Geertje

Part 30

Chapter 304,145 wordsPublic domain

Langzamerhand was Geertje gemeenzamer geworden met haar mevrouw. Zij vond haar nooit heibeiïg meer, begreep het eischen van netheid en stipheid, doordat Mevrouw zelf in alles haar best deed. Meneer was slordig en onverschillig. Hij scheen, bij de post, niet veel te verdienen. Blijkbaar waren ze niet rijk. Mevrouw was staâg aan het overleggen. Geertje trachtte mee zuinig te zijn. Mevrouw, van haar kant, was inschikkelijk. Ze had "het" van Geertje altijd geweten. De directrice van het Huis had haar ingelicht: aan het Huis dankte Geertje de dienst. Soms kon Mevrouw nog wel eens zeggen:--"Je was beter maar wéér als juffrouw gegaan," wanneer het grove werk Geertje zwaar viel; maar ze wist van de directrice, waarom die Geertje, althans voorloopig, niet bij kinders had willen doen, een dienst als deze 't geschiktst had gevonden; en Geertje zelve verzweeg haar niets. Ongemerkt raakte zij aan het praten, onder het werk, de lange tijden, dat ze mèt Mevrouw bezig was. Mevrouw hield ook geen slot op d'er mond, klaagde zelfs wel over Meneer: dat die zich van zoo weinig aantrok en als-t-ie kon maar het liefst op z'en bed lag. Ook over de Godsdienst spraken ze samen. Mevrouw d'er ouders waren orthedoks en zij zelf ook wel geloovig; maar Meneer spotte met al wat vroom was en zoo kwam ze niet vaak naar de kerk. "Je moet wat doen voor de vrede in huis".... Daarbij had ze goedig geglimlacht: Geertje hield bepaald van Mevrouw. Zoo had ze het gerust gezeid, toen ze wéér over-stuur was geraakt, doordat ze Jan in de verte gezien had. De eerste keer had ze 't niet durven vertellen, ze was toen zoo eigen niet met Mevrouw en had enkel gevraagd of ze de gebroken kaasstulp mocht betalen, wat Mevrouw niet had gewild. Nu liet ze de andijvie aanbranden en de rijst kwam ongaar op tafel, en toen Mevrouw zei:--"Wat hadt je nou weer?" bekende ze, onder tranen, alles. Hem gezien, toen ze turf was wezen bestellen; blijven staan met een stuk in de keel, thuis 'en gevoel of alles draaide, twee keer zich aan het fornuis gebrand. Mevrouw had gegispt:--"Maar Geertje, meisje, een man die je zóó slecht heeft behandeld".... och, Mevrouw begreep het niet--toch was ze blij, dat ze nu het gezeid had.

Van Willem zijn brieven vertelde zij ook. Hoe die nog maar telkens aanhield, schoon ze niets voor hem had verzwegen.--"Vindt je dat dan niet mooi van die jongen, dat hij zóóveel van je houdt? De meeste mannen zijn zoo trouw niet!" had Mevrouw, haar aanziend, geantwoord. 't Zelfde, wat Maandag vroeger zei: tegenwoordig, sinds dat gesprek, daags na haar terugkomst van thuis, sprak die niet meer over Willem. Trouw? nou ja! 't jong hield van háár, maar als zij niet van hèm kon hou'en.... Niet die eerste keer zei ze dat aan Mevrouw; ze dorst zoo opeens niet, het viel haar zoo moeilijk, nìemand die meevoelen wou met háár!....

Maar later, op een avond, boven, begon Mevrouw een lang gesprek. 't Kwam aan, toen ze sprak van haar eigen bevalling: dat er later een dagmeisje noodig zou wezen, wanneer de baker weg zou zijn.

--Geloof je, had ze vriend'lijk gevraagd, dat jij het dan hier uit zult houden? 'k Ben wel eens bang, dat me dienst je te druk is. Je bent niet gewoon aan dat schuieren en schrobben. En dan met een klein kind d'erbij, de luiers die alle dag moeten gewasschen.... Begrijp me goed, ik hou' je heel graag, ik spreek alleen in jou belang....

Geertje had erkend, dat ze wel eens moe was. Eerst d'er ziekte, toen de miskraam, en veel werken, nu, dat 'er zwaar viel.

--Maar as u me wegstuurt, sta-n-ik op straat.

--Och kom, meid, je weet wel beter! As je daarom blijft, wil 'k je niet hou'e. Maar je meent niet wat je zegt. Jij vindt best 'en nieuwe betrekking. Ook wel bij kinderen, als je graag wilt. Maar ik denk aan wat anders, Geertje. Gooi jij je levensgeluk niet weg? Een goeie man en die je zóó liefheeft als die Heukelman toont te doen. Doe toch je best en vergeet het verleden! 't Heeft je nooit iets gegeven als leed.... Niet? Nou goed. Maar het is voorbij. Daarover beeldt je je toch niets in?! Hij kàn niets meer voor je zijn. En hoeveel zou jij kunnen wezen voor een jongen, die door al wat er is gebeurd niet in zijn gevoelens voor je is veranderd! Denk nu eens niet aan jezelf, maar aan hem. Je wéét dat je hem gelukkig kunt maken. Is die voldoening je nog niet genoeg? Heeft het leven je zóó weinig geleerd? Meisje, meisje, hòe menige vrouw zou alles geven voor die voldoening....

--O ja! als ze hòudt van 'en man!

--Och kind, hou'en, wat ìs dat "hou'en"! Hecht toch niet te veel aan dat woord. Verliefdheden gaan zoo vaak gauw over. Wat Heukelman voelt voor jou, is wat ànders. Dàt is blijkbaar de echte liefde. Om je te vergeten, is hij naar Amerika getrokken. Maar het heeft niets gebaat. Met het oude verlangen naar je, is ie teruggekomen.... en toen moet de mededeeling van je grootvader hem wel heel diep hebben gegriefd. Heb je dáár wel eens over gedacht? wat die man om jou heeft geleden?

--Maar Mevrouw, kan ìk dat helpen? Ik was hèm geen verantwoording schuldig. Nooit heb ik hem zóóveel voet gegeve!

--Dat beweer ik ook niet. Ik zeg niet: "door jou", maar òm jou heeft-ie veel geleden. Och, dat mòet je zelf ook voelen. Juist als je je volkómen vrij tegenover hem weet.... wat je bent, geen mensch kan je dwingen.... me dunkt, dan voel je toch mee'e-lij.... ik vin' de jongen heusch erg te beklagen, en, nog eens, ik vraag me af, of een liefde als die man heeft voor jou, ook al beantwoordt jij die nog niet, geen beter waarborg is voor 'en duurzaam geluk dan 'en verliefdheid, desnoods van twee kanten, die in het huwelijk dikwijls vervliegt.... Denk er eens over. Ik praat je niets aan. 'k Hou je gráág hier. Ik zeg het alleen, juist omdat ik belang in je stel.

Beteuterd was Geertje blijven staan, geschokt, verontrust.... Mevrouw méénde het goed.... niemand, die haar nu ànders raad gaf, niemand als Maandag en dat was een man, Maandag had zulke vreemde gedachten, maakte haar bàng, soms, bij al zijn goedheid.... Mevrouw was godsdienstig, ook dàt deed haar goed, ze snàkte vaak naar de vroomheid van Groo'moe.... Ja, maar Willem! die was als Groo'vá.... zou zij leven moeten met Willem?....

Verbijsterd kwam zij de kamer uit en stond in de graf-holte beneden.

IV.

Mevrouw is schuld aan wat nu gebeurt: dat ze met Willem door Rotterdam loopt en hij praat, als werd ze zijn vrouw.

Toegestemd heeft zij in zijn bezoek, omdat Mevròuw zei: doe het toch, Geertje, je moet hem eens zien, je màg niet weigeren met hem te spreken, daarmee is ommers niets beslist.

Gisteravond het eerst aan de trein!--Thuis de herrie om klaar te komen, op 'en Zaterdag nog haast! Aan kant d'er keuken, ijlings gekleed, weg, gerept naar de tram.... en te vroeg, veel te vroeg nog aan het station, waar ze zenuwachtig heeft gedrenteld, in de waaierige kou, door conducteurs vervelend geplaagd. Eindelijk hij! Ze stond achter een hekje, in een groep menschen, die opeens om d'er heen was; vóór d'er de locomotief, die aanglijdt, stilhoudt, en dan dalen er menschen, wemelen op het perron, komen, langs de trein, op haar aan.... Hij! De pummel! Ze voelt een verstijving, schaamt zich voor een juffrouw naast d'er, denkt aan verschuilen, wijkt iets ter zij, ziet wel dat hij haar niet opmerkt, langzaam naderend, log als een os.

Wanneer hij, door het hek heen, rondziet, treedt ze weifelend op hem toe.

--Willem!

--Dag Geirtjen.

Hij drukt haar hand, wendt zich, loopt lomp tegen een heer op, zij gaat hem voor, terzij àf, uit de menschen.

Dan blijft hij staan en grijpt naar heur hand:

--Geirtjen, God he't mien gebed verheurd.

Méér zegt hij niet. Maar zij begrijpt! Da'lek, 't eerste dat hij weet, wanneer een ander zou vragen: hoe gaat 'et? Gebelgd loopt zij door, op de duisternis toe, buiten, waar geen menschen om hen; hij komt verwonderd achter haar aan;--Geirtjen! klaagt hij, wanneer ze zich voortrept;--eerst bij het stationshek blijft zij staan. Goedig-kalm stapt hij naderbij, niet verontrust, boos evenmin. Geertje schaamt zich: 'et oude spel! Zoo heeft ze hem achter zich aan laten loopen, jaren lang, thuis--bij hem in den hof, achter de koestal om, naar de weien, èn in de school, om de kerk, daarin zelfs, 's Zaterdags laat, onder Groo'va's geredder. Zij voelt een moeë verlegenheid, nu zij vanzelf dit spel heeft herhaald. Monsterend wacht zij hem af:--onveranderd! tèrgend-netjes-boersch, altijd! Niets van Amerika, ook vandaag niet, zoo met een steedsch klein heerentaschje, licht gehangen aan z'en ineengedrongen lijf.

--Goa we mit de trem of kuwwe loôpe? hoort ze zijn geduldige kalmte.

--Niet met de trem!

Die zit al vol menschen; als d'er eens iemand was van d'er kennis!....

Om lief te zijn, keert zij en loopt naast hem op; ze zijn bij de booten en naad'ren het water.... Plots'ling, o God! als een hoon valt het op haar, als een smaad die zijzelf zich bereidt: nou gaat ze met Willem als eenmaal met Hem, toen Hij haar afhaalde, na de Bruidsnacht.... 't Kàn niet! Ze staat en stottert verward, dat het toch misschien te ver is, liever de tram en----wáár wil hij heen?

--Noar et losement, fur de koamer. 't Is bèter Geirtjen, awwe dat eirst doen.... Dokter he't mien gezeid: bij Coomans, Hoofdstèèg, wèèt ie die buurt? teemt hij verder, nu wel haar verlegenheid merkend.

Wat? Ze heeft de naam niet verstaan. Hoofdsteeg? Ja, dan met de tram. En zij keeren terug naar de wagens: een leege nu, de volle is weg. Er weeïgt een schuldbewustzijn door haar, een wroeging, èn een besef van onrecht, dat haar, veeleer, wordt aangedaan. Zwijgende zitten zij, wachten, wachten.... Weg! ze snakt dat de tram zal vooruit gaan, 't is haar als werd ze van buiten begluurd, door iemand, die het wéét, of iets van toen....

Slaap, na zwaar-zijn van vermoeidheid, heeft de spanning van haar verzet gebroken, en de zondagvoormiddag heeft ze kalm haar werk gedaan. Toen is Willem bij haar in de keuken gekomen; Mevrouw heeft het zoo gewild: met de koffie; dan konden zij daarna samen uitgaan.

Hij vertelt van de preek die hij heeft gehoord: domenee Gobius over het licht, dat bij God woont. "God weet, wat in het duister is," Daniël 2 vers 22. Geertje herinnert zich de tekst niet: hoe staat het woord er? en Willem verklaart; ze kent het toch wel: Koning Nebukadnezar, die eischte dat de wijzen hem een vergeten droom zouden vertellen en Daniël wie in een nachtgezicht de verborgenheid werd geopenbaard.... O, is het dat! de droom van het beeld met de voeten van ijzer en leem.... Ja, nu weet zij, nu is zij er in--die droom, zij houdt juist zooveel van de Droomen--de Droomen en Jezus' Gelijkenissen.... Willem is vòl lof over de preek: Domenee moet een godvruchtig man zijn en die de gave heeft van het woord.

Mijmerend hoort zij Willem aan; er komt een zondagsstemming om haar: dit is het goede-van-thuis, wat zij miste. Blij ootmoedig luistert zij toe; schenkt hem koffie bij, dienstwillig; is dankbaar voor de rustige eenvoud, waarmee hij in de keuken vertoeft en niet ongeduldig wordt, wanneer zij met koffiewater, en om hun boterhammen te halen, kort opeen naar boven moet.

Gisteravond is hij haar meegevallen, toen hij zonder verlegenheid, kalm-flink als een man die gereisd heeft, àlles vroeg, van de prijs en zoo, over zijn kamer in het hotel. In haar heeft beschaamdheid gevleugd, over haar dienstmeid-zijn, haar keuken.... Hij gedraagt er zich nu heel netjes, of haar toestand doodgewoon was; vroom is hij vervuld van de preek.

Weer belt Mevrouw, weer moet zij weg; ijlings schenkt zij hem nog wat koffie. Mevrouw vraagt, of Geertje, voordat zij uitgaat, de keukenkachel nog wil aanmaken en er voldoende kooks in leggen, zoodat Mevrouw er niet naar hoeft te kijken, voordat zij de groente opzet.

--En dan ga jij je gang maar, hoor!

--Zal ik niet komme anvege, Mevrouw?

Mevrouw knikt van neen.

Meneer, die uit het raam staat te kijken, keert lachend zich om:

--Je mot je vrijer niet zoo làng late wachte!

Geertje wendt zich verlegen naar de deur. In onthutste tasting vindt zij de knop. Er snikt een droefheid om onrecht in haar. Waarom zegt-ie dat nou, want hij wéét! hij kent, als Mevrouw, haar geschiedenis; wat sart-ie haar dan met zijn grappigheid, wat had-ie brutaal haar aan te kijken!.... Opeens is het mis in haar, weer het verzet, weg dat vredig, gezellig berusten,--"vrijer", ook niet als aardigheid, ze kàn het niet hebben, spot met haar liefde.

Willem is in haar afwezigheid van plaats veranderd. Zijn stoel stond tegenover de hare aan de tafel, met de rug naar de muur; nu zit hij tegenover het raam. Waarom? Wat moet dat! Hij zoekt in z'en bijbel. Weifelend gaat zij achter hem om.

--Geirtjen--en terwijl zij gaat zitten, schuift hij pratend zijn stoel naderbij.--Zou dàt nou geen Godsbestier wèze, da'k van marrege juust over disse tekst most heure? Zie, da's toch wat anders as toeval. God hèvt ons indachtig wille moake, dat Hij wist wat was in et duuster. Wij kleingeleuvige, we hebbe gewankeld as Petrus, we hebbe geroepen: Heere, behoud mij, moar God die alle harten doorzuukt, die het hart doorgrondt en de niere pruuft, Hij wist wat goed veur ons was. Onnaspeurlijk binne zijn wège, deur veul duusternis moste we goan, mor Hij wèèt wat er is in et duuster en mit de Psalmist magge we nou toch zegge: Welgelukzoalig wiens verwachting is op De Heer.... Wo' kiek je vrèèmd, woat is-t-er Geirtje?

Wat er is! Hij is daar vóór d'er; laag gebogen, de elleboog op de knie, houdt-ie haar zijn harde rooie kop met verschoten hondenstoppels voor, en uit de bloeddoorloopen maar fletse vischoogen, die smachtend en zwemmend-in-vromigheid naar d'er opzien, staart van dat kaalgeschoren snoet toch ook de starre zelfingenomenheid van zijn moeder haar aan.

--Da' zeuj me toch motte toegève. We hebbe gedwoald uut wankelmoedigheid, deurda' we niet vertrouwden op Hem. Hij hè't ons gevoerd langs donkere wège. Hij wist wat er was in et duuster. Al die bepruuvinge woare neudig. Ik ben noar Amerika motte goan en jij hier noa Rotterdam. Wat gebeurd is, most gebeure. Da' geleuf ie toch ook wel Geirtje?

Hardvochtig-koel laat zij vallen de vraag:

--En wat weej nou daarmee zegge?

--Wa'k doarmee zegge wil? Geirtje, da's toch gemak'lek te roaje!.... Da' bij God et altied vast-sting, da' wij man en vrouw zoue worde.

Terwijl hij de laatste woorden zegt, tast zijn grove hand naar de hare. Zij ziet het geelbehaarde, sproetige vleesch met de onverzorgde stompvingers. Zij voelt ze.... en ze slaat van haar af, haar vingers tikken, meppen de zijne; achteruitwijkend vaart zij op en loopt met een wijking achter hem om.

--Ik zal jou dan ook wat zegge, ook gemakkelek te raje. As je nie' ophoudt mè' je gezeur, 'k heb je gistere-n-ook al gewaarschouwd, dan ga'k vemiddag nie' mè je uit. Goed begrepen? 'k Zeg et nie' boos, maar hou et je dan nou voor gezeid.

Wel ja, hij dee net as een kind. As met 'en kind moet ze met 'um doen. Verder et zich niet 'antrekke. Eéne middag--zal gauw genoeg om zijn. Lam, dat-ie ook venavend nog blijft. Maar netuurlek, zoo'n vrome man, die zit niet in de spoor op Zondag. Laat zich bedienen in 'en hotel, maar reist niet vóór Maandagmorgen!

Haastig heeft ze zich gekleed. D'er ouwe zwartje, niet de nieuwe. Niks van opschik met Willempie!

En zonder eind hebben zij gekuierd.

--Jij wil ook liever buiten de stad?

Ze heeft zich gehaat, toen ze dat aan hem vroeg. 't Leek, of ze met hem alleen wou wezen. Maar ze dorst in de drukke straten niet blijven. 't Huis in de Oldenbarneveldstraat uit, is ze het Tuindersstraatje geloopen, de Aert van Nes bang overgestoken, het Mauritsstraatje en toen de Kruiska. Op de Diergaardesingel is haar angst gezakt. Terwijl ze in de vredige vroolijkheid van de zonnige herfstdag, tusschen verre weien liepen, een onbestrate rijweg langs hofsteeën, waar Willem zich over veel verbaasde, dat anders was dan in Gelderland; heeft ze hem aan de praat trachten te houden met telkens door te vragen over toestanden in Amerika. En hij heeft die herinneringen iedere keer afgebroken door te willen praten van zijn liefde. Zij wist wel, waarom hij terug is gekomen: aan het andere eind van de wereld, was hij met zijn gedachten hier. Ook was 't haar bekend, waarom hij gegaan was--alles om haar, alleenig om haar. Gedrensd heeft hij zijn liefdesverwijten. Toen heeft zij er dan nog maar iets op geantwoord.

--Waarom bederf je de wandeling? 'k Heb in zóó lang niet 'es gekuierd.

--'k Bin tuch hier om doareuver te sprèke.

--D'er valt daar nie' meer over te spreke.

--Woarum hei'j me dan loate komme!

Ja, waarom, waarom! waarom!?

Haar heeft dat waarom verwijtend gemarteld. Omdat ze nooit weet wat ze wil; dan naar die luistert en dan weer naar die! Maar zijn stugge koppigheid is kalm na een poos opnieuw begonnen: zij mocht nu nog weifelen, maar God wou 'et. Hij die weet wat er is in het duister. Zij wáren een paar in Zijn Raadsbesluit.

Op de terugweg zijn ze in een tuintje gaan zitten, waar hij twee glazen melk heeft besteld. Neergesmakt is zij op het stukkende, wippende stoeltje, verstramd en verstompt van zóó lang loopen. Wanhopige haat heeft er in haar geflitst, toen hij wel geen bezwaar maakte, maar toch smalend iets zei van: "Op Zondag", na haar vragen om dáár wat te rusten. Ze konne' toch de godgansche dag niet op de been blijve: waar wou ie dan heen! hier of erge's anders.... Nou, 't was hem ook goed; maar wat nou dat zitten betreft--hij had gedacht, dat ze naar haar Oom zou'en gaan; dat had hij ook aan haar groo'va beloofd.

--As je d'ar gaat voor de stichtelijkheid! heeft ze geschimpt. Maar haar een biet! Als hij naar Oom wil, dan naar Oom.

Daar hebben ze slappe koffie gekregen en oneetbaar-hard-brood met gebakken spek.

En in haar wrange gemoedsstemming heeft ze schik gehad in Oom, die vriendelijk dee'--natuurlijk om Groo'va. Waarom had-ie dàt niet geweten! Geertje kwam ook nooit meer 'es 'an. Anders zou Tante natuurlijk hebben gezorgd voor 'en betere ontvangst. Maar zij plachten om één uur warm te eten. En nu was er niets anders in huis, en net op Zondag, je kon niks krijgen....

Zoo heeft Willem met traag geduld op de hompen brood kunnen kauwen en de breede eelttoppen van zijn vingers-als-stokken plomp naar de niet stuk te snijden slierten van het krullende, druipende spek laten grijpen. Zij heeft zich met koffie gevuld en is een paar keer naar achter gemoeten, in de beenen het lood van de kuier. Ze heeft gedacht aan het groote hotel, waar Willem zijn kamer heeft en niet gaat eten; waar ie haar voor de maaltijd zou hebben gebracht, als-ie een heer, als-ie.... Jan geweest was.

Alles in haar schreit weer om Jan.

Zij beseft nu ook, wat haar heeft bewogen, naar Mevrouw d'er raad te hooren, Willem hier te laten komen. Op het oogenblik, dat zij bij Oom d'er mantel aandeed om met Willem naar de avondkerk te gaan, is een buurvrouw, die de helft van de verdieping boven Oom's winkel bewoont, met 'er kindje binnengekomen, een jonge vrouw, met een zuigeling en blijkbaar alweer in verwachting. Bij het zien van dat moedergeluk, heeft Geertje geweten: Mevrouw d'er blijheid in het vooruitzicht van d'er bevalling, Mevrouw, die toch ook niet gelukkig getrouwd is, heeft haar doen peinzen:--Als het eens kon, Willem z'en zin en ik 'en kindje....

De preek is langs haar bewustzijn gegleden. Weemoed heeft er in haar gebeefd; ze wàs in de kerk niet, maar Thuis-in-het-Hang.... Toch is zij geschrikt van het weer-op-straat-zijn.

Zij gaan nu nogmaals samen naar Oom en nog loopt hij te zaniken. Straks op de Hoogstraat had-ie een grap. In de menigte nam hij haar arm en toen zij die los wou trekken:--"'k Loa'je nie' los.... Nooit loa'k je los.... Geirtjen, begriep ie wel, 'k loa je nóóit los," met 'en nadruk, nog eens 'et gezegd: ze had 'um ommers al lang begrepen. Hè, en zijn lachen, dat leek toch zoo raar, dan zag je z'en oogen niet, enkel zijn mond, een groot gat gore brokkeltanden, en d'er was niks vroolijks 'an 'um, vroolijkheid kenne ze niet op de hofstee; dat ie nòu lachte was om haar, 'en verlegen mislukt perbeeren. Ruw is zij van het trottoir gestapt, zoodat de menschen tusschen hen drongen; en in de Pessage, in de volte is zij hem aldoor vóór gebleven, uitwijkend vlug door de menschen zich schuivend.

Op de Coolsingel 'en andere toon:

--Woarum gèèf je mien nou gèèn ârm? 'k Loa je toch nie' los, heur Geirtje. God hèvt ons voor mekander bestemd. Dat hèwwe toch allebei altoos gewète. Aw m'or èènmaal getrouwd binne! 'k Wéét wel wa'j nou tègestoat. 't Is da' boerse-n-in me, joa!.... Och, jij bin dat nou ontwend. M'or je bin toch van geliekke komaf, joa, je groo'moe was krek as wijlu.

God, zoo'n gekle's! Hoor nou toch es an! Hè, zoo'n zelftevreden wauwel! Snel wijkt zij uit voor de menschendrom, nu loopt ze vrij, maar nee, daar is-t-ie, dringt naast d'er op, nou houdt-ie d'er vast, z'en lauwe greep omknelt haar elboog.--Laat toch! maar hij blijft aan d'er zij. Ze schuifelen, door menschen omdrongen, voort. De lucht is doorsproeid van heel licht grijs. Om haar, in de wemeling van donk're gestalten en fletse gezichten, plekkeren aanhoudend kleurvlekken op; in 't grauw-sombere krioelen onderscheidt ze, met soms een scherpte van gelaatstrekken, vormen, die verdoft kleurpralen, van hoeden, veeren, mantels, kostuums. Zij loopt in d'er sjofele zwartje, met de vaal-verschoten voorbaan. En naast 'er is-en-blijft d'er boer. Móói paar, zullie tusschen de steedschheid. Echt twee zielige pummels van buiten.

Nu komen zij onder 't elektrische licht, plots in een schaat'rende helheid als dag. Zij wil niet naar binnen kijken bij Soesman, want je ziet 'er jezelf in de spiegels. De menschen omdwarrelen haar als bij dag, sjieke toiletten ruischen langs haar. Tartend omstuift haar het zondags-gepronk en maakt haar ongeduldig-verlegen.

.... Nèt zukke reclameborden met namen en gekleurde figuren stingen hier vóór Tivoli, de Pinkstermiddag, toen ze met Oom en Tante hier over 't Singel ging, van Oom z'en huis op weg naar 't Hang: toen zij Jan voor 't eerst gezien he't.... De herinnering sláát haar geest neer. Machteloos ondergáát zij op eenmaal de drukte. Willem blijft naast haar, hij hindert haar niet. Vanmiddag en straks in de Hoogstraat weer en net nog aan het begin van 't Singel, dorst ze niet loopen, haast, vreezend aldoor, dat ze, opkijkend Jan zou zien komen, plots hóóg voor d'er met z'en spotlach: zij zóó gekleed en d'er botterik naast d'er. Maar nu geeft ze zich gewonnen. Wat is zij? 'en boerenmeid! Ze hoort niet tusschen al dit steedsche. 't Maakt 'er verlegen, verrukt 'er, bedwelmt 'er. 't Is wat ze wòu.... maar het wìl niet van haar....

Oom's sigarendépôt is op het Strooveer. Bij het binnenkomen schrikt ze. Een klant, een lange heer--als Jan. 't Is Jan niet! maar toch is ze geschrikt. Bedeesd treedt ze langs de toonbank naar achter, zwijgend Oom groetend, die druk doet, niet ziet.

Tante zit achter, gelukkig alleen. Even later lawaaiigt Oom binnen. Zie je, dat doet 'em nou plezier. 't Heeft hem vemiddag zoo drommels gespeten, dat hij niks had om te preseteeren. En overdag was 'et hier zoo donker. Nou met 'et gas 'an, vroolijk hè? Ja verlichting, het eerste vereischte! Daar hadden ze bij hun in 'et dorp nog geen kaas van gegeten. Willem rookt toch?--Toe, steek es op! Zwaar of licht, naar ieders verkiezing. Die?.... Willem doet niet an afschafferij? 'En glaasje wijn, dat mag ie niet weig're.

--Vrouw, haal jij 's 'en flesch wijn uit de kelder.

Geertje heeft schik in de kemedie. Kelder! Ze hebben niet eens 'en kelder! Nog geen kolenhok is d'er benee.

Tante gaat ongesjeneerd naar de kast en neemt de flesch die Geertje ziet staan, hoog-alleen tusschen kleinere dingen. Maar Oom:

--O hàdt j'al uitgekrege?

Onverstoorbaar, z'en grootdoenerij. Nu vraagt hij Willem wie er gepreekt he't. Goed?

--Ik ken 'em niet. Zei je De Valk? Ja, d'er ben hier zoo'n hoop domenees. Da's niet as bij jou: aldoor een-en-dezelfde. En ik kom niet vaak in de kerk. Met de zaak, ik kan d'er niet uit! We mòtten ope blijven op Zondag, heel den dag, om de konkerensie. Afijn, 't gaat me goed, nou, ja! daar niet van!