Chapter 12
Hier, van-uit het zonnige volk, klapte, keelde en niesde het druk-zijn van de monden en het steeg uit de zwoelte de lucht in, die gromde of ze van bijen vol was. Tot achterin schacherde het volle markt-lawaai, tot onder de blinde muren, want aan twee zijden van het vierkant gingen naaststaande huizingen opwaarts, groezelige wanden met gebersten kalklaag, bedropen door stralen uit den regentijd en doorsiepeld in den hoek met het roet uit een schoorsteen binnen. Onverstaanbaar jakkerde een schrauw van boven, antwoord aan een roep van buurschap hier beneên, dan zag Johan kleurwijven overlenen den wal, daar waar de stapeling weêr verscheen voor zijn opkijkende oogen, gedrongen, geplet onder het sidderende blauw.
Willoos bleven zijn oogen innemen het durende gezicht. Hij moest letten op een fotografisch toestel dat er onder den muur op pootjes paalde en uit den zwarten lap zag hij het verwezen hoofd van den Zwitser duiken. De man nam den dop weg van het verrekijkerachtig voorstuk, lodderoogde wat terwijl zijn lippen telden, toen sloot hij het koperen oog weêr van zijn mechaniek met langzame hand waaraan de nagels glommen.
.... Wie weet, wachtten er nog meer kennissen hier op het plat.... en waar was Jachjemed gebleven.... Vogel.... zou die een plaats gevonden hebben op den muur in de buurt van zijn slaaphuis.... of was hij thuis gebleven in het duffe hok.... Crépieux had vast een goede plaats op het terras van zijn Consul, en een mooie, vandaar waren ook de spelen over het Zocco te zien. Vogel....
Vogel.... zoo huisschaduw bij buitenlicht droef is, zoo duisterde de herinnering aan den dokter voor Johan op.... hij alleen en gebukt over zijn werkbank.... In het neêrstraffende blauw kwamen de oogen staan als twee traanparels.... de bekende blik.... ze hadden de macht hem hier vandaan te nemen midden uit het feest.
Maar ploffen bomden, en opgeschrokken door een dadelijk dringen had hij den borstwal gevat. Van den overkant rommelden de zonnige lijven, de kleuren krieuwden. De kijkers voorover op de voorste rijen, kantten de hoofden alle naar het straateinde.
Van af der poorten stille wacht stuwde de beweging aan, daar kringelden en woelden de gewaden. En de stralende ruimte vergeluidend de breede verwachting, jubelde, zong van terras naar terras: "daar zijn ze, daar zijn ze." Doch het was om niets; het gestapel zette zich weêr in het durende staan; alleen van achter den muur òp, rookte het buskruit boven het Zocco heviger, bleef er wolken gelijk damp geworden stoom.
De zon hittend naar haar hoogsten stand, blakerde voort over de geduldige hoofden. Heeter zeeg het blauw over de stad en al. De winkeltjes in de straat vingen aan te glimpen, kletterend schoten er de scheuten licht in de trillende daging, zeilende pijlen-val. In de broeiende straatbaan kogelden de puilende en glad geslepen keien hel, of het zonnesteenen waren geslingerd uit den hoogen hemel.
Een bekende stem, die van den Vlaming, den admiraal, deed Johan een andermaal keeren. Door het platmidden drong de kleine zeeman met brutale ellebogen de praters op zij; jekker-blauw waren zijn jasje en broek. Achter hem waggelde het leuk-groote lijf van Sivory den herbergier; Jachjemed volgde, stak zijn nieuwe fez over Antonio's schouder op als een onrijpe kers. Ze kwamen alle drie tot bij Johan; Sivory's lacherige lippen slurpten tevreê de ruimte.
--"Ik kom maar op mijn pantoffels," giegelde de jongensachtige man in zijn te kort grijs buisje. "U hier zoo alleen, waar is onze vriend de dokter?"
Maar zijn wangen bolden, de kin zwom rond in de ringen van het weeke halsvleesch. Hij lolde dat zijn oogen verdwenen.
--"O, o kijk toch".... hoe die daar zaten, wassen beelden, waarachtig, wassen beelden.... Caramba, dat moest zijn vrouw eens kunnen zien, maar die had te veel hekel aan klimmen, de dikkerd.
Zijn spekkig handje wees over den wal en lag zich toen goeielijk over Johan's schouder. Op het lage platje zag die nu de beide stoelen er onverwacht bezet.
Zij zaten er zoo kalm of zaten ze er al een uur; gasten aanzittend bij een feest, die om het fatsoen zich niet verwonderen mogen. Een heer, mager, in een langen mackintosh met overval om de schouders, zat er verdord van gezicht, waar lange grijzende bakkebaarden uit streken, zorgvol gekamd als valsch tooneelhaar. Hij droeg een reishoed à la Stanley, met een wittigen zonnesluier omwonden en een zwarte kijkertasch hing aan een riem langs zijn lang lijf. Naast hem een dame, sluik in dezelfde stofkleur van hoofd tot voeten, eveneens bejaard en met de handen op de knieën. Een flaphoed aan een omgekeerde fruitmand gelijkend, schaduwde haar verreisd voorkomen donker en een grappig-groot wit-gazen strik fladderde onder haar kin als een kolossale vlinder.
Achter hun stoelen, met op elke leuning een koffie-bruinen knuist, pronkte een Moorsche knecht. Scharlaken-vurig tooide hem zijn lijfjas met korte armsels, ondermouwen gleden tot naar de polsen, blauw dat ratelde van geel op koord en tressen. Een spitse wijnrooie muts, omgeklapt bij de punt, deed hem slaperig staan, zoetsappig met het hoofd op zij; doch wreed kneep de spleet van zijn wimperlooze oogen. Splinternieuw ging er een bruinleêren band om wapens in te dragen zijn middel rond.
--"Wat een stank," smaalde de admiraal met zijn gewonen vloek, "dat volk ruikt nog eens zoo erg naar wilde beesten, wanneer ze in de zon staan te bakken, ge weet."
--"Non, non," riep de waard er tegen in, zoodra hij het stopwoord in de vreemde landstaal hoorde.... die twee waren misschien wel de vader en de moeder der Engelsche dame, welke onlangs haar entrée in den harem had gedaan, de zooveelste vrouw was geworden van mijnheer boven.
En Jachjemed in zijn schik, zeker van de borrels en de sigaren die hij verdiend had met dit uitgezochte plaatsje:
--"Dat zou 't zijn, ze hadden een soldaat meêgekregen van het Kasbah om op ze te passen."
--"Zeker, ze mochten eens gestolen worden, ha, ha."
En Antonio schaterde dat hem het speeksel over de lippen stoof; omstanders keken naar hen, sperrend de monden meê of ze wilden of niet; een blanke meid met dof zwart negerhaar en gretige lippen, lachte zich de tanden blinkend.
De admiraal evenwel had nog wel wat anders gezien dan dat zoodje hier van het Kasbah. Tijdens de laatste révolte had hij den Sultan in al zijn pracht en praal zelven mogen aanschouwen, midden in den stoet van vizieren en raadsliên.... "Een god, mijnheer.... onmogelijk verblindend en niet om te beschrijven.... ze kropen voor hem, ze zoenden het stof van zijn pantoffels, de...."
Hoe hij er uit zag? E wel, een zwarte, vette vent was het, maar die huis wist te houen; ze gaven hier zooveel om een mensch als om een makreel: gekopt had hij ze bij honderden.... Hij zelve had voor de bewezen diensten een witte merie van den Sultan ontvangen.... de hoogste onderscheiding, maar liever had hij de eeresabel gekregen, die kon je meênemen en die kostte niets aan vreten.... En, vertelde de admiraal, en het kaasbolletje bovenop zijn ronden Vlaamschen kop deed hem gelijken aan een boer op zijn Zondags.... alles goed en wel.... zoodra hij zijn paspoort los kon krijgen, ging hij gauw naar Antwerpen terug, hij had er den buik van vol, hij verlangde naar zijn huis, naar zijn vrouw....
--"Hé, kolonel, monsieur Badaud, kom hier!" schetterde Antonio.
Maar een hel blindend zonnetje, een felle flikker spoog uit de laagte op, dan plotseling geroeid uit de ruimte. Beneden hield de Engelschman zijn kijker gericht en de zon had er in gekaatst, hij tuurde van den overkant naar het vroolijke troepje.
--"Goeien dag," groette de uitgelaten Antonio, "goeien dag, papa."
De heer bleef door de zwarte kokeroogen het gezelschap bekijken of hij de grap begreep.
--"Bonjour, bonjour," kwam de kolonel wuft aan, en tot Johan, guitig:
--"Ah.... zonder de sac à malices?"
Toen dadelijk in het geval, gaf hij een kwinkslag ten beste: om de stof, meende hij, moest dat solide paar eeuwiglijk onder een stolp worden gezet.
En nu de armen van den Engelschman met de binocle zakten en ook zijn hoofd naar den schouder ging of de knecht van achter draaide aan den nek, zei ook de admiraal: waarachtig, het was een pop. De oude heer praatte langs zijn bakkebaard naar de oude dame, schroefde het lijf half rond op den stoel, de knieën dicht, automatisch klommen de armen en hij liet het kijkglas wandelen.
--"Hij ziet wat," grinnikte Jachjemed toen de binocle weêr stil bleef.
--"Een vlieg." En meteen begon monsieur Badaud onder zijn favorites te brommen. Hij had den flambard in zijn hand al en speelde er meê, hij zou het beestje wel vangen. Een glimkrans cirkelde zijn slapen rond, de ring dien de hoedrand gedrukt had in zijn gepommadeerde haren. En zijn mond, waaraan de snorpunten als vleugeltjes rilden onder den mooien krommen neus, tegen het blozend geschoren wangvleesch, liet dan de vlieg ergens zitten, stil; maar de hoed dwaalde aan en joeg het tot zijn eigen bruinoogige verbazing weêr op, dat het kwaad gonzend zwermde over de lachende hoofden, nagezeten tusschen de engten der ruggen door den kolonel, die loerend met den rimpeligen soldatennek wat vooruit en het vleezige oor rood, speelde langs een wang, om een neus.... "Sacré nom d'un chien;" want weêr ontweek het lastige ding den hoed die het snappen wou en 't zoemde weg, niemand wist waarheen. Uit het duizelende licht echter zong het terstond en treiterziek terug, sneller dan een snorrend raadje en zoo natuurlijk, dat Antonio van plezier te dribbelen stond als een kind dat wat doen moet.
Doch toen monsieur Badaud zijn vlieg eindelijk dacht te hebben, den hoed neêrsloeg over de zwarte pruik van de vooruit-al gillende meid, drong zich het volk als in een paniek in het vierkant naar voren.
--"Ze komen, ze komen."
--"Neen, ze komen nog niet."
--"Zeker, ze komen er aan."
Door den wademloozen middag groeide en zwol het begeerige rumoer; van terras naar terras had zich de spanning opnieuw in de lijven geslingerd, er de onrust een andermaal gezaaid als een plaag van insekten.
--"Zonder twijfel," geloofde de herbergier, zachter ook pratend in het gedompte, vreesachtig aanhoorende gebabbel op het plat, en hij rekte zich over den zooveel kleineren admiraal, "de gekken loopen op het Zocco, monsieur Badaud."
Doch deze nog altijd spelend, drilde den vinger waar de ring aan glom voor den grooten lacher.
--"Het kan me spijten, Antonio," zei hij, "dat ik die vlieg niet geattrapeerd heb. Bedenk eens wat een mooi exemplaar voor den compagnon van monsieur Crépieux.... op een speld.... puf.... en dan"....
--"O.... schei toch uit, kolonel."
--"Ah!" en monsieur Badaud boog naar de wering.
--"Pas op uw rug, monsieur le peintre."
Johan keek. Strak zeeg in het wijde over het Zocco, want de kruitrook verstoven, het blauw neêr als in een dal van stilte. En van wal en bastion hieven zich de gestaltetjes van de landslui gespannen, zij spierden de armen op in het nervige licht. Over de poort ook floersde de blanke wacht onbewogener; zonder de donkere oogenrijen, die lichtelijk gekeerd, schouwden naar over de heuvelen, naar de komende heiligen.
Zij kwamen.
Onder den lichten hemel, onder het rommedom stervende rumoer, in het groot vallende zwijgen, in het geluiden-gaan van het zonnezingende gesuis, hoorde Johan ze komen. Was het niet als de bange zang van zijn hart, dat de oogenblikken sloeg daarbinnen in hem? Was het van de zee die onder den zilten lichtdag oneindig geweten wentelt, en nu den vloed weêr deed geboren worden, windloos weenend naar de stranden en hier over het steenen staan der stad in de oorschelpen kwam klagen.
Zwijgen was boven de terrassen; zwijgen viel in de schitterige lichtstraal. Waren het niet de echoën van geloop, van gedans, van gedraaf? Klotste nu niet vanuit de duistere tunnel der poort het aandriften van een kudde?
Hoor, op het veld daar schoten de geweren. Zie, daar stoomde weêr blinkend het buskruit op.
En voor het snelle neêrgaan van zijn oogen versomberde de hemel, krompen de blokken op in zonnig wolkenwit. Voorbij gespiegeld was het pralende saâmstaan der menschen, de roodende gelaatsrijen verdronken naar het blauw, gelijk bloemen en koralen verschemeren in de glans-diepte der zee.
Want het zwart-starende poortgat had dood-loofbruin en soppig bloedrood de gekkenverschijning in de geul gestooten. Stuiverig of storm hen sloeg op de ruggen, kwam het loopende geweld, en als een vaandelbaan vooruit, het schrikwit van de eerste boeteling.
Nu steeg geen kreet, geen aanmoediging ijlde onder de luchtelagen. Stom zag het stedevolk het aan hoe de heiligen al holden in het straatgestraal.
De vooroppe, een vrouw, de bleeke.
Zij liep niet, zij vlotte, zij zweefde. Zij ging vóor aan het wilde woelen der verdwazing, zij kwam met het hoofd achterover, met de oogen open.
Zij kwam met de piekende star-oogen als een gekruiste in het hemd van den spot. Zij hing met de armen wijd uit op de schoeren van twee dollen die haar stutten, voor het slapende gangen der droom-schrijdende voeten.
Zij kwam met de glinstering van haar geslagen oogen die niet knipten voor het licht; martelares gedragen, geheven reliquie, vertoond door bezetenen die onder haar oksels verbijsterde koppen beurden, schreeuwloos, met mondslurven van jammerlijke beesten.
Zij kwam aan met haar bliksemende oogbollen, het hellende en ijzige vuurpad over, zij staarde in het schroeiendste, in den bol der zon. Zij schreed in het sidderende en ritselende lichtkleed aan, op den langen weeë-zang der zee: gaan, gaan, met de knikkende mannenbeenen naast haar, die trappelden het spattend gefonkel.
Zij kwam nog de bleeke foltervrouw, met de borsten klein, met het sterrenhoofd gelegen in het zweet-natte, in het rouw-zwarte bed van haar haren; de heilige wier lippen lachten in den wellust van den dood, om wier neusgaten het snerpende leven gevoelloos.
En zij ging voorbij met de armen in vlucht, als een in het licht gezaligde, liet ze de wondervlammen van haar oogen in de oneindige herinnering.
--"Dat is om te rillen, dat is geen mensch meer," bangde de stem van Antonio.
Een dof geherrie van knuppelende doodslagen; het stampen van naakte zolen slaande de naakte straat, trappelde door de geul en als uit een slachtplaats naar boven.
En magere mannen draafden in het onder, zon-morsig, bloot-borstig, vaal van ontbering. Zij vloden, de armen vooruit met grissende vingers, brengers van onheil en kwade boodschap, aangestaard door de uit hun winkels getredenen, snelden zij hun schaduwen vooruit over de klare steenen.
Even lag de straat te blinken, het hooge zwijgen hield aan. Toen op den doffen voetendonder rolde het door elkaâr kluwen van licht en schaduw nader: het wirwarren van het doode-blârenbruin der gescheurde kleêren; het stuiven van bezeten beenen laag; het woeden van vechtende armen leemkleurig in de hooge daging, en om snakkende hoofden scheen een snoer als een oorlogsband of gleed er het wanhopende glissen van oogenwit in de spiegeling der zon.
Voortgegeeseld door karwatsende kerels langs de kanten aan het loopen, gestriemd over de bastige ruggen die wrongen en krompen en rekten, maar bleven omdringen het heiligen-stoetje, tot een kern daar middenin, gesloten aan elkaâr, verschenen er de gekken in 't hemd wit, rood, beplast met bloed.
Daar danste vooraan de donkere vrouw met de oogen dicht, òp, neêr. Zij sprong, zij knikte, viel overzij, als half verlamd, òp, neêr, epileptisch òp, neêr, òp, neêr.
Zij strompelde in het boethemd, zon-hel, òp-neêr; aantobbende met een arm vol vleesch, met een vracht van nat en druipend vleesch en flarden huid; met lillend, krullend, blond schapenhaar, als een dood kind onder de moederborst daar, en smartelijk de meêgaande hand voorbij den buik, òp-neêr.
Nu schokte zij bloedig aan, een roode moordenares, òp-neêr. Haar lippen lagen in starre pijn; in-uit snoof de neus en van haar kruin krioelden de haren, òp-neêr, òp-neêr; overeinde als schrikkende slangetjes op hun staarten aan 't staan.
Maar dansend de roode martelvrouw in 't wezenlooze licht vooraan, en of ze geradbraakt in 't witte gekleêr was, lekte haar 't bloed op de stomme voeten neêr, epileptisch aan 't gaan, aan 't gaan.
--"Gofferdom, kijk, ze bijten mekaâr in de hielen daar!" kreet de admiraal.
--"Ranselt er op, de honden!" schreeuwde de kolonel.
Maar beneden zwoegden al de witte verschijningen, vuns van moord, over de onder hen bibberende keienbaan op de stuipende beenen voort.
--"Zij zijn moe, ze zullen vallen, monsieur Badaud."
Voorbij slingerde het oude negerlijf in de aschkleurige vodden, rood onder een émail van bloed. Bloed en schuim was om zijn dikke in een strakken schater verstorven lippen, bloed geronnen op de trommel die bonsde zijn rug.
--"Ze gaan in ren!" duizelde een schreeuw uit de lichte hoogte.
En zij galopten, want de geesels zwiepten. Zij sprongen op wijde vluchtbeenen den naweeënden rhythmus nog. 't Nat-kletsige gesla van de bloote voeten beteisterde de geul, onstuimiger draafde de meêlooperij in het vale zonbruin; of van hen elk wou de eerste wezen, zoo slierden er de bijt-bekken de kikhalzende toeschouwers langs.
Daar dolde nu de achterste, getild, gesleurd door twee verheerlijkten, een jongen met den kop op de borst, de tong uit den mond, den hik in 't lijf. Lappen vacht en vleesch schudden en rafelden om zijn sijpelende schouders. Als bij een stom-bezopene sloeg 't lijf voorover naar de straat.
't Geschater van Antonio dolde door de lucht. Monsieur Badaud wees naar beneden:
--"Sacré nom.... hij trekt met zijn beenen als een grenouille."
--"Een kip die dood gaat."
--"Ik zou hem niet eten, als jij hem hadt geslacht, sale Arabe."
--"Ha, ha, ha...."
Maar de jongen opgebeurd door de voortvaartende kerels, spartelde onder-langs, met afdrukken van bloedhanden tegen den rug op het hemd vol gaten.
Nu tusschen de weêrlichtende winkeltjes was de baan overstort onder het buien, onder het onweêr van de troepend-trappende dravers. Nog waren er die dansten, òp-neêr, rollend bezeten oogen, met monden spelend misbaar.
--"'t Is gedaan.... Hé daar, schavuiten! Ze kittelen mekaâr een beetje," riep monsieur Badaud weêr, beleedigd. "Kom, Antonio, die daar zijn even gek als wij."
--"Ze houden ons voor de mal!"
--"Gaan we."
Een lichtschitter sneed door de laagte.... de man met de bijl.... maar de straat verzonk, al ging Johan los van de wering. Recht voor zijn stoel staakte de Engelschman, stram bij zijn vlam-rooden knecht, naoogend de gekken door zijn slak-zwarten kijker.
--"Curieux."
--"Intéressant."
Maar 't waren nog de bange geluiden die zich opworstelden naar hier; barende schreeuwen uit het warende licht, klakkende, krakende, martelende zweepslagen, nijdig gekletst op het ziellooze vleesch. Dan van overal overzwetsten de ontbonden tongen het straatgereutel, om te vullen de lucht met hun gekal.
......
--"Canaille."
......
--"Waar gaan ze heen?"
--"Naar de moskee."
......
--"Daar vallen ze neêr, totaal òp, anéantis."
--"Sapristi."
--"Gekken; wie er niet aan sterven slapen de lange dagen."
......
--"Gekken."
Zooals binnenskamers, door de bevanging heen van een zwaren droom de morgenstemmen komen aanrakkelen uit de buitenkoû, brokte het praten in Johan's ooren, terwijl hij opschoof langzaam meê in het platgedrang. En hij daalde in het duister van de trap, in het gat dat vol zoog van buiten-gonzing; hij voelde zich gaan, onverschillig, gedragen, als in een droom zeker de beenen zich zetten. Boven leegden de bordessen, beneden zwermde de straat vol vechtende daggeluiden; in de gangen van een grooten zeehoorn leek hij te loopen, waar 't van alle wanden golf-klaagt en winde-zingt. Voetje voor voetje ging het vooruit, hij hoogdravend in zijn hoofd het lichtleven meê als van een vuur dat in raketten en festoenen is uiteengespat, het beturend naar binnen, tot het een drang werd in zijn denken, tot het een mist werd in zijn oogen, tot er een bloem, verschrikkelijk, haar roode blâren in kwam laten vallen....
--"Ze hebben een hond die ze in de beenen liep, op het Zocco gepakt en van elkaâr gereten," riep van buiten de Redacteursstem naar Antonio uit het zeeëgeluid van de voeten.
De straat straalde aan. En over de voortgolvende koppen kwam het blinken, dadelijk van den heeten muur der overzij, het heerlijke hoofd van Soleimon.... Lachte er niet kleinschatting uit de hoeken van zijn idiotenmond, glansde er droefenis niet in het onverschrikt zijn van zijn wijd open gebleven oogen?....
Maar al nam het stoetende kleurenvolk Johan in zich, meê onder de klankende zon.
VII.
De vage avond om den horizon had stad en strand doen krimpen onder een doem van wolken. Nu zwol de nacht over d'Oceaan en de nacht was brak.
Als 't verdriet dat over de wangen druppelt en zilt door de lippen wordt geslikt, voelde Johan de nattigheid loslaten uit het weenende weêr. Telkens spritste er regen van uit den bollen wind die bakboords blies, of was het gestuif van de proestende golven, want met vollen stoom plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, zich delvend een gang door den nacht.
Al gauw na het winden van de ankers, het werken van de matrozen die schreeuwend door het waaidonker met de touwen zeulden, was Johan afgedaald in de kajuit, maar er uitgedreven weêr door een niet te overwinnen afzonderingsbegeerte van geheel zijn wezen. Hij had de onstuimigheid van het getij verkozen voor de vriendelijke scheepskamer, die vol kleuring van rood fluweel, glom van koperen stangen langs de boorden om het zeker loopen. Van onder de huiselijk lage lampen overschijnend een tafel-vol tijdverdrijf van periodieken, was hij opgestaan. Er zaten wat reizigers te lezen, kreukend sloeg blad om na blad, dan legden de menschen zich achterover in de stoelen en spraken naar elkaâr, wankele woorden in het buiten windezingen van de zee. En boven met rug en ellebogen stevig vastgedrukt in de staaf der verschansing en de voeten schrijlings gekant op het plankier van den boeg, had hij heel lang voor zich uitgestaard in het oneindige zwart.
Warrend stond het nu op den warrenden vloer van de waterkolken. Lang was er nog lichting geweest in de westelijke lucht, glimmering van dag die niet weg wil gaan, en roode vlammetjes had hij dolen gezien langs Tangers weggeslorpt strand, menschjes die den weg met lantarens zoeken door het lage leven.
Zwaar steunde de machine en bonkte de wentelende schroef; met donkere krachtgeluiden in zijn harden buik stampte de Atlantic vooruit.
.... Alzoo ging het nu terug; zoo stond het een andermaal te beginnen het moeilijk-geweten leven daarginds, van voren af aan, nu, nu, nu; gelijk de trage stappen van een geharnast man bonsde het aldoor terugkomend in zijn hoofd waar geen andere gedachten bleven, nu, nu, nu; dat klonk als de waakzame roep van een wachter in den nacht.
Gulzig klokte het lage zwart om het snellende schip. Kookte niet overal de wijd-duistere zee van slokkende, vratige dreigementen? Stond hij daar nu niet midden op den nacht, voelend de sluipkou van den nacht, den nacht in de haren rillend; stond hij daar niet als een vat vol gloênde gisting; ging hij niet strekken nu de spierbanden onbewegelijk, om het vat te dijgen, om bijeen te houden het lijf, bewarend het eigene aan hem, dat daar leefde in hem?
Waar ging het heen, waar ging het henen door den angsten-nacht? Was het niet beter het broze vat te vernietigen, nu, nu, nu, en de verlangens der ziel als de geuren van een balsem te vervluchtigen in den nacht van het niet meer zijn....