Part 31
Werkelijk is er weer iemand voor. Oom is er al heen en Tante schenkt wijn in. Hoe komt zij aan die nette glaasjes? Zes gelijke op een blaadje. Zeker gauw ergens wezen leenen. Ze hebben weer vrienden: een nieuwe buurt. Zoo kort als het duurt, is Oom het heertje. Nou redeneert-ie tegen de klant. Och, hij is toch eig'lijk 'en stakker.
Alles om haar maant tot ootmoed. "Wee den hoovaardige".... zij met 'er trots! Ze mag zich niet ergeren aan Willem z'en boerschheid. Zelve is ze ommers niks beter! Moet ze-n-'em némen?! Ze kan niet, nòg niet. Ze heeft 'em vandaag wel afgesnauwd. Afmaken, heelemaal, zal ze 't niet. Maar evenmin krijgt ie d'er woord! Ze heeft nou gedáán, wat Mevrouw van d'er wilde. Als ze bij Mevrouw maar mag blijven. Nergens anders voelt ze zich veilig. En als dan van 't winter het kindje komt....
Tante heeft ook haar een glas wijn voorgezet. Het eerste slokje vond zij aak'lig. Maar nu heeft ze nog eens geproefd. Nu kittelt de tinteling haar rozige loomheid. Als ze durfde, dronk ze 't leeg.
Hoe vaak heeft Jan d'er wijn opgedrongen. Toen gaf z'er niet om, vond het haast iets gewoons. Al de rijkelijkheid leek haar gewoon. Of zij er in hoorde.... Ach, die roes van geluk.
Aan de achterkant van de kamer gezeten, kijkt zij in het licht van de winkel, dat goudfonkelt door de zevende vitrage.
Oom is teruggekomen en praat nu druk tegen Willem, die rustige, langzame antwoorden geeft, blijkbaar op zijn gemak, tevreden dat zij hierheen zijn gegaan. Nu en dan let zij even op hen, maar telkens trekt haar die zeving van licht, 't wit en het goud; en mijmert zij weg.
Al zou ze Hem nooit meer zien.... zeker zal ze niets meer van hem merken, en dat is toch ook maar beter, zij wéét zich verouderd van al het getob, ze vòelt zich zoo òp soms en hij, met zijn spotlach...; al zal ze misschien Hem nooit meer zien, altijd haar best doend om Hem te ontwijken--eeuwig, tot in de dood staat Hij vóór haar, zooals nu, dáár, zijn hoofd in het licht.
Door Hem heeft zij Geluk gekend en geen wreedheid kan 't haar ontnemen. Neen, ze haat hem niet, haar Jan, al wéét ze nu, dat zijn liefde niet duurde. Hij is voor haar Heel-de-Wèreld geweest, heel de wereld in licht van geluk.
Daar heeft Oóm d'er ingeschonken. Nou, graag wil z'en tweede glas. Jan heeft 'er wel 'es drie laten drinken, wel 'es vier.... Ze lacht:--Dank u wel.--Toen, die avond.... Sefie na' bed, och wat dee-t-ie toe' uitgelaten, zij wist op 'et laatst nie' meer waar ze was.... en hij keek er m'ar 'an met z'en spotlach.... Hè nee, zóó wil ze Hem nou niet zien, enkel het Gezicht dat ze liefheeft. Die avonde dat ie 'er wijn opdrong, zijn d'er gelukkigste niet geweest. Later was ze te rampzalig, alleen met 'er angst na de opwinding. Gelukkig is ze de dagen geweest, de lange uren van stil om hem heen zijn, bezig voor hem en zijn kinderen; of als ze hem zag, wanneer ie thuiskwam, rood van de drukte, klevver en blij.... As hij maar niet getrouwd was geweest, as hij van haar was blijven houden.... As is ommers verbrande turf, as.... dan had ze-n-'em niet gekend. En dàt geluk ontneemt men haar nóóit--zoo'n man, zoo mooi, zoo groot, zoo krachtig, zoo knap, zoo kranig-en-flink in alles, zij had zich zóó iemand nooit gedróómd, och, wat had zij vóór hem gezien, zij metter pretensies, 'en boeredeern....
.... Hè? Ja. Tante heeft gelijk, kwart vóór tienen, het wordt haar tijd.--Nee', die is goed! Oom met:--Nog 'en glaasje?--en d'er is niks meer in de flesch!
--Ik neem graag 'en klein grokje na, grok van klare.... Kom Heukelman!
Heerejee, die poerem van Oom toch! Zij? gut ja, daar staat d'er glas nog. Met ongrage teugjes krijgt zij het leeg. Dan kunnen zij gaan.--Tante, wel bedankt.--Ja, netuurluk, veel groeten 'an Groo'va, daarvoor heeft heel de kemedie gediend.
Rillend krimpt ze terug voor de kilte. 't Zondagavondgeherrie woelt op 'er los. Uit de watermist van het Strooveer komen ze op de vreemde, boomoverhuifde wijdte van het Hofplein met aan alle verre zijden fel lichtgeplek.
Ze loopt met neergeslagen oogen. Als ze Hem nèt nog 'es tegenkwam! God, het zou toch vreeselijk zijn. Zij wil Hèm teminste niet zien. Hè, die wijn, dat tweede glas, ze heeft het veel te gauw opgedronken. En opeens nou al die drukte. Angstig stijgt ze, de hooge brug op. Weemoed weekt in haar:--daar, rechts af, benee', hoeveel leed maar ook hóeveel geluk heeft ze, in het op- en neerloopen naar de Simonstraat, doorleefd. Nou is er niks meer--uit en leeg....
Hu, gauw voort.... Willem? Daar loopt ie. Ja, hoe komt die in z'en losjement? Met de trem! zij brengt hem niet weg, niet de heele stad nog door! 't Liefst was ze de Kruiska afgeslagen en dan stil de kleine straatjes. Maar nu legt zij hem de weg uit: hier aan het eind, hij weet het wel, dan ontmoet hij de trem van het Park. Zeker, hij weet het, hij kent de weg al, ze hoeft zich niks benauwd te maken. En werkelijk, wanneer ze de Aert-van-Nes ingaat, vraagt hij:
--'t Is toch disse stroat niet?
Zij antwoordt, dat het korter is, zoo. Beverig, maar niet ongerust meer, loopt zij kalm naast hem voort.
Doch nu begint hij weer te praten. Daar straks, bij d'er Oom, heeft-ie niks willen zeggen. 't Benne bijkans vreemden voor 'em. Maar welke boodschap moet-ie morregen overbrengen 'an Groo'va? Den ganschen dag benne ze samen geweest en toch is-tie niet verder metter, en hij heeft er zoo zielslief.
--Geirtjen....
Forsch slaat hij zijn hand om haar middel.
--Willem, bei je gek?!
Driftig draait ze zich los.
Ziet ie dan niet! daar is de kemedie. Ja, de lichten branden nog laag, je ziet wel geen mensch, maar wàt mankeert um!....
--Nou dan!
Nu steekt hij zijn arm in de hare, trekt haar voort--woest duwt ze hem af. Woest, ìn een plots'linge aanval van woede, van vlijmend leed gevoelen en wrok, doordat, net toen hij weer tegen haar aandrong, zij naast de kemedie, griez'lig alleen, een vrouw herkend heeft, die dikwijls daar staat, wanneer zij 's avonds hier langs met 'en brief moet, naar de bus op de hoek van de straat.
Dàt, dàt meende Maandag die avend, in dat akelige gesprek! O, wat is ze nou hem dankbaar voor die les, die ze nou begrijpt! Nèt zoo gemeen as die vrouw zou ze doen, door zich zonder liefde te geven! Willem d'er man, hij ooit an d'er lijf!.... Hu, ze stikt! Nooit, nóóit, nou weet ze 't! Zij, die het Gelùk gekend heeft--en dan zonder liefde te trouwen.
--Willem, brengt ze uit, et.... kan niet.... 'k Weet et nou zeker.... ik kan et nie' doen....
--Geirtjen!
Ja God, hij ìs te beklagen. Maar zij zelf dan?....
--Toe, dring nie' meer an. 't Spijt m'en, ik weet da' je veel van me houdt, meer.... as.... iemand ooit gedaan he't.... Maar ìk hou nog àltoos van hèm, ik kàn van geen ander houwe.... Och nee, zie je wel? Hou je nou kalm! 'k Moet 'et je zegge. Toe, ga terug. Ga jij nou na je losement....
Voordat de ontstelde haar doen begrijpt, is zij, de duisternis in, ontvloden.
V.
Maandag heeft Geertje weggebracht. Hij heeft het kaartje voor haar genomen, 't vervoer van haar goed heeft hij beredderd; vóór het portier heeft hij gestaan, tot de trein ging.... en zij tweemaal:--Tot ziens! riep. Hij heeft er gestaan als de laatste vriend, Oom en Tante zijn niet gekomen.
Nu moet hij zich naar het Verkooplokaal reppen voor de groote Een-Mei-betooging. Enkel als reporter gaat hij en dan nog voor bourgeois-bladen-nieuws, korte berichten, meer mag hij niet zenden. Ze zijn zóó bang voor de Sesjale! Hij waar' liever weggebleven. Ze hebben zijn liefde, de moedige strijders, maar wat kan hij, wat doet hij, wat is hij! Nieuwtjeslooper voor burgerbladen, anders niet, hij doet niet mee--soms vleugt iets in hem aan van schaamte. Ach, het is zoo vreemd geloopen: vroeger, met de Dageraad, gaf hij zich, dorst hij, maar nu.... verouderd; de Beweging is over hem heengegaan. Na de ijdele verwachting, door Heins en Nijkerk in hem gewekt, is zijn doenlust ineengeschrompeld tot een zorgvuldig zijn loonswerk verrichten--en zijn Lust heeft daar niet mee te doen. Een ànder verlangen heeft hem vervuld, het wanhoops-hunkeren van een gek! Hij heeft er zich om gehaat en gehekeld; zijn zelfbeheersching heeft wel gemaakt, dat geen mensch zijn geheim vermoedde; maar dat hij harder nog draafde dan vroeger, heel de dag langs de weg om nieuws, dat hij ijverde, sloofde, net als een koopman, met geen ander doel dan winst, nee', 't was niet alles om Mietje en Pietje, zóóveel nam Buurvrouw niet eens van hem aan!
En juist vandaag, nu hij verlegen op het feest van de kameraden zal verschijnen, een vreemde onder vrienden, bijna zich voelend een renegaat; juist nu, zestien minuten vóór den aanvang, zoodat hij zich reppen moet naar het lokaal--is Zij vertrokken, voor altijd heen. Roetsj! de rarekiek van het leven! Na dit laatste-bedrijf weer een ander stuk. Vijf minuten, dan kan hij er zijn. Vóór het station blijft hij even staan. Dit korte moment geeft hij zich nog over....
Nu is de trein al haast in Capelle.... Gek, die hij is! Of hij mee kon leven! Voor altijd ontgaat hem haar doen. Over drie uur zal zij thuis zijn; Groo'va zal dan aan het station staan; zij zal ontroerd wezen, niet verheugd.... En het ein-de-looze begint, waarvan hij bijna nooit iets zien zal.
Staande aan de rand der veranda, op de trap vóór het station, het kleine hoofd moe op de groote schouders, staart hij naar de jagende wolken, boven het wijde vlak der Maas. Zij voeren de warmte, jong leven aan. Geertje vindt haar dorp in bloei. Zal ze genieten? of zal z' er van schreien? Zij, die op lente noch zomer meer hoopt? Kwijt is ze d'er geloof in de menschen. Te rouw is d'er gevoel getrapt.
--Ik deug enkel nog voor tante.--Pijnlijk-lachend heeft ze 't gezegd, toen ze Piet en Miet noodigde voor de vacantie.
Heukelman wéét nu. Die laat 'er met rust. Zijn zusters zullen met norsch-doen hem wreken.
Maar als er eens een knappe, flinke onderwijzer aan de school kwam? Groo'va krijgt nou wel z'en pensioen, maar het nieuwe personeel zal het oude Hoofd niet vergeten. Of een vroolijker, mensch'lijker boer vroeg haar hand? Dan zal zij antwoorden, dat ze niet vrij is. Gelijk een jong weeuwtje, dat niet hertrouwt. Of in een bittere bui van bitsheid, zal ze snauwen, als tegen Gerrit.
Dat dìe wreedheid d'er niet is bespaard! Die vuile tang van een juffrouw Nijkerk, die dat schofterig aanzoek nog goedpraten wou. En de mooie Oom méé-nijdig, omdat nichtje zijn zwager afwijzen dorst!
Net zoo ellendig als de voorwinter met de angst om Mietje's lange ziekte, zijn deze laatste maanden voor Maandag geweest door wat Geertje heeft moeten lijden.
Haar droeve verwildering, dien morgen in Januari, vergeet hij zijn leven niet.
--Ma'k venavent hier slape? Ik wil uit me dienst!!
En toen, bot-openhartig, alles. Wie zóó beleedigd is, verzwijgt niet! Meneer in de nacht opeens voor d'er bedstee, terwijl z'en vrouw boven sliep in het kraambed. En, het ergste nog, z'en gepraat:--"Me vrouw is as steen zoo koud, maar jij!"....
Geen smaad is de arme meid bespaard. Als rijen rekels een loopsche teef, zijn de mannen d'er lastig gevallen. Daarom alleen vlucht ze nou naar d'er dorp, sluit zich op bij d'er dorre ouwe, als een wereldsche roomsche in 't klooster.
Maandag is erover voldaan, dat hij haar die morgen bepraat heeft, om, Mevrouw terwille, te blijven. 't Schandaal had dat mensch d'er dood kunnen zijn. Nou weet ze niets en is blij met 'er kindje. Die voldoening neemt Geertje mee--en dat de "meneer" zich drie maanden koest hield.
Maar wat hééft ze doorgemaakt--nog zoo jong en zoo kort d'er dorp uit. Geest'lijk vergrijsd, keert ze terug. Of.... Och hij, met z'en jeloerschheid! Niks als afgunst, dat ie zoo denkt! Ze keert terug met het één'ge gevoel, dat een mensch z'en leven mooi maakt. Dat heeft ze hier uit Rotterdam. Zij heeft het volkomen geluk gekend, want ze heeft zich geheel kunnen geven. Hòe wein'ge getrouwden zeggen 't er na!
Peinzend is Maandag onwillekeurig voortgegaan. Hij loopt bij het hek van het plantsoentje. Omkeeren moet hij. Maar kijk al die boompjes. Lente.... Een zachter gevoel doorwarmt hem. Een blijheid-met-weemoed om dit haar geluk.
Zij hééft de groote liefde gekend! Lieve meid, met 'er pakhuis teksten: één tekst heeft ze waarlijk geléérd: "Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten."
Blijmoedig-beslist wendt Maandag zich om. Ook zíjn leven is mooier geworden. Hij had de kinderen. Nu heeft hij meer. Afstand of tijd slijten daar niet aan af.
Uitwijkend voor snel-gedreven koeien, die het trottoir zijn opgestoven, toornt hij niet om de laffe ruwheid, die een koedrijver hem naroept. Hij verlangt nu naar het feest, al zal hij er enkel toeschouwer zijn. En wanneer hij, aan de overzij van het water, mannen hoort, die zingende optrekken naar het lokaal, neuriet hij hun vrijheidslied mee.