Geertje

Part 9

Chapter 94,195 wordsPublic domain

Geertje tastte al naar de brief. Maar hij was niet in haar zak.... Jee, ze had 'em thuis gelate, op 'er tafel late legge.... as de juffrouw.... of Sefie.... Gelukkig, dat er nèt dat zinnetje-n-in sting, dat et haar thuis goed beviel!

--'k Heb de brief niet in me zak. Groo'va schreef alleen, dat-ie u verwachtte.

--Ja, ik moet er maar is heen. Zie je kind, et is van 'en te groot belang voor ons. 't Plan, je weet et, is van mijn. As Heins 'en eerleke kerel was....

--En Meneer is toch uw vriend!

--Nou ja, vrind, of geen vrind, maar ik ben nie' zéker van em! As-t-ie ons belaazre kan, houdt-ie mijn en Maandag d'er buite....

--En u heb me zelf verteld, dat Meneer altoos gezeid het: 'k wil et doen, maar eerst wat geld.

--Ja, maar dat geld hei je zóó ma'r niet bij mekaar! En nou bèn 'k zoo bang, dat hij ondertusse stiekem z'en gang gaat en de zaak alleenig klaar speelt.

Als hij et geld kan vinde, dacht Geertje, maar ze zei maar niets meer. Oom toch altoos met z'en plan! Net of 'en ander zoo ie's ook niet had kunne bedenke! Mos' je net bij Meneer weze! Had ommers àltoos wat nieuws an 't hoofd! Hè, zoo'n stakker toch, die Oom! Maalde nou maar van dat plan. En liet zoo z'en zaak verloope....

Plotseling zei ze, dat zij "nou maar is ging". Zij moest nog 'en boodschap doen en noodzakelijk is naar Juffrouw Koenders toe....

--Gut! die mense, smaalde Oom.

Oom scheen verwonderd, en ook Tante keek niet meer zoo vriendelijk als straks; maar zij dee' lekker of ze niks merkte, ze vroeg of ze dan "tege de avent nog is terug mocht komme" en haastte zich weg.

Nou liep ze Gerrit meteen mis!

Aan de toon waarop Mina gezeid had:--"Dag.... Geertje", en toen naar binnen had geroepen:--"Moeder, daar is Geertje Hendriks", had deze terstond gehoord, dat ze bij Koenders niet welkom was. Die toon had zoo iets beteekend als:--"Zeg moeder, wat zeg je daar nou van, daar is waarempel Geertje Hendriks"--èn:--"Was ze nog maar weggebleven".... Nu, ze was er in lang niet geweest, maar dat afgeven op anderen dat die menschen ook altoos dee'en:--op iedereen, vroeger op Oom, tegeswoordig op meneer Heins--die ze heelemaal niet kenden, enkel omdat-ie een vriend was van Oom.... Als ze haar liever niet meer hadden, moesten ze 't maar ronduit zeggen. Maar nu was zij eenmaal bij hen, kon ze toch maar zoo niet opstaan. Hè, die Mien was treiterig, die sjeneerde zich al niks: om nou te vragen:--"Ging je uit, gisteravent?" dat wou toch zooveel zeggen as:--"Ik heb je wel gezien, al heb ik je niet gedag gezeid". En wat moest dàt nou beteekenen, dat ze nou al voor de tweede keer over Groo'va en Groo'moe begonnen, die z'ook heelemaal niet kenden; en niet kikten van Oom-en-Tante?....

Geertje snapte ze wel, ze doorzag ze heel goed: zuilie ware brave mense, en Groo'va en Groo'moe, allemaal brave mense; maar de mense met wie zij, Geertje, verkeerde, Oom-en-Tante, en meneer Heins, dat ware niks as zondaars.

O wacht, nou van de kermis!....

--Wij doen netuurlek niet an de kermis.

Nee, dat zou weer zonde weze! Maar nou is lekker niet zegge, dat zij, Geer, wel uit kermishoue was geweest. Meedoen; net doen of 't van zelf sprak, dat 'en braaf mens geen kermis hiel': dan hadde ze niks geen eer van d'er prate, en anders kreeg Geer nog 'en predekasie.

Wacht, Dominee Gobius! Ja, as die d'er niet bij gehaald was!

--Is ie al is bij je geweest?

Nee, hij was nooit bij d'er geweest.

--Och ja, hij heef' et ook zóó druk. Moeder he't over je gesproke....

Niks zegge, nee! géén dank-je nou.

Welke dominee d'er bij Heins komp?

--Da' weet ik niet, ik zag d'er nooit een.

--Komp er nooit 'en domenee?

Hè, zu'k schijnheilig volk nou toch! Da' was nou enkel om te plage, om braaf te doen: bij ons komp ie wel, ze wiste-n-et ommers drommels goed, dat Meneer nou eenmaal niet kerksch was.

--As Geertje 't erg graag wou, zou ze misschien op de kattechesasie voor lidmate van Domenee kunne komme.

Zoo, lijs, denk je dat? wat 'en groote gunst voor Geertje. Maar hóór-je nou die Mien:

--Dat is dan in elk geval pas van 't winter.

Goed, kind, Geer kan wachte!

--Bij wie ga je meestal in de kerk?

--Mééstal naar de Groote Kerk.

Pats! vlàk d'er op. Ja, zij zou zich hier in de Zoutevisch de biecht late-n-afneme. 't Was toch ook wáár: as ze ging, meestal in de Groote Kerk.

--O, ga jij zóó maar naar 'en kerk? Wij gaan alleen bij Domenee Gobius en Domenee De Valk.

Niet zegge: ik zie nooit 'en domineesbriefje, zwijge, met 'en effe gezicht....

Zoo, ga jij straks naar 't Lekaal? Kondt wel is zegge: Geertje, wee je mee? O jee, komp Arie je hale!

--Hij had-t-er al wel kunne weze.

Had-t-ie? Mot Geer weg? Vooruit!

Nauwelijks was Geertje buiten, of zij moest mee-uitwijken voor een jan-plezier, die als een vervaarlijk pretmonster dreigend-onbeholpen voortwaggelde door de menschen- en kinderenwemeling in de nauwe sluis van een straat. Door een jodinne-bessenwagen, welke bijna te laat voor het rijtuig op-zij-ging, gedrongen tegen een gesloten winkeluitsteek, bij drie kleine kinderen, die daar, onder alle drukte, onverstoorbaar schooltje speelden, zag Geertje vóór zich in het rijtuig een jongen een meid die hem afweerde met geweld naar zich toe, aan de borst trekken. Bij dit onbeschaamde doen, daar vlak bij 'er, op de dag, was et 'er opeens, als voelde ze Gerrit haar weer beetpakken; die armen, die als klauwen waren, dat beestesnoet, dat op haar toedrong. Zij schrikte zóó, van dit gevoel als werd háár nu geweld gedaan, dat zij roerloos staan en staan bleef, tusschen de spelende kinderen, en het rijtuig naoogde; zag hoe de meid willoos zich doen liet, op de jongen zijn borst getrokken; en vòelde schaamte vóór en mèt haar--heur eigen schaamte.

--Sjeg, sjit je fraier d'er in? spotte een stem, en ze zag in oogen die gemeene dingen zeiden.

Toen keek zij wanhopig rond.... Wacht, zóó moest ze gaan.... Hè, hier rook je de stank van de kramen ginder op et Boijmansplein, de ranzige walm kwam de straat in zakke met de stroom van kermisvierders.... O, ze had 'en hekel an de kermis, ze háátte dat vieze en gemeene.... dat zondige.... Ja. Ze was straks dom geweest, dom en slecht, door eigeliefde, omdat Juffrouw Koenders 'er de les had wille leze en Mien zoo stug dee'--maar ze kwam d'er ook zoo zelde; dom was 't, slecht, zooas ze straks was....

Ze had wel graag nu mee gewild naar et Lekaal. As ze nòg ging. Nee, te gek. Mien zou denke.... Maar ze kon toch naar de kerk gaan....

Eerst liep ze heelemaal tot de kermis, om de broche en de tol. Het speet haar, dat ze de presentjes beloofd had, want nu moest z'op Zondag koopen en toch nog eens naar de kermis. Dat had ze van dat laffe jokken, 't had anders morrege gekund. Had ze 't maar gisterenavent gekocht. Ja, as àlles toen anders gegaan was! Netjes kermishoue geen zonde. Maar hier was 't gemeenigheid, overal, al wat je zag.

Deze ergernis vergereedelijkte haar de daad van het koopen-op-zondag, ook in de stemming waarin ze was.

De wandeling was haar één lange kwelling: op de Binnenweg was dat al begonnen, en, wáár zij liep, door de eind'looze stad; druk, niet van gewone drukte, druk op een rustdag, van een koorts, die de menschen opjoeg, voortjoeg, voort, de huizen uit naar pret, pret die zonde was, gemeenheid; overal vond zij zich eenzaam gaan, afkeerig van wat er haar joelend omringde; als een straf was haar dit gaan, een opoffering, die ze gretig volbracht, doch onder de last waarvan zij niet verder dacht over het ongeoorloofde van het koopen-op-zondag.

Zij vond een aardig brochetje, eigenlijk niet voor een kind, meer een jongejuffrouwsdingske, maar Truus zou er blij mee weze, fijn was 't, met dat vogeltje--'t kostte eene gulden twintig.

Eind'lijk kwam zij aan de kerk.

Zij dacht aan "'t hijgend hert, der jacht ontkomen"; als een vluchteling was zij, in veiligheid nu.

Vóór haar ging een meisje het Gebouw in met een bejaarde juffrouw--zij voelde zich week-worden tot schreien, onder 't volgen van die beiden: net zij, zoo, met Groo'moe samen. Zoete weelde tilde haar, deed haar als van zelve loopen, bij 't zacht-zingen van het Orgel, dat de menschen 't welkom toezong in het Huis des Heeren. Hier in de hemelenhooge gewelven was het rustig, was het koel; hier kon niets indringen van de herrie, die stinkende roesde over de stad, over de stinkende stad, als een Plaag.

Aldoor neuriede het Orgel; Geertje aarzelde een man die in het stoelenpad stond toe te fluisteren of zij even langs hem heen mocht; 't klonk zoo prachtig, o zoo plechtig, en zij voelde zelve plechtig; haar oogen, dacht zij, hadden nu de uitdrukking van Grootvaders oogen op zondagmorgen; haar hoofd was als een korf, waar heel een zwerm van teksten in gonsde, Bijbelsche woorden, zachtplechtig als de orgeltonen, ook elkander zacht verdringend. Eén woord was er telkens weder: Hallelujah! Hallelujah! maar er kwamen zóóvele and're, uit de Psalmen wel het meest, enkle woorden, stukjes tekst, en zij wist niet, hoe zij kwamen....

Eerbiedig liep zij voorzichtig voort, met een gewaarworden, of zij nu waarlijk zoo lang was als Groo'va, zooals ze gewenscht had dat zij zou worden, toen ze nog een kind was; of zij had zijne statige lengte, met zijn blik van hooge ernst.

Toen zij plaats-nam, groette zij, stemmig-vriendelijk, het vrouwtje, dat naast haren stoel zat en dat opkeek van haar Boek.

En toen, terwijl altoos het orgel nog zong, bad zij, bad het Onze Vader. Dat ook had Grootvader immers gezegd: nooit kun je beter, schooner bidden.... Toen zij beginnen zou, dacht zij daaraan; toen zij gedaan had, dacht zij weder aan Grootvader, en zij hóórde zijne stem, zijne stem de Woorden bidden.... Zij hield de oogen nog gesloten, tranen welden de oogleden door. Zij dacht nu plots'ling aan dien morgen, toen zij van Thuis vertrekken zoude, en Grootvader, voor het laatst met haar, het Onze Vader had gebeden. Ja, toen had zij ook geschreid, en door hare tranen heen had zij de kleuren gezien van de zon, net als nu weer, net als nu. Want, zij had nu de oogen weer open: door het hooge raam vlak vóór haar, viel achter langs het groene gordijn, één goudstraal in de stemmige ruimte.

Even had zij een teleurstelling, toen de predikant op de kansel verscheen. Het was er niet een die zij kende en het was een jonge man, met bleek gezicht en sluik rood haar. Als verlegen zat hij neer.... Doch zoodra hij kwam te spreken, was er voor Geertje slechts zijn stem. Die stem was lief. Hij sprak eenvoudig, maar het ging zóó tot het hart: een jonge man maar al zeer ernstig. Toen hij zijn tekst zei, kreeg Geertje een kleine schok van verblijding, glimlachend keek zij naar hem op, als in verstandhouding tot de onbekende, als om hem te toonen: dat vind ik nou aardig. Het was immers Grootmoeders lievelingstekst, waar Dominee Wevers eens zoo mooi over had gepreekt, juist op de herinneringsdag van het sterven van Geertje's moeder: Psalm 145 : 14: "De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen". Grootmoeder had daarna zoo vaak nog gesproken over die preek; Geertje zou nu goed opletten en trachten te onthouden, en bij 't uitgaan zou ze vragen wie de Dominee geweest was, en dan Groo'moe heel lang schrijven.... Treffend wat Dominee zei van de Smart, van de gebrokenen van ziel, hoe die door niets kunnen opgericht dan door de goedheid van de Heer. Dominee zei verschei'en dingen haast nèt zoo als vroeger Dominee Wevers. Och, die goeie Dominee Wevers, om ook hèm nog us te hoore.... Jammer, de doofheid van Mevrouw; Dominee was nu de oude niet meer; eerst dat sterven van Louis en daarna Mevrouw d'er ziekte.... Vroeger, met de ou'e Mevrouw, heerlijke middagjes ware dat toch.... Maar ze moest nu luistere, as ze niet geregeld oplette, kon ze Groo'moe d'er niet over schrijve.... Akelig! ze was zoo moe, net of d'er 'en warme band om d'er hoofd zat. Wat had ze ook voor slaap gehad, zoo kort en dan in die benauwdheid; zou venavent vroeg naar bed gaan, dadelik straks maar naar huis, niet naar Oom.... Dan.... zou ze Meneer weer zien!.... Hoe zou 't gaan as ze Hem weerzag? Hij zou nù toch niks meer zegge. Had Dàt ook maar zoo gezeìd! Kon niet meene. Zondig ommers, Truusjes moeder was de Jùffrouw.... O, wat was 'et vreeslik toch, zoo een huuwlijk zonder liefde. Kleine Truus kon vaak zoo bleek zien en dan snauwde de Juffrouw nog; 't was toch d'er kind!.... Zeker hield ze meer van Koos. Nou, dat zag je wel is meer. Maar daarom hoefde ze niet zoo te snáuwe, kon soms kijke-n-as Truus stout was--nee, et wàs geen goeie moeder. Alles omdat Truus op Meneer leek. Zei et ommers vaak:--"Pa's kindje", op 'en toon van spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de moeder!.... 't Wáre nèt Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo strálend, gróót.... Jonge' op de kermis gisteravond zette-n-ook die groote ooge, keek zoo, strálend, naar z'en meisje.... Meisje lacht. En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en drukt de hand.... drukt nog weer.... de ooge ernstig.... Trekt haar hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw koffie late valle!"--"Koffie? Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op of geef 'en ander.... Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe, ik ben zoo ongelukkig.... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier".... Weg lessenaar, weg tabouret, Hij naast haar, kijkt bedroefd-vol-liefde.... Zalig! zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je hoofd"....

Hè, haast gevalle....

.... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft geslape. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tege die an gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! ze durft niet rondzien! Zoo iets droome--en dan hier! In de kerk zoo zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt van Judas' smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe ook. Hè, d'er hoofd barst van de pijn, en dat steke van de zon daar, altoos net die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is zoo ongelukkig!

--".... Want het is de wil van God, dat alle gebogenen, allen die daar neder liggen, door de zonde neergesmakt, aan Zijne Goedertierenheid zich zullen kunnen oprichten...."

Wat spreekt Dominee toch mooi! Had zoo graag de preek gevòlgd en dan Groo'moe veel geschreve.... Kan niet! is te moe, ellendig.... Dàt gedroomd.... zóó'n gróóte zònde.... Hij getrouwd--dus overspel. Staat ook in de Tien Geboden: "En gij zult geen overspel doen". Markus zegt: "Gij weet de geboden, gij zult geen overspel doen". Staat het ook niet in Mattheus?.... Weet niet, kan zich niet herin're, heeft zoo'n hoofdpijn, is zoo moe....

Zinge?.... O, dan toch 'es zoeke, in plaats van mee 't Gezang te leze.... Hier Mattheus.... Niks.... O, daar.... Zie je.... 't Negentiende hoofdstuk....

"Hetgeen God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet".

En nog, in etzelfde hoofdstuk:

"Wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel".

Zie je, 't was 'en groote zonde! Maar Hij zei et ook maar zoo, ongelukkig met zijn vrouw, en omdat zìj lief voor Truusje. Hoe had zij nu kùnne droome.... Moest God om vergeving smeeke. Zoo ie's in et Huis des Heeren.... Nee, ze kòn niet zinge, nu.... Bidde moest ze, om vergeving.... Daag'lijks leze in de Bijbel, had et weke-n-al verzuimd. Dat de straf, nu....

Wat stond er 1 Timotheus, 1 Timotheus 2 : 9: "Ik wil dat de vrouwen in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zich zelve versieren".

Ook nog, in dezelfde brief: "Opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid, want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker".

Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde, bidde.... Bidde mòcht zij ook voor Hem, dat God Hem verand're mocht, dat ook Hij vond het geluk, nu was Hij toch zoo rampzalig, arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God moch' komen.... Zou ze durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luis'tre, nu goed luis'tre, dan zou ook er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe....

V.

Toen zij na de kerk thuis aanbelde, trok de juffrouw aan het koord.

--Bai je dur al? zei ze nog-al vriendelijk, schoon Geertje bleek haar te hebben opgebeld uit haar liev'lingsbezigheid, het leggen van de kaart.

Meneer was uit, en toen Geertje zei dat ze graag dadelijk naar bed wilde, bleek de Juffrouw ook Sefie te hebben laten uitgaan, hoewel het die haar beurt niet was.

Geertje stoorde zich niet aan het gezicht dat de Juffrouw trok: het was immers haar vrije avond, ze had ook heelemaal weg kunnen blijven. Ze wachtte enkel nog een poosje, omdat de kinderen nog niet sliepen.

Net om negen uur lag ze d'er in, een doek met water en eau-de-cologne in de nek, tegen de hoofdpijn, die haar weer koud en bibberig maakte. Bij het nachtlichtje had zij eerst nog wat gelezen: twee hoofdstukken uit Job en de 91ste Psalm, die ze heelemaal van buiten kende:--ze vond dat altijd zoo prettig, iets te lezen, dat ze van buiten kende.

's Morgens werd zij al vroeg wakker, dadelijk heelemaal in die angst in, het niets voelen dan een weeë onzekerheid, hoe Meneer nu met haar zijn zou. Ze was zoo bàng, dat hij nog weer eenige toespeling maken zou op gisteren: nooit mocht daarvan meer gesproken. Maar tevens wòu ze zoo graag met hem eens spreken kunnen over De Heer, hem vragen óók in De Bijbel te lezen. Weder greep ze naar haar Boekje, las in Johannes en de Korinthe.

Truusje ontwaakte gelukkig het eerst; de broche moest op haar nachtpon gespeld, en ze omhelsde Geertje zóó lief. Koos was ook tevree, met zijn tol.

Rustig ging de morgen om. Meneer had gewoon ge-dag gezeid. Dankbaar en blij dee' zij stil haar werk.

Maar toen, even over elven, de Juffrouw riep, dat de koffie klaar was, schrikte zij en voelde zich beven. O, hoe had ze 't kunnen droomen! Ook nog van die kop met koffie. Gisteren bracht ze Meneer toch geen koffie. Nóóit was er iets gebeurd, bij het koffiebrengen. Zij-alleen had dat gedróómd. En nou was ze bang te gaan. Door die droom. Met reden beschaamd. Alles weer haar eigen schuld.... "Van binnen uit het hart des menschen komen voort kwade gedachten, al deze booze dingen komen voort van binnen en ontreinigen den mensch".... "De Heere ondersteunt allen die vallen, en Hij richt op alle gebogenen"....

Zoo bracht zij de koffie binnen.

Meneer keek niet eens op van het werk. Zie je wel. God dank! God dank! Hij heeft dat gis'tre zoo maar gezeid. Prachtig toch, die man zijn ijver.

--Is 't al zoo laat, schrikte hij.

Keek nu wel haar aan, wat vreemd.

Na hem, gaf zij de anderen hun koffie.

--Geertje! hoorde ze zijn stem.

Wat zou er nog zijn?

O, de gulden! Hij toonde een gulden.

--Die moet jij nog van me hebbe, zei hij luid en heel gewoon.

Maar toen hij haar het geld in de hand stopte, drukte hij weer zacht haar hand, klemde die, als gisteren.

En zij liet het blad haast vallen, het ledige blad, uit de andere hand.

Plots'ling was zij een andere.

Zij wist al niet meer van kalmte, van zacht en blij haar werk doen, van de vrede van de morgen.

't Is zoo vol in haar, èn hol. Zwak is zij, ze voelt zich bleek, èn ze voelt een gloed, een dringen.

Ja, ze hééft Hem aangekeken, kon niet anders, in die oogen.

In de keuken is z' alleen. God! Sefie kan da'lek komme. Moet wat water drinke, zich wassche. Hè, dat water op d'er polsen, op de hand, nu.... O, Hij! Hij! Zoo als Hij nu keek, zacht lachend.... Màg niet! God! Het is toch zònde. Vluchte zal ze, weg, et huis uit! Vluchte--van die lieve ooge.... Hè, nu is ze wéér zoo moe. Ja, ze moet is met 'em spreke. Smeeke om niet zóó te doen.... Jee, Sefie....

--Draug ie je mit die doek af?

Och jee! da's toch uit vergissing.

Hè, dat monster van 'en meid.

Wat moet ze nou ook doen?

God, ze is d'er gedachten kwijt.

Eve.... Ja, ze mòet naar bove.

Eve alleen en met 'er Bijbel.

Zoo ijlde zij menige morgen heen, en menig ander oogenblik van vele, ontstelt'nis haar brengende, dagen. In de heimelijkheid van haar kamertje greep z'altoos op 't zelfde plekje: achter in de la van haar nachttafeltje lag haar kleine bijbeltje, waar zij raad in zocht en troost. De Juffrouw en Sophie merkten op, hoe zij vlood, als een schim, naar boven. Doch schampere vragen ontrustten haar niet; 't was immers voor 't heil, voor de rust van het huis, dat zij zich, even maar, afzonderde; dat in die korte eenzaamheid zij haar strijd uitschreide, uitbad.

Want Hij liet nu niet meer af. Zij wist nu zeker dat Hij haar liefhad. Eens had zij hem van De Heer gesproken, op een avond op het plat, waar zij bezig met de wasch, toen hij stil haar hand genomen en haar tot de rand gevoerd had, boven 't water: diep de stad, diep in de vormen verdoez'lende schemer. Zij had hem haar hand gelaten, doch bedeesd het hem gezegd, wáár hij beter troost kon vinden, beter vriendschap, beter liefde. Hij had enkel, eerst, geglimlacht, en haar toen verschrikt met zijn arm, die hij haar om de hals wilde leggen. Sinds zij wist dat hij dàt wou, had zij meer nog hem gemeden, en maar zelden toegestaan, dat zijn hand de hare vasthield. Maar hij had zoo droef gevraagd:--"Wil je nou zelfs geen vriendin zijn?" en zijn groote, heldere oogen, die de heele wèreld tartten, vroegen zóó verschrikt om meelij, dat zij snikkend toegegeven, en hij zacht haar 't hoofd gezoend had. Weer regelde en schikte hij hun oogenblikjes van heimelijkheid, vluchtiger nog dan de schielijke vluchtjes van haar naar haar kamertje, om met weenen, bidden, wasschen, 't spoor der and're weg te nemen.

Want, wat zij al trachtte zich wijs te maken, zeggende: enkel uit meelij met hem liet zij hem de troost van haar vriendschap--zoodra hij maar even haar hand weer gedrukt had, voelde zij zich gansch bevangen, bruiste het en joeg het vreemd door haar bloed, haar bange lijf heen. Dan kon zij nergens meer naar hooren, nergens naar zien en aan niets meer denken. Telkens stond z' opnieuw verschrikt voor dat vreemde, nooit-gevoelde, dat onwederstaanbaar was, woest een drang om weg te zijn, weg, alleen, alleen in donker. Dan kneep zij haar oogen toe en haar hoofd knelde ze tusschen de handen, dicht drukte ze tegen een muur aan, terwijl haar heele lijf ineenkromp. Zijn stem woelde aldoor in haar ooren, zijn handdruk trilde-na in haar hand, aan haar pols; het was of zij de handdruk na-voelde in haar borst, door haar lijf; en vóór zich in donker zag ze, duidelijk als de dag, duidelijker dan de werkelijkheid, zijn oogen, niets dan dat, twee glanzende oogen, die onafgewend haar aanzagen. Die boorden haar oogkassen in, dat deze pijndeden, bleven pijndoen, ook nadat zij ze had gewasschen. Die boorden onder haar linker borst, dat zij een knagende kramp daar voelde. Dan kroop zij nog dieper samen en gooide haar hoofd weg in haar schoot en kneep met haar nagels in haar nek, onder het wilde, weerbarstige haar, diep en dieper in het vleesch, als moest die pijn de pijn in haar oogen en borst verdrijven.

Machteloos lag dan het Bijbeltje naast haar; eens was ze over haar bed heen gevallen, voorover, het Boekje geopend in de hand; toen zij eindelijk wezenloos opkwam, met 'en uiterste inspanning zich richtte overeind, door felle lendenpijn gedrongen, zag zij het Bijbeltje weggezakt, diep in de geul tusschen bed en muur; 't lag er met verkreukte blaadjes, onderstboven, oud, klein vod. En plotseling voelde zij haat aan de Bijbel, duivelsche minachting voor dat ding, nietig, niks daar in het geultje, waar zij telkens troost van wachtte, troost en raad, verlossing haast.

Toen kwam opeens de brief van Groo'va.

Dat, zooals hij haar vroeger al had geschreven, en zooals Oom Jan had gezien, toen hij onlangs over was, Groo'moe in de laatste tijd weer meer last had van het hart, en nu telkens sprak van Geertje, naar wie zij aldoor verlangde. Of Geertje dus niet eens kon komen.

Zij schrikte weinig en was verheugd, Groo'moe, Groo'va, 't dorp, haar thuis. Daar es even, even rusten.