Gekken

Chapter 11

Chapter 113,890 wordsPublic domain

--"Hoor er is slag van wind in uw woorden, er is ruimte, er is leêgte.... Ellende, 't gekamert wijkt, het huis is rood. Daar van uit dien hemelhoek komt het ons overspuiten met bloed.... Vogel, wie gij, wie ik.... Over uw hoofd, over mijne handen.... o, de dood.... hij raakt aan mijn oogleên.... mijn oogen, mijn oogen.... hij strikt de banden van mijn mond toe, van mijn mond, van mijn mond."

Spangen relden, en huilend de stem uit het vanbinnen in het vreemde idioom:

--"Ivresse, ivresse.... il passé le quelque chose."

Buiten zichzelven was Johan neêrgevallen op het bankje.

* * * * *

Naast den rossen gloed van Jachjemeds lantaren liep Johan naar huis. Het was laat geworden. Vanuit de werkplaats had de dokter hem meêgenomen naar de bovenwijk, daar was de lucht frisch en het gezicht zoo mooi te zien. Stil, genegen, had hij Vogel naast zich gevoeld, terwijl zij gingen het avond-bedrijf in van de nauw-stijgende stegen door de Jodenbuurtjes. Vleezige vrouwen, met de handen vol ringen op de dikke buiken, babbelden naar elkaâr, de aangezichten bleek en vettig in den schemer onder de doeken van kleurzijde of het Sabbath was. Mannen, hangerig gezeten op den verzakten drempel, borgen de handen in de beenenplooien van het lijfwaad, of waren aan 't staan in het post-vierkant van hun huisdeuren. Zij druilden er met hun stroeven ernst, zij waren verzonken in den lagen nacht, maar hoog in de heuvelende steeg, onder 't saffraan der lucht dat de muren guldde, waren nog heldere kleuren, groen als van oud gras en purperend gewirwar. Kinderen, vonkend-zwartoogig en met gevlochten haar, vele al uitgekleed, stoeiend in het enkele hemdje, gierden het uit in het straatslop, tot de schrikkerige schreeuw van een waakzame moeder kreet naar een van de kleinen.

Maar boven, over den borstwal van het platform lag de stad blauw onder het geluwende, onder het naar boven somberder wordende doornen van den hemel. De huisvlakken en de spitsen schoven achter elkaâr, drijvend in ijlheid henen, naar het slaapwater, naar het nachtwater van de zee, waar 't kustschuim witte en boogde.... het reiken van een schuwen droom.... als een gedachte guirlandende van nacht naar dag....

Stil was er alles geweest, lichtelijk en ongedaan, zoo de wierooken die in kerkschepen zweemen, dampte het achter de heuvelende gestalten van de mannen die op den krommenden borstwal zaten. Wijdgebroken glansden hun avond-oogen uit de kappenschaûw, ze bleven stom rooken hun pijpje, aan de naakthangende voeten de rosse sloffen hingen. Of geëlleboogd daar over het dikke steenvlak rijden zij zich samen, hengelaars gelijk op een brug over een Hollandsch water, zoo keken ze neêr in de vallei van blauw en in den suizenden sluimer van hun avondstad.

Als een paar even vreemde lichamen hadden ook zij plaats genomen op den wal.... stil.... eindelijk even het zwerven van een paar woorden, het vaarwelzeggen van twee alleene zielen.... Ik zal u schrijven.... A quoi bon.... Als ik thuis ben.... u vertellen.... Vous m'oublierez.... Hoe zal het gaan als ik ginds weêr ben.... Mij? Binnen een jaar.... ah bah....

De avond werd koud en toen waren zij teruggedaald tot in Antonio's kroeg.

Daar, onder de opwinding van de lamp, koperlichtend in de duistere balken, zaten de mannen holend om het glimmende buffet. Het was er druk. Twee Arabieren in wijd-witte heerenkleêren leunden er, half aan het zitten, half aan het staan. Het was druk, en het praten was over hen.

Zij waren gekomen van achter hun bergen waar zij eenzaam woonden. Dagen lang hadden zij gereisd tot hier om bescherming te vragen, om zich te stellen onder de hoogheid van het Fransche patronaat. Want beschuldigd, maar valschelijk, van een groote zonde tegen den Koran, hadden zij geweigerd de boete te betalen aan het inhalige districthoofd.... de boete van zestig roode ossen. Maar op een nacht was de jongste van de twee broeders weggehaald met groot geweld.... verbeeld u.... zes maanden had hij gelegen in het vuil van een Moorsch cachot.... toegeven natuurlijk.... de losprijs betaald door den oudste.... dat is die zoo rechtop zit.... want de andere, n'est ce pas?.... men kan het hem aanzien.... hij ziet er uit nog comme un chien battu....

En monsieur Badaud, met het tabouret tusschen zijn beenen, als op zijn paard: "ce sacré Maroc, zoo werd de buit gemakkelijk".... En het zwarte baardmensch, dat naast den blonden, giegelenden Antonio den wand aankleefde, de Redacteur van de Réveil, zou er wel eens een hartig woordje in zijn krant van zeggen.... de noodzakelijkheid betoogen van het algemeene patronaat. Dat ging zoo niet langer, wat zegt u? Maar de fotograaf, een verwezen man, leek wel doof, rookte onverschillig zijn kiff. Hij zat dwars op zijn bank, smal, de armen en de beenen geknikt over elkander. Naast hem schoof Vogel in zijn hoek. Daarna, monsieur Crépieux tronend op zijn vaste plaats, en ook de minister kwam, blauw, even door de poort kijken.... dat gaf een luid alarm, hij verdween er meê.... werd er gejouwd door de vrienden? Het was druk vanavond.

Onder het hooge gloeien van de lamp ging er het praten in de ommewegen der vertaling. De Arabier uitgehoord, antwoordde aan wat men vroeg; zijn smalle lippen beboogd met den donkerstrependen knevel neurieden; week klaagde zijn zachte keelstem, terwijl hij de vier reine vingers van zijn rechterhand, fijn met lange aaiingen, wreef over de witte palm van de linker.

Hij was rijk.... hij had vier vrouwen, veel vee en knechtschap.... En de glossen waren gegaan, rondgeschurkt tusschen de naar-elkaâr-toeë schouders van het gezelschap, en de grappen over zijn verondersteld huiselijk leven. Sivory vertaalde een vraag voor den Redacteur. Badaud, tot verduidelijking, gaf klappen met zijn hand in de lucht, ruzie spelend. Maar de bergman, kalm in de kap van zijn mantel, had teruggesproken: "Men mocht een vrouw niet slaan, zelfs niet met een bloem."

Toen eerst had de vroolijkheid goed gedaverd uit de rood-roezige gezichten.... o, ces brutes.... ces sales Arabes, non, non, om den bliksem niet poëtisch. "Komaan, Jachjemed, vertel jij eens hoe je voor een paar maanden dien hak in je kop hebt gekregen.... het mes heeft je voor je leven gemerkt.... ha, ha, ha"....

Achter in den wijden lichtkring was de gids bij de gangdeur opgedoken; verschrikkelijk aan het lachen, staande in zijn gore jas, luisgrijs, met op zijn kaaloorig hoofd de fez bloedrood. Dwars van buitenoogs kerfde het bekende litteeken, rood nog, spleet langs den neus, reeg door de lippen, knauwend den lach.

Maar de Arabier deftig in zijn witte kalmte en niets kunnend begrijpen van de vreemde spraken, deed meêglimmen wel het tandenwit in een lachloozen lach, maar in zijn oogen had de verachting gedonkerd voor die makkelijk lachende Christenhonden.

Buigend en met de hand op het hart vertrokken de beide broeders. Zij waren de gasten van Antonio. Ze gingen hun handen wasschen. En uit het donkere poortgat was daarna een neger aangesloft, een kerel van meer dan zes voet. Achterhoofdloos steeg de lipkop uit zijn jas, rechtop stond hij onder de lamp of hij was gegroeid tegen een muur. Een nieuwe revolver kwam hij koopen; hij vatte het geladen wapen van den herbergier aan, handig met die dingen tusschen zijn nachtelijk-glanzende flesschen. En zonder eenig waarschuwen vuurde de neger met luie aaphand over het hoofd van Johan heen. Het schot kraakte, donderde: de lamp aan het gaan geraakt, rikketikte in zijn kettingen; toen zaten de mannen stil, als getroffenen in den rook. Voor Johan was de muur verschenen betureluurd door de zwarte gaatjes van de straffe kogels.

En toen hij eindelijk was vortgesloft, ging het kroegpraten weêr voort:.... Het was de confident van den heer op het Kasbah.... een kerel om te vrind te houden.... Hé, Antonio, hij heeft niet eens betaald.... Die zwarte mijnheer had onlangs iemand van de beenen geschoten, comprenez-vous? pan.... pan.... en de familie, wraak gezworen, loerde nu op hem om de hoeken van de stegen.... Evenwel.... dat was alles kwansuis.... had hij geen wapens genoeg? hij zit er vol van.... even een kijkje nemen had hij gewild.... om die twee boerenlummels was hij gekomen.... was hij gebleven.... had hij geen snuifjes gepresenteerd aan wien maar wilde.... comme ça, het kokertje op den rug van de vlakke hand, gracelijk, of hij een dépêche reikte aan zijn heer.... Ge zult zien, Sivory, hij komt vanavond nog terug. "Máar," meende monsieur Badaud, en deed zijn hoed op éen oor zeilen, "in elk geval was het verstandig op je hoede te zijn.... vóor dat een man den tijd kon vinden je te dooden.... il faut le massacrer lui-même".... en monsieur Crépieux: "Certainement, toujours faire le premier coup".... doch Vogel van boven zijn rhum had zijn pijp uit zijn mond gehaald en gemeesmuild: "Remarquez bíen, mon ami, que tous ces bons conseils ne vous coûtent rien."

.... Uit het donkere maar-voortloopen werd Johan opgeroepen door Jachjemeds stilstaande stem:

--"Holei, Soleimon, schuif wat op."

Boven den weg gloeide de gekerfde kop van den gids en grinnikte naar het opdoezelend hoofd van het Zocco-gekje. De jongen, slecht wakker, keek dwalerig, lacherig; hij huiverde in de schouders, schuwoogde de lantaarn in en krabde wat onder zijn voddenmantel over de vorstelijke borst. In zijn kroeshaar spatterde licht, hooisprietjes, ze vonkten goud als droeg hij van de zon meê in zijn haren. Maar slaapdronken keerde hij zich om naar den nacht, stom-vragerig "laat me toch liggen", en dook het zwart tusschen de tonnen in, tusschen de rood doovende cirkels van de hoepelranden.

Tusschen het muren-duister wiebelde de kruisvlam voort over den bobbelenden steegvloer.... En tegen Johan kwam de gids aangedrongen, zijn schorre stem bedelde:

--"Monsieur, monsieur, chantez encore un peu."

Een vloek beefde op de lippen van den ander.

--"Neen, vandaag niet."

Dat was zoodra hij maar met dien knaap alleen was, altijd om hetzelfde zangetje: het lijfdeuntje van monsieur Badaud; 's avonds eens had hij het in zijn ooren meêgedragen, het geneuried onder weg en sinds dien tijd zeurde Jachjemed er om, tot in het oneindige trachtte hij het na te zingen.

--"Monsieur, monsieur!"

Toen in een opflappend lachen om het malle geval.... waarom ook niet. Hoor hoe dat Parijsche operettenliedje kittelde in het binnen van deez' lolligen jongen:

"Bombardos, Patakès."

.... Allons, allez-donc, jeune homme....

En Johan zong:

"Ce brave général Bombardos." "Ce cher général Patakès."

Tot aan huis wakkerde het lachen van daarginds, beurt-zingend, van zacht naar hooger, overbegonnen, krieuwelend, folterend in den drankgorgel van den Arabier en pret aan het maken, buitelend in de ziel van den ander.... Hoor, hoor, Johan, hoe het kaatst in de geul, hoor het stikkedonker bluft, bluft over het leven waar ge naar toe gaat, morgen al; hoor het looft en het prijst uit uw eigen mond:

"Ce cher général," "Ce brave général!"

Zie, daar komen ze aanstappen in de lucht. Hoe komen ze hier, zou je zoo zeggen. Buig, waarde heer.... stil kameraad.... de mooie generaals Bombardos, Patakès. Hun laarzen rinkinken. Ze laten zich zien, hun achtersten spannen in witte pantalonen, gezellig zijn hun buiken onder rijke vesten.... En ze hebben goud op de schouders, goud op de borst, goud in hun zakken; zie hun snorren vlaggen, de wangen hebben feest; zij ook beminnen het leven. Ze hebben geweldig veel pret.... Schud pluimen op hun steken, zwaai kleuren over hen heelemaal. Stil, kameraad; ze lachen complimenteeren, ze buigen, zij zijn nooit bang in het gedaver van de coulissen.

"Bombardos!" "Patakès!"

In de poort van het hôtel was Johan alleen, en nog zong achter uit het donker de jongen.

VI.

Boven de lage wereld klankte de zon al-éenig.

Van-af zijn hooge plaats gehuurd op een bordes, schoof voor Johans oogen de Zoccostraat op, menschenloos en naar haar poorten henen, het wachtende plaveisel bekringd met keien strekte zijn zonnige baan als een stralende schubbenhuid over de aarde voort, tusschen de muren der wederzijding.

Zware gestoelten in zontijden verweerd, blokten de witte bouwsels uit de laagte op, naar overal bezet met de wacht van menschen. Want op plat naast plat, van bordes boven bordes stonden zij er samen in kleurige menigvuldigheid onder het gespante van het blauw, gezameld over de doozen van hun huizen.

Tot op de poorten die boogden en sloten het straatgezicht, waar de hooge stad heuvelde en het Kasbah was; tot onder den cyclopenmuur van d'oude vesting vergestaltten zich de mannen en de vrouwen.

En links naar de landrichting, waar de muur uit de vergane bastions zijn kanteelen kartelde, voor het wegrondende van de lage lucht, was het al damp, ziedde achterin de lichtkolk van het groote marktveld; want daar gedruisch, stoom van veel beweging met bedwelming in het ijle; want daar de fantasia's en het buskruitspel, om te vieren vandaag den geboortedag des Profeten.

Alzoo over het zwermende volk ging het licht naar den middag. Dan stoof een knal uit de straat naar boven, rookte het kruit het schot na, en de flonkerende koper-loop van een Moorsch geweer vinnig tusschen vingers rondgeslingerd, bliksemde geel-cirkelend door het wijde slop. Velen keken omlaag om het spel te zien, maar daar zette zich alweêr de bergman op de teenen, vroolijk met wijd-uitzakkenden pas daalde hij de straat af, voor zijn schaduw uitloopend; weg streepte zijn geweer, heen gloeide zijn roode hoofddoek, en van-nieuws-aan was om Johan op het bordes het veelsprakig leven en het wachten in den lichten luister.

En hij herinnerde zich vanochtend in het hôtel terwijl hij zijn boeltje bijeen bond, het schrikkerige splijten van de lucht lang te hebben gehoord, oorlogsrumoer vèraf, schermutselen dichtbij, en zich niet te hebben afgevraagd wat of dat kon beduiden. Want zijn gedachten dwalerig, half los al van het hierzijn, omdat het eindelijk zou teruggaan en niet meer verder, en zie toch hoe smartelijk het altijd weêr werd bevonden te moeten verlaten wat men nooit zal weêrzien.... Knal maar, knal maar.... De vertooning was nu uit en een ander bedrijf ging volgen.... Toen had hij de hemdboordjes zoo vreemd op de reisdeken zien liggen, met hun zuiver-halsopen, pasklaar ook voor een ander, met het roode merkdraadje voor de keel of het een bloedkrab was. En in een opzetten van zijn wil de propperige kousen geplet onder het schetsboek: het moet, ze zullen er in....

Doch de lange schoten kraakten, durelijk, harder aanhoorend of op het venstertje gemikt werd. En naar buiten kijkend over het erf-muurtje heen, daar kwamen ze aanzetten op het vochte strandzand, de lenige buitenlui met de stralende geweren in de handen hangend. Hun armen spierden naakt, er werd onder het loopen geladen. Ze gingen klein langs de kalme pracht der zee, maar stoer toch in hun wit en bisterzwart gestreepte burnous van kemelhaar, de kappen driehoekten van schouder naar schouder, veel wijder dan men hier ze droeg. Achterin reden er aan op springende paardjes, waarvan de schabrakken schalden in de feestelijke zon. De schedels omvlagd met de roode foedralen van hun geweren, stapten de voetmannen onder voorbij, in opwinding waren ze verdwenen, want om hen was nog het juichen van het wilde buskruit toen zij traden in den wal.

Wat was er toch te doen, had hij moeten denken.... was het niet altijd hier in het krioelen van de rassen als een verhuis van volken.... zou het zijn als laatst, toen schuiten vol mannen los gingen van een donker rompschip en stuwden tegen het strandzand op.... Dat waren pelgrims van Mekka gekomen.... En hij had zich gebukt uit het raampje, de zee toen leêg gezien, en Gibraltars rots schimmig verdronken in den weidschen dag. Doch vóor het vergezichtende Europeesche kustland daar lag de wachtende Atlantic midden in het gruizelende water, met het Fransche vlaggetje en de helle stoompijp als een stuk vurig speelgoed in de ruimte-spiegeling van blauw en licht.

Toen was het kamertje hem te klein geweest, de muren te kalkwit, het bed gevangenisachtig; jeuk was er in de vingers en gloeiing in de beenen.... vanavond wel de rest doen.... en naar beneden.

In den steegschemer bij het hek van het Hôtel babbelde Jachjemed met Sarah de meid. Jachjemed had een nieuwe fez, een zwart koorden kwast hing in zijn nek neêr en over de borst uit de omslagen van de hangende kap glansde van blauwe zij het Zondagsche onderkleed. Ja, het was vandaag het feest van den Profeet.... zijn bakkes glom of hij zoo pas uit het bad kwam.... en hij had grinnekend gevraagd of hij voor mijnheer niet een plaats moest nemen op een plat, want de gekken kwamen terug en aan Jood en Christen was bij proclamatie gewaarschuwd vóor dien tijd niet in de straten te loopen.

En ze waren gegaan. Bij de Engelsche ambassade strookte een vlag de luchtstrook boven de steeg, ving van de zon in het klappende blauw. Van den minaret stoof hoogóp het Moorsche bloedrood; weêr verder krulden vier, vijf landsvlaggen boven een huis om hun rechtstaande stokken, en met een plotselinge hartepopeling had hij ook het in tijden niet geziene, luchtlang banende rood-wit-en-blauw van zijn land herkend. Maar het zien van de volle platten in de Zoccostraat deed ongeduldig verlangen naar een even goede plaats; de gids aangespoord tot haast, had hem meêgenomen door een donkeren winkel; achter dichte luiken walmden er de doove kerkgeuren van specerijen; en een pakhuistrap toen op; reten licht schenen onder de stijgende hielen van den jongen die het eerste klom; vervolgens een luik opengeduwd en in de plotselinge licht-overstelping het staangeld betaald aan een man, die bij het trapgat het luik weêr sloot.

Nu, terwijl hij meêwachtend stond, propte zich voor zijn oogen het volk al dichter over de kalkige huizen. Gelijkoogs en hooger waakten er de rijen hoofden, schakels geworden in de zon. Daar waren de Europeanen van de stad, de handelsmannen hadden hunne zaken gelaten, van bijna alle terrassen spikkelden in het zonnedonker van hun ledende confectie-kleêren, reepjes van halsboorden-wit en hoekjes van de open vesten. Daar waren Engelschen de halzen rekkend, jong volk veel, in de strakke gezichten dotten de snorren; Duitschers waarvan de borsten en schouders platend kwamen uit het gedrang, met zwellende wangen rozig van de warmte in het goudelende gelaatshaar; zuiderlingen weinige, zwaar van wenkbrauw boven den somberen oogkuil, verschenen er klein en pezig. Van over de wallen vlekten de roodende handen, wijl over hun aller eveneensche hoeden de ruimte voorthobbelde in blauwing, ze in den afstand tot veeldubbele snoeren saâmreeg, waaruit het spiegelen van een enkelen cilinder opstak als van een zwart-gladden steen.

Joden groepten er statig in lange kleêren, het borsthemd geplooid, de gordels gouddradig gefranjed, of oudere scharrelden verdwaald, ginds en hier, met kalotjes op de nederige kruinen, en van vischvellen-kleuren glommen hun daagsche tabbaarden onder de vlokkende baarden; Jodinnen daar op de eerste rij, heup aan heup, schoot naast schoot, aan elkaâr gesmolten van vleezigheid en licht, en soms keek er het ronde hoofdje van een knaap of van een meisje, bolwangig voor zich uit tegen den buik der moeder. Veel meiden en wijven pronkten er met den smuk van hoofd- en halsdoeken, oorringen rinkelden licht; kerels van de haven in teervuile baadjes vertoonden er een geroosde borst of bewogen werkarmen; slaven, negers staken er de glimkoppen met fezzen omhoog; straatvolk schouwde er de roestige zakken van hun jassen uit, als noten uit harde schalen. Vèraf, van hoog en laag was het in de neêrdruisching van den dag over de zonnetrappen: 't plakkatende wit der muren, woest indigo-blauw waar de zon niet was, een uitstalling vaak als vruchtenweelde bloeiend. Zoo blonk er het hooge citroenen-geel en van meloenen waarin het groen nog welkt; praalden er het tomaten-oranje en het granaten-bloed; glommen er de heete donkers van hardschillig ooft, van kastanjes, van dadels en vijgen, waasde er het doodrijpe saprood naar druivenpaarsch en naar het rottende violet.

Woestijnig in de stoffige burnous als in te ruime vellen postuurden de Kabylen op wal en bastion. Gedrochtelijk tusschen en op de kanteelen geklonterd, met de kappen òp, beeldden zij zich roerloos.

En onder het schilferende vestinggrauw dat glinsterde van ruigten op den trans en uit het mozaïek der steenen, tot onder het rotsenrood dat bestreept met klimlijnen van paden was en melaatsch van zon, het gansche wallooze poortterras over, hadden zich de vrouwen geborgen. Gelijk mummies in windsels, een spokende zwerm van witte vlinderpoppen wachtten zij daar gelaten onder het raggende licht, terwijl onder hen het hoefijzer-ronde gat van de poort gaapte naar de straat. Wat witte heeren schemerden er in de mousseline sluiers van de haïk; een stralende tulband blonk er als een maansikkel boven het parelende warmblank; en waar 't geplooide open voor de vele oogen de duistere ster-stippen door de rijen reeg, schoof meer dan eens de stroogele hoed van een Tetuaansche, lag gelijk de schijf van een parasol over de schouders van de draagster een valletje van koele schaduw.

Beneden ook bleef de geul star aan 't wachten, ofschoon herhaaldelijk opgeschrikt uit haren zonnedommel, telkens wanneer het looze schot knallen kwam van een feestvierend man die uit de Zoccodrukte daalde. Nu speelde een Arabier in de straat, tuk op de hooge bewondering liet hij zijn geweer radsnel om zijn vingers tollen, greep het dan woest en onverwacht stil, knakkend de vlucht van het wielende wapen, om het te laten cirkelen tusschen zijn scheutende armen en rond zijn dollen nek als om een gladde as. Dan zette hij zich schrap op de donkere beenen, keek wild zegevierend òp uit zijn ontredderd gezicht zwart van kruitroet, lachte wreed om zijn geklemde tanden en keilde toen tot een jubelend hoezee zijn speeltuig naar boven, slingerde zijn blij lijf om in tartenden sprong, maar ving het in de valling flonkerende geweer met klauwende vingers, alvoor het kon rakelen den grond. En over het helle pad ging hij in zijn wijd-slippenden mantel.

Langs de keienbaan suften de winkeltjes, gesloten was het bedrijf, vuil en vettig, slijmig in het blinkblank van den velen weêrschijn. Met dichtgeklapte stokken, zeildoek en takkebos-kleurig luikenhout verschenen ze verlaten, onttakeld. Een koopman kwam zijn huis uit, draalde wat op den drempel, garenblauw was zijn huiskleed en helder het flanel gewikkeld om de fez. Of uit de spleet van een mat, uit de vouw van een schutdoek, schemerde even een geschoren hoofd, tot de kier als van wind bewogen zich weêr sloot gelijk een oog dat niets te zien vindt, toe.

In het midden van den overkant, tegenover maar lager dan het terras waar Johan zijn plaats hield, bleef nog een winkelplat leêg, geruimd van rommel, van oude verpakking die aan de kanten lag. Twee stoelen stonden er schril naast elkander op het blinkende vloertje.

Toen deed luid gepraat van een drietal Franschen vlak nabij, Johan keeren voor den lagen wal; ook werden de voeten moede van het staan op eenzelfde plek. Een van hen wees aan den ander: daar, neen meer rechts, die soldaten in roode uniformen, dat waren volontairs van het garnizoen in Gibraltar.... Zeker, er waren veel vreemdelingen om het schouwspel te zien.... En als alle jaren zou de gezant wel weêr een paar schapen, levende schapen ja, naar beneden laten werpen zoodra de stoet voorbijging.... dat deed hij om het prestige, dat was politiek, erkenning van de landsgewoonten en eerbied voor den heerschenden godsdienst.

Plotseling tusschen de klaterende schouders van babbelige vrouwen door, kwam knikken naar Johan het stevige hoofd van monsieur Badaud. Een inzicht tusschen de huizen week schaduw-opaal en lichtvlekkig achter hem, beplekt met kleêren die te drogen hingen als vlaggetjes in de zon. De kolonel wachtte voor den anderen hoekschen wal van het terras, hield de hand aan den hoed of het woei daar, en onder zijn snorren versmolt het vriendschappelijk toegeroepen groeten.