Part 3
--Ja. Nee! zei Geer en knikte.
Ze wou d'er af zijn. Het gaf toch niks. Tante was nu weer binnengekomen. 't Spelletje was gespeeld met haar. O, ze doorzag het, klaar als de dag! Maar wat kon ze nog verder zeggen? Ze had haar boosheid niet kunnen volhouden, ze had de woorden niet weten te vinden, en zelfs haar aanvankelijk gevoel niet weten te bewaren. Haar eerste willen was heengevloeid in de behoefte naar zachtheid en liefde, bij die hoop van weg te nemen de leelijkheid, dat een zoon loert op het geld van zijn vader. En zoo had ze niets gedaan! Oom had haar willen uithooren, willen bepraten dat ze toch niets zou beginnen--deelgenoot was ze nu van zijn plannen; medeplichtig, door te zwijgen, aan zijn verraad tegenover Groo'va; maar wat kon ze verder doen? Ze vòelde, dat Oom en Tante mekaar aankeken, allebei dachten ze:--"hebben we der nou?" ze móesten denken:--"we hebben d'er." Wat zou ze ook? Wat kon ze doen? Van hier weggaan, hier niet meer blijven! Dat was het eenige. Dus wéér naar het dorp, naar huis? Neen, dat kon ze niet, dàt toch niet. Maar wel hier uit huis vandaan. Ze was in Rotterdam voor een dienst. Zoo gàuw als mogelijk een dienst.... Tante had nog van niets gesproken. Oom evenmin. Zou ze nu vragen? Nee. Nu niet....
Onredzaam, als traag, als lusteloos, stond ze op: ze was blij, toen ze voor de gootsteen stond. Met een weeë soezing in het hoofd, keek ze toe bij het volloopen, het overloopen van het water in de gebrekkelijke oude teil; sijfelend plaste het water weg.... toen sloot ze de kraan met een nijdige wrong. En nu, terwijl zij met slappe druk 't spritsend boendertje dreef langs de onderrand, werkte traag 't bewustzijn in haar, dat ze 't winkelbelletje hoorde, dat er gerucht was van stappen en van gemompel, toen van onderdrukt gegiegel... tot het ruiselde vlak achter haar, en meteen de lauwe klamheid van twee hand-binnenvlakken klef omgespte haar hoofd, neus, slapen.
--Jasses!
--Eèè!
En vóór haar, in de vaalbruine schemer van het kleine, maar hol-doende keukentje, zag ze, vergenoegde tronie van iemand die pret heeft in eigen grappigheid, Gerrit Holkers haar tegenlachen, Gerrit:--"Hahaha, gefopt hé?.... Hoe gaat 'et maid? Je ken me toch nog?" Gerrit, zijn mond met de afgebrokkelde vuile tanden wijd open van pret om zichzelf:--"No' zeg, gee' je me nou geen soen?"
--Dag Gerrit.
--Zoo, 'en hand, nou da's te minste ie's. De kussies die houe me te goed. En hoe maak je-n-et nou wel? Zeg, Geer, je ben groot geworde.
Zij kwam nu, met hem, het kamertje in; daar stond ook meneer Maandag, hel verlicht de gedrochteromp in het geelgrijs colbertje, bij de tafel. En allen lachten om Gerrit's grapje.
--Zuster, je schenk toch 'en rondje fenavond, zei Gerrit tegen Tante.
Maar Oom kwam dadelijk tusschen beiden:
--Toe Geer, haal jij 's effe hierover.... voor zestien cente.... Of wach', ik zal het zelf doen....
Geertje dacht aan de Binnenweg, waar Gerrit zoo dikwijls 's avonds wat kreeg; nu was er bier noch drank in huis; en Oom ging zeker probeeren te poffen.
In afwachting gingen allen zitten. Geertje haalde zich het krukje uit de winkel.
Toen vroeg Gerrit haar opeens:
--Hoe is 't Geer, hai je-n-al 'en diens?
Zij keek Tante daar maar eens op aan. Die trok de mond lang:--"Die hei je m'ar zóó niet!" Geer was ommers pas twee dagen in de stad.
--Eerst mot ze-n-an de stadsluch' wenne, vroolijkte Maandag.
Maar Geertje wilde graag gebruik maken van de gelegenheid.
--Daarom kan ik al wel 'es uitzien! Heef u er nog over gesproke tegen mevrouw Gobius, Tante?
Die naam, Geertje zag 't, gaf ontsteltenis.
--Gobius! Gobias! díe naam kòmp hier nìet te pàs! galmde Maandag en lachte het eerste.
Tante lachte, Gerrit grinnikte, en bij alle drie klonk er haat. Maar ziende hoe verlegen Geertje haar aankeek, legde Tante uit:
--Ja, je wait da' nog soo niet, maar, zie je, dominee Gobius komp....
--Mijn huis nooit meer in! heldhaftigde Oom plotseling, groot in de deur, en stak de jeneverflesch hoog voor zich uit.
--Bravo! riep Maandag.
--En leve de glaze!
Tante gaf glazen. Maandag nam een grog van jenever; Geertje, gedrongen om mee te drinken, vroeg of ze 't dan ook maar mocht met water.
--Hai je da' gehoord, Riek, wat Gobius mit de koster gehad he't?
En meneer Maandag deed een verhaal van 'en koster en een lekkende goot, en de vrouw van de koster die kwaad had gesproken--Geertje begreep het niet, vond het niet aardig, en de drank die ze dronk vond ze naar. Groo'va was zoo tégen drank: àls hij het wist, dat zij nu dronk!... Weer dacht zij aan huis, aan de grootou'ers-samen, hoe die nu, eenzaam, daar zouden zitten, Groo'va lezende vóór het naar bed gaan.... Toch.... Niet terug.... Maar 'en dienst, hier, 'en dienst.... Zou tante nù nog mak'lijk wat vinden, nu het blijkbaar heelemaal uit was met al die menschen als Dominee, die vroeger klanten waren, vaak kwamen? Op die menschen had zij gerekend, had Groo'moe gerekend, na wat Oom eens thuis had gezegd, en na wat Tante nog kortgelee' had geschreven.... Hoe te doen dan nu, zonder die menschen?....
--Geer, wa' be' jij stil venavond!
--Geer denkt over d'er zonde na!
--Wéét jij wel eens wat zonde-n-is? vroeg meneer Maandag.
Geertje lachte:--"Beter as u misschien!".... Maar ze lachte gedwongen, verlegen.
--Beter as ik? Da' gelauf ik niet! Maar wij moete samen is prate!
--Ja práát jij is mit er, Maandag!
Geertje lachte maar weer, maar door, om toch niemand boos te maken. Maar ze dankte de klok die tien uur sloeg, daar Maandag opstond en Gerrit volgde.
Zij had een onrustige nacht, met droomen. Na een vreemde droom lag zij wakker, zij had van een brand gedroomd, of van vuurwerk. En aanstonds viel haar gedachte op 't vuurwerk, dat zij eens hier in de stad had gezien, buiten de Diergaarde, aan de Kruiska. Nooit had zij zoo wonderlijk mooi iets gezien. Vuursissers, schietende hoog en al hooger, en dan, daaruit vallend, bollen van zilver, glijdende blank door de blauwzwarte lucht, met een geluid als een flesch, die ontkurkt wordt.
Waardoor toch had zij dááraan gedacht, soms des nachts thuis, als zij niet kon slapen, en door de suizing van nacht-stilte heen, voer zoo fijn de fluit van de spoortrein, de laatste trein, die nòg een keer floot, en met schokkend knorren, daar ginds ver, weer voortging?....
Vreemd toch, zij wist het zich nooit te verklaren, zij had wel gehuild om dat spoorfluiten 's nachts en daarbij telkens gedacht aan het vuurwerk, aan de zachte zilveren-ballenregen. Nu weer dacht zij aan ballen en spoorfluit. En zij had nu niet het verlangen van thuis 's nachts, naar de stad en het nieuwe.... Nu was er een vreemde beklemdheid in haar, een wee-vaag gevoel van niet te weten, niet te willen.... Een zwakke drang, wel, om weder te huilen....
Hoor, daar kwamen geruchten van buiten. Zwaar gedreun van een wagen, en stemmen, net of veel menschen daar gingen en praatten... O, zij begreep, de brandweer was het; er was misschien brand in de buurt geweest....
Huiverig dook zij diep weg in de deken.
IV.
De dagen brachten nu aan Geertje almaar weer over verveling en onrust. Bij het opstaan al was ze moe. Ze had in huis maar heel weinig werk. Tante gaf haar haast niets te doen, maar soms wanneer zij Tante zou helpen, liet deze haar eerst een heele poos wachten, en wanneer zij dan juist met iets anders begon, of aan de deur stond of op straat, riep tante:--"Geer! Waar ben je nou! En je zou me helpen, zei je!" Nooit wist ze wat er gedaan moest worden, want nu moest dit eerst en dan juist dat. De vorige keer, met Tantes ziekte, toen zij de boel alleen moest klaar krijgen, ging alles zoo gauw en zoo makkelijk. En nu wist zij wel, al uit de verhalen en klachten van Groo'moe, dat Tante geen beste huishoudster was--het zag er ook alles uit, in huis!....--maar bij die wispelturigheid kwam toch zeker nog wat anders. Soms dacht ze, dat het enkel kuren waren om haar te plagen, uit wrok nog over die ruzie van Vrijdags, of om haar schielijk het huis uit te krijgen. Dan weer kreeg ze de indruk, dat de dingen zoo gek gedaan werden, omdat het niet anders kon en dat Tante alleen maar bang was, haar dit te laten merken. Tante hield wat voor haar verborgen, daar was ze zeker van. En Oom net zoo. Soms, wanneer zij de deur in kwam, hokte opeens een snel gepraat; Tante ging uit, en zei niet waar heen; Oom vertelde haar iets, dat hij had gedaan, en uit wat hij later ondoordacht zei tegen Tante, hoorde zij dat hij tegen haar gejokt had. Telkens geheimzinnigheden. Eerst, toen ze nauwelijks was aangekomen, die erge openhartigheid met dat wonderverhaal van een krant voor Kees Maandag, waar Oom dan de directeur van zou wezen, en sedert geen woord meer--en ook geen bezoek. Na die avond met de jenever, waar zij 's nachts zoo akelig van was geworden, had ze meneer Maandag niet teruggezien; en Gerrit, die vroeger haast dagelijks kwam, was er nog maar één keer geweest. Daarentegen Oom aldoor uit. Om de avonden te dooden, nam zij maar telkens een boek van de planken der "Leesinrichting",--zij was begonnen met Tante voor te lezen, terwijl die, scheef voor de tafel, met breede schoot, zat te stoppen aan haar zondagsche japon, kalefaterij waar geen eind aan kwam. Maar toen Tante het voor de tweede maal zei, dat het haar verveelde, "al dat gekle's van die minse die toch nie' bestaan hebbe"; toen had ze de vingers geprikt in de ooren, en was alleen voortgehòld in de boeken. Prachtige dingen had ze gelezen, vreeselijke dingen ook, maar prachtig toch om zoo te lezen. Maar dat was het juist geweest: wanneer ze zoo, in volkomen stilte--Tante dutte meest in, bij het naaien--weg was geraakt in een andere wereld, dan kwam Oom, en die was kribbig:--"Zoo, zit jij maar weer te leze, wat hei je nou uit de kas' gehaald? Zie je, dàt most nou Groova is wete," en verder niets, alleen met Tante halve woorden, dat zij niet begrijpen zou. En weer ging zij het keukentje binnen, en zag in de hoek, slordig, haar lage bed staan en had het bewustzijn een ongewenschte gast te zijn--die Oom toch niet wou laten gaan. Want zoodra ze daarover begon, kwamen de booze luimen nog heviger.
--Denk jij dan dat dat zoo m'ar gaat hier!
--Maar u hadt toch zelf geschreve....
--Zeker! en me zulle ook wel wat voor je vinde. God! omda' me nou dien moeial van 'en Gobius d'er buite wille houe'! Maar ik zel is zien bij de heere die ik dagelijks spreek voor de nieuwe krant, 't ken weze dat ik daar wat hoort....
Het was de eenige keer, dat Oom van de nieuwe krant had gesproken. Hoe het met de plannen liep, daar zei-ie Geertje nooit iets van. Ondertusschen leden ze armoe in huis. 't Was Geertje toch een raadsel, waar het geld van daan kwam, dat uit werd gegeven: in de winkel ging niets om, niets, 't was malligheid, de heele winkel! Zelfs de Leesinrichting trok niet: de jongen met de bril en zij waren net de eenige klanten. In de winkellâ lagen drie dagen lang vier en dertig centen. Ze lagen er en bleven er liggen, tot op een avond Oom in de winkel was geweest--de volgende morgen waren de vier en dertig centen weg, en lag er alleen een Waarschuwing van de belasting in de la. Die heele dag kwam er ook niets bij, tot 's middags een jongejuffrouw van de Schie een schrift van een dubbeltje moest hebben--de voorhandene waren niet naar haar zin, en ze ging heen met een van een stuiver. 's Avonds bleek er een stuiver geïnd, toen....
Nadat ze de lampen had aangestoken, stond Geertje een oogenblik aan de voordeur. De juffrouw in 't kroegjen aan d'overzij keek door het raam, en toen keek de vrouw die voor de toonbank stond te praten ook--dus die twee spraken van haar, misschien wie zij zijn mocht, of--over de winkel, dat dáár nou heelegaar niets in omging en.... dat de eigenaar pofte in 't kroegje. Hu!--Geertje trok de armen wat vaster tegen de borst met een rugbeweging of ze het koud had: wat een schande toch, zoo'n toestand! Wat een verschil, tusschen Oom z'en verhouding tot de menschen hier, en die van Groo'va tot de menschen in 't dorp! De famielje telde daar mee; Groo'va had altijd in aanzien gestaan, vandaar z'en huwelijk met Groo'moe;--en wie en wat was Oom nu hier! Geertje geloofde niets meer van die krant; wat Oom wel uitvoerde was haar een raadsel; maar wat ze zàg, hu, ze rilde er van. Wat een straat voor een boekwinkel! Hoe innig stakkerig om daar hier mee terecht te komen! In de heele straat brandden vier lantarens, en tusschen die enkele lichies in sufte de nevel voor eendere smalle deurtjes-en-raampjes aan makke nette goedkoope-huisjes, waar nooit een spoor van leven uit kwam. Het kroegje meegeteld, waren er drie winkelramen aan de overzij. Aan deze kant was er nog een minder: zuilie.... en, daar, de schoenlapperswinkel. Aan d'overkant was toch gas in de winkels. Bij de schoenlapper druilde de lamp-met-kap boven de bank waar de baas aan werkte. Zuilie, nee, gas hadden z'ook niet, maar ze hadden twéé lampen aan! Dat had Oom zoo doorgedreven. Tante vond het ook wàt dwaas; in de smalle winkelkast, bijna tegen het raam aan drukkend, leek de lamp tentoongesteld; buiten maat was die groote lichtbol (Oom had nog zoo'n ballon gehad) bij de engte van de kast en de schraalte van de inhoud. En dat moest nu menschen trekken! Maar je zag nooit een levende ziel! Oom had net zijn plek gekozen, waar-ie buiten de stadsdrukte stond, net er naast.... Och maar Oom deed alles er-naast! D'éérste straat--een dóóie straat--ná de drukke Zomerhofstraat! Waarom niet dáár? Daar was nog leven, wel niet als aan de Binnenweg, maar toch veel, voor een nieuwe buurt. Maar hier, het was gewoon malligheid. En dan kon Oom 's morgens nog met een ernstig gezicht tegen haar zeggen:--"Geertje, pas jij vandaag op de winkel, ik mot uit, 'k heb veul te loope".... Ja, ze zou oppassen--voor d'er zelf, ze paste d'er nou langer voor, zelf zou ze wel een betrekking zoeken....
Huiverend--'t was nog koud in de lucht--ging ze terug door het smalle deurtje, weer de bedompte armoedigheid in, met die eeuwige weeë lucht van gekookt eten en ouwe boeken.
V.
--Ja gut nou vin ik et wel....
--Nou dag!
--Dag Oom.
En veerkrachtig van blijdschap daalde Geertje de Binnenweg in. Hemeltje toch, wat een menschen daarginder! Zaterdagavond ook, daags vóór Pinkster. O, wat een prettige straat was dit toch! Zóó voelde je je in een stad! Prettig die wind ook! ze zeilde de straat in! Gunst, een kaffee dáár, dat was er tòen niet. Wat een rijkdom, wat vreemde ramen, maar je kon niks naar binnen zien. Daar waren weer de twee zilverwinkels met de gou'en-slangelichtjes. Als ze die winkelkasten zag, dacht ze altoos aan een sprookje, al dat licht en al die kleuren in de glans van de spiegelruit. Wat een mooie kristallen dingen; daar fluweelen schilden vol ringen; en de bodem van de kast heelegaar bezaaid met horloges.... Hè, daar die prachtige rooie snoeren en dat ritselen van dat licht langs de zilveren jongenskettings, en d'er tusschen de kelken met lichtjes, tusschen al dat geglinster gestoken.... Kijk, daar was de gang met de kar met bokkings, en ja, hier was Vermarsch toch ook nog.... Kijk nou, die had wel een heele rij bijbels!.... Dat zou ze toch is zeggen aan Oom. Hè, wat lag het hier lekker vol, spoorweggidsen, schoolbehoeften, prentbriefkaarten, 'en half raam vol. "Wàt 'en mooie kinderboeken.... Maar van die bijbels zou ze n'is zegge; of, wat gaf het!... Daar hadt je Elie. En hier De Zon! Hè, wat een winkel, dáárin te werke.... En dan hùn winkel!.... O dáár was Jansen--stil voorbij maar, ellendig toch je te moeten schamen.... 't Steegje voorbij, ja, daar was het huis: Haring, Stok- en Zoutevisch.... Zou Mina thuis zijn? Jee, wat een volk in 'et winkeltje. Toch maar naar binnen....--"Goeienavond".... Juffrouw Koenders keek niet op--als je de handen ook zoo vol heb'.... Zou ze durven doorgaan naar achter? Nee toch eerst de juffrouw gedag zegge.... Maar as Mina haar dan zag staan. Nou wat gaf dat? Zoo, wat naar voren. Zou ze? Ajakkes nee, niet de herkenning net nou er zooveel menschen waren. Jee, alweer twee achter haar. Och, wat zou 'et ook. Toch wachten. 't Winkeltje was nog precies hetzelfde. Al die bussen en die flesschen, daar die plaat, en die kaart van het Nieuwsblad. Wacht! Nou....
--Goejenavond juffrouw.
--Dag.... juffrouw.
--Is Mina thuis? Ken u me nie' meer? Geertje Hendriks. Weet u niet, die wel bij Mien kwam.
--O! ja.... Ja, Mien is achter.
Zij door. O daar was Mien al.
--Dag Mien.
--Hé bei jij 'et Geertje. Kom derin.
Daar zat ze weer.
--Bei je weer is hier?
--'k Ben weer gelesjeerd bij Oom en Tante, maar je weet, ze zijn verhuisd....
--Ja!....
De toon, waarop Mina dat enkele ja zei, Geertje voelde het, dat wou zeggen: ja dáár weet ik alles van, praat me niet van die verhuizing!.... En 't gesprek bleef even hokken.
--Wat 'en mense in de winkel!
--Ja da's altoos 's Zaterdagsavonds. En dan met de Pinkster, hé? Ben jij voor de Pinkster us overgekomme?
--Gut nee, 'k ben hier al veertien dage, en ik blijf hier, 'k zoek 'en betrekking....
--Wàt ze' je!
--Ja gut, weet je niet da 'k dat toe' al wou. 'k Wou zoo graag as kinderjuffrouw....
--Zoo! En.... hei j'al wat op zich'?
--Nee! 'k wou juist jou is vrage, of jij soms wat voor me weet. Jij kom toch in zooveel huize. Ik had gedacht dat Oom en Tante wat voor me zoue hebbe, ze hadden et ook an Groo'moe geschreve, dat ze wel wat voor me zoue vinde, maar ik zie d'er nog niet veel van.
--Ja, de beloftes van je Oom, daar weet hier de heele straat van. Maar waar die tegesewoordig verkeert, zal ie je niet veel moois bezorge. 'k Wil wel is hoore.... Maar et zou dan motte weze in 'en christelijk gezin....
--Ja, nou dat meende-n-ik ook.
--Nee zie je-n-et is maar, je Oom is zoo heelemaal anders nou.... Maar as jij zoo wil, met plezier.
--Ja graag.... Gaat het jou altoos goed?
--Och ja, zoo'n gangetje hé? De eene tijd is wat beter as anders. Maar me moeder he't goed d'er brood, 'k hoef 'et dus niet zoo te doen. Natuurlik komp 'er wel is wat tegeslag. As ik hier in de rijkdom wou, maar moeder zeit ook: je neem niet alles. 't Is toch ook voor de hééle dag haas'. Ik naai alleen in christelijke huize, en die benne d'er niet zooveel van de rijkdom. Nou en dan hei je netuurlik wel 'is onplezierige dinge. Net deze week nog weer, bij de vrouw van 'en aptheker, ze betaalde me negentig cente, andere mense geven 'en gulden, nou en de kost was d'er ook nou niet zóó. Maar 'en last, dat ik had met dat mens! Dan dee-n-ik dit niet goed èn dan dat. En aldoor maar niks as verstelwerk. Nou dat gaat je op 't laa's vervele en ik heb d'er maar afgeschreve. Dus nou heb ik me dinsdagge ope.... Kijk, daar 's moeder ook....
--Hoe gaat het je, Geertje? 'k Zou je zeker niet herkend hebbe. We hebbe anders nog wel is gezeid, ik en Mien, hoe zou dat meisje et make.
--Je hadt nog gezeid dat je nog us zou schrijve....
--Och ja gut, maar je begrijpt....
--No' ja, Mien zait dat maar zoo. En je ben zeker weer bij je Oom?.... Daar is et anders wel veranderd....
--Ja, dat het zij al ondervonde.... Verbeel je Moeder, d'er Oom, of d'er Tante, had an d'er Grootmoe geschreve, dat zullie wel 'en betrekking voor d'er zoue vinde....
--Hoe, 'en betrekking?
--Ja, ziet u, 'k wou hier graag gaan, as kinderjuffrouw. En vroeger had Oom is, toen-ie thuis was, gezeid, dat hij dan wel is voor me vrage zou bij dominee Gobius, of die niks voor me wist....
--Bij dominee Gobius! Nee, daar zal je Oom voor jou gaan anbelle!
--Geertje vroeg offe wij niks wisse....
--Wij? Maar meid, hoe komp dat zoo? Vonne je grootou'ers dat goed, dat jij zoo maar op de bonnefooi naar Rotterdam ging?
--Ja, die dachte dat Oom wat zou vinde.
--O, dus, die wete van niks! En jij zit mit de gebakke pere. Maar 't is nog mooi dat je Oom je de kos geef, want anders.... 'en kostganger meer, die past hum nou ook nie' bezonder....
--Daarom wou 'k d'er juist graag uit. Weet u niet ie's?
--Ja kind, as ik wis.... Zie je, maar.... Jonge, meid, is dat no' wel goed voor je? In zoo'n groote vreemde stad, jij die zoo van buite kom.... Weet je wel, wat het is in zoo'n stad?....
--Maar, Moeder, Geertje kan hier toch wel 'en fesoenlijke betrekking vinde....
--No' ja, maar dan nog.... mit al die verleiding. Afijn, dat benne mijn zake niet.... Mien, la' me morgen Griet der is vrage.... Misschien dat die wat weet.... Anders, zoo midden in de tijd....
--Och ja, Oom schreef: Kom maar vast, dan zoeke we samen op ons gemak....
--Hei je al is in de Kerkbode gekeke?
--In wat?
--De Kerkbode, da's de krant mit de predikbeurte. Maar daar vin je-n-ook de beste dienst-anbiedings in....
--O!--Geertje herinnerde zich! De Kerkbode! waar Oom van sprak.... Zou zij daar nou der dienst in vinden? En dan op juffrouw Koenders d'er raad!?
--Hier is-t-ie, zei Mien.
--Mag ik daar is in kijke?
Juffrouw Koenders had "volluk" hooren roepen. De meisjes keken samen de krant door. Maar ze raakten opnieuw aan de praat. Geertje vertelde van thuis, van 't dorp. Mina deed een kleinigheid blijken van "een vriend", die wel eens aankwam, morgen zou hij in de kerk zijn, dominee Gobius preekte dan; hij, de vriend, kende Dominee ook.... En heldhaftig vroeg toen Geertje, of ze mee mocht naar de kerk....
De meisjes scheidden: "tot morge' dan"; Geertje zou Mina komen halen. En ze kreeg De Kerkbode mee. Vlug liep ze nu, door de menschen heen. Bang was ze niets, hoewel het al laat was. Wat konne haar al die flauwiteiten van vreemde jongens schelen! Waar ze een beetje angst voor had:--wat zou'en Oom en Tante zeggen? Oom had toch al zoo gemopperd, dat ze naar juffrouw Koenders toe wou! En met Mina nu naar de kerk! Nou maar, Groo'va had nog weer geschreve, ook aan Oom, of zij wel trouw "mee" ging ter kerke. En ze was er geen een keer geweest.... Als Oom boos was, haar een zorg. Ze verkeerde veel liever met menschen als juffrouw Koenders dan bevoorbeeld met meneer Maandag. Ze voelde zich nu weer heelemaal anders, lang zoo onrustig niet, veel gewoner. 't Waren wat een aardige menschen, orthedoks, ja, maar niks stijf. Groo'moe zou ook zeker blij zijn, als ze morgen van hen schreef.
En op eens.... het kwam zoo vreemd, net in al die herrie van 't Singel, kreeg ze zoo'n verlangen naar Groo'moe, zou ze plots thuis willen zijn, morgen met Groo'moe naar de kerk gaan, Groo'va hooren bijbellezen, vóór de preek van Dominee Wevers....
VI.
Het had de Pinksterzondag geregend. Na de kerk was Geertje met Mina meegegaan; eerst om vier uur was ze thuisgekomen. Oom had gelukkig weinig gemopperd. Maar De Kerkbode had ze 's Zondags-, zoo min als 's Zaterdags-avonds durven vertoonen.
's Avonds had ze naar huis geschreven: heerlijk, geen brief nu met verzinsels; enkel verteld, van de kerk, van de preek, en van de vriendelijke ontvangst bij juffrouw Koenders.
Terwijl ze zat te schrijven, was Oom gekomen:
--Geer, morrege ga je met mijn uit, dan mag je mee na Heins z'en huis....