Gekken

Chapter 13

Chapter 131,616 wordsPublic domain

Daar was de rood-gekooide vlam van een lantaren wiegend in de takelage en spinnewebde licht over touwen en sprieten, gebluscht al door den aanhijgenden rook uit het brok-zwart van den schoorsteen als uit een strot. En het was Johan weêr of hij met het schip in het duister hing. Dan andermaal uit het rechtsche Westen boorde Kaap Espartels toren zijn vuur in de nachtelijke woestenij: een loensche straal uit een groot groen oog spookte over de leêge zee. Maar de wachter daar.... Braun's hand.... keerde de mechanieken en de toren spoot zijn cyclopig licht nu rood in het ijle. Rinkinkelend ging er een brallend lach-licht de wateren over, de golven verschenen tot onder de kiel, vochten in het lage, dol en kwaadaardig aan 't vernietigen van elkaâr, tuimelden zij met de roode vlamkoppen in de zwartnatte dalen. Duister geheel en al was het schip komen te staan voor den rooden nacht; een gehoornd monster, triomfantelijk en architecturaal, dat snuivend in zijn vaart, de booten buitenboords aan de kromhouten hangend, langs de flanken meêdroeg als buit van gevangen haaien.... Wat dreef daar op de zee, was het niet een hoog-neuzig aangezicht liggend op het nat, bleek in de woeling spoelend met blauw-open oogen....

Door den smook als neêrduizelend van uit den gansch onzichtbren hemel, plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, weêrbaar knarsend, scharmaaiend van ijzer, delvend zijn gang door den nacht.

.... Wat zou het geven, wat zou er komen voor hem uit al dat duister; een verdoemenis was de nacht, glanzend afgrondelijk, slaand' tegen slaande beneden.... Waarom was die rookvlag in het want almaar.... waarom troostte niet wat licht hier in de zwarte zwaarte der ziel....

.... O.... de ontzetting beginnend, nu, nu, nu.... hoog.... laag.... buiten, binnen, hier en van daarginds.... Hoor.... het water het zwarte, het huilt.... de diepte klokt, voel den regen wimperen.... het zijn al tranen.... gevangen zijn ze in den heeten mond.... val water in buien uit, zie ik wil ze drinken uit mijn geholde handen....

Wat te bestaan, waar was wat licht.... o, de barre angst voor het leven voorgevoeld, van altijd allen tegen éen....

.... Daar was de ontbering die het begeeren lam slaat en uitmergelt de verlangens; daar was de ellende die het lijf verminkt.... daar kwam ze de verschrikkelijke Honger in den Nacht.... Daar stond zij de gerimpelde, de dorre van ouderdom, de furie met de droge tepels en naakt.... Oogen stekelen in het kopkarkas en haar mond is zinloos tragisch in den boog der lippen. Nu neemt ze de floers-vlerken op, buigend naar de slippen, dat haar er 't vel van kraakt. En zij spant ze meêwarig tot een huif om haar hooge dorheid, lacht, ja lacht, belooft den dood en vervliegt in 't zwart.

Waarom bleef die jammerlijke glinstering van oogen daar op het water?.... was er dan geen dag meer, wachter, waar is het licht, waarom braakt de toren geen vlammen hier in het ziedende zwart? Het kookt en het borrelt maar voort, en er is geen vuur; de haren worden klam als van een verdronkene, de oogen zijn kil en de handen klam, het danst onder de voeten, het is een golf in den steunloozen nacht.... Wachter, keer de mechanieken.... toren.. uw lach....

En 't was als een vonk uit een vergeten waakvuur dat de storm weêr aanblaast, als een ster die wakker staat en uitspat in het ruim; dan als een brand staâg in den nacht gestoken, de bliksemblik, het siderale licht van het groene torenoog. Helsch in de duisternis ging het den chaos doorvorschen. Maar slagbui van regen tusschen bergen blinkend, bevlaagd door zon uit een donderwolkscheur, zoo bundelde het schijnsel nu neêr, gleed van onder het half-toegegane oog de laaiende blik aan over het akelige water.

Verschenen was de zee: een nachtvlakte vol oorlog onder een kille maan; een platgebrand land zwart nog van laag tumult. Stoeten van kruipers op knieën met glibberenden rug, hobbelden alle de ellendige golven, schuimend, nekkend elkaâr, in den wedloop stortend, grijpend, willend vernietigen, weêr overstortend.

Heftig had Johan zich losgezet van de wering en hij stond in den schrikschijn van het groene licht, dat onder de brug door, sproeiend stekelige slagschaduwen over het planken dek was komen schraaien, spinnend er de naden van onder zijn voeten als lijnen van telegrafen. En hij zag een lange slang met fosforkringels op haar huid, een touw, kruipen langs de verschansing, omrollen dan een bout, worgend om een hals....

Onder het rood geworden torenoog was d'Oceaan gaan bloeden. Plots donker geronnen drongen de stommelende golven de barsche boot rondom, die, burcht van toornig agaat dat op kanten en facetten rinkelt, het booze gefonkel hief in mast en want, en van katrollen het vurig gekogel, en op rondassen en oorlogstuig. 't Schip stond in 't rooie gegloor, waggelde, doch opstootend zijn gestookten stoomadem, dreunde het neêr, plompend ging zijn macht voort door de moordzee die van verslagenen dreef.

Rond in de gruwelijk incarnate zee zwommen de wringenden uit den baaierd los, tot sombere slagorden van baren, baren bergend baren, baren die baren baarden, slag-armend en met vlammende spiralen voor den buik, naderden zij daar waar de klaarheid wijlde van het felle toren-turen. Wentelend rood, woelend bloed; zij delgden zich borsten over ruggen, schuimmuilen vielen er in plassend bloed; zij drupten den schijn van ooglichtingen vol, valsch in de kringsels en de stroomsels van de draaiende haren. Dan schoven er de roode dooden gestoken en bobbelden en wentelden en wielden.

De blik week.... de lichtschoof kromp op, maar bleef, zwalkende vloek, boven de waterwereld branden, die keerend zijn afgronden voortdurendlijk om, barbaarsch en laag praalde verzadigd met het oude rood. Het oog kneep dicht.... en onder den stuipenden toren verbloedde de Oceaan....

Alom wolkte de nacht, kolkte de barnende nacht. En 't was Johan of de ooren hem groeiden tot maatlooze zwarte plantbladen naast het hoofd in 't natte vlagge-waaien van den wind. De verten rondde het gerommel van krijg en kwaad weêr, de diepte bruiste, zwolg grollen op en grimassen van geluid. Uit het wellen, uit het lekken borrelden klokken, monden die vol water gaan, 't verstikkend overgeven; klakken van handen knalden, het water slaande, het water dat toch niet houdt, om te zoeken den vlottenden stroohalm in 't vliedende water. Verbolgen loeien, het hoog-òp verzet; het vloeien, het lijdzaam gaan liggen in de doodenzee.... De kolk stond overeind, wervelend bewoog zwart in zwart, bepreveld, belipt, beknerst, begrijnsd, bewrongen, bekronkeld en beklaagd en beschreid. Werd daar de zee niet glinsterig nu, bezwermd met millioenen confuse insekten, zwoegde er de boot niet door, met onder aan den boeg almaar den gefloersden slag van een doodstrom?

Van zijn plek gejaagd was Johan gaan klimmen tegen de loopvaart in van het schip als tegen een zwarten berg. Daar in het midden wou hij zijn, daar danste de vloer niet, daar ging het niet òp, daar ging het niet neêr.

't Grafzwart druischte overal; langs den draad der verschansing gleed de arme hand. Nachtdingen roerden in den poel, scheerden er uit los en voorbij het gesperd-zijn van de oogen in adem-wasem. Nu, nu, nu, sloeg het heete hart; zoo onophoudelijk alleen, om het tegen te willen gaan, om het te willen uitrukken en te werpen hier in het aangaan van de golven....

Uit het dreunende binnen van de boot droomden stemmen los, huiverig genot-koud, heel-even gelach. De wind zoog in het trapgat, met den voet had hij koortsig de deur naar den kuil gezocht; in lange weeningen verzong zich nog de zee, toen hij ze al voor zich had de roode menschen-schijnsels....

Een hoofd in een hand gloeide op van-achter de tafel met de periodieken; vingers, werktuigelijke dingen, aaiden, werend iets onteziens als spinraggen boven de oogen weg.

Luisterend hoogde het hoofd.... de zee zong.... De hand met de flonkerstip van een juweel begon de snorharen te streelen, als om er goud uit te spinnen. Want met bevlamden strot lag een tweede gezicht aandachtig te praten naar den zolder, onbekende taal in pluizen van rook.... de zee zong....

Het eerste hoofd met het haar in schaduw, zonder de hand, als een klomp oud goud, verrimpelde in stil lachen, een oogenblik, want strak-verdwaasd zakte het in 't week-donkere van de schouders en tuurde onder de lampen door naar Johan in de deur gebleven.

.... Twee blauwe ster-oogen brandden er geheimvol.... toen.... maar al joeg Johan zich langs de trap weêr naar boven, hebbend dien weenenden blik al zoo lang gekend en nu zien sterven.

* * * * *

* * * * *

Nu klaagden zware waaiingen om het schip, de toren sliep weg in het duister; nu gaan de sentimenten over de wereld weg....

.... Nog draagt de zee wel den wind van 't verlangen....

.... Zie, zie, 't is alles een wonderspel; de koninklijke deernis gaat in lang watergewaad.... mannen en vrouwen.... zuiver onder de gouden passiën, roemzingen zacht om wat is gestorven.... kinderen nog.... dragend den sleep henen over het delireeren van de zee....

* * * * *

De wind waait in 't niet.... vult de wereld met gedroom....

Water verruischt naar alle randen....

De Atlantic zwaar zwemmend plompt met roodwankend toplicht vast voort door diepen droom.

En Johan staat nog op den boeg te droomen in dien droom....

Transcriber's notes

- Some minor punctuation errors and typos have been corrected silently. - This work has appeared substantially differently in other editions. We show the text and spelling found in one version, which may not be standard. - Changed "fantaisiehoed" to "fantasiehoed" in "zijn hoofd onder den fantaisiehoed." - Changed the accent grave on the last 'o' in "'t hoofd óp, licht; schouders òp," to an accent acute. - Nested quotes were changed to the form "... '...' ...", with single quotes as the inner quotes. - Changed "Silvory" to "Sivory" in "midden in de steeg Silvory's kroeg uitwalmde". - Changed "moeilijk" to "moeielijk" in "moeielijk-geweten leven daarginds".