Part 28
Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde 's morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:--"Wat vertelle ze nou toch van je?" en was doorgeloopen met een:--"'k Zou me nog maar 'is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!".... In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.... er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;--"Ik wil ook wel 'es 'en kinderjuf in m'en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as 'en ander?" maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg--èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden, met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer's vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed'lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder 't eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. 't Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d'er eer, d'er leven had weggesmeten voor 'en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d'er Groo'va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee' ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d'er trots. Maar dat kon 't toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z'en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.... Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d'er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.... en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.
Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam--als een moeder....
En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.
De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.
Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik kom."
Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep--en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.... máár angstig!....
VI.
Eén avond begon zij over Jan.
Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. 't Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.... Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.... Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan....
Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:
--Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, 'k zie het al aan uw gezicht!
Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u's hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.
--Nog een make? lachte zij, opstaand.
--Neeë, no' já, voor disse keer.
Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld--drie malen, het was voor hem.
--De pos'!
Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje's vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. 'n Wonder! àls daar nu zijn brief was....
Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet--zij had Hem gesmeekt, Hem had zij 't gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. 't Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief....
--Ja! fo' jau!
Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk're dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze 't antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.
Maar met-een:
--Geer!! Chot! p's op! Geer, u'chot, maid....
Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.
Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af--een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd--, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:--zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!--De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.
Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.
--Maandag....? Wat hew we nau?
Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:
--Wàt is-t-er?
--Die frauw die bai Maandag is mot befalle.
--Ja da' wwaite we!
--'t Schaint dat et no' saufer is.
Maandag verklaarde dit niet te gelooven. 't Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.
--'k Will ut jullie well alles fertelle. 'k Will d'er we' graag us aufer spreke. D'er wurde glauf ik dinge gedacht.... M'ar 'k smeek je, jefrau, ga eers' mee....
--Ja ma'r zeg us, gelukkige fader, m'en frau is geen froetfrau haur!....
De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.
--Maak no' tuch fort....
Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.
--Man je mott'er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.
Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:
--Eerst mo' we de'r daar fedaan helpe.
Maandag, dankbaar, wist meteen.--Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.
De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam 't doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.
Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.
Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.
Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe's zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:--de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.
--'t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee' d'er augen aupe-n-en en d'er lippe bewauge, no' lait se weer of se slaap.
Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.
--Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.
De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.
Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:
--Morrege froeg kleed ik se-n-an en da' neem ik se mee bai maîn.
VII.
Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.--"Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig...." Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.
Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo'va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.
Niet Groo'va--d'er vrind Heukelman had haar geschreven. Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? 't Kòn, dat ze, hópend op Groova's vergeving, over d'er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo'va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo'n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:--"Ja, voor jou!" 't Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar--ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d'er vroegere vrijer--die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.... Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?--Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d'er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d'er wat gebeurd?--'t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar 'en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje's afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug--en nog verliefd....
Geliefde Geertje.
Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. "Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u." Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? "De liefde bedekt alle dingen," staat er in denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: "De liefde dekt alle overtredingen toe", "die de overtreding toedekt, zoekt liefde," "een vriend heeft te aller tijd lief."
Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. "Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde." Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. "En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde." Denk ook aan dit uit Daniël: "Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben."
Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem
Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,
Willem Heukelman.
Spreuken 16 : 6; 1 Petrus 4 : 8.
Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo'n kinkel z'en beschaving. Geer had ommers verteld van d'er groo'va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z'en lessen!--Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als Kruger in den laatsten oorlog: z'en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.... Een troost, als 't gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als 's zondags ze'n lakensche pak om z'en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman's kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar--was 't iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.... Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met 'er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d'er droevige liefde voor Heins.
Dat ze-n-'en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.
Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman's brief nooit lezen.
Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed--de Tabbe's hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met 'er afliep....
Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich rekenschap van, dat nu hij Heukelman's brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.
Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.... Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.
Hij zou--ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,--makkelijk: "hoofd van de school"; en, een tweede telegram, alleen "Willem Heukelman"; zoo'n rijke boer, 't kwam waarschijnlijk terecht. "Geertje ongesteld, kom over"--met zijn straat en het huisnummer....
Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was 't noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!
Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van "de kinkel", dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman's vroomheid terug. Zòu 't gaan met Geertje? Was 't niet het beste?....
Toen.... opeens.... god ja, ze riep!
--"Maandag", riep ze, niet meer--"meneer".
Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.
--'k Heb zoon pijn, zoo'n erge pijn.... Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?
--Arme maid.... sau'n pain.... ik hèb wat....
Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.
--Wat is dat? Och nee.... 'k Heb zoo'n pijn.....
--Toe no', je hadt et al lang motte neme, ma'r je sliep sau lekkertjes.
--Och....
In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen--stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.