Geertje

Part 6

Chapter 64,130 wordsPublic domain

Vreemd was het Geer, zulk redeneeren van zoo'n man, net of het geloof iets was, dat de menschen maar schikten en kozen net as ze wou'en. Maar toch.... wat dacht Meneer Maandag 'en móóie dingen, in weerwil van zijn ongeloof.... Want dat van het Moederschap.... Geer herinnerde zich heel goed, hoe Groo'va kon uitvaren tegen de menschvereering van de Roomschen in de Heilige Maagd.... maar ze had 'es 'en prentje gezien van Maria met het Kind, en toen was ze blij geweest, dat Maria een stralenkrans had om 'et hoofd, zóó lief had ze Maria gevonde....

--Seg maid, wat baij still!

--'k Dacht an wat u Woensdag zei van de Heilige Maagd.

--An wat!?

--Weet u nie' meer? van het Moederschap bij de Roomsche....

--Heire Jesis! Denk ie da'r no' an! En we gane broedertjes ete....

Toen--Geer vóelde de stem-verandering:

--Denk ie wel us graag aufer sukke dinge?

Geer zàg dat hij naar haar keek. Zij waren nu bij de Delftsche Poort. Iets minder menschengedrang dan aldoor op 't Coolsingel. Zij keek hem even aan, en knikte. Ze vond het prettig, dat hij nu wist, hoe graag zij nadacht over de dingen.

--Sau! No'!.... bromde hij. Maar precies hoe wist ze niet, het was haar, of ze in het malle kleine hoofdje een aanzwelling zag van voldoening; of het stiller lag op het doopvont van de schouders, zwaarder woog, of het aan de nek verbreedde, of de mond een toetje maakte.... En nu had ze innige schik!

--Nou gaat u ook mee poffers ete?!....

--Hèhèhè!

Hij lachte, dat de meisjes van twee achter mekaar aansjokkende kermisparen allebei naar hem, en toen naar Geertje keken.

Maar zij voelde in zijn lach, dat hij blij was en begreep, hoe ze zoo opeens had kunnen zeggen: nóu gaat u ook mee. En toen ze boven op de Schiebrug, onder vóór zich tusschen de boomen, 't gekrioel rondom de kramen hadden, keek zij hem weer even aan, en lachte hij nog weer eens net zoo--dat 'en straatjongen 't hem nadee'.

Oom en Tante wachtten al. Maar Gerrit Holkers zat er bij! Tante bleek hem gevraagd te hebben. Geer kon tegeswoordig niet meer vriendelijk tegen hem wezen. Ze had 'em altijd zoo'n zeeschip gevonden, zoo pedant en zwaaropdehandsch. Maar tegeswoordig wou die d'er nog kemiek bij wezen ook.

--Zou 'k de winkel dan nou maar sluite? zei Oom met 'en gewicht, of wie-weet-hoeveel klante d'er vanavond door verstoken zou'en blijven van papier en pennen. Niemand antwoordde.

--M'ak no' tuch fort, riep Tante, toen Oom voor treuzelde. En Geer had opeens het gevoel, of ze allemaal naar de trein moesten, en hier alles zoo kaal was en arm, omdat ze het huis verlaten gingen....

Net had oom de voordeur gesloten, en gingen ze, zij met Tante en de mannen d'er achter, toen van de overzij van de Schie het getoet klonk, dat er brand was.

--Effe haure, zei meneer Maandag. Bij al het rumoer van overal en het heesche gedreun van twee draaiorgels, kon niemand de agent verstaan. Maar in de Zomerhofstraat liep er ook een. Vrij ver af. Geer verstond niks, hoewel ze ervoor waren blijven staan. Maar meneer Maandag keek Oom aan, deze scheen hem te begrijpen.... Toen de agent nog eens had geroepen, zei meneer Maandag:--'k Glauf verâchtig.... En ja! daar opééns hadt je een agent vlak voor hen: Tè--tè.... Hè, Geer vond het zoo'n afschuwelijk geluid.... die branden hier in Rotterdam!....--"Nadorststraat!".... Ja waarlijk, 't was in Maandag z'en straat....

--No' m'ar, wie sait no' dat et bai jau is!

Nee'--Maandag moest er toch heen. Gauw nam hij afscheid, trippelde weg.

--Waarom is ie toch zoo bang! vroeg Geertje.

--Da' begraip ik bes', zeide Tante. 't Kan tuch wese, dat et bai hum is....

--Nou, dan is z'en zuster d'er toch!

--Nee, zei Oom met een smal lachje, die is d'er misschien juust niet. Saterdag van de kermis, dan blijft Bet niet in huis!....

--En de kinders dan?

--O, die slape....

Geertje voelde zich koud in het gezicht worden. Zooals meneer Maandag daar weg draafde, zoo gauw als ie kon de hooge brug op, met z'en kleine beenen! Gauw--de brand moest eens bij hem zijn--naar z'en hooge bovenwoning, waar Piet en Miet liggen, zonder Moeder. En die moeder is zijn zuster--en hij houdt van de Maagd Maria....

Er was iets weg van de pret voor Geertje. Maandag d'er niet bij, en Gerrit wel. En die vervelende grappen van Gerrit! Had ze nóu maar.... nee' maar, dat had toch niet gekund, dat zij uitging met 'en knecht uit de winkel van Van Dam. Toch was Kees wel een leuke jongen, en wel drie keer had ie 'et haar gevraagd, hoe lang geleje al, toe' die' middag, toe' zij zelf eve' arreroet was komme hale voor Truus. Toen al had-ie d'er van gesproke. Nee maar, et ging niet, 'en vreemde jongen. Al deje ze dat hier in Rotterdam, Groo'va zou het nooit goed gevonde hebbe. Hè maar die Gerrit!

--Nee ik geef je géén arm!

--Wat! Geen arm! Dan ga 'k me' 'n ander!

--Doe dat!

--Gut allemachtig wat finnig! Hadt jai misschien mi' 'n ander gewild?

--Ik ga met Oom....

Oom liep evenmin gearmd, zelfs niet eens náást Tante. Lachende haakte ze zich aan Oom. Maar nu maakte Gerrit spektakel. Hij kon toch niet met z'en zus op de hort gaan!.... Hihò, hihò.... Op eens, als iets dat je in de keel grijpt, drong nu een gedrang naar haar op, even leek 't dreigend, toen als een lolletje, maar dat ruw op haar los kwam varen....--Kom! hoorde ze Oom, haastig in het rumoer; en dankbaar, plotseling toch wèl angstig, drukte ze zich vast aan hem.... Hihò, hihò.... schokte het nu achter en om haar; ze voelde de ademtochten der schreeuwers in haar nek; ellebogen stootten, drukten; als door een dansende muur werd zij voortgedreven; daar brak de muur en was het of de stukken dreigend tegen haar in vielen; overal waren donkere rompen, overal bezeten koppen, deinende met telkens horten, ongevoelig voor de schokken, zweetende, stinkende schreeuwerskoppen, logge lijven buigend drijvend.... Nu was zij midden in een keten, tegen haar aan een dom mannegezicht, oogen die wezenloos langs haar keken, terwijl de mond-alleen woest leefde.... Hihò, hihò.... Jakkes, nu een hand in 'er haar.... Gut, wat wàs dat.... o ke'fetti.... Hihò, 'en arm had 'er vast om het middel.... Néé!.... Lòs.... Maar nu een ander an d'er arm .... Malle Oom om mee te springe.... Gut! waar waren Tante, Gerrit.... Lòs!.... Nee, 't ging niet.... Hihò, hó; nu was het of ze opgetild werd; ze voelde d'er voeten de grond niet meer raken, hobbelend glijende voer ze voort, meegerukt in de plots'linge ren der zinloos mekaar overschreeuwende jongens, voort onder boomen, door walm van kramen, tusschen de laaiende lichten in: ros de koppen, misvormd van het schreeuwen.... Voort.... Waar was Oom?!.... O Groote God! Los!....

Hè! eindelijk was ze uit de benauwing.

Waar was Oom?!.... O daar gelukkig!

--Nou, da' was 'en lolletje, hé?

--Waar ben we hier?

--Op et Couwenburgsch-eiland.

--Waar zou Tante zijn?

--Ja, da' wee 'k niet. La' me maar 'en eind teruggaan....

....--Kijk!

Daar stonden Tante en Gerrit voor een kraam. Jeetje, wat 'en booze gezichten!

O, kreeg Oom 'et, haar was 't goed. Ja, dat zeidie wel. Hùn schuld! God, as Tante bazigde! Wat! zij nou een arm an Gerrit?.... Nou vooruit, wat kon 't haar schelen.

--Maar zou we hier nou m'ar nie' ingaan?

Prettig denkbeeld weer van Oom! Wat 'en mooie, groote kraam! Al dat koper, en die spiegels, en de kamertjes zoo netjes.... Wat? geen plaa's?? Hèjakkes toch....

En nou die?.... Was lang zoo mooi niet.

--As de broedertjes d'er m'ar smake....

Nou ja, maar.... Affijn, vooruit.

Hè, die Gerrit, wat 'en jong toch, waarom niet in dat kamertje?.... Hier kon 't ook....

Nee! zij tracteerde!

--Straks mag u!

--En wanneer mag ik?

--Jij, je heb geen cent op zak!

--O, ik dach' da' je meinde jau 'en kusje gaife....

Hè, dat Tante daar om lachte.

--Wat duurt dat lang, hè?

--We hebbe toch geen haas'!....

Hihò, hihò.... de vloer, de wanden schudderden! Wat 'en mense!.... Nergens plaa's. Dan moch'en zullie nog van geluk spreke.... O, daar ware de broedertjes ook.

Hè, zoo was et toch wel aardig. Kijk Oom ete! Hè ja, knu's. Jammer alleen van Maandag.

--Zou meneer Maandag ons nog zoeke?

--Maandag? en die is naar huis!

--Nou ja, maar....

Geertje zag 'em zitten thuis. Ze kende de woning alleen van buiten en de kinderen had ze nooit gezien. Maar ze stelde zich hem voor, wakende bij twee armoedige bedjes, aan 'en tafel met 'en heele boel boeken, net als Groo'va placht te hebben:--bij die troost z'en zuster wachtend.

--No', wa' nau? vroeg Gerrit.

Hij was het eerst door de poffers heen geweest en nou hadden ook Oom en Geertje ze-n-op: Gerrit werd ongeduldig. Oom stemde toe: je kos hier niet de ganschen avend blijve zitte!

--Neem u nog 'en bordje, Oom, zei Geertje.

--Nee meid, zoo is 't wel geweest, hoor.

--Hai jai ook sau'n drauge mond? komiekte Gerrit.

Gut, daar had Geertje niet aan gedacht! Ze hadde d'er wat bij moete drinke! Maar kòn je hier wat te drinke krijge?

--Nee, m'ar da' doen we-n-auk nie' hier!

--'t Is wel geweest, herhaalde Oom.

--M'ar maid, mo' jai da' no' allem'al betale? verduidelijkte Tante, toen Geertje d'er rijksdaalder liet blinken.

Ja natuurlijk!.... O geen sprake van....

Na een:--"No', bedankt dan" van Tante, stonden zij op.

Buiten hoste men in de motregen.

--God wa'n mense!

--We moste n'ar den Doel kunne, deed Gerrit groot.

--Betaal jai den intree? schampscheutte Tante.

--Och maar Geer mot de kermis toch zien! redde Oom. En hij nam de arm van Geertje.

--Verdomme nai! haastte zich Gerrit en drong Oom weg.

Maar nu had Oom weer een ander idee:

--Zouwwe niet éérst 'en spatje neme?

--Sau'n klain tikkertje? viel Gerrit grappig doend bij.

De vrouwen werden meegetroggeld. Tante wou niks hebben. Ook Geertje bedankte. Maar hop! Oom en Gerrit wisten d'er weg mee.

--No'! No' vooruit mit de gait!

Hihò, hihò!.... Hè, daar hadt je weer zoo'n sliert.... Geertje vond de menschen ruw.

--We hadde naar den Doel motte gaan, parmantigde Gerrit.

Geertje dacht nu ook aan den intree.

--Wat wei je fa' m'en hebbe faur je kermis? vroeg hij even later.

--Ik? van jou?

--Ja netuurlik. 'k Mot je wat gaife--'en gedachtenissie. 't Is de eerste keer da me same-n-uitgaan.

En de laatste, wenschten Geertje's gedachten.

Geertje wist niet, wat ze daar op zou antwoorden. Gerrit dee warempel net, of-ie met 'en vreemd meisje uit was, dat-ie het hof moest maken! Wat 'en vervelend gezicht had-ie toch, vooral zoo as nou, as ie aardig wou weze!

Bij de kramen begon ie weer.

--Wa' za'k fer je kaupe?

--Och jonge kle's niet!

--Kle'sse? a'k je-n-'en kedautje wil gaife? Ik kraig tuch auk well wat van jau?

--Kan je begrijpe....

--Kan je begraipe? Da' ze' we n'es zien!

En hij pakte 'er om 'er middel.

--Zèg!.... Mo'k weer mit Oom gaan loope?

--Hè Geer wa' bai je ferfelend.

--Jij ben vervelend....

Hihò, hihò, joelden paren langs hen heen.

--Hihò!....

Rukkend, onredzaam, trok Gerrit haar mee in de hos. Kramen, nu, aan bei'e kanten. Eindeloos.... Het leek een straat! Geer dacht aan de vijf, zes kramen, op de kermis bij hun thuis.... En zoo lekker loopen was het--groote steenen, als in de keuken op Groeneveld.... Gut!....

--Nee toe, laat nou is kijke....

Kijk is, wàt 'en schilderijen! En maar twee gulde vijf en veertig. Ook niet duur, in zoo'n gouwe lijst! En daar--wat 'en kraam met speelgoed!

--Sa'k f'or jau 'en rammelaar kaupe?

--Och jonge loop!

--Nau ko'mee!

Weer moest ze voort, glij'end haast, zóó trok hij haar, nu zijn arm door de hare gestoken, haastig tusschen het drukke menschengeschuifel heen, schuin naar de overkant, vóór een koekkraam.

Zóó'n groote kraam had ze nooit gezien. En zoo keurig, met al die vakken!

--Wee je no' sau'n koek fan me?

--Gee' me dan 'en zakkie moppe....

Lekker waren ze, de moppen. Loopende snoepte Geertje er uit, bood er Gerrit een, hoorde zich nageroepen door jongens zonder meisjes, die vroegen of zijlie niks kregen....

Gerrit, haar vroolijk ziende:

--No' hier h'en!

't Was opeens een stratenkruising, brekend de knusse nauwe gezelligheid-van-licht in de kramenlaan met een armoejige, holle wijdte van duister, waar Geertje zich in voelde dringen, door een driftige drang van Gerrit z'en lijf, een schielijk vàst sturen aan 'er arm....

--Jonge, waar wee'j nou heen!

--Toe Geer, la'k je no' is pakke!

--Zeg!....

Met één ruk was ze los.

Wat 'en lamme jonge toch! Net zoo een as thuis die jonge van Zwartjes, die wou ook altijd iedereen zoene. Voor twee jaar, met de kermis, toen zij nog zoo het land had gehad, omdat ze 's avonds niet meer uit mocht, van Groo'va, had ie Lina Wijers geplaagd--Lina, van wie zij jaloersch was geweest, omdat die wel naar de kermis mocht, en die ze later had uitgelachen....

--Seg kom no'....

--Och la' me los!

"Tsa!"--"Soen et of!" riepen jongens langs hen heen.

--M'ar wat wau je dan! Ga mee!

--Waar zijn Oom en Tante gebleve?!

Geertje schrikte. Zij waren hen kwijt! Hemel, hoe vonden ze die nou terug! En anders.... wat te doen....?

Tusschen de kramen terug.... Jawel! Menschen genoeg, maar niet Oom en Tante. Jakkes, wat 'en nare avond....

--Uch da's niks, we finde ze well!

--Ja, maar ik ga niet verder mee!

--Wa's dat nau? Nie' mee! Motte we hier dan blaive?.... Kom! we gane fóór bai Bierman sitte, da's aufer de kermis, d'ar motte se langs.

--Hoe over de kermis? we zijn op de kermis.

--Maid bai je mal, di's de kermis niet, di' sain m'ar sewat krame.... De kermis is op de Beestemart....

--Daar hei je Tante!

--Ja we'rachtig! Zie je no'? Wat he'k gesaid!

--Waar was u zoo lang gebleve!

--Uch je Aum most bai Frikkers in.

--Nee, we kwamme dinges tege.... Henze, van de stoomtram.... die ha'k in zóó lang niet gezien....

--Ja ma'r hai zai nie da me de kroeg in moste....

--Och mens, la na je kijke, je heb toch zelf ook meegeproefd....

"O me lieve swartkop, foel er is...."

"Hihò! hihò!...."

--Bij mekaar blijve! gilde Geertje.

Weer had ze die nare gewaarwording van te worden meegesleept als een stokje in de beek op Groeneveld; dat je mensch voor mensch op je aankomen ziet maar de sliert als een ding je meetrekt.... Doch nu drong zij zich tùsschen de menschen, langs de menschen glipte zij heen, altoos aan 'er arm Gerrit, die nu haar moest volgen; tot zij, plotseling tòch een heel eind, nèt-anders dan ze wou, gedrongen, radeloos al, Tante zag, Tante's arm te pakken kreeg, die Oom hield.... Toen liet ook zij zich veilig gaan. "Hihò! hihò!" lachende dee' ze mee met de schreeuwers. Er waren nu nergens kramen meer, en de menschen hosten maar door. 't Was als wier' je voortgedreven, maar, opeens, dan hokte 't weer, dan had er een voor of opzij wat verloren, of d'er hadden 'er ruzie, of d'er bleven er staan, zonder dat iemand wist waarom. Voort ging 't dan weer, met een liedje, Geertje kende wijs noch woorden, eerst zongen jongens achter wat anders, maar toen begonnen d'er voor met dit.... nu dee'en allen hieraan mee.... en verder stoven ze, zeilende voort, zonder hossen.... Gut, wat nòu....

't Was plotseling een kring van weerstand, waar zij in gedrongen stonden, menschen die schreeuwend de weg versperden, die niet drongen, ook niet weken, die slechts schreeuwende versperden. Even dreigementen, vloeken.... Toen, eensklaps, als bij afspraak, gehihò van allen samen, één vlijtig stampgespring aldoor op dezelfde plek, mèt een zachtjes àlmaar dringen, dringen dichter op elkander, èn een sneller hihò roepen en een sneller voetenstampen.... even, dan, gegil, gegiegel.... en de troep wàs al uiteen, stukken sliert zochten elkander, maar de meeste menschen weken, paarsgewijs, in groep, terzijde, rustig uiteengaande, naar de trottoirs, zich verspreidend als na een kerkgang.

Geertje had Tante niet losgelaten. Bij het vlakkend kleurlicht van een apotheek vonden zij Oom en Gerrit terug: Oom had weer een kennis ontmoet, die nu meeliep, naar de kermis, tot waar, aan het eind van de wijde straat, het vele licht was en 't volle rumoer.

--Daar hei je de kermis, Geer! zei Oom, wijzend welwillend met wijde armzwaai naar al het wondergedruisch daar vóór haar; doch meteen maakten zijn hoofd en oogen tegen de vreemde meneer die mee was geloopen een beweging naar de andere kant; Geertje hoorde de meneer: "Ja, netuurluk" zeggen, en zag Oom een trap opgaan, toen de meneer, toen Tante....

--Di's Bierman, zei Gerrit, inlichtend en noodend, als moest het ook haar een pretje wezen, nog weer een herberg binnen te gaan.

--La' me los! weerde ze bits af, toen hij haar het trapje wilde opduwen.

Aardig zitten was het er wel. D'er gingen net menschen weg uit de, hoog boven de straat staande, veranda, toen zij binnenkwamen; en hoewel er dadelijk andere uit de zaal op het vrijrakend tafeltje toeschoten, wist Oom met een grap het voor hen te krijgen.

--Hèhèhè, he'k et handig gedaan, of niet!

De meneer zei, dat Oom een goochemerd was.

Toen bestelde Oom met veel hard praten te drinken.

--Ma'k toch nie' sau'n opstand, verweet Tante.

Maar Oom vroeg of je dan op de kermis niet us 'en lolletje hebben mocht, en dronk eerst het bier van Tante en toen zijn eigen glas leeg.

In de zaal dreunde telkens de vervaarlijke muziek van een reuze-orgel met trom en bekkenslag, en Geertje moest aldoor lachen om het kabaal, dat een troep jongens bij het buffet maakten, die er stonden te schreeuwen en te springen en net dee'en of ze de glazen wegnemen wou'en van de groote presenteerbladen der knechts. Dan weer boog ze voorover om naar de straat te kijken, en kreeg bij die beweging, na de warmte van de zaal, de koelte van de avond in 't gezicht. En als een tocht ook leken in 't ongezellige duister der straat de breede slierten menschen te naderen en voorbij te gaan; Geertje huiverde ervan, wanneer ze de Hugo-de-Groot-straat inkeek, al die dreigend naar voren komende jongens en mannen, dronken of dronkendoende, met de mal-gillende meiden, schuddend of log-hangend aan vrijers arm. Bij het weinige licht van de lantarens zag zij de rijen al in de verte, vooruitkomend als een troep soldaten, in hetzelfde breede gelid waarin ze vroeger thuis het voetvolk uit de stad, dat een wandeling dee', zag aanmarcheeren: bang dat ze haar onderstboven zouden loopen, daar ze de gansche straatweg innamen van berm tot berm. Keek ze even later weer de straat in, dan was zoo een rij nog maar weinig gevorderd, plotseling zag ze de menschen stilstaan en begonnen zij te springen, en er waren er die afdreven naar een van de vele kroegjes aan de overkant, voor welke hekken waren geplaatst met boompjes-in-potten en banken dat je buiten kon zitten; de anderen kwamen ten leste weer voort, naderden, nu geweldig schreeuwend, de mannen de koppen achterover om het geschreeuw de lucht in te gooien, vadsig bewegend, enkel kracht gevend aan hun geschreeuw; de vrouwen, als hangende tusschen de mannen, maar voorovergebogen de mannen vóórtduwend naar de kermis.

Geertje kon zich haast niet voorstellen, dat zij straks in zoo'n troep had meegesprongen--deden de menschen nu niet ruwer? even dacht zij aan thuis, aan Groo'va.... Maar net waren Oom en die meneer Bloem aan het ruzieën, wie er nú een glas mocht geven.... Schuw keek ze naar Oom z'en glas, 't hoeveelste was dit al, ze wist niet; Oom begon zoo raar te doen, had zoo'n kleur, toch was 't niet warm hier.... Dàn was ze toch veel liever op straat, waarom hier zitte? daar was pas de kermis, 'en plein zóó groot, had Gerrit gezeid, het plein van de veemarkt; en zij zaten hier te suffen, Oom al hàlf dronken; àl die menschen gingen voorbij; aardig die menigte bij het plein, als zwarte spoken waren de menschen vóór 't rosse licht, net als ze eens de mannen gezien had voor de ovens in die fabriek te Deventer, waar ze met Groo'va heen was geweest.... Ze dee'en wel naar, die dronken mannen, maar d'er waren ook vroolijke paren, blij en netjes de kermis opgaand, om wat te zìen.... Prettig zoo.... Zij met Gerrit opgescheept, vervelende jongen, leelijke jongen.... Wàs ze nou is netjes uit mit 'en fesoendeleke jongen--Groo'va had et nooit wille hebbe.... wàt kon d'er zondigs in zijn, beter dan hier zóó! 't liefst, ja 't liefst een flinke, groote.... nee, niet as Kees van Van Dam, ook niet as Willem Heukelman! stel je voor! Willem.... 'en flink opgeschoten jongen, met 'en regelmatig gezicht.... hòe precies.... nou ja, hoe zou ze zich dàt nou voorstelle.... 'en jongen, die 'en beetje aardig was, niet vervelend kemiek as Gerrit, maar vroolijk en plezierig.... O, om óók zóó's ie's te hebbe.... da'je je jong voelt, dat je lacht....

Hè? wàt zei Oom? nog meer bier? zij?.... "Nee dank u".... D'er was nog wat in d'er glas, maar 'es leeg drinke.... Jakkes, ze vond dit bier bitter en drabbig, zoo slijmerig, net of et glas niet schoon was geweest.... 't was toch ook te koud voor bier, koud kreeg ze 't hier, in de hooge, open veranda, met die tocht telkens. O, dat mal wille doen van Gerrit; nou zat ie weer, de eenige op de veranda, mee te zinge met de jongens van binne.... Tante was een gesprek begonne met een juffrouw die zij niet kende, over boter en margarine: dat zij toch altoos boter verkoos.... jawel, zoo ie's kei je gemakkelijk zegge tegen 'en juffrouw die niet weet wie je ben, vooral op 'en avond dat Oom groot doet:--want netuurlek wou Oom het bier betale, die meneer Bloem zat wel op te snij'e van de rondjes die-ie laa'st had verlore bij het biljart, bij wist-Geer-wat-voor gelegenheid, maar ondertusschen liet ie zich nou trakteere....

--Eeeeh!.... Geer moest er van gapen.

--Eeeeh!.... Gerrit dee et er na.--Jij breng 'en mensch an 't gape....

--Zoo.

--Ferfeell je je hier?

--Och vervele....

--Jan, hei! Jan! haur dan tuch!.... Geer wau graag de kermis up.

--'t Is hier toch ook kermis, zei meneer Bloem.

Natuurlijk, as je je laat trakteere, dacht Geertje, maar ze zei enkel, sip:

--Ja, je zie hier wat!

Tante brak 't gesprek met de onbekende juffrouw af; met een wenk naar Oom z'en glas, gaf ze Geertje toe, dat ze nou toch is verder moste gaan. En ten leste ging men.

Toen stond Geertje in Wonderland. Gerrit had gezeid, dat de kermis op een plein was: ze stond in een breeë straat vol menschen, met wonderpaleizen aan beije kanten.

Ware dàt nou kermistente!? Huize ware 't, hooge huize; schilderije, zoo groot as ze nooit nog gezien had; buite op de mure, schilderije met leeuwe en mense, één met twee tijgers die 'en meisje anvalle; en wat 'en verlichting! 'en rand van lich'jes bove langs et heele gebouw en 'en prachtige zon in et midde, boven den intree; 'en veranda, met trappe naar straat aan beijes kante; op de veranda een groot orgel, en achter 'en tafeltje 'en juffrouw met ringe in d'er oore, zoo groot as armbande. Achter de juffrouw rooie gordijne.... Jee! en nou, wa' 'n gekke vent! Joepte-n-ineens door et gordijn heen, stond nou maar naar de mense te buige, en zoo mal gekleed, 't leek wel: já, z'en heele gezicht had-ie beschilderd!.... Heerejeetje! zag je dat! Sprong opeens de hoogte-n-in, draaide rond, zoo, in de lucht, kwam gewoon op z'en beene neer, en nou an et kushandjes geve. Wat 'en leuke vent was dàt!.... Kijk et loope, mense naar binne!.... O, an de juffrouw mos' je betale....

--Zou dat duur zijn? vroeg ze aan Gerrit.

--Och bai'j mal, da'r ha'j nau niks!

En met plompe ruwheid trok hij haar mee.

Hè, ze had zoo'n hekel an die jonge! Waarom daar nou nog niet us gekeke? Wáár ware....!? O, Tante liep vlak achter d'er. Oom maar altoos mit meneer Bloem. Jakkes, dat gedrang van die jonges! Trapte' telke's op d'er rok.

Héérejee, wat was dàt nou weer. 'En vent me' 'n trompet voor z'en mond sprak de mense toe. Maar zij kon d'er niks van verstaan. Ook weer zoo'n vent met 'en beschilderd gezicht, maar nou heelegaar in et zwart gekleed. Kijk toch us wat 'en zwavelstokjes van beene. Zes muzekante op de veranda.... En daar.... Wáre-n-et meisjes?

Geertje voelde zich wegzinken van verbazing. Dáár, vlak vóór d'er, zag ze 'n meisje, en et kon d'er zuster zijn, zóó sprekend leek et meisje op d'er, ook d'er haarwrong had ze nèt as zij, alleen had het meisje ponnie en 't haar bij 'et oor gekruld.

En het meisje had 'en bloote hals, bloote arme, en geen rokke.