Part 24
--Ja seker schandegeld! Eers dat ie sau feill praats heb gehad! Hains mos teronder bai dit en bai dat, hai sau 't same doen mit Mauses. Nau, die doch ter 't saine fan, goochume jaud, wat? had j' Aum in de gate. Dattie s'en neef 'en loer wau draje, da's sen ongeluk gewees. Anders hattie et nauit sau angeleit met j' Aum. Geld kon die kraige, meheer Driessens, fan de drukkerij fan Wilton en Co., sau em op weg hebbe gehollepe. Dan had al et gedoe fan Hains en Benjamin gelege! M'ar toen he't je Aum de saak verraje.... ja seker verraje-n-an Benjamin!....
--Oom?!
Nee, Geertje gelóófde 't niet! Tartend zag zij Maandag aan.
--Dan nìet verraje. M'ar toch maar verklapt. 't Ken weze dat et meer stommigheid was, enkelt om te kunne poche. M'ar et is baikans niet te glauve. An je konkerent det te vertèlle!.... M'ar laat et dommigheid sain, 't was 'en schaaj, 'en schaaj faur Mauzes, die um niks doen kon, 'en schaaj faur main, alleen niet faur hum, omdat ie dalik te finde was faur wat Benjamin um wau gaife, die wist wattie deej dat ie um der bai nam, want d'armee was tie uijtgekocht.... Affain, 't is gebeurd, 't is faur main ook beroerd, m'ar 'k heb toch m'en braud, wat? Dag Geertje, 'k mot ferder.
De trieste, goedige oogjes van de bultenaar zagen even goedig haar aan. Maar Geertje voelde wel: uit was de vriendschap. Hoorde zij ook niet bij Oóm? Voor Maandag was zij een stuk van Oom. En wat was dit nu voor verhaal! Niets begreep zij er van, en toch.... Liegen, Maandag, nee, dat kon niet!
Nochtans kòn zij in deze dingen niet komen. Want als dit alles zoo was, wat dan?.... Wat bleef er dan van Jan zijn toeleg om haar en zijn Ismaël te helpen? Zij was op eens weer bezwaard, weer moe.... Niemand had ze, wie ze 't kon vragen. Ze dorst niets zeggen, thuis; en ze moest heel een ávond daar zitten, hooren hen aan, Oom en Tante en Gerrit als die kwam, met dit angstig stormen in haar van vragen waarvan àlles afhing....
XI.
--Tante, had ze gevraagd, is 't goed as 'k es 'en avend na Mien Koenders loop?
--Na Mien Koenders! hoe kom ie d'ar no' w'er bai?
Geertje had ongeloof gehoord in de bot-kortaffe toon. En listig had ze erg gewoon, als kon het haar niet veel schelen, geantwoord:
--Zoo maar, 'k wou d'er nog wel is zien.
Van toen af, wist ze, dat ze niet naar Mien ging. Ze had aan Mien en d'er moeder gedacht, de zondagmiddag toen ze uit de kerk kwam. Omdat het vrome menschen waren. Omdat ze behoefte had aan zoo'n aanspraak, van christelijke, ernstige menschen. Een oogenblik had ze verlangd naar de vernedering, de zelfbeschuldiging bij haar binnenkomen in de winkel en de achterkamer, onder de strenge, terstond berispende oogen van juffrouw Koenders en van Mien, die dadelijk aan haar zouden zien, hoe het met haar was geloopen; juffrouw Koenders, die spreken zou, net als Groo'va later doen zou. Misschien, dat ze 't niet onmiddellijk opmerken zouden, met d'er zondagsche rouwgoed kwam 't niet zoo uit. Dan zouden ze, als de laatste keer, in een afgemeten begroeting hun boosheid over Geertje d'er wegblijven toonen. Langzamerhand zou alles blijken, zou zij alles zeggen.... ze zòu het, ze wou.... Te minste, wanneer ze alleen met d'erlui was, als ze Mien's vrijer d'er maar niet vond en misschien nog andere menschen, de femielje van Mien d'er vader.... Die vrees voor de vrijer en andere menschen had haar weggedreven, de kant van huis op. Maar sedert was de gedachte aan het bezoek telkens teruggekeerd, en nu in haar angst, haar ongedurigheid door de dingen die Maandag verteld had, wilde ze menschen spreken, wie ook; zon ze op een gang naar het Hang, te verbinden met een bezoek aan Mien Koenders. Zenuwachtig, wist ze zelf niet, waar ze naar toe zou gaan en waar niet; maar ze mòest de straat op, d'er uit. Daarom had ze, aarz'lend, gevraagd, of ze naar Mien mocht; plots stil beslissend, toen Tante's bits wantrouwen haar die steek gaf en ze van niets meer wist dan een drang tot tegenweer met sluwe leukheid.
Nu liep ze op het Singel--en niet naar Mien. Met opzet ging ze deze weg, iets òm, maar ze had ommers nu de tijd, en ze mocht Oom es tegenkommen. Tot bij de Binnenweg, maar dan links. Vrijdag-avond: Jan zou d'er zijn, dan bleef-t-ie altijd laat zitten schrijven. Ze had dus maar naar de winkel te gaan en te vragen om meneer te spreken. Dat kon best, was heel gewoon. Dom, dat ze 't niet veel vroeger gedaan had. Er trilde een opstand door haar gevoel, dat ze weken had laten voorbijgaan, zonder éven Hem te bezoeken. Wel met weifeling: immers òm Hem, opdat Hij thuis geen moeite zou krijgen, had ze gewacht, angstig-smachtend gewacht, aldoor uitstellend iedere poging.... Maar al gebeurde d'er wat met het mensch; voor hun kind, voor hun liefde moest het. Hijzelf zou het billijken, als ze hem uitlei, hoe Maandag haar in de war had gebracht. Schoon moe van veel werk, voor Tante gedaan, verhaastte zij onwillekeurig de pas. In maanden was zij niet in de avondstilte geweest. Een oogenblik schreide de weemoed in haar, daar zij aan vroeger dacht, toen zij vàn daar kwam en ze ook heen-en-weer ging door de menschen, de paren, de groepen, de lastige jongens, langs de bonte winkels vol licht. Nog weer schielijker ging zij voort. Door de ontroering van haar verlangen schokte slechts berouw-verbazing, dàt ze 't bestaan had: zóó lang van Hem af. Vast overtuigd was zij weer van zijn liefde, en glimlachend vergaf haar denken, dat hij niet meer moed getoond had. Zooals een moeder haar grooten zoon zou vergeven.
Eerst toen de deurknop van de winkel haar uit de hand schoot, nadat het slot gelicht was, en zij, dus nog eens naar de knop tastend, de deur echt bedelaarsachtig open duwde, doorloomde haar verlegenheid. En het kon wel zijn dat ze bloosde, toen zij, plotseling vóór Bos, knikkend hem goedenavond zei en vroeg:--Hoe gaat het? en na even ophouden:--Is Meneer d'er! Kan 'k em es spreke?
--Menéér? lijzigde Bos. Zijn dooie oogen ontweken haar schuw. Hij had even naar haar gekeken, toen zij in de deur stond. Nu telde hij voort aan de vellen kleurpapier die vóór hem op de toonbank lagen.--Acht, negen, tien.... zei hij half-hardop, terwijl zijn vingers de bladen in een hoek oplichtten.
Geertje zag zijn doen even aan.
--Ja, ik wou 'm graag effe spréke.
Zij trachtte bevelende vastheid aan haar stem te geven, doch het krieuwelde in haar keel en ze moest kuchen, daar haar stem oversloeg.
Nu zag Bos even op. Zijn blik gleed langs haar, stuursch-verlegen.
--'k Glauf nie'.... maar ik wil wel es kaike.
--Asjeblief, zei Geertje heesch. Ze kuchte nog eens, omdat ze nu heesch sprak. Ze vond het ellendig, verlegen te worden. Maar die Bos, hij deed zoo vreemd! Vroeger, om onder een hoedje te vangen, en nou zoo onvriendelijk. Ze begreep wel, hij wist, was bang.... onwillekeurig zag ze om naar de binnendeur; God! als nou het mensch eens kwam....
--Toe, ga dan effe, drong ze aan, daar Bos bleef treuzelen aan zijn papier.
Nu zag hij haar recht in het gezicht, boos, hoonend.... Ellendeling, vroeger altoos de beste maatjes, haar flikflooiend om suiker in zijn koffie; bangert, nu-d-ie wist van haar.... Als Jan nou es.... niet haar boven liet komen, maar haar tegemoetkwam, bovenaan 't trapje, zooals ie deed met leveranciers, dàn zou Bos kijken! dan hield ie straks bij 't weggaan de deur nog voor d'er open....
Toen hij het trapje opging, kraakte de tweede tree. Een ontroering doorhuiverde haar. Die tree had de laatste tijd gekraakt, elke morgen, wanneer zij kwam met de koffie, van het kantoor, de winkel in.... Gelijk een windvlaag, gelijk een stortgolf, was de overstelping in haar, nu z' opeens voor alles oog had, de kasten, de tafel terzij van het trapje, de mommen en poppen die van de zolder neerhingen, alles, iedere kleinigheid. Och, er was niet veel verwisseld, alleen weer andere ansichtkaarten. Het deed zoo'n goed, terug te zijn; hier was haar geluk, haar leven.... Jan, de naam zong in haar ziel.... Even, bedeesd, dacht zij ook aan hun kind.... als dat ooit eens.... Maar het was, of gestommel.... Ze deed vanzelf een pas vooruit, dieper de winkel in, om niet opeens vlàk voor het mensch te staan. Doch de binnendeur bleef dicht, ze had het zich verbeeld. Hè, het duurde wel heel lang. Zij leunde met de hand op de toonbank. Daar stond het krukje, waar ze zóó vaak op zat, waar Jan haar eens een zoen had gegeven, toen ze alleen waren in de winkel, brutaal, om moog'lijke kijkers op straat.... Zij dorst er nu niet op gaan zitten. Ze werd weer moe; och, dat was bangheid. Als.... O, daar kwam.... Bos. Niet Jan.
Strompelend kwam hij het trapjen af en bleef schuins vóór Geertje staan.
--Ja, 'k dach' wel. Meneer is d'er niet.
Wat zei-d-ie!
--Is Meneer d'er niet!?.... Venavend niet?
Strak zag ze hem aan. O! ze zag het, hij loog! Hij loog! God, ja maar.... dat wou dan zeggen, dat Jan-zelf, dat Hij niet wilde.
Het was opeens, alsof zij groot werd, of haar oogen verwijdden, haar hoofd verhoogde.... De borst vooruit, zuchtte zij diep. Toen scheen het trapje te wijken, te draaien.... Nee! flauwvallen zòu ze niet! hier niet! Ze wilde zeggen, ze deed haar best om te zeggen:--Dan kom ik nog wel es terug. Maar dáár ontbrak haar de kracht toch toe. Ze knikte even naar Bos, die haastig langs haar heen was gestapt, als bang dat ze niet naar de straatdeur, niet de winkel uit zou gaan; toen waggelde ze weg....
Het bewustzijn hield haar staande, dat dáár het mensch was, Sefie.... en ook Hij. Ook om Hem mòest ze staan blijven, loopen. Alles leek haar hol, bodemloos, leeg. Ze wist niet meer, wilde niet meer; maar ze liep; vóórt moest ze, weg, want Hij wou niet van haar....
Het leek haar een onmogelijkheid, dat zij nu opeens staan zou voor Tante. Even dacht zij aan Mina Koenders. Maar ook bij die kòn zij niet zijn. Toen wenschte zij te wezen bij Maandag. Hij, alleen, was misschien nog haar vriend.
XII.
--Wat! Wat! Wat! kreesch Tante. En op de maat van elke uitroep kwam ze, van de drempel tusschen winkel en kamer, waar ze, ongemerkt toegetippeld op het gerucht van het drukke gepraat, naar Oom's woordenvloed had staan luisteren, een pas nader tusschen hem en Geertje. Oom bij de deur, de klink in de hand; Geertje neergezonken achter de toonbank, zoo zwaar met 'er last op het kleine krukje: zwaar en zich voelend als uitgeput; Tante in 't midden, een hoonende furie.
Onder 't eten had Oom zitten mokken. Zoodat Tante was uitgeschoten:--Nau, wat is het verdikke nau weir?--En op het oogenblik, dat hij de deur zou uitgaan, was hij tegen Geertje begonnen.
Verwezen had ze naar hem geluisterd. Eigenlijk wist ze alleen dat ze moe was. O, Gòd, zij was zoo moe! Die goeie Maandag had het 'er gisteravond gezegd:--Meid, je ben doodop, je mot na bed.--Leunend op hem, die flink had gesteund, was ze in een verdooving naar hier gestrompeld. Met de oogen toe had ze aan tafel gezeten, tot Tante zelf zei:--Ga jai maar.--Toen had alles gedraaid en gedeind; de piepend tot grillige lellen verkrimpende gastong boven de gootsteen in de keuken had haar werktuigelijk toedoffende oogen telkens opengeprikkeld; tot ze, in schemerrosheid zich alleen nog haar smachten naar slapen bewust, gelijktijdig de pijn van haar gewrichten bij het in bed zakken, en de wrevel over Tante's nog binnenkomen met vatenboel had geweten. Met looden hoofd had zij lang geslapen, tot weer de hinder van Tante's af- en aansjokken haar had geërgerd, en ze als een pijn de schrik gevoeld had van de gewaarwording, dat het dag was, niet meer het weg-zijn-in-de-nacht.... Maar ze was nog blijven liggen in een bedenken dat niets haar kon schelen. Al sliep ze niet, ze rustte te-minste. Ze had heel goed gemerkt, dat Tante's kousenvoeten hoe langer hoe olifantiger ploften en plompten over de dreunende vloeren; dat Tante de dingen op 't aanrecht kletste en norsch half-zacht-sprak met Oom in de kamer. Maar zij had zich doof gehouden en geen goeienmorgen gezeid, toen Oom kwam en snuivend boven de gootsteen plaste. Ze had zóó gedacht: ja, verrek jullie maar. Tot--Oom lang weg--Tante 't niet meer uithield en, breed, handen op dijen, voor 't bed, op een toon van mijn-neem-je-niet-in-de-maling gevraagd had:--Seg, sau j' auk is opstaan? Toen had ze zich gekleed, lui-langzaam. Zij had niet gesproken, evenmin Tante. Die was uitgegaan om visch. En in de, het huis als opruimende, eenzaamheidsstilte had zij even wanhopig geschreid. Ook had ze nagedacht: ze zòu schrijven, zeker schrijven, nu, alles, aan Groo'va.
Hiervoor was ze dadelijk na 't eten naar voren gewankeld en neergevallen in die stoffige ontreddering van de winkel, die geen winkel meer was, die bij hun klein-behuisdheid zoo veel dienst zou kunnen doen, doch die Tante liet wat hij was--uit armoe en uit achteloosheid. Grijs van het stof, lag daar heel wat papier nog, een pak van van-alles, bij leege doozen, waar Tante verstelwerk naast had gelegd, hemden van Oom en oude lappen. Juist toen Geertje van onder de met stoflaag bedekte een katerntje weggrissen wilde, kwam Oom de winkel door, naar de deur.
Dadelijk toen zij hem norsch had gezien, bij zijn thuiskomen voor het eten, had zij gedacht: hij heeft Jan gesproken. Daarna had zij opgemerkt, hoe hij Tante wenkend aankeek. En onder haar wegwankelen hier naar voren, had zij hem hooren opstaan en Tante achternagaan, de keuken in. Maar telkens had zij zóó gedacht: verrek jullie maar, verrek jullie maar. 't Deed goed, dat te hóóren in hare gedachten.
Nu had hij, met de hand aan de deurknop, op een toon, als stal ze, gevraagd:--Wat doe jij daar?
Zwijgend had ze 't papier laten zien, wetend dat die beweging tartte.
--Da's mijn papier, ja. Wat mot je daarmee?
--'k Wou 'en brief schrijven.
--O got, soms nog an Heins? Nou m'ar, dat laat je hoor. Bei je bedonderd! Denk ie da' w'al nie' meer as genogt last van je hebbe? Wou je da'k ruzie mit de vent kreeg? Dank je. 't Is nou wel geweest. Je laat 'um mit rust, hoor! Hei je 't verstaan?
Zacht zei Geertje, dat ze aan Groo'va ging schrijven. Oom verstond niet en raasde voort. Toen furiede Tante nader bij. Zij deed, of ze nu, uit Oom's verwijten, eerst vernam van Geertje's bezoek. Dat prikkelde Geertje op uit haar loomheid: altijd liegen, hè, wat een wijf! Maar meteen hoorde ze zich uitgescholden worden voor een leugenaarster.
--Sau'n slet! Die fraag me: mag 'k na Mien Koenders? Tante ma'k asseblief es gaan?--En Tante deed een kinderstem na.--En dan klep ze verdòmt weer die fent na, die al lang genogt fan d'er heit. Genog tot hier! Seg, haur ie, tot hier!
Geertje deed zich pijn aan de buik, zoo kneep ze de vermagerde, van grof werk eeltig en goor geworden zenuwvingers der ineengevouwen handen tegen elkander boven haar schoot. Haar lippen hadden tot antwoorden bewogen, toen Tante háár een leugen verweet. Maar 't was waar, ze hàd gezeid, dat ze naar Mien Koenders gaan zou. Ze hàd gelogen. Wat kwam 't er op an! Iedereen loog ommers, iederéén! Verrek jullie maar! Verrek jullie maar! Jullie liegt ook. Je doet niet anders! Heer in den hemel en dat verweet háár.... Haar lippen beefden, haar oogen glansden, bij Tante's spreken over Jan. Maar ze zweeg en bleef onbewegelijk zwijgen, ook toen Oom zijn gezwets weer begon. Ze had een steek aan de slapen gevoeld en toen was 't of er lood in 'er hoofd kwam; van boven leek 't leeg en van voren zoo zwaar. As ze nou weer hoofdpijn most krijgen.... Angstig dacht ze aan haar kind. En dit gaf haar kracht tot verweer.
Ze herhaalde:
--'k Wou niet schrijven an Jan.
--Zoo, wat mos je dan mit dat papier?
--'k Zeg u, 'k ga an Groo'va schrijve.
--Groo'va! Wat mot je nou weer mit Groo'va?
--Mag 'k nie meer an Groo'va schrijve?
God in den hemel, de aak'lige wezens! Oom die Tante vragend aankeek. Tante die knikte. Zoo, dus dat mocht. Nou maar, dat was z' ook maar geraden. Anders liep ze zoo d'er huis uit. Of ze riep om de peliessie, as ze d'er soms wouen hou'en.
Maar nou was het nog niet uit! Oom, die zwetser, kle'ste maar door.... Wat! wàt zeid'ie? Nee, die was brutaal! Oom, die opkwam vóór Jan tégen haar!.... Alles om 't geld.... Ze huiverde. Ze moest zeggen, met bevende lippen:
--O, ben we nou daaran toe!
Oom, voortrazend, hoorde haar eerst niet. Maar Tante had weer met haar oogen gewerkt. Oóm hield in.
--Wa' zei ze? Wa' zei je?
Geertje, giftend haar toon tot een hoogheid:
--Ik zei: ben we nou daaran toe?
Maar nu siste Tante vooruit. Zij bleef in haar woorden steken van boosheid. Wat het slet dan toch wel dacht. 't Geld lag zeker te grabbel op straat! Ja, als je van een ander je kost kreeg. Oom moest wèrken voor zijn brood. Maar eerst moest ie werken kùnnen. Hij had lang genoeg gezocht. Dat et nou toevallig zoo trof, dat ie juist werk voor de vent had, door wie Geertje zich zoo onbenullig had laten schoffeeren, dat kon toch geen reden wezen voor Oom, om het werk niet aan te nemen. En natuurlijk--werken voor iemand en vijand met 'em zijn, dat ging niet. Geertje had het moeten begrijpen. Maar ze was als een kind zoo dom. Trotsch, parmantig, trotsch as 'en pauw, maar och got, zoo kinderlijk dom....
Geertje dacht niet meer: verrek. De liefhebberij van dat ruwheidje te laten zingen in haar hoofd, zooals vroeger de vele bijbelteksten, was weggezonken met àlle denken. Wezenloos zat ze en staarde dof. Oom en Tante keken elkander aan als twee menschen die een derde hebben afgeranseld, en, met een blik over de nederliggende heen, elkander zeggen, dat het genoeg is. Oom ging de deur uit en Tante naar achter. Een paar buurtkinderen kwamen loeren door het weinig beschermde winkelraam, waar achter tegenwoordig niets meer te kijk was. Ze zagen nieuwsgierig naar die starende, onbeweeg'lijke vrouw.
Een stuip in haar buik wekte Geertje uit de verdooving. Toen trachtte zij de brief te schrijven. Zij zette de datum en "Waarde Grootvader." Draaide aan de pen.... Wat moest ze schrijven!? Dat een man haar had bedrogen? Hàd hij?!....
Ach, zij wist het niet! Gisteravond, onder Maandag's spreken, was zij overtuigd geweest. Maandag had ook geraden:--Ga weg! gá toch naar huis, naar je dorp, arm kind. Wat martel je je en lijdt hier armoe! Denk aan je kind, ga krachten opdoen, trek zoo gauw als je kan naar buiten.... Zij had het gehoord. En gedacht: het mòet. Weg. Van alles wèg--om het kind. Jan verstiet haar, zij mocht niet meer hopen. Weg moest ze, Rotterdam uit, om 't kind. Dadelijk zou ze schrijven aan Groo'va.
Maar nu ze zat, met het velletje vóór zich.... "Waarde Grootvader".... Wat nu meer?
Weer voelde ze 't lood in haar hoofd en die dofheid, net of er boven in 't hoofd wat brak....
Zoo mocht het niet. Om het kind niet. Gevaarlijk.... Dokter had gezegd: Pas op....
Toen zij het velletje had weggeborgen, achter in de winkella en de pen uitgeveegd; toen ze, opstaande, wist: vandaag nog niet--viel de moeheid van haar af als een doek.
XIII.
Over Jan Heins werd nu weder gesproken, zoo vaak en op bijna dezelfde toon, als toen Geertje pas in de stad was en naar een betrekking zocht. De rijke drukker, de goocheme koopman, die een kennis, een vriend was van Oom. Haast elke dag wìst Oom wat van 'em. "Jan Heins" of "Jan" dee dit of dat, Jan had weer geboft met een pracht van een zaakje. Jan was toch pinter, een kraan van een vent. Ooms kinderlijken aard deed het goed, dat zijn bewondering weer zich kon uiten. Geertje begreep dit--zij had er plezier in. Pocher, práálhans, maar och, zoo'n hàns, zoo'n klimopnatuur, die graag groot met den eik werd. Spreuken 19 vers 6: "velen smeeken het aangezicht des prinsen" en "de liefhebbers des rijken zijn vele"....
Soms walgde Oom zijn praten haar: enkel aanbidding van't gouden kalf, je hoorde van niet anders als geld, Jan in het geld, wat ie nou weer verdiend had; wel bewondering, maar toch zoo, dat je voelde: hè, had ik ook wat. Dom, want of Oom alles zou weten, omdat ie nou voor de firma lìep; of Jan een agent zijn boeken zou toonen; of Oom dagelijks kwam in het Hang....
Soms maakte het praten haar plotseling angstig. Dan wist ze niet meer en verloor haar gedachten, in een angst van verwarring, een droefheid als pijn. Oom zei 't maar, hij dee het om haar te plagen, omdat ie niet velen kon dat zij Jan lief-had; en Jan, och Jan, misschien spotte ook hij.... Hij gaf immers niets meer om haar, het was uit, hij had haar afgewezen, die avond, afgewezen met een leugen; of ze bedelen kwam, niet te spreken; hìj niet voor háár.... nu wìst ze niet meer....
Tante kon zóó akelig doen. Ze werd àl norscher tegen Geertje, had geen vriendelijk woord meer voor d'er, zei de heele morgen niets. Als Oom dan kwam en vertelde van Jan en pochte en zei dat Jan Mozes te slim was, dan keek Tante naar háár met een grijns en smakte, de borden op tafel klessend, of ze honden 't voer voorsmeet, Geertje was 't of zij verstolde. Zij voelde zich worden gedreven vol schroom. Opeens had zij de zekerheid of bijna-zekere radeloosheid, dat Oom en Tante niets anders deden dan haar voor de gek houden, door mooi te praten over hem die ze haatten met al de venijnigheid van hun afgunst.
Maar 's avonds zat zij wel eens alleen met Oom. Wanneer hij dan over de zaken begon, hoog opgevend eerst van zijn eigen draven, dan voelde zij een vreugdevolle verwachting in zich aantintelen, als een in stilte verloofde, tot wie een vriend van den beminde zou spreken. Glimlachend, als moest zij hem aanmoedigen, zag zij Oom aan. Weg waren de schrijnend-weeë leegte, de wanhoopsbeklemming, de alledags-druk onder Tante's verneed'rende stugheid, van het leven in dit huis zonder Hem. Blij voelde zij zich Oom zijn nichtje. Want zij-samen hier in de kleine woning waardeerden, begrepen Hem, ginds in de groote. Tante was een haar vreemd wezen, dat geen eerbied voelen kòn. Oom had dit kùnnen-bewonderen van Groo'va en Groo'moe, die ook haar het hadden geleerd. Zij had Jan lief met ootmoedige liefde. Voor altijd en in weerwil van alles. Hij had haar afgewezen, die avond, maar van hem wilde zij elke vernedering ondergaan. Van hem en om hem. Of Tante en dikwijls ook Oom haar onvriendelijk behandelden, wat kwam 't er op aan--zij had haar liefde. Hoe was het mogelijk, dat zij, een gansche dag lang, zich had verhard in het spinnige denken: verrek jullie maar, verrek jullie maar.... Hoe kwàm zij telkens weer tot wanhoop? Zij had haar liefde--wie nam haar die af!? God gedoogde dat zij Jan liefhad, nu het een kuische liefde was. Zij mocht haar geluk dus toch vinden in hem, al haar denken mocht zijn voor hem, altijd voor hem, alleen voor hem; deze schat kon nooit haar ontnomen, dat zij altijd zou denken aan hem....
Doch langdurig was geen van haar stemmingen meer. Onmiddellijk na zulk wegdwepen in onzelfzuchtige vereeringsliefde, kon z' als geslagen liggen van wanhoop en leek het giftig mokken: "verrek jullie maar, allemaal magge jullie verrekke", een ontspanning voor het verzet in haar tegen het bewustzijn dat zij werd mishandeld. Het gebeurde op eenzelfde dag, dat zij, in een radeloos geluk-willen-zien, schroomvallig angstig wenschen dorst, dat het kind niet zou blijven leven, want om het kind had hij met haar gebroken, was ze niet zwanger, dan kwam hij wel weer, het kind was oorzaak van al haar rampspoed; en z' als gekromd ging in vrees voor De Heer, Die haar zou straffen, haar kind haar onthouden, de schat, uit liefde waarvoor--niet om haar--Jan nog wel weer eens goed worden zou.... Verward kon zij dan rondzien, in de kamer waar zij naaide met Tante, die enkel smakte, geen woord tot haar zei; rondzien als zocht zij een hoek van donkere stilte, waar ze knielen kon tot een gebed.
's Nachts lag zij uren in 't duister wakker, tegelijk bang voor en snakkende naar de schemering, aldoor vervuld van het voorgevoel, dat er iets gebeuren ging. Zóó bevreesd was zij hiervoor, in de onzekerheid wat het zou wezen, dat zij bad of het nu toch mocht komen. 't Was mogelijk dat Jan haar schreef of dat hij, integendeel, ruzie met Oom kreeg; misschien werd zij met een miskraam gestraft, misschien was het Groo'va die overkwam....