Part 26
Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:--hij wou nou ook wel 'en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.
De buurvrouw mokte, die keurde af. 't Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag's vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z'en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d'er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen. Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.
Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.
--Morge zal ik gaan, maar toe, la' me venacht hier blijve!
Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.
--Hau je nug altaid saufeill van um?.... Arme maid....
Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d'er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.
--Wil ú d'ar heen!?
--Ja netuurluk! Jai ken 't nie doen.
Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze 't weten en hij zou goed meebrengen.... Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da'lijk Groo'va schrijven.... Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. 't Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.
Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam--en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis....
De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. 't Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. 's Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes--alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.... Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden 't hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou 't ook niet kunnen, zoo'n huishouding.... Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.... Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze 't zich voorstelde: Oom bulderend, Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.
Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. 't Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.
Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.
Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.
Zij schoot op:
--Wat zeie ze?
Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.
--Toe meneer.... hoe was et, thuis?
--De groete! kwam 't uit de hoekschemering.
Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje's gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:
--Maid, haij no' nuch chain drinke geset?
Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.
--Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.... Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?
Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.
--Se ware well naidig....
--Zie je wel!
--Maid wat haj dan gedacht?.... aarzelde hij op een toon van vertroosten.
Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d'er tusschen door had gegild:--Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo'va.--Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.... Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante's zeggen over het schrijven aan Groo'va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.
--Dan zal 't nou gebeuren, dan moet Groo'va wete.... En even later:--Hè, had ik nou mijn brief maar hier.
Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.
II.
Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:
--Maandag, dat ken toch zoo niet. He't die meid hier venacht geslapen?
--Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.
--Nai, je blaif, saulang je will.... Ma'r.... je mot nie baus op me weise, 'k heb d'er nau wat motte fertelle....
Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.
--Sie je, sau begreip se wel, datte....
Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.
--Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.
Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.... En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.
Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo'va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.
--Me goed!....
Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. 't Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.
--En uw werk?
--Au, me werk, da' kom terecht.
Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:--Wat zit u hier prettig!
Toen dacht ze even na en schreef vlot:
"Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo'va schrijven. De groete van
Geertje.
Toen 't briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.
--Hè, da's nou nie' mooi van u. As ik dat nog niet kan doen....
--O, d'er blaift genoch te werke. 't Briefie al af?
Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom's huis uit....
Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag's bedstee in de voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.
De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.... En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo'va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.
--Wacht....
En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.
Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.
III.
Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z'in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bij Hem was gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag's gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.
Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo'va! ook Groo'va, zèlfs Groo'va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo'va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom's bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo'va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo'va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo'va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo'va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind'lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom's huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo'moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo'va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and're geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z'om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.... Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk....
Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo'va's grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.
Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en van buurvrouws listen in het begin, om althans de kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje's onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk--de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen--, maar aan Maandag's teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: 't was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:--"Nou, et valt me mee." Ze zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.... Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.
Toen het mensch vroeg:
--Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?
antwoordden haar oogen met trots en verachting.
--'t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje's schoot.
--'k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.
--Aue!.... En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:--Hebbe me-n-et sau laat!--Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:--Nau.... ajuus dan.
Hard viel de deur toe.
Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo'va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.... Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.... Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui's stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje de "mooie meneer" verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.--"Niks is van jou! Je vader he't niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft...." Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg--Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer....
Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje's blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee' op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind'ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z'en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.
Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.... Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.... Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg!
IV.
's Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.
Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid'lijk de woorden:
--Ja, hier is et. Ga maar binne.
Over Piet's bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.
Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo'va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet's bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan 't voeteneind van Piet z'en bedje, daar waren zij....
Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.
Nu was 't er, nu zou het gebeuren, met Groo'va.
Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z' onderging een besef: 't was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden--'t eten--buurvrouw helpen. Toen--het duurde bij een zóó kort--stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.
--Groo'va!....