, donker lag een kort blauw schaduwtje achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt zaten zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der drukte. Die had hij daar gisteren ook even onbewegelijk zien zitten, die zaten daar misschien wel altijd, 't leken wel dooien in witte lijkwaden.
Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen tusschen de wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke kreten en schreeuwen vlogen er als pijlen doorheen.
Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in het licht neêr.... Sapperloot, die was niet mager, wat een breed bekken.... Over de brooden heên begon ze met een koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille gestalte over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar elkander.
En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de zon, kwam als aanrollen uit het klimmende straatje en bukte nog in de loopvaart der helling, nam een brood en ging er meê vort, terwijl hij achter zich het geld onverschillig op de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een lappenvrouw, de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd met drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes in een kerfstok. Johan zag de vingers, waaraan de nagels tabakssapkleurig geverfd, verdwijnen met het geld, muntjes geheimvol gestempeld, tusschen de wollen gaping van het kleed. En het praten ging voort, lispelend met neusachtig geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven....
Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, waarvan hij het oogengegluur achter zijn weggaan voelde, hij zelve kijkend naar links en naar rechts, als een speurhond met den neus in den wind.
Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het scheen hem dat er onder die sjouwende en ploeterende beweging maar weinig menschen waren uit het land zelve; veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van Hebreërs, veel mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met de dracht van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, of jassen verflenst, verwelkt en verscheiden als oude vruchten, of den eenzelfden goor-witten mantel met kap, plattend op den rug tot een driehoek, bollend om den kop met de punt omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: het rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van een glas-juweel aan een rauwen knuist, armbanden, een raar snoer, een oud zij koord, gestreept, getrest van kleurtjes, bindend de vrije kleêren om de rappe leden, te pas gebracht overal.
Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen langs tot aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms onverwacht in het suffe kijken der leêgloopers. Hij zag ze plotseling aan 't zinnen gaan, en loeren met de hand vooruit om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit de smerige volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen aanschommelen: rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, waaronder het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld met een grooten tulband, wit en wijd om de slapen gewonden en om het roode middenstuk, een samengesteld ding moeielijk om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, haanachtig voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend aangezicht, bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen en schoon geschoren, ieder met een schralen knevel onder den neus, den baard kort langs de lekker uitziende wangen, de eene zwart, maar de andere al grijs, vrouwmannen. Ze gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf achter zich, die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen veel geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden pralend voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare wijsheid ging tusschen de scrofuleuze schooiers door, die uitweken om hun aalmoezen te rapen. Kleine kleuters schoten in eens tusschen uit de beenen der mannen, ze kwamen de mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze ontvingen zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes.
De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid scheen het werk wel te worden gedaan. En tusschen al dat drukbezige gingen stijf de donkere lichamen van Europeërs, rechtop als opzichters tusschen slaven; een Engelsche zaken-man die als een ledepop zijn strakken eenzelfden gang liep, of een andere zinnende handelaar in zijn kokerachtig konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid van het kwistige en Orientalische gedoe. En 't was àl feest; waar Johan ook keek, 't was overal een uiterlijkheid, om er zich nooit met de oogen zat aan te kunnen drinken, onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het smerige verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, onder dien éenen breeden en grooten val van het koninklijke licht.
Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan als met een schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek waar Johan stond; een zware maar al korte vlaag schaduw lag neêrgesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, met een grooten scheven rechthoek steeg het donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen.
De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gewoel.
Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot boven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaâr, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een koningsfiguur op een Aziatisch basrelief loom onder de oogleên uitstaart. Boven de rafels van zijn voddenmantel was een stuk van de platte borstplaat bloot, glanzend vleesch, zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn haar geleek een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd tot een dicht in elkaâr gegroei van korte, sterke krulletjes; 't bracht Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't geheugen terug. Doch zijn neus was lang, met een teêren rug en zijn mond dun met stille lippen, verdonkerd onder een jongen knevel en om de jongensachtige wangen het gepluis van een beginnenden baard.
Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; wanneer zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als zijn eene voet moe of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; zijn gelaat bleef stil met zijn heiligen lach,--als in een Assyrischen muur de figuur van een koningszoon statig staat.
Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl hij te kijken stond naar dien mooien droomer daar vóór hem in het vochte goud der zon.... zou hij niet eens omzien.... zal 'k hem eens voorbij loopen....
Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt van den muur, en kwam.
Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou zetten, angstig als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte onder zijn lapmantel, dien hij nu met beide handen gesloten hield, één onder de borst en de andere onder den buik; gelijk een kranke in zijn deken gewikkeld daalde hij aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... zijn borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... de spieren lagen met gleuven naast elkaâr.... daar zou hij wel een man meê kunnen neêrslaan.... Op den vlakken grond bleef hij een oogenblik dwalerig, toevend; toen ging hij Johan voorbij, steeds met zijn genotlach om de lippen, een wonderlijk inzichzelven gelach, met de wimpers nu op.
En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere oogen, klaar verwonderd kinderkijken, vaag van een diep naarbinnen leven, de blik van een bezetene maar zachtgezind, was onverschillig over het kijken van den ander heengegleden, onbewogen, niets hebbend gezien.
De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. Het Zoccorumoer verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in een grooten zeehoorn gelijk.
Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders liep hij in het donkere slop.... 't Leek wel of die voorlooper dansen zou gaan.... Maar 't was om te schrikken geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en ging op zijn hielen in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En uit een groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers uit, en stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn lach te breken, werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, uit den weg zittend, niemand moeiend.
Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. 't Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, Johan ging dus zijn gang. Hij zag nog juist den man een mageren hond met de hand van zijn schotel weren, die hard aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een paar kerels achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i hu-i," als op de pooten getrapte uitjankende honden.
.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het leî zich tot een binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg.
Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug turen in zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond hij in 't schemerdonker der kroeg, en dadelijk kwam hem het praten van een mannenstem tegen, een roepen bijna, een ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid spreken.--O, daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten à la Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel....
"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices."
"C'est ça, monsieur Badaud."
II.
De kolonel zat op zijn tabouretje voor het buffet, rechtop alsof hij op een paard zat, de knieën wijduit. Hij was een stevige veertiger met naden al om zijn neus, maar die zich jonger voordeed door zijn blozenden kop en door zijn zwierige kleêren. In een havannahkleurig jacket en vest, een stof met groote ruiten, was hij jeugdig en achteloos gekleed; 't kostuum deed zijn manhafte militaire schouders goed uitkomen. Om zijn rooden soldatenhals met rimpels als groote barsten in zijn vel sloot de slappe boord van het bonte flanellen hemd, en daaronder was een das, wel wat waaierig en ijdeltuitig gestrikt. Zijn geheele verschijning was net; zijn kleeding uitermate goed geborsteld. Zijn pantalon, donker met breed galon, ging strak om zijn ietwat kromme paardenmansbeenen; met een klein voorzichtig plooitje had hij de pijpen op de knieën wat opgehaald. En zijn laarzen glommen op de spitse toonpunten, als was er geen modder op straat te zien geweest, en ook zijn haar glansde gelijk het met olie besmeerde hoofd van een Marseilliaan. Daardoor leek het zwarter en viel de komende grijzing niet zoo in 't oog; want al was zijn impériale ook lang niet zwart meer, maar van een uitgebeten kleur, een verteerd zwart, de snor met zijn gesteven drilpunten maakte weêr veel goed. Hij had een dikken gouden ring met een groot cachet, een groenen steen, aan zijn rechterhand glinsteren, ook een horlogeketting onder op zijn vest, en onder zijn das, zoowaar nog, glom een speld die een hoefijzer verbeeldde. Hij gaf nu een fermen duw aan zijn flambart en trok hem mannelijk en somber over zijn voorhoofd met ruige wenkbrauwen terecht.
Blijkbaar had hij juist zitten opsnijden toen Johan binnenkwam; voor Sivory, die dik lachmensch als hij was, zoo gemakkelijk mogelijk zat, half neêrgelegd op de bank daar, tegen den muur aan, den arm op zijn buffet.
Sivory's heele gezicht was naar het lachen gegroeid, de pret, die bij buien hem benauwde, als zijn kop openscheurde in de hevigheid der geweldige lachsmart, als zijn zwaar lichaam schokte en hem de tranen traag en pijnlijk uit de klein geknepen oogjes werden geperst. Hij was zeer gezien onder zijn klanten, hij was een goed waard, die met zijn gasten meedronk, borgde, maar schacheraar in zijn hart en van alle markten thuis. Dat alles wist Johan al heel gauw, want Sivory was dadelijk, bij de eerste kennismaking al, zeer vertrouwelijk alles gaan vertellen.