Part 7
Geertje voelde zich verlegen worden voor het meisje, dat zoo op haar leek. Ze dacht aan thuis, aan Groo'va, aan diens aanstoot aan de kermis dáár: draaimolen, koekkramen, speelgoedskraam! Ze herinnerde zich vrouw Huzekamp, hoe die met 'er kinders in de draaimolen ging, verleje jaar, en toen haar had toegeroepen:--Geertjen, moj' d'er nou ook nie's in? hoe Groo'va boos had opgekeken. Ze herinnerde zich, ze zag het alles, opeens, tegelijk, even d'oogen af van 't meisje .... En toen keek ze weer naar 't meisje, dat daar stil en zedig stond, zoo iets vriendelijks in de oogen, net zoo als zij ook graag keek....
--Geer! die meid lijkt op jou!
In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, en was haar nog onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak. 't Was haar, of een geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Ze wist niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over die familie van d'er, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde; weg wou ze van zulke liederlijkheid; en het wàs toch de familie....
Toen hoorde ze Gerrit zeggen:
--Geer! haur je niet, wat aum sait! Haije-n-in sussie hier?
En toen kon ze, wist ze niet meer. Ze rukte zich los van Gerrit z'en arm, wendende had ze een menschenmuur vóór zich, ze zag gezichten, die naar haar keken, oogen spotten, monden spraken, ze voelde een manshand die naar haar greep; máár nu had ze ook het gewone bewustzijn van als ze zich ergens door moest slaan: ze voelde zich een kalm gezicht zetten, ze hoorde zich tegen een ou'we juffrouw zeggen: "Och mag 'k asjeblief d'er eve'tjes door?" Toen nog door een rijtje menschen, en vrij, onbekeken was ze, in 't gedrang. Mèt viel zwaar de vraag op haar, waar ze nu zou blijven.... Ze zou maar zien.... Naar huis, et Hang.... En hoe moest ze dan nou loope.... Wacht, ja, die kant, daar ware ze van daan gekomme....
Weer drong ze voort, en juist zag ze de veranda van 't café, waar ze straks gezeten had, toen een hand viel op haar schouder en Oom naast haar was.
Wat of dat nou voor manieren waren. Om haar waren ze naar de kermis gegaan. En nou liep ze zoo maar v'ort. Om niks! Om niks! Tante was er heel ontsteld van. Geer kon toch zóó raar soms doen.
Oom redeneerde, of ie nog niks gedronken had, zoo flink. "Prate kan-ie nog in z'en graf," dacht Geertje. En je hadt 'em maar effe an te zien, om te weten, hoe laat het was.
Toch liet ze zich gewillig meevoeren. Ze vond nu zelf ook, dat ze mal had gedaan. Wat kon haar dat meisje schelen!
Toen ze bij de tent kwamen, stonden er nog veel meer menschen voor. En, even kreeg Geertje toch een schok, toen ze dit zag: het meisje zat daar, op die hooge schouwplaats, op de schouders van het andere meisje, en op haar schouders zat een jongetje, en.... o giet! Geertje greep Oom vast van de schrik; net toen zij hen zag, boog die lijn van menschen voorover.... 't jongetje was van het meisje gevallen, 't meisje van het andere meisje, maar hupp'lend wierpen alle drie kushandjes toe aan de menigte.
--Hoe is 't go's mogelik, hé? hoorde ze een juffrouw tegen d'er man zeggen, en zoo vroeg zij ook.
Met geduldig dringen, zij dicht tegen Oom, die met iedereen malligheid maakte, doch eens bijna ruzie kreeg met een marinier; kwamen zij eindelijk bij Tante en Gerrit, die niet van de plaats geweken waren. Meneer Bloem was verdwenen.
Geertje had nog willen zeggen, dat ze niet meer met Gerrit wou loopen; maar Tante keek toch al weinig vriend'lijk; ze durfde niet. Ook Gerrit mopperde van: "jai ben un faine," en nog zoo iets van: "o krai 'k weir 'en arm?" Maar hij trok met haar vooruit, Oom en Tante volgden. De muzikanten vóór de tent hadden geweld gemaakt, nu begon de dikke man door de lange trompet te praten, en Geertje verstond duidelijk, dat je voor drie stuivers binne kon. Juist verdwenen de meisjes door een gordijn, even voelde ze een dràng, om te vragen, of zij voor allen mocht betalen. Doch wat zou'en ze dan denke? nee, ze dorst het niet vragen--lijzig trok haar Gerrit voort.
Nu drentelden zij lange tijd tusschen de menigte en de tenten. Geertje vond de dingen nu niet zoo wonderlijk meer. Zij zag dat de huizen van planken ruw ineengezet waren. Toch bleef veel haar wel verbazen. Waar toch al dat licht vandaan kwam? Al dat gas, ze hield van gas, ze vond het prettig, thuis het gas aan te steken; Groo'va had er vroeger 'es uitgelegd wat gas was; telkens als nu in de huiskamer bij Meneer het licht met een plof ontbrandde, vond ze dit belangwekkend. Maar hoe kwamen al die enkele-weken's-tenten aan zoo'n prachtige verlichting? Eén licht straalde koninklijk. Het overstraalde heel de weg. Geertje dacht aan de Ster van Bethlehem: zóó schitterde dat eene licht, hoog van een dak, uit de verte haar tegen. Ook genoot zij van de spiegels. Overal dat weerkaatste geflonker, die zilverige, diep-makende glansen: soms net selons, zóó 'an straat.
Gerrit hield haar staande in een leege hoek, bij een rare machine. Een vieze magere jongen, met z'en haar mal langs z'en ooren gestreken, net of ie 'en meisje was, sloeg zoo hard as tie kon met een groote hamer op 'en ding in de laagte, en dan vloog d'er langs 'en paal 'en poppetje op.
--Da 's no' de kop van Jut, grinnikte Gerrit. Wi'j ook is?
En toen Geertje niet antwoordde:
--Wil ik et us doen?
De vieze jongen bood Gerrit de hamer al aan.
--Jai, zei Gerrit tegen Oom.
Maar Oom zei, dat Gerrit het doen moest, en nu tartte ook Geertje hem. Hij nam de hamer, en vertrok al van te voren zijn pafferig gezicht zóó raar, dat Geertje lachend naar Oom keek en Tante. Toen schoot z'en logge lijf plotseling tot een dreiging aan; zijn dofgrijze appels van oogen wilden uit de kassen vallen; zijn mond was een halve boog geworden, spannende tusschen de kwalzakken van wangen; in zijn zondagsche zwarte jas, met één knoop op de borst gesloten, plooiden hachelijke rimpels bij die onberekende stand der armen; het slipje van zijn das glipte achter uit de kraag; en meteen zakten de armen, ketste de hamer langs het ijzer van het blok, sprong de pop op.... lang zoo hoog niet as straks bij de vieze jonge, zag Geertje direct.
--Da' ken beter, spotte Oom.
De vieze jongen had, toen de slag viel, niet eens naar de paal gekeken. Maar de hamer oprapend, die Gerrit had laten vallen, wou hij die aan deze geven.
--Doe jai 't is, hijgde Gerrit tegen zijn zwager.
--Nee, ik dank!
--Nau, wet kle's je dan! kwam nu Tante voor haar broer op.
Er waren menschen om hen heen komen staan.
--Asjeblief! drong de vieze jongen aan.
Maar Gerrit wou niet meer. Hij had moeite om z'en manchet, die uitgeschoten was van onder de mouw, over de zweeterige pols te krijgen. Toen de manchet naar binnen was gewerkt, opende hij zijn jas, omdat zijn zuster hem attent gemaakt had op het slipje van zijn dasje; en nu bleek z'en horloge buiten het vest aan de ketting te bungelen, en zonder glas.
--Daar! riep Geertje dadelijk.
Het glas lag vóór hem op de grond.
--Waar? kribbigde Gerrit, nijdig van zenuwen, en trapte meteen het glas stuk.
--Nog twee keer, kwam de jongen met de hamer.
Oom fluisterde Gerrit wat in, deze raakte erger ontsteld; toen betaalde Oom de vieze jongen; en een andere jongen kwam; 'en malle sladood met bloote armen, heelemaal in nauwsluitend, vuilwit pakje, met een breeë rooie gordel; die nam de hamer, en nu viel er een slag: 't poppetje vlóóg de hoogte in, daar dee et kets! een percussie ging af.... Geertje keek er met belangstelling naar: dat zoo'n pierlala nog zóó hard slaan kon. Toen ze zich omkeerde, stond ze in een dichte kring van menschen en waren Oom en Tante en Gerrit daar al door heen. Haastig drong ze zich dus voort. Oom en Gerrit hadden twist. Gerrit vond dat Oom de jongen niet had hoeven te betalen, omdat deze een stuiver vroeg en Gerrit toch maar eens had geslagen. Oom hield vol, dat het tegenwoordig overal een stuiver de drie keer was.
--Nai, 'en sent de keer.
--Vroeger ja, ma'r nou nie' meer. De draaimolens ben ommers ook opgeslage....
--Wa's dat voor spul! riep Geertje verbaasd.
Vóór de groote tent, op de veranda of hoe dat heette, zag ze een groote kist van glas, waar 'en vrouw in lag: ze wist niet, 't moest 'en pop zijn, 't leek 'en lijk, maar ze zàg: de vrouw bewoog, d'er borst ging op en neer.... Andre kisten zag ze nog....
--Da's 'en wassebeeldespul, zei Oom onverschillig.
--Hè, la' we dat es gaan zien! Wat kost et? Ik zal betale!....
Oom en Tante schenen er geen lust in te hebben. Tante vond 'et geldvermorse en dat Geer niet mòch' betale. Oom lachte raar en zei, dat-ie niet wist of Groo'va 't goed zou vinden, dat Geertje zukke dinge zag. Maar toen zei Gerrit, die d'er wel graag in wou, iets tegen Oom dat Geertje niet verstond. En men ging het trapje op. Geertje duwde Oom haar beursje in de hand. Oom zei nog:--Nee, da' wi'k niet, maar betaalde uit het beursje.
Toen Geertje vóór een glazen kist stond, maakte ze zich los van Gerrit, die met zijn hand haar bovenarm omklemde.--Vóór haar sliep een heel mooi meisje, 't lag op hemelsblauw satijn; 't hoofd, door dik blond haar omlijst, rustte tegen de recht naar boven gestoken, bloote rechterbovenarm; mat lag de benedenarm met de hand boven langs het hoofd neer. Ook de borst was bloot--en je zag de ademhaling--zacht geregeld rees en daalde de rosebleeke meisjesborst.... Toen Geertje plotseling ook de oogen làngzaam hàlf zag opengaan en làngzaam weer dicht, schrikte ze. Ze voelde 'er eigen ademhaling, keek weer naar de borst van 't meisje, wilde wachten tot de oogen nog-eens zouden opengaan. Om haar drongen telkens menschen, hè, ze had hier graag gestaan, terwijl het stil was--zij alleen....
--"De Schoone Slaapster", hoorde ze een juffrouw naast zich lezen.
O! was dat.... Ze zàg het bosch.... In dat mooie groote boek, dat ze hadden op Groeneveld.... Schoone Slaapster, die gewekt moet....
--Sjeg, di 's mooi! hoorde ze Gerrit.
Hè, wat was ze nog graag blijven staan. Gerrit trok 'er aan 'er mouw....
--La' toch los!
--No', kaik no' us....
Hè ja, dat was óók erg mooi. Een vreeselijk rijk gekleede dame, donker, in wit-goud kestuum, met 'en adder an d'er borst.
--Cleopatra, lichtte Oom in.
--Hoe hait ze die sllang mak gekreige? vroeg Tante.
--Nai, ze laat d'er door um baite, zei Gerrit.
--'En Grieksche prinses, wist Oom.
--'En Egyptische! verbeterde Gerrit.
Geertje vond de Schoone Slaapster toch nog mooier. Geen van de beelden ontroerde haar zoo. Telkens keek ze weer naar het midden van de zaal, waar de Schoone Slaapster lag--aldoor drongen er de menschen--zij verlangde ernaar terug, terwijl Gerrit haar voorttrok, de wanden langs. En toen zag ze nare dingen. Eerst al, vreemd, 'en stuk van 'en onderlijf, en knieën, en voeten, en allerlei handen. Toen 'en vrouweborst die zwoor, en 'en hals met niks as wonde, toen gezichte, griezelig--toen.... echchut, ze wist eerst niet.... kindjes, héél klein, kindjes in flesschen.... Hè, ze wier zoo zenuwachtig.... Tante scheen 't nie' naar te vinde, anders zou ze niet zóó lang staan....
--Ben die ook van was? vroeg ze onwillekeurig aan Gerrit.
Hàhá! dat vond Gerrit lollig.
--Dachie dat ut laikies ware!... Seg, Jan!
En Oom moest et ook nog hoore. Hè, zoo'n nare jonge.... 't Kòn toch zijn.... 't Was griezelig!
Nu waren ze bij een gordijn, waar een man van 't spel bij stond. Geertje zag Oom en Gerrit smoezen, Tante knikte boos van nee'....
--Nou! dat hemme gehad, zei Oom en keerde zich naar de uitgang.
--Effe nog daar zien, vleide Geertje naar de Schoone Slaapster.
Gerrit volgde. Ze was liever alleen gegaan. Even nog.... De menschen drongen.... Dan maar weg.
Toen Oom en Tante hen zagen terugkomen, verlieten ze de tent. Bij 't gordijn van de uitgang hield Gerrit haar tegen. Wijzende naar het gordijn waar de man bij stond:
--As me no' alleinig ware, je Tante wau nau nie', dan ginge me d'ar is in.
En toen Geertje door wou loopen:
--Aj dat siet!.... dan glauf je nie meer da' de kindertjes uijt de kaul komme.
Driftig greep Geertje 't gordijn van de uitgang, en de ruimte, 't buitene voelend, schaamde ze zich voor de menschen beneden, die de tent niet binnen gingen, haar er zagen uitkomen. Toen dacht ze weer aan de Schoone Slaapster. Vond de avond frisch geworden. En zag met verbazing, weerzin, Tante lachen om drie sletten, die gemeen gillend voorbij slierden, zonder jongens. Véél gemeenheid vond ze nu. Jongens: bengels, vijftien jaar, stoeiend met heel-jonge meisjes, die ze gemeen beetpakten. Ruw geschreeuw. Veel dronken menschen. En maar weinig vroolijkheid. Dacht toen aan dat beestenspel, hè ja, dàt had ze graag gezien....
Gerrit wou nu naar "Ksefleere". Oom begreep hem, Tante ook. Geertje "zou wel zien wat et was."
--Uch da's 'en draimaule, lichtte Tante in.
Hè, nee', dan wou Geertje niet. Ging Tante d'er in? Zie je: was 't om háár? Nou maar, zij wou d'er niet in. Bijna had ze gezeid, dat Groo'va et niet goed vond.... Nou ja, wat Oom nou vertelde van 'en nieuwerwetsche, maar ze wóu niet in zoo'n ding met Gerrit....
--Dan gaan we Kretjenni haure!
--Liedjes! verduidelijkte Oom voor Geertje.
Hè ja, dat vond zij prettig. Maar toen ze vóór de tent waren, waar Gerrit graag had heengewild, begon die weer.
--Jo', et ìs Ksefleer geen eins, troostte zijn zuster hem.
Meteen scheidde een troep hossers Geertje en Gerrit van Tante en Oom.
Ruw haar om het middel pakkend, smeekte Gerrit heesch:
--Gga no' mai, seg Geer! Jesis maid, et is zoo lollig. Je draait-er, da'j dronke wor.... Toe, ga mai! Samen op 'en kannepee, jai be main op schaut!
Toen Geertje, nu tusschen Oom en Tante, zich toch had laten bedillen om wel mee naar Chrétienni te gaan, wist ze eerst niet wat er gebeurde. Had ze daarnet ruzie gehad? Ja, met Gerrit, ba, die jongen! Was het koud? Ze had het koud, zat toch binnen, in een tent, maar hier, achter, was-tie ope, kwam de tocht, en ook weer regen.... Hè, ze rilde of ze ziek was.... Toch was 't hier wel prettig zitte, 't was opeens zoo kalm, ná buite, al die akelige herrie, en toe' dat gedoe met Gerrit. Hè, je rustte-n-us wat uit, al dat lamme dringe buite, en dan die gemeene jonges.... Hier was 't netjes. Maar wel koud. Jammer dat ze niet vroeger gekomme ware. Nou zatte ze zoo achteran. Wat hadde ze de heele avond gedaan? O ja, de Schoone Slaapster.... Ware ze maar naar die tent gegaan, met dat meisje.... Leek dat meisje heusch zoo op d'er? Gut, as zij zoo us most loope, in zóó'n kleeding, dat de mense d'er zoo zagge.... Nou, en hier dìe juffrouw dan, wat 'en kleeding om voor 'en heele zaal mit mense te staan zinge. Haast zoo bloot as de Schoone Slaapster!.... Stel je voor, dat dàt 'en meisje was, us geen pop.... Hoe zou'e ze dat zoo hebbe kunne make? Zou dat zoo gepertreteerd zijn? Dat 'en meisje zoo zou legge.... Nou maar kijk die juffrouw dáár dan, zoo te springe en te buige.... Zou dat een geméén-mensch zijn? Anders ko' je zoo toch niet doen.... Och maar al dat kermisvolk.... Groo'va had toch wel gelijk dan.... O maar kijk nou, die meheer! In de rok! Zong van de Boere.... Dàt was nou toch heel fe'soenlijk. O, dàt zou Kris.... hoe hiette-n-ie, waar Oom van sprak....
--Tante, is dat nou die man?
Jakkes, wat was dat nou weer! Tante nijdig tegen Oom. O jé, Oom wou wéér bestelle....
--Tante!
--Wat kind?
--Is dat nou.... hoe heet-ie.... Kris....
--Kris de slager, grappigde Gerrit.
--Kris?
--Och ja waar Oom van sprak....
--Kretjenni.... nee, die is hier niet.
--Oom he 't weer verkeird gezoch....
--Nou, is 't hier dan ook niet goed?
Tiepies toch, zullie op de kermis. Alles verkeerd! En Tante boos, omdat Oom wéér bier besteld had. Heere, wa' 'n gezellige pan! Hè, dìe mense dáár was gezellig. Tien.... twaalf.... vijftien mense bij mekaar. Dìe twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue'.... Knappe jonge, d'er gelant, flink.... gut, op wìe leek nou die jonge? Zoo ie's bekends had ie in z'en gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... Kijk ze nou.... Hè, zoo was et heerlek same.... Aardig mensch, die moeder ook.... Dat, de vader, ja netuurluk.... Ook fe'soenlek.... Kijk Oom daar us bij.... Gut, op wie leek nou die jonge.... Hè, hoor Oom en Tante nou.... Kibb'le om 'en glaasje bier.... Maar Oom dronk te veel, ja zeker.... Wat zat Gerrit mal te kijke.... O, hij keek naar de zangeres.... 'En gemééne jonge was et.... Kijk 'um klappe!.... Kijk dat mensch nou kushandjes geve.... Vreeselik, zoo'n leve toch.... Jakkes, nou ginge die mense al weg.... Wat keek die jonge verliefd z'en meisje an.... Knàppe jonge.... Op wie leek-ie?... Leegte, nou die mense weg.... Zou 't al laat zijn.... O, vervélend, héél d'en avend... Hè! zoo-as dat meisje uitgaan.... netjes, met moeder, en je gelant.... Ochut, et was hier koud, en dat akelige bier....
Geertje voelde zich als-ziek. Soms net of ze spugen moest. Die drie malle mannen.--Och jawel, zij vond die ook wel aardig.--"Ja!... ja!..." Ze lachte méé. Maar o, lam voelde ze zich.... Huilen wou ze.... Het was zóó naar, de heele boel. Hè! as 't prettig was geweest, zooas bij die mense straks--zij as dat meisje....
Eerst toen de tent haast heel'gaar leeg was, gingen zij. Gerrit sprak van broedertjes eten, Oom van zuurtjes. Tante snibbigde tegen "al dat geld uitgeven". Geertje liep er ongelukkig bij. De kermis had nu groote gaten van leegte en donkerte. Al de spullen waren uit. Ook de tent waar ze de meisjes-in-jongens-kleeren had gezien, stond stomdonker. Geertje keek rond, of het meisje er misschien net uitkwam--ze had 'er graag us gewoon gezien, om te kijken òf ze leek.
Toen kwam er een lang gekibbel tusschen Oom en Tante. Oom wou wéér bij Bierman in....
IV.
Bij het ontwaken, laat in de morgen, na een afmattend, in halve bewustheid, vechten van 'er slaperigheid tegen het als muggetreiter telkens terugkomend stommelen, ergens links bij buren boven, mèt een zagerig geschrap, dat van achter 't plaatsje kwam; bij het eindlijk niet meer kunnen vallen in den slaap weer weg; toen z' in eens, bewuste daad, met een zucht de oogen opdeed, als zich overgaf aan de dag; was 'er eerste gewaarwording: "ajakkes, daar is 'et weer": 'et ranszurig gootsteenluch'je, waar ze, de maanden hier bij Oom, tegen geboend had en geplast, 'et niet weg te krijgen luch'je, dat 'er in de neus bleef hangen, zoodat ze, na het wasschen 's morgens, meende zelf er naar te ruiken.... 't Stankje, waar ze, al die weken, in had moeten slapen gaan; dat ze, 's morgens, enkel kwijt wier', om in de weeë bedomptheid te vallen van het kamertje, de winkel, waar zoo'n etensmufheid was, met die lucht van ou'e boeken... 't Stankje was er, hè ja! nog...
Toen!--viel inééns al-'t-andere op 'er, als het zóóveel-ergere. Hàd ze 't even kwijt-zijn kunnen! De afschuwelijke nacht! Hè, die Gerrit, zoo'n geméénert! En dan dat gedoe met Oom.... Jammer, hè ja, da' was jammer, dat Tante, toe' benee' vóór Bierman, toe' Oom zei: "nou, weej dan bij Frikkers?" dat Tante toe' zelf had gezeid: "nee, la' me dan hier nog maar effe gaan".... Maar Tante had toch ook niet kunne ruike, dat meheer Bloem daar weer zou zitte, en die andere vent, waar Oom van zee, dat et 'en ouwe vrind van um was.... O jakkes! dat plakke daar, in die volte, zij tege-n-en deur an gedrongen, dat ze telke's op most staan, as de kelner langs d'er heen most.... En toe' later toch bij Frikkers! Op straat was 't al zoo akelig: volder leek 'et nog as 's aven's en dat midde-n-in de nacht en dan met zoo'n rege. Al die vrouwe, zoo gemeen, en de slierte dronke kerels.... Hè, maar toe' bij Frikkers! Dat Tante niet was weggeloope.... nee, dat zou' ze niet hebbe gekonne, om Oom.... Oom zou ommers niet mee zijn gegaan! Kan je begrijpe! En, net as Tante zee, dan was ie misschien op 't pelisiebero terech' gekomme.... Hè, die ruwe drinkers daar, en die vrouw, die voor de grond sloeg, zóóveel as ze had gedronke.... En zooas die manne dat mensch toe' opnamme.... hè, zoo gemeen! Oom die daarbij had staan grunneke! As Groo'moe Oom toe' es gezien had, dronke, en lachende om zoo'n schandelijke gemeenheid...... Groo'moe! o, as Groo'moe wist! As Groo'moe dat venacht gezien had, d'er eige schoondochter de hoed scheef op et hoofd van 't vechten met ter dronke man die niet vooruit wou, en Gerrit Holkers, de eige broer van d'er schoondochter.... Nee, Geer most er niet an denke!
.... Wat 'en lucht toch van die gootsteen! Effe 't kraantjen opezette, dat er wat water door et gat liep; 't wou nog wel is helpe....
Zoue Tante en Oom nog slape? Oom zeker: maar Tante, zou die hebbe kunne slape, zoo naast Oom? Hè, ze had venacht wel meelij met Tante gehad; zielig was et, je man te motte meesleure.... Toe' an de Schie, toe' Gerrit eindelijk weg was, en zij met d'er beie, drentelend, al maar op te passe hadde, dat Oom, die niet meer vo'rt kon, niet in een lage stoep sukkelde of zeulde naar de waterkant.... Hè, hoe had ze zich geschaamd, maar meer nog meelij gevoeld met Tante, meegevoeld Tante d'er ongeluk, as twee vrouwe, die slecht zijn behandeld door manne. An dat van Gerrit had Tante toch ook geen schuld.... Ffe-oa! hoe benauwd was et hier!.... Toch nog maar wat blijve legge, echt làm voelde ze zich van moeheid: voor zóó weinig pret!.... Gut! wat was dàt.....
Even 'en ritseling, en meteen, Tante in de deur.
Onwillekeurig had Geertje de oogen gesloten. Ze lag op de rug, het hoofd half op zij, ze kon Tante zoo niet zien.
--Slaap-ie? fluisterde Tante, geheimzinnig.
Zij verroerde niet.--Niks geen lust om al te prate!
Got, maar wat dee Tante nou! Zocht in de zak van haar, Geer's rok.... Oj'!.... Ja, ze had bewogen. Tante keek naar d'er. Nou maar wakker-zijn, gape....
--'k Doch' da'j sliep.
--Hè?.... Gape.--Ja, da' dee' 'k ook.... Ben u daar al? Zoek' u ie's?
--Ja.... 'k doch' da'j sliep, 'k hàd et je temet wille zegge.... jai heb nog wel sente hé?
--Gut Tante!
In 'er schrik wàs Geer al 't bed uit.
--Maid wa' doe je! 't Is m'ar.... Aum slaap' nug, szie'j, en ik waut um late legge.... en a'k no' niet um de melk gaat, mit de Sondag....
Zwijgend, ietwat hard langs Tante reikend, tastte Geertje zelve in 'er zak, tastte nog 'es.... Gut, d'er portemenee!....
--O, ja! Oom he't um nog!
--Hai't Aum die?!
--Ja, gister, waar was et ook?
--Hai't ie je die niet t'ruggegaive?!
Geertje las op Tante's gezicht, wat Tante dacht; en ze dacht het zelve ook.
--Wiwwe's kaike-n-of Aum um hait? zei Tante nu, als was het een grapje, alsof ze d'er nog aan twijfelde, en het nu alleen eens onderzoeken wou voor de aardigheid.
Geertje wist niet wat ze voelde, het was zoo'n weeë mengeling van meelij-met-Tante en walging-van-alles, alles-hier,--ze wou d'er uit! ja jee, hier! die vuile stank! en die armoe: àl die schande.... En dan dáárbij nog gelieg!.... Ze voelde zich ellendig-loom, was zoo graag maar wéér gaan leggen, als ze zóó maar in kon slapen! zich met niks nou meer bemoeien.... Moest ze wat zeggen? Tante keek vreemd. Ze kon niks zeggen. Ze had 'en gevoel of ze zou gaan spugen.... Hè, die vuile gootsteen ook!....
--Kom dan! hoorde ze Tante, uit de kamer.
Moest ze d'er bij zijn? Waarom nou?.... Iechut, wat 'en zure stinklucht! Got, en Oom daar! Hoe was 't mooglek! As 'en drenkeling lag ie neergesmakt, voorover schuins over 'et bed, beie beene op de kussens, d'eene voet d'er afgezakt en de broekspijp opgesjord; wat 'en uitgeslete schoene!--alles stof en droge modder; en, zooas et bed 'er uitzag!.... Waar had Tante dan gelege, och jee, daar.... Got! wat 'en rommel, ba, je wier hier misselik, Tante kreeg et ook te kwaad.....
--'k Kan dur sau nie' bai, klaagde Tante, zweetdroppels vielen haar van het voorhoofd. As me num same verleije?....
--Ochut nee, da' kan ik niet! weerde Geertje angstig af.