Chapter 10
Dat was verschenen, opgestooten uit het duistere gedachtenlooze, plotseling als de nevels waarmeê het gisteren was geboren.
.... Om vijf uur opgestaan.... ze zouden een wandeling gaan doen naar Kaap Espartel.... Bij Antonio had monsieur Crépieux er toestemming voor gegeven.... Vogel te laat.... En hij in de langwijl van het wachten, uit den halven nachttoon van zijn slaapkamertje, was de trapjes opgeklauterd naar het bordes, slaperig nog, huiverig met de oogen koud aanvoelend den nattigen morgen. Van over het land, van over de Zocco-heuvels, waren ze aan komen drommen, de nevels, het saâmgepakte ondoorkijkbare wolkenwit; er tegenaan was het kijken gegaan, van uit het Westen naar het Oosten, murend stuwden zij aan in de stilte waar geen wind was merkbaar, vol stom alarm ramden zij den jongen dag. Over de borstwering gebogen, kouwelijk met de handen in de mouwen had hij zich laten overwolken. En het parelende nevelnat had de steeggeulen geëffend met de bordessen en de zee en de kust van Europa. De voeten klam in dauw, kil op den rooden steenvloer, had hij staan wachten en suffen in zijn pas opgewaakt hersenleven, alleen, verloren in het niet zijn, in den wijd-witten dood der dingen.... Maar het nevelleger was voorbijgestevend, gestoet, gejacht: latend achter zich de stad weêr open met zijn steenen stegen, waaruit de mist nog rookte.
Over zessen was Vogel hem komen halen; een tasch ook had hij over den schouder en zijn pijprook ging met een ouden geur door de wasemende vroegte.
En toen de ochtend in het ruime buiten, de ochtend die een bad was, in den beginne nog wel gestoord door plotseling opdoemende nevels, gauw weggewolkt over de hooge wegen langs zee, over de rotsen rossig, over het oceaan-water laag en blauw; weggestoven langs hen dat zij liepen in een luchtstraat, weg en voor goed, met de zon achter op hun kruivende dampruggen, die kringelden en tintelden van zonwatergespeel, kleurenbogen spanden. En toen die herscheppingen naast hem van deez' gebogen man, oplevingen: een kind dat vrijaf heeft, huppelen gaat, dan ernstig als hem de school in het hoofdje komt. Hoe had hij zich schrap gezet, willerig op de wegen, waar hij naar bukte, speurend wat nieuws, waar hij de steentjes van kende, en de kruidjes en de torretjes van liefhad. Over de rotsen waren zij westwaarts gegaan met den rug naar zee; hij wist een beter weg, een korteren dan het heirpad de kust langs, hij had veel wegen gebaand, had hij gespot. Dien ochtend niet gezien maar genoten....
In hooger stijging waren ze geklommen over riffende gronden van glissend grijs en rood, als gegleufde verstijvingen van gestolten lava. Dartelheid was in de voeten gekomen. En Vogel, een rechtóp mensch, had als in bevel aangewezen de te beklimmen rotsen. Hij was er het eerste geweest, ademloos, maar het eerst, hij had er gestaan groot voor de lucht, overstort met licht, terwijl hij de ruimte met zijn gebaar omvatte.
Onder het bladdak dan van groepende boomen had zijn stem geklaterd, vrij van de verstuiving des winds, slaande den stammenwand, om te echoën als een steen die rolt in een ravijn. Hij had verhaald van zijn groote reis in Afrika's binnenland, uitgeluid van zijn geweldig begeerd-hebbend leven, opgewonden en met groote liefde.
Vinden, wegen vinden, oorsprongen vinden. Wat al namen had hij niet genoemd, nooit gehoorde namen van oorden, hitte-wademende woorden, en van bergen en van binnenmeren. Hij was er bij stil blijven staan. In het gruis van den grond had hij gelijnd als op een kaart, met zijn wiebelenden vinger had hij de stroomingen van de zakkende wateren geteekend in de ruimte. Heerscher hij, over zijn weêr opgestaan begeeren.
En aan Johan in de loopvaart van het lichaam met het luisterende hoofd, waren rood en monsterlijk hagedissig, de stammen van de kurkeiken voorbij gekronkeld, voorbij aan de achtergrondelijke wouden die Vogels verhaal voor hem hadden opgeroepen. De wouden met de neêrlissende lianen-regens in het tempelduister van de kronen; de oer-wouden waar de grond wankt, wanneer de voeten het wagen, als wou de aarde keeren; dan voor de verbaasde oogen gloeit en vlamt er het kleurenbloeien van orchideën onder een gat in het dak. De koortswouden waar zijn lichaam had gelegen, krank, uitgeput, verlaten door de knechtschap van zijn karavaan, bestolen hij van zijn ivoor en ruilgoed, alleen met een paar bedienden en waardeloozen rijkdom.
Verteld had hij in woorden van stille herinnering, zoekerig, uit het vage gezien hebben van zintuigen half al in den dood, schemerig, verleden, zijn verpleegd-worden later in een missie-huis, door een vrouw onder een witte overhuiving. Luchtblank, een heiligenbeeld in de bergen, zoo had hij die pleegzuster gezet in zijn verhaal. Toen een poosje stil. Zijn beenen knepen den grond, terwijl zijn hoofd rookte.
En het ratelen van zijn bewondering en haat, wanneer de andere vroeg: Stanley?.... Stanley, om te slagen had hij zich verkocht voor een politiek en onwetenschappelijk doel. Livingstone.... een proselietenmaker, maar die toch de meren van het zuiden het eerste had bereikt. Burton, de voortreffelijke Burton, die van het oosten naar het westen was gegaan. En de bijna onbekende Paul de Chaillu, die jaren lang als een bezetene de gronden onder den equator afzwierf om door te dringen tot de westelijke bronnen van den Nijl.... en.... o, cette Afrique....
Tegen den middag was de toren komen staan, naakt rood en wit-ringig, opstuwend uit het rotsvlak zijn steenen rust voor den blauwen hemel. Bij het basement een vlak tuintje en daarin was een mannetje in donkerder blauw, gebukt tusschen zijn groentetjes aan het werk. Braun keek op met een bezond rood gezicht, toen de groetschreeuw van Vogel galmde. Dichtbij, was de wachter een man die doovig, heel hardop sprak van onder zijn vereenzaamde oogen.
In de torenkamer tot een cel, buitenwaarts veelkantig,--de grond was er rein bestrooid met zand,--hadden ze van het meêgenomene gegeten, gezellig om de tafel bij het raam, dat in de dikke muurnis vol was van wateruitzicht. Braun schonk een flesch, rood was de wijn geweest en de Duitsche stemmen met een bergklank of zij kijfden in de witte kamer. Buiten ging de zon over den middag, blauw, stil, tot er een meeuw blank kwam aanstooten door den hemel-lichtval, traag, want de buik hing hem zat van gevreten visch.
Wat later, alle drie naar boven om de seinlichten te zien. En de hooge stem van Braun naast Vogel die de mechanieken verklaarde, klankte er onder de bekapping achter de glazen oogen van zijn toren, die over de nachtzee waken....
Dan op den terugtocht hadden ze gelegen plat op den buik in het gras, aan den rand der hoogten. Zij hadden neêrliggen kijken over de bastionneerende steenklompen en de blikkerende keien, opgegooid geleek wel, tegen de helling op; over het bezemige struikgewas, groenfranjend onder de zon, neêr liggen kijken in het Oceaanwater als in een anderen hemel. Ze hadden gepraat vertrouwelijk in de vertrouwelijke ruimte; Johan over huis, waar ze nu schaatsenreden, terwijl zij hier zoo lagen of het zomer was. Over zijn reis, hoe hij tot hier gekomen was en waardoor, hoe dat zoo gebeurd.... Maar Vogel luisterde slecht, had een oogenblik slechts oplettend een "zoo" lang uitgehaald, toen de andere het niet kunnend laten, vertelde van het leed hem aangedaan, wat hij in zijn ziel nog voelde schroeien als 't gloeien van een slag in het gezicht. Langzamerhand allebeî minder spraakzaam, Vogel teruggevallen in zijn brokkende manier van spreken.
.... Het was toch altijd goed te leven in de nabijheid van wat men heeft liefgehad. Men was toch nog altijd hier in Afrika.... bovendien was het leven er goedkoop. Met het overschot van zijn fortuintje had hij zich hier geïnstalleerd en was er een fabrikage begonnen van kunstmest om geld te verdienen. En hij had zich aan het schrijven gezet van een boek over wat hij had gevonden, over zijn plannen, ja zijn plannen toen nog. En, gij hebt het gezien, niet waar? het Parijsche Instituut had zijn werk onderscheiden met goud.... nu al lang verkocht.... Daarna om hulp een reis naar Europa, naar huis, zijn vader was rijk.... aber ein beschränkter Kopf.... twist natuurlijk.... hij terug.... de fabriek verkocht.... puis le silence.... et cetera....
Evenwel, die fabrikage was niet zoo slecht gezien geweest; de mest bracht nog altijd veel geld op; ach, maar die Engelsche kooplui sloten zich zoo bij elkaâr aan, hadden een eigen club.... bij dien goeien Antonio kwamen ze nooit.... maar daar kwamen de vrienden.... ge kent hen.... allemaal beste menschen.... Badaud reed die niet veel beter paard dan hij, oud-brigadier van het Algiersche legioen als hij was, spion nog, bezoldigd door zijn gouvernement.... En zijn Mirsa, laatst op het Zocco, is 't niet? zijn wit beest was een trotsch paard.... Crépieux, had die zich niet over hem ontfermd, een geestverwant, een geleerde, een.... Crépieux....
En Johan had geloofd daarna dat hij was ingeslapen, het duurde zoo lang.... maar het was niet waar, want dichterbij als in een biecht met het hoofd in den grond lag hij zacht te huilen.
Beneden spoelde al de vloed; de slag van d'alleenen Oceaan reeg waterzingend geluiden aan geluiden; zijn knokig lichaam, geschokt, geraakt door den meêlijvollen adem van den andere, had zich op de armen geheven en het gangende verdriet was tusschen de tralies van zijn vingers doorgestuipt, de zon in.... "pardon, je suis bête."
* * * * *
Uit de hoogte van zijn oogenblikkelijke verdwaling, aangetrokken door Vogels geheimvolle oogen, zag nu Johan in den al troebeler wordenden dag zijn schaduwrood gelaat luisteren; het haar was wat verwilderd en pluisde achteruit onder den schemerval van het fleschachtige glaslicht.
--"De patroon komt nog," zei hij, "hij is laat vandaag.... late lessen.... huisonderwijzer bij den Franschen Consul, wissen sie.... nog vijf huizen hier vandaan.... nog drie.... voilà." Hij bukte, maakte zich klein.
Buiten bleef de stap stil, het gat frischte open. Caca uit zijn dommeling opgeschrikt, plofte neêr, plompte op, verschijnend, schreeuwend.
Crépieux stond in de deur, hevig.
--"Dokter, ge hebt zeker weêr vergeten mijn beesten drinken te geven," dwong zijn kortaffe stem in de kamer. En hij trad in het binnen, grijs gekleed, wereldsch en korrekt. Strak blonk het linnen om zijn hals en handen, zijn schoenen nat-zwart op het dorre van den vloer. Voorover gerand helmde het hoedje op den stuurschen rondkop waar de ooren dicht aan knepen. Hij gaf een slag naar het hok met zijn badientje, de aap gevlucht tot onder de zoldering, bleef ondersteboven gekeerd hem van daar begrijnzen.
--"Men dwingt een beest, hij wordt getemd door vrees; bonsoir, monsieur le peintre."
Johan was beleefd opgestaan. Zeker, het was hinderlijk twee zulke staande menschen hier naast elkaâr. De patroon bleef in de kleine kou die hij afgaf van versch meêgedragen lucht, dichtbij, groot nu de ander zat.
--"Eergisteren heb ik u over den schouder gekeken op het Zocco.... het was er vol; mijn jongen moest ruim baan voor me maken.... och.... ge moest dat dingie mij geven."
Een beitelgleuf leek wel de scheur in zijn kin; maar Vogels oogen keken achterdochtig. Naast zijn hoofd nu hurkte de aap, afgezakt langs de spangen.
--"Merci.... juist.... ik bedoel die kleine kameel, ik houd veel van die dingen.... van alles wat beest is.... ik verzamel."
--"En gij hebt gelijk, monsieur Crépieux, parfaitement raison, het arme beest had geen water, en monsieur is zonder twijfel een vriendelijk man, heelemaal niet duur.... inderdaad geen drop, en och, geen vreten ook."
--"Ik wist het wel."
Vogel liep over.
--"Mais que voulez-vous, monsieur Crépieux, heb ik niet den geheelen middag gearbeid?.... zie toch, patroon, wat ik heb gedaan: een, twee, drie, vijf, zeven, negen, tien, met deze meê, elf vogels geprepareerd."
--"Elf, een oogenblik," zei monsieur Crépieux.
Tusschen de tobbe en Johan door was hij voorbij gebeend, schoof zijn badientje onder den linker oksel, en zóo de schouders achteruit, den rug hol, militair, de kuiten strak, ietwat wijd uitstaande de voeten, beschreef hij als op een schoolbord den muur; vervolgens het cijfer met een paar krasse haaltjes. Over zijn staanden boord, als bij een dog dien de halsband knelt plooide zijn nek. Hij leî het stuk krijt in den tafelhoek, wendde om.
--"Elf," herhaalde hij, of hij het cijfer in zijn hoofd opschreef.
--"Onze," had Vogel gemeesmuild, "on dirait une unité double."
Hij ging de werktafel langs met de handen hangend, zonder pijp, naar den muur waar de rij van cijfers bloot achter de datums der dagen was; 11 onderaan, versch.
--"Morgen zal ik naar Gibraltar moeten, monsieur Crépieux."
In een stuk spiegelglas, donker op den muur, vastgeklemd tusschen spijkerkopjes, verscheen nog eens zijn bovenhoofd, roodig in het blauwe verweerde.
--"Taisez-vous donc." Het gerel was stil.
--"Zie, patroon, er is geen arsenic meer.... de flacon is leêg; ge weet.... de huidjes zullen bederven, de veêren loslaten.... regardez.... bijna niets meer, niet eens genoeg om, par exemple, een rat te vergiftigen."
Crépieux haalde de schouders op en keek het bepoederde fleschje aan, dat de dokter hem voorhield.
--"Ah, ge gelooft.... ik heb het niet opgegeten, monsieur Crépieux.... soyez en bien sûr."
--"Neen.... maar ge zoudt het kunnen hebben verkocht."
Gestriemd, vlaagde het schaamte-rood tusschen uit de kleêren van den dokter, bloedplassig boog de nek weg, met vurige ooren, nu hij het fleschje teruggaf aan zijn plaats. En zijn stem hevig gehouden achter de tanden, riep van uit het achteromme:
--"Malheur à moi!.... vous avez raison, ik zou het kunnen hebben verkocht."
Crépieux ongeraakt, bleef zijn vingers wisschen, keek neêr in zijn nagels. En het bijna schreeuwen van Vogel hing als een hoon in de booze stilte. O, dat werd ten langenleste onuitstaanbaar. Maar Johan vastgehouden aan zijn plaats, voelde hoe van binnen het eenzame en donkere kloppen voortging van zijn eigen hart.
Vogel, de armen in den haak, bukte over zijn werkbank. Met harde lichtranden op zijn hoedhoofd, drilde de patroon zich achter hem op, grijs en korrekt.
--"Dokter, wat hebt ge daar?"
Vogel sneed voort, bijziende.
--"Dokter, uw hand beeft, ge hebt zeker weêr vanmorgen te veel gedronken. Prenez-garde, ge zult me dat huidje bederven, dat gaat niet goed."
--"Vous avez raison, monsieur Crépieux, mijn hand beeft."
De patroon kreeg de knarsende kaakmaling in de wangen, van schoolmeesters die zich verbijten om de onbevattelijkheid van een kind. Hij blies onder zijn snor, praatte naar den ander:
--"Over een uur komt de Atlantic in de baai; alors, ge vertrekt morgenavond, ik zie u nog wel, niet waar.... denk om wat ge beloofd hebt. Bonsoir, 't is hier benauwd, ik begrijp niet hoe ge 't hier uithoudt, het wordt hier te klein. Dokter, ik zal u vanavond zeggen wat ge te doen hebt, ik kom bij Antonio. Bonsoir."
--"Bonsoir, monsieur Crépieux."
Maar bij de deur keek hij om, richtte zijn stalen oogen.
--"Dokter, zeg me nog eens den naam van dat nieuwe beest daar."
--"Gypohierax angolensis, monsieur Crépieux."
--"Goed, en verzuim niet de dieren drinken te geven voor ge weg gaat, dokter."
In een gulp lucht was de patroon weg, buiten ruimde zijn stap henen.
't Was stil. Vogels blauwe oogen keken rechtuit, innig.
--"Wat zegt ge er van?"
......
--"Niets?"
......
--"Niets, vous avez raison."
En weêr was de stilte, een slag.
Doch boven zijn gepluis praatte een andermaal de kamerstem uit den dommel:
--"De avond valt al.... de avond van alle dagen.... Comme il vous a montré bien sa puissance.... Bitte, ga nog niet heen, laat ik dit beestje afmaken.... schaudern Sie für mich?"
Johan had het niet langer kunnen uithouden op het bankje; zwaar waren zijn beenen aan den grond; vol voelde hij zich van die kamer, tot aan de keel langzaam volgegoten met den jammer. En daar van uit dien hoek had hem de aap zitten aanvragen, zeker had dat al lang gedaan dat beest, of hij wel goed alles begreep.
--"Zoo de ooren in slechte seizoenen wennen, moest ook mijn ziel lang bot zijn voor het rondonderen van het onweêr."....
De stem ging voort:
--"Het is hier stil, is het niet? Toch, ik ben voor stilte niet bang.... van tijd tot tijd, wissen Sie, verbeeld ik me hier te zijn gesloten in mijn graf.... als een verslagene die van zijn wapens medekreeg in den doodslaap, lig ik tusschen de attributen van mijn laatst leven.... dàar van mijn boeken, dàar van mijn instrumenten, dàar mijn onderscheiding, mijn vogels, mes petites choses"....
Hij was achterover gegaan in zijn stoel, en nu met de armen geheven, het scalpel nog in de rechterhand, geleek hij een mensch in een stuip gebleven onder den neêrwarrelenden schemer.
--"Dan pakt me de begoocheling en ik strek me strakker.... zóo.... vouw de handen op mijn borst als mijn doode tusschen zijn zerken, want natuurlijk, het was een opperhoofd, wissen Sie"....
--"Wat de tijden oud zijn.... et moi comme je me sens parfaitement heureux.... ik hoor als nu de stappen buiten gaan.... het loopt voorbij.... het gaan zal nooit meer kunnen treden op mijn ziel, mijn teêre ziel, vous dis je.... die me deed verloren gaan bij mijn leven.... allons, daar zijn we over de ziel aan het praten.... allons donc.... le crépuscule c'est donc bien l'heure des grandes confidences.... permettez"....
Hij wilde opstaan, maar of het voor iets onnoodigs geweest was, zakte hij opnieuw in zijn werkhouding.
En Johan streek zich met de hand over de oogen om de verbijstering te ontgaan. Want de kamer een oogenblik vlottend, was bij het opstaan van Vogel hem verschenen gezonken. Stoffigheid hing voor de dingen, stoffig trok de dag achteruit door de lichtscheur in den muur. De avond bedroop den hemel. In den hoek over den steegwand roodde zich het raam, gelijk oogenwit dat beloopt met bloed.
Rondom keek alles tegen hem aan. De wand, een seconde aangedrongen, zag strak weêr, gruw, geluikt, gelaten; en de zoldering, wankelend of zij keeren had gewild, blikte breed uit, beschermend, overhuivend.
In een boog waren ze voorbij gezwenkt de rij van doode vogels. Nu van onder de asch der stof prikten zij hun glans-spritsende oogjes in de zijne, met een getjilp en gekir van kijken, in een uitgesliep van tijdeloos gekijk. Doch voorbij het bekruiste lichtraam, schreiend, was zijn gestaar neêrgezakt op de gestalte van den dokter, stoffig, met de armen aan het lijf.... en ellende, die rug was kolossaal en vaag een herhaling geworden van zijn aangezicht.
Onder den kraag, windselend om de lichtopbulting van de schoeren als een voorhoofd, donkerden de schouderpunten twee schaduwmoeten, naast elkander als een gesloten oogenpaar; plooitjes rondden zich er onder: de wellen vermoeid in zijn vroeg-oud gezicht. En daar waar de neus verliep in de lichtzakking langs de ruggroef, waren de gerekte smartlijnen bijzijën, bootste een opschorting met een spotkrul zijn hangenden knevelmond; willoos deinsde de rug naar de lenden om, zoo zijn zwakke en achteruitgegroeide kin dat deed.
Maar de gestalte rekte zich op en het gezicht was gebroken in rimpels. Op zij uit, zoekend den ander, murmelde hij langzaam met het hoofd knikkend:
--"Ach, das Leben ist dumm, vous savez."
Toen om te ontkomen aan de pijniging der ziel, smartte de lang ingehouden en worstelende opwinding zich vrij door den mond. Een tweede maal ging het floers voorbij Johans oogen, en hij hoorde rondom zich het martelen van zijn woorden:
--"Ben ik dan voor niet gegaan, hoe lang wel.... want de maanden zijn gegroeid tot jaren, reiziger meê in het leven, ging ik dan om niet van oord tot oord, van nieuw naar nieuw. Mensch, kijk me zoo niet aan, ook ik heb de volken naast elkaâr zien staan en vervloeien, ge weet het, als in het kleurenspectrum de kleuren. Zat ik dan voor niet tusschen de lichamen in de snellende en schokkende wagens; liep ik dan voor niet meê over de wegen, tusschen het loopen en het deinen van mijn gelijken, maar die ik voelde en zij niet mij. Was ik dan om niet in hun huizen, heb ik dan om niet geproefd hetzelfde blij en droef, leerde ik om niet hun ontroeringen opletten, tot waar ze grauw wegschuilt onder de stoppelige baardharen van de stugge mannen. Was ik dan zoolang alleen, alleen om niet, tusschen al dat gangende zeg ik u, niet wijs, niet dom?"
Spangengerel schudde de kamer.
--"Stil, kameraad!" groeide de stem van Vogel.
--"Nous avons tous deux raison, ah oui.... maar meer dan gij, ge weet het, keek ik in den dood. Zeker.... er zijn twee machten, me semble, die maken dat alles gaat, zoo gij zeidet. Een is er die aanzet, beroert, de schokken geeft.... hoe haar te noemen? geest.... le génie de la vie, par exemple.... maar daar is die andere, die alles wil bestendigen, eindigen, l'intelligence.... Nauw geeft de een beweging, subitement l'autre se dresse, slaat het willende in haar sterke handen.... bon.... doch bedachtzaam.... fatalement trop.... houdt zij het aan den grond vast.... bon.... mais voilà encore une autre fois le mouvement fixé.... raisonne."
--"En toch gaat het," schreide Johan van zich af.
--"E pur si muove.... giebt 's etwas neues!.... stil toch, kameraad.... oui, raisonne, je vous demande, raisonne.... le raisonnement est qui gagne. Luister"....
* * * * *
Gedreven met zijn lijf van muur tot muur, kwam naar Johan als van buiten het vlottende geredeneer. Gekruisigd aan zichzelven hoorde hij niets meer dan zijn-zelfs woorden en ze waren zacht en wat klagend om hem:
--"Ik was al vroeg alleen.... ik was alleen altijd.... in het halfdonker van een nauwe straat weet ik me geboren.... drie maanden van een jaar kwam er de zon tot op het plaveisel.... Er spelen kinderen met mij.... vlossig hun haren.... wij spelen over de keien, wij groeien tusschen den schemer van de huizen op.
.... Hoe ik het voel nu en den dag zie, dat de straat me werd afgenomen, wegging uit de kindsheid van mijn oogen, als uit een spiegel dien men omkeert de beelden."
--"Jongmensch."
--"Toen"....
--"Jeune homme.... wat?"....
--"Het gaat, het gaat, van donker naar licht, ik kan het niet meer volgen. Jong, was ik oud, was ik jong, toen ik duisterling, meêliep in de rangen van het volk.... en o, de dagen dat ik twijfelde aan mijzelven, nog proef ik het duister ervan bitter in den mond"....
"Zoo is het altijd gegaan, reizende van ontmoeting naar ontmoeting, naar goed, naar kwaad.... en ik kom hier.... en ik ontmoet u."
En heftig gericht, vochtten zijn oogen in de oogen van den ander, die groot open, gesperd keken in het schemerhuis. Maar van uit Vogels mond vloog als een gulp rook het woord:
--"Ivresse."
Gevangen het woord, er den klank van overschreden.
--"En gij daar voor mij, mijn vleesch geworden angsten, doode, waarin ik de droomen nog zie krioelen, gij die geen liefde begeert en mijn vriendschap gesmaad hebt, hoe zal ik u weêr rukken uit mijn ziel en er de weefsels niet scheuren.... Weet ge het dat ge huist in mij, weet ge het dat ik u draag, dat ik u liefheb."
--"Ivresse."
Maar vierend de stijgende en de koortsende beroering:
--"Als luchters branden ze nu stil de vlammen van het leven in mij; als garvend koren sprankelt het in mijn hoofd op, ik ga geleid, ik wil er uit.... gaan, o, als een meteoor voorbij in het niet, latend in het ruim der tijden nalichtend het bewegen van mijn leven"....
--"Meer waard te begeeren, zeg ik u, de gelatenheid waar armen van geest meê naar hun einde gaan."
--"Voel hoe mijn hart heet is, hoe mijn oogen schroeien in heet water. O, weg nu in een wolk.... als Elia in een wagen van vuur. De eeuwigheid"....
--"Ivresse"....
* * * * *