Part 4
Zoo stapten ze daar dan nu heen, met hun drieën. 't Was een prachtige Pinkstermaandag, en dadelijk aan de Schie, toen ze het eindje straat maar uit waren, was het àl vroolijk geglans om hen heen. Geertje zag de blijheid aan, maar ze bleef neerslachtig. Met die triesterigheid was ze opgestaan, na 's avonds niet te hebben kunnen slapen van 't prakkezeeren. Ze had niks geen plezier in dit bezoek; Oom had zoo zitten opgeven van de rijkdom bij meneer Heins, van meneer Heins z'en groote zaken, en van de flinkheid van z'en vriend Heins--als meneer Heins nu weer net zoo iemand was als Maandag.... nou! Nee, veel liever was ze nog is naar de Koendersen gegaan. Wel von' ze-n-et onplezierig dat de juffrouw zoo telkens weer over Oom was begonnen, over "al de verandering", en "de slechte vrinden", en "de goddeloosheid die zichzelf straft"--maar Oom scheen het dan toch ook leelijk te hebben laten zitten aan de Binnenweg--bij de juffrouw stond er ook nog wat, had die gezeid. Daarom was het lief van de juffrouw, dat ze haar, Geertje, met zooveel vriendelijkheid had ontvangen. Wat leefden die twee menschen plezierig samen: 'en drukke zaak, en Mien die d'er veel bij verdiende, èn zoo rustigjes, zoo netjes, en daarbij geregeld aanloop--van de kinderen van Mien d'er broer; en van die ou'e juffrouw Grietje die op het hofje aan 't Schiedamsche Singel woonde en gisteren eigen gebakken stroopwafeltjes had meegebracht; nou.... en van Arie, Mien d'er "vriend", met z'en zuster:--Mien d'er leventje lag klaar, dat kon je nou al heelegaar overzien, zoo gezellig en toch rustig, geen gekibbel ooit, en ook geen meer-wille-wezen-as-je-ben'.... Want, daar had juffrouw Koenders gelijk an, dat was de heele fout van Oom, Oom was nooit tevreje geweest met wat-ie had, elke keer zocht-ie et weer in ie's anders. Als je naast hem juffrouw Koenders zag--uiterlijk alles zoo eenvoudig; 't winkeltje, wat leek et nou? maar d'er ging wat om--en zoo mit alles.... Wat zou dat nou zijn bij die Heins--ook natuurlijk weer kale bluf, en daar mòest ze nu mee heen.... O, ze snàkte, dat ze der uit kwam; juffrouw Grietje had ook niets geweten, en in De Kerkbode was evenmin iets: zoo op eens, midden in de tijd.... Maar juffrouw Grietje zou toch nog is hooren, en ook Mien bij d'er naaimenschen....
--Wa's 't vol op 't Singel, zei Tante.
--Met zu'k prachtig weer, zei Oom.
Bij Tivoli bleven ze even kijken naar de bonte platen met poppen en reuzeletters.
--Wiwwe daar v'en avent is heen?
--Hai je de cente?
Tante zei 't snibbig, en zóó luid, dat een meneer die net langs Geer ging, terwijl zij, uitgeweken in de volte, vlak achter Tante liep, omkeek en lachte met een spotgeluid als een uitroep. Als Groo'va dat is gehoord en gezien had!...
Nu moesten zij de brug over, waar haast geen doorkomen door het gedrang was, en waar Oom een deftige meneer groette die dee' of-ie Oom niet zag; en toen, net aan de Blaak, opeens de woeligheid uit, en een stil kronkelstraatje in. Maar toch wel een aardig straatje. Niks als winkels, huis aan huis ééne groote winkelruit, meest nu met gezakt gordijn, maar toch vroolijk, en zoo netjes! blijkbaar alles flinke winkels. Geer was hier, meende ze, nooit geweest.
--Di's?.... et Hang, lichtte Tante in.
--Dáá'lijk ben we bij Heins, zei Oom voldaan.
En even later, met waardigheid:
--Hier!
Twee deuren naast mekaar, d'eene met glas, naast een groote winkelruit, waar met wit en rood op stond:
"Boek- en Handelsdrukkerij Heins & Co."
Een lichtblauw gordijn kleurde achter de groote ruit; tusschen ruit en gordijn hing een strook met niets dan "Visitekaartjes" er op. Op de ruit van de winkeldeur waren twee zulke strooken scheef geplakt, daarachter, vóór het gordijn, rijden velletjes mooi brievenpapier met bloempjes.
Oom belde aan de andere deur, en nadat hij gebeld had, keerde hij zich voorzichtig om, en trok z'en manchetten wat uit, en monsterde Geer, met oogen van: zie je d'er nou wel knap genoeg uit? en ook langs Tante zag Geer zijn oog glij'en, haastig, dof.... Maar krachtig was zijn stem, als vroolijk, toen hij de donkere trapgang in schreeuwde, of menéér thuis was.
--U sau maar is bauve komme, hoorde Geer na een oogenblik wachtens.
Oom, met gebaar van plechtigheid, ging voor.
--Dat gaat ook na 't ketoor, lichtte hij Geertje in, bij een deur in de gang. Toen--Tante, die het laatst kwam, had de voordeur gesloten--moesten ze vrijwel in 't donker naar boven strompelen, eerst een kleine trap, dan een die wentelde.--Geer was doodsbang de ijzeren leuning te verliezen. Op de overloop, voor een keukendeur, stond een slons van 'en meid.
--Wel, Sefie, gaat 't altoos goed? vriendelijkte Oom.
De meid beloonde:
--Ja, menéér Naikerk....
--Nog 'en trap, zei Oom tegen Geertje.
Ze gingen langs gesloten deuren en toen weer een wenteltrap op, niet donker, maar even smal als de eerste.
--Zóó.... Niekerk, kom j'es kaike, hoorde Geertje een vriendelijke mannestem boven.
En daar stond in witte hemdsmouwen die glanzig waren, hard geplooid, een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel.
--Hoe gaat 'et vriend?.... O, is dat nou je nichie.... Dag juffrouw Niekerk, 't is me-n-en klim, hé.... Komme jullie maar us hier, gaat d'er nou maar gauw bij zitte.... Ja, me vrouw zel voort wel komme, och, je weet.... Kom, steek us op...
Geen van hun drieeën zei wat terug. Geertje voelde zich verlegen. Oom had dus niet te veel gezeid. Weze'lijk een groote boel. Wat 'en huis, en, hier, wat 'en kamer! Heelemaal als bij rijke lui. Prachtig dik tapijt, blauw, met groote vakken met bloemen, stoelen, zwart hout met rood fluweel, en die kachel met al dat koper, en die prachtige pe'dule op de zwartmarmeren schoorsteen, en 'en dubbel stel gordijnen voor spiegelramen....
--Wat zeg jullie van dat kostelijke weer, hè? As me vrouw d'er tege kon, zou 'k zegge, la' me wat gaan raije-n-in 'en ope bakje....
Tante giegelde, Geertje moest ook lachen.
--'En beste sigaar, Heins, zei Oom, met 'en gezicht of-ie wàt 'en kenner was.
--Zoo, ken je dat nou al proeve? zei meneer Heins. Och ja, slecht z'in ze niet. Zoo voor dageliks gebruik hè?.... Wacht ik zel me vrouw is roepe....
--Nou? wat ze' je d'er van? he'k te veel gezeid? triomfeerde Oom toen meneer de kamer uit was.
--Nee Oom! erkende Geertje.
Ze had wel graag wat meer gezegd, want het was waar, Oom hàd misschien wel aan 'er kunnen merken, dat ze van zijn verhalen niet veel geloofde. Maar wàt moest ze zeggen! 't Was.... voornaam hier, die pluimboeket bevoorbeeld, daar hoog in de hoek, rood en groen en blauw, met zilver, zoo iets had ze nóóit gezien! En dat groote pertret aan de wand, was dat niet....?
--Is dat meneer? vroeg ze, haast niet geloovend.
--Ja, ja, hij is et zelf! Ja, meneer Heins....
--Nou? wàt meneer Heins?
--O, me man sprak geen kwaad van u!
--'k Wou tege Geertje zegge: meneer Heins doet 'et nie' minder.... Van dat purtret zie je, Geer wou niet geloove dat jij da' was....
--Och jawèl Oom!
--Dat portret? 'Et is maar fotegrefie!
--Maar met kleur d'er op!
--Ja, mit kleur.
Geertje oordeelde dat het sprekend leek. En ze vond het een knappe man.
Nu ging de deur als verlegen open, en een klein mager menschje kwam binnen met voorzichtige zachte beweginkjes. Maar toen het menschje zich omdraaide, zag Geertje in een paar strakke, onvriendelijke oogen, waartusschen een reuzeneus vooruitstak die rood was: het eenige rood op een mager, rimpelig groezelgezicht.
--Zoo, daar is me vrouwtje ook, zei meneer Heins.
Tante was al opgestaan, en Oom had opeens een andere stem, minder gemeenzaam, langzamer, zachter. Tante vroeg vol belangstelling naar de juffrouw d'er gezondheid. Oom zei zacht, als bedeesd tegen Heins:
--Zuwwe de kinders niet is zien?
Dadelijk antwoordde juffrouw Heins:
--De kinders komme foort gedag zegge foor-dat se-n-uyt wandele gaan, mit Sefie.
--Die is hier ook al 'en heele poos, waagde nu Tante in 't hokkend gesprek.
--Ja, ferandere doe-n-ik nie' graag, zei juffrouw Heins met zelfbewustzijn.
--'t Is tòch alles lood om oud ijzer, grappigde meneer.
Maar zijn vrouw vond die uitlegging blijkbaar niet goed.
--Ik ben tevreje-n-ofer Sefie.
Net was er gestommel aan de deur; met een vaart ging die nu open; daar waren de kinders, door Sofie naar binnen geduwd; 't oudste, een jongetje, dat leek op de moeder; 't tweede, een meisje, 't gezicht van 'er vader. Geertje meende dat ze allebei meer onvriendelijk dan verlegen deden, maar toch vond ze het jongste een snoesie. Oom trok een feestelijk gezicht, zei dat hij een verrassing had, en haalde--ook Geertje was 't een verrassing--uit zijn zak twee kleine prentenboekjes, dingies uit hun winkel, van 'en stuiver.
--Kijk is hier, voor ieder een....
Maar de kinderen aarzelden aan te nemen.
--Nou? zei Oom.
--Koos, pak is an van meneer, da's voor jullie, zei de vader.
't Meisje lachte en wrong met 'er kopje; 't leelijke jongetje zei op het laatst:
--'k Hep feell mooier boekies....
--Hahaha!
Oom deed of ie dàt nou toch zoo aardig vond. Toen kon ook meneer meelachen. Geertje had een grijnslach zien trekken over het scheve gezicht van de juffrouw. Alleen Tante keek heel sip.
--Nou! zei Oom moedig. Niet hebbe, wel hebbe? Een, twee, drie, pak! anders gaan ze-n-in de zak....
En hij hield Truusje de boekjes voor. Maar meteen vloog Koos er op aan, en sloeg Oom de boekjes uit de hand, en lachte, 't leelijke bleeke ventje, en ook zusje lachte mee. Maar nu toonde de vader boosheid.
--Wel jou....!
't Kwam er driftig uit, doch een ongeduldige beweging op de sofa, waar de moeder zat, scheen die drift opeens te koelen, want met gemaakte boosheid zei hij:
--'k Moest jullie allebei thuis houe, as straf, maar nou daalek de kamer uit, zonder gedag zegge....
--'t Binne me d'er twee, verontschuldigde hij nog, toen ze eenmaal de deur uit waren.
Maar juffrouw Heins vond dat blijkbaar te veel voor twee boekjes van een stuiver:
--'t Benne kindere, zei ze met ernst, als een waarheid.
En zonder plichtpleging liep ze hen na.
--'t Lamme is, maakte meneer Heins nu ongehinderd goed, dat me vrouw zich niet genog mit ze bemoeie kan; as ze ziek is, is d'er niemand as Sefie: we motte d'er nog 's 'en juffrouw bij neme, ook voor et huishoue, maar we stellen et telke's uit....
Geertje voelde dat ze warm werd. Even voorzichtig op zij gekeken, naar Oom.... maar die zag met strak oog vóór zich. Hè, dat niemand nou iets zei.... Maar de deur ging alweer open.... Nu deed juffrouw Heins vriendelijker. Ook met Geer begon ze een praatje. En .... gelukkig vroeg zij ook, wat de bedoeling was, of Geer bleef wonen bij Oom en Tante, of dat ze terug ging naar d'er Groo'va....
Nu dorst Oom zich dan toch haasten:
--Ze zoekt een betrekking, as kinderjuffrouw.
En daarbij keek Oom meneer aan.
Die, met iets als weifeling:
--Zoo, wilt u dàt!.... Wel dan most u maar bij ons komme!
--Hahaha!
Weer had Oom zijn lach bij de hand, en ook Geertje begreep, dat ze niet meer mocht doen dan lachend terugzeggen:
--Nou, ik wil wel.
Juffrouw Heins werd nu zeer strak.
En al spoedig zei Oom:
--Vrouw, wille we-n-es.
Toen meneer Heins zag, dat Geertje bij het heengaan een nieuwsgierig oog in de achterkamer op de eerste verdieping sloeg, waarvan de deur nu openstond, noodigde hij haar binnen te gaan: dat was nog wel aardig om te zien--'t b'lcon! Geertje wist niet wat ze zag! Een kamer, ruim, en zoo vroolijk, zoo vroolijk, met twee deurramen--in de lucht.... Te minste zoo leek het.... maar het was niet zoo. Door een raam bracht meneer d'er op een plat dak, met leuning, en daar had je zoo'n aardig gezicht.... Hu, ze werd er haast duizelig van, toen ze pal naar beneden keek: in 't water!
--Ja, da's et Steiger, vertelde meneer.
Maar er was zóó 'n wind op het plat; Oom zei ook: je kon 'er niet staan haast.
--'s Zomers mot u is komme kijke, zei meneer nog, vriendelijk.
En Geertje antwoordde in d'er gedachten: dus je denkt er niet meer aan dat ik hier als juffrouw zou komen....
VII.
Buiten begon zij daar dadelijk over. Wat Oom en Tante er van dachten?--Ja, meneer Heins had het wel gezeid, maar het was natuurlijk een zaak van de juffrouw. En die had niet toegebeten.
--'t Is 'en lastig zeeschip, waarschuwde Tante.
Maar Geertje voelde volstrekt geen angst. Truusje vond ze zoo'n aardig kind! En het was in die beneden-achterkamer slordig en vuil, je kon zien dat de juffrouw dikwijls ziek was. Zeker viel daar heel wat te doen. Hè, om eindelijk eens flink aan te pakken!.... 't Was wel ànders dan ze zich voorgesteld had, ze had altijd gemeend bij deftige menschen..... En.... plotseling dacht ze aan Mien en d'er moeder.... 't was óók wat anders dan die voor haar zochten! Maar, vreemd, daar had ze nu veel minder lust in. Gisteren leek dat haar nog zoo plezierig. De zuster van Arie had verteld van de betrekking bij dominee Gobius, ze kende de kinderjuffrouw daar. En Geer had gezucht: hè, als dat eens open kwam.... Nu lokte plotseling dit haar veel meer....
's Avonds, en ook Dinsdags weer, begon ze opnieuw met Oom en Tante.
Oom beloofde: hij zou nog 'es vragen....
En drie weken later verhuisde Geertje, voorloopig "op proef van beie's kante", en "meer as kind in huis", naar het groote winkelhuis in het Hang.
TWEEDE BOEK.
I.
Twee uur al wel was Geertje bezig, zonder op- of omzien bezig met het aan kant brengen van de wasch. Nu ze het gas moest aansteken, bleef ze even tegen het kozijn van het open deurvenster leunen, vóór het in de schemer dofwitte vlaggewemel van de op het plat te drogen gehangen nieuwe wasch, waar boven uit één reep metaalde van de groenblauwe Junilucht. Het was een zware werkdag geweest; Juffrouw ziek, de kinderen lastig, telkens drukte van beneden, en nu nog die groote wasch, die door de Juffrouw d'er ziekte was blijven liggen:--Geertje voelde zich wat moe, maar het was hier héérlijk staan; als ze maar naar het plat toe kon, fleurde ze weer da'lijk op. 't Was er zoo vrij in die zalige hoogte, alles zoo open en toch zoo steedsch, met vlak vóór je de groote toren, beneden-om je het vage geroes, of het alles heel ver weg kwam, van het gewoel op de Markt en de Hoogstraat, en nòg dieper het stille water. Hè, het ging haar aan het hart, dat het plat nu vol met goed hing en ze zoo moeilijk daar onder door kon! Toch had ze straks er naar verlangd, dat ze aan de klisgoed-rijen geen open plekje meer zou zien, want Sophie was weer zóó uit 'er hum geweest, aldoor 't gemopper van die meid, met kleine hatelijkheden tegen haar, terwijl zij toch haar best dee' om van haar kant vriendelijk te zijn. Vooral een dag dat de Juffrouw op bed lei, zette die Sophie een gezicht--net of Geer het helpen kon!.... O, wat was 't hier zálig staan, zelfs bij het weeë kloorgewasem.... Ze kreeg lust om er even door te piepen naar het hek! Even in de diepte te kijken.... Vóór het hek voelde ze altijd zoo, hóéveel beter het hier toch was dan in die nare kluis bij Oom. 't Was precies het tegendeel. Daar leefde je gedrongen in de laagte, met aldoor gestommel om en boven je; en hier in de hoogte open, net of je de lucht in stapte.... Maar ze moest voort maken.... Hé, daar was iemand....
--Dag Geertje.
O, meneer Maandag.
--Dag Meneer.
--Hains kom dalek bauve, hai zai 'k zou m'ar is kaike wat jai wel fer bezonders uithaalde.... Hoe gaat et no' maid?
--Wel best Meneer, vriendelijkte Geer, het gas aanstekend.
--Haij geen spait dat dominee Gobius niks fer je het gefonde?
--Och!.... 'k Heb 't hier best na me zin.
--Ja da wik werachtig wel gelaufe. Goed koshuisj, wat! Enne.... (zachter na een oogwenk naar de deur) ke' je 't finde mit jeffro' Hains?
Geertje glimlachte. Knikte: jawel.
Maandag bedacht nu weer iets belangrijks: hij begon te schuddebollen, net of-ie zóó de woorden er makkelijker uit zou doen vallen, 't doopvont van de schou'ers draaide langzaam langs de stoelleuning; wàt 'en blok toch, die korte romp; Geertje dacht aan de zware ruggen, waar ook een klein kopje nu en dan zoo dwaas uit kwam bengelen, van de schildpadden op Groeneveld....
--Hai je (nu kwam het) de feeks al hier gehad?
--Wie!
--De feeks! de jeffro' d'er móeder. Je weet tuch dat d'ar de sente fendaan komme. Hains had niks, 'en gewone werkman, die 's middegs op 'et Haagsche Veer z'en borrel kwam kaupe; no' istie petroon van z'en frauwsmoeders sente. M'ar 'en waif die moer! Ze komp haas' naejt, m'ar as ze komp dan dreunt et huisj....
Geertje had die moeder nog niet gezien. Toen Oom haar verleje Zondag thuisbracht, waren ze over het Haagsche Veer gegaan en had ie haar de herberg gewezen, die de ou'e juffrouw Meggers heel alleen bestuurde; maar 'en klein ding zoo, 'en deur en twee raampjes, geel geverfd, overal sjèlezieën, da' je niks naar binne kon zien; maar 'en drankzwalm was uit het huis geslagen en in de stilte van het grachtje was even 'en heetheesch rumoer van stemgewar langs Geer gegaan.--"Ze komp de straat niet op," had Oom van Juffrouw Meggers gezeid. Meer wist Geer niet.
--Hains het 'en pracht van 'en saak, zei meneer Maandag, daar Geertje bleef zwijgen.
--Meneer werkt ook as 'en paard!
--Hains? O, 'en reus van 'en kerel. Nee got, ferdiene doet ie et. M'ar et is tuch een bofkont auk! Sie je, je te kunne bewege....
Als wou hij de gedachte illustreeren met een voorbeeld van moeielijk lichaamsbewegen, draaide de bult weer op z'en stoel, zette de rondende borstkas nog meer uit, en liet, terwijl ie Geertje aankeek, uit die omvangrijke diepte een zucht naar boven en 't kopje uit werken, 't leek wel 'en zuchtje van eigenwaarde.... Geertje voelde diep medelij. Ze wist hoe kommerlijk Maandag het had. Meneer had er juist gisteravond van verteld. Hij scheen veel van Maandag te houden. Vriendelijk had hij over hem gesproken, en verhaald, hoe Maandag tobben moest om voor zich en zijn ziekelijke zuster, 'en weduw met twee kinderen, de kost te verdienen. Ook van de krant had meneer gesproken. Dat Oom en meneer Maandag het geld wel nooit zou'en vinden, dat hij zelf het nu nog 'es perbeeren zou, maar dat het een gewaagde onderneming was, die hij eigenlijk liever niet begon. 't Zou alleen wezen om Maandag te helpen. "En je Oom", had hij daar nog achterna gezegd.
Terwijl ze haar laatste rol maakte, dacht Geertje àl over Maandag na, die verdiept was geraakt in het Nieuwsblad. Meneer Heins had ook verteld van wat Maandag had te lijden om zijn misvormdheid, vroeger op school, en nu van de vrouwen op de vischmarkt, als hij daar berichten kwam halen. En dat ie zich zoo dapper d'er doorsloeg. Van Oom had meneer maar weinig gezegd. Even zoo iets, met een lachje, dat Oom nu nog al wat scheen te verdienen met het aanbrengen van advertenties, te minste dat ie daar veel voor op straat liep.... Wat was een man als Oom ook een vriend voor een werker als meneer Heins! Altijd bezig, meneer; altijd, met eten en zoo, op zich laten wachten: nou liet ie weer meneer Maandag wachten, en toch was 't lang over negenen.... O maar hoor, daar kwam ie nou toch....
--Zóó! da's dàt!.... Wa's dàt nou! Laat Geertje je op 'en droogie zitte!.... Zeg' es, breng jij es as de d....eksel wat bier! Pils! We hebbe lekkere Pils, Maandagje!
Geertje af, om het bier te krijgen. In haar gedachten kwam die avond bij Oom, toen Maandag en Gerrit Holkers gekomen waren en Oom voor zestien centen jenever was gaan poffen. O, ze voelde soms felle hekel aan Oom, dat hij zich zóó naar benee had gewerkt. Groo'va's zoon zóó aan lager wal.... Maar nu ze zag wat er hier in huis omging, hoe duur een beetje welvaart was in een groote stad, nu begreep ze haast niet dat Oom het nog rooide. Je kòn 't niet met een dorp vergelijken. Groo'va wàs wat in het dorp, nou ja, het was ook maar een dorp! Wat gaf Groo'va uit in een jaar! Nee, zij moest nìet grootsch willen wezen. Blij was ze, dat ze hier in dit huis, waar alles zooveel grooter ging, heel als gelijke wier' behandeld. Vooral Meneer was zoo vriendelijk. De Juffrouw, nou ja, die bromde nog al. Maar dat dee' ze wel tegen d'er eigen man. Veel last had zij, Geertje, toch niet van d'er. O, ze was zoo in d'er schik, dat Groo'va niet op de betrekking had tegen gehad. Dàt had ze toch veel aan Oom te danken, die zoo'n deftige brief had geschreven over "een van zijn vertrouwdste vrienden, die hier een groote drukkerij voor den handel had." Jammer alleen, dat Juffrouw Koenders en Mien zoo onaangenaam waren geweest, maar dat zou ook wel weer terechtkomen. Hè, en dan hier in dit huis, 't was toch nog wat anders a's de heele dag tusschen zoute visch. Och, wat 'en kleine bedompte winkel, 't leek wel haast 'en kelderwoning, en die donkere achterkamer, waar 'en lange man als meneer Heins zeker met het hoofd tegen de zolder zou stooten....
--Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas pilsener had ingeschonken.
--Dank u.
--Wat dank u? Bei jij mal! Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!
Geer liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke avond!
--Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe' sliep ze.
Nee', gut, Geer was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee had gebracht. Maar ze zou da'lijk even gaan....
--Och nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. 't Is toch al zoo ongezellig!
Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers met maar 'en enkel mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.... Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond: zoo iemand die òp scheen te gaan in z'en zaken! Maar hij zat blijkbaar graag wat te praten. Nu weer, wat zàt ie met 'en sjeu aan Maandag te vertellen van de drukkerij! Geertje hoorde het zonder te luisteren. Ja, ze was wel drommels moe. 't Was tè druk met ééne meid en 'en werkvrouw twee keer in de week alleen voor beneje. En dan 'en meid as die slons van 'en Sefie! Hoe de boel had kunnen loopen, vroeger zonder juffrouw, toen de kinders nog kleiner waren, Geertje begreep d'er geen sikkepit van--maar daardoor had Sefie ook juist zoo'n praats gekregen.
--Zeg, Geer, slaap ie?
--De maid d'er auge falle dich, se mot na bed!
Och wel nee, ze was in 't geheel niet weggeweest, ze had de heeren best hooren praten. Maar 't was ook zoo warm al, buiten.
--Bier?--Ja, even halen.
Zoodra ze de deur geopend had, hoorde ze kindergeschrei van boven neerdrenzen. Gut, Truusje wakker! IJlings het bier gegeven.... Naar boven.
Op de trap, Sophie kwaadaardig:
--O, 'k wo' nè's kaike-n-of je d'er niks van haurde, binne.
En toen Geer langs de kamer van meneer en de juffrouw kwam, deze, die natuurlijk weer alles merkte, met d'er lieve-lijderesse-stemmetje van de hoofdpijndagen:
--Bé jij dar Geertje, Truusje huyllt al 'en paus, 't wicht.
Stik, dacht Geertje, en schoot in haar kamertje, waar ook Koos en Truusje sliepen. Muf was het in het lage vertrekje; de juffrouw wou de deur nooit open hebben, "omdat Truusje dan ging hoesten". 't Druilerig nachtlichtje scheen de kamer nog warmer te maken. In de slaperig doffe lichtschijn brandden Truusje's groote oogen Geertje tegen. Zij schrok er van, het kind had gehuild en toch stonden die oogen groot-open en brandden. Gloeiende handjes en droogwarme wangen. Eerst zei ze niets, bleef verwijtend starzitten. Toen:
--Ik ben zoo misseluk!
Wat kon dat op eenmaal wezen! 't Kind had koorts. En zoo op eens! Krek toch d'er pa z'en oogen, zelfs nu. Ja, ze had koorts.
--Truusje 'en beetje melkje hebbe?
--Water!
Ja, ze zou er maar iets geven.
--'k Heb zoo'n buikpijn, schreide ze nu.
Buikpijn? gut, dan toch geen water.
--Water! dwong ze.
Geertje gaf 't maar; heftig slokkend dronk Truus 't kopje, half vol, leeg.
--Wee je nou weer zoet gaan legge?
--Wrijve, 'k heb zoo'n buikpijn....
--Mot j'ook op 't potje, eve op et potje perbeere....