Part 22
--Twee kilo van nege cent....
De man ging naar de bak, doch toen hij er vóór stond:
--Is dat niet voor....re Nijkerk?
Geertje knikte angstig: O God, nou zou die vent ze weer niet willen poffen.
--Je tante is d'er zelvers al gewees'.
En glimlachend om haar beduisd- en bedeesdheid:
--Daar zit wat op voor ie.... Daëg!
Zij schreide. Onder in haar spookte de zelfhaat: hoe kòn ze in-Gods-naam hierom gaan huilen? Maar de drang was te hevig: dat dit er nog bij kwam; nu zou Tante vragen, verwijten.
Oom was thuis, hij snauwde haar toe. Als ze niet eens meer een boodschap kon doen! Zeker weer naar d'er schat loopen zoeken, mooie schat, maar onvindbaar voor haar....
Ze kon zich niet inhouden, snibde terug:
--Niet waar! 'k Heb 'um juist gespro....
De laatste lettergreep zei ze niet: zoo voelde ze onmiddellijk de domheid van haar uitval.
--Hei j'um gesproke. Zoo. En waar?
--'k Kwam um tege.
--Ja, da' begrijp ik. Kasuweel. In zoo'n groote stad!
Geertje trok even met de schouders. Oom had zijn treitertoon en zij wou geen ruzie, ze was er te moe voor, te zwak, onmachtig. Maar hij, woedend op Heins omdat zijn Cohen evenmin als hijzelf iets bleek te vermogen tegen de twee uit het Hang, ging voort met schampscheuten, hoe langer hoe feller, hoonde Jan dòm, uit de overkroptheid van zijn domme wrok.
Toen beheerschte zij zich niet meer. Het was een voldoening, als een dolle triomf, over Oom niet alleen: ook over de raads'lige smart van daar straks, hem toe te kijven en te sarren, dat Jan wat maalde om Oom z'en gedoe en dat die met al zijn hoogmoedig gehaspel slechts háár ongeluk had bewerkt.
Tante, in de keukendeur, de linkerarm log rond een pan die ze had staan uitvegen, beukte en bonkte den borstel d'erin, om voldoening te krijgen voor haar, op de ademhaling geslagen, woede. Oom, verbleekt, stond naast zijn stoel--nou zal ie me slaan, dacht Geertje: ze wilde 't.
Maar hij mepte haar enkel met lachen, een te luide, lééd-verradende schamplach, waar Geertje den onderklank in hóórde en die toch haar striemde en griefde als hoon.
--Jij laat je toch alles wijsmake, zei hij.
--J.... jà! siste Tante, zich verlichtend met die instemming.
--Nietwaar! Jan he't me niks wijsgemaakt!
Geertje huilde de woorden uit.
Nu ging Oom weer zitten, naast haar.
Zijn toon werd anders: hij sprak tot een kind:
--Heins benadeelt me, da's waar. Geen mensch hep me meer benadeeld as hij. Maar jou heppie veel erger angedaan. Dáárvoor he'k em voor de kommesaris gedaagd. Niet uit wraak. Zelfs nie' mit de gedachte da'k em achter de tralies kon brenge. Dat lukt nóóit, al zegt de wet et. Maar as de plóért niet zóó gemeen alles had heete liege, had de kommesaris me beloofd, dat ie um te minste zou wete te dwinge tot et schenke van onderstand, nou, en later, voor jou en je kind.... Nee! Hou je mònd, ìk spreek, hoor toe. Groo'va schuift niet af, da' weet je. Me kenne-n-em dwinge, nou ja.... maar moeilek. En et is billijk.... zoo'n rijke patser, dat ie wàt doet. Astie alleen maar op zich had wille neme de koste van de bevalling en later jaarluks een som voor et kind, m'ar de verdommeling doet nìks, net zoo gierig as dat ie vet is....
--U lìegt Oom! Hij he't et me net nog gezeid: a'k je ken helpe mit geld of zoo....
--Ja! tege jou! Maar hei je-n-en cent?!
--'k Heb niks noodig....
--Zoo. Hei je niks noodig? En wie zel de bevalling betale?
--En ons, wie vergoedt et ons, da' je hier ben! mengde Tante zich plotseling in. Dreigend stond ze nu vlak voor de tafel.
Geertje voer op:
--'k Ga dadelek weg.
--Weg?! Waarheen? Na Heins soms? Wat wee je?
--Dan ga 'k na Groo'va....
--Dat zeu je niet!--Oom duwde hard haar terug op de stoel.--Mit praatjes en leuge's hebbe me den ouwe man tot nou toe onkundig gehouwe.... as tie je zag, zoo, dan was et z'en dood. Jou is alles onverschillig, iedereen en àlles! op Heins na! Ma'r mijn nog niet. 'k Wìl nie da' je me vader vermoordt.... Ja! Vermóórdt! 'En moord zou 't weze. 'k Zal et em wel mòtte zegge. Geld motter zijn en toch.... hij merkt et. Maar niet zoo opeens jij voor 'em. Dat zou z'en dood zijn.
--En 't hoef toch auk niet. Wie jaagt je weg? kwam Tante lijzig.
--U! Allebei! krijschte Geertje uit.
--Wèl àllemachtig!
--Och.... stank voor dank. Maar da' ben me wel gewoon. Omda k d'er gezeid heb, da' ze blind is, da' se nie' siet, hòe Heins zich van d'er afmaak.
--Afmaakt! Hij doet et jùìst om me te trouwe!....
--Tròuwe? Heins? Mit jou? Je ben gèk.... Gek bei je, hóór je 't? Sta-pel-gek!
--M'ar maid, Hains ìs tuch getrauwd....
--Wa' komp datter op an voor Heins! Iemand as hij die màg ommers alles! Hij wordt mermoon! Wat ìk je zeg!
En weer lachte Oom zijn hooge lach, zijn zenuwachtig-schelle lach.
--God, God, dat zoo'n verstandige meid nog luistert na zukke apepraat. Dach' je dat Heins van z'en vrouw zou scheie? En haar geld zit in de zaak? Iemand die zoo fel op et geld is! Om een deern die die verleit he't. Dach' ie da'j de eerste was?!.... Nee.... Je zùlt me-n-anhoore, nou. Vraag es an z'en vrouw, wat dìe weet. En je ken d'er op an, die weet nog niet alles. M'ar 't was nou in z'en huis gebeurd, mit 'en loontrekkende bediende. Dat was me kracht. M'ar ik had geen bewijs. En jij hep niet wille hellepe. Alles heet de smeerlaars liege. 't Kind van hem? Geen kwestie van! Maar hij wis' zich sterk. Hij zei: "Al was 't zoo, z'is toch meerderjarig."--"Pas!" riep toen de inspekteur. En toe' Heins:--"Is ze pàs meerderjarig? 'k Weet et zoo net niet. Wat gaat et me-n-an? Me vrouw he't de meid de deur uitgezet, omdat ze zag watter an de hand was. Ons huis is geen kraaminrichtink".... Zoo werachtig as God, dat hep ie gezeid. "Ik heb niks mit de zaak te maken", en: "ons huis is geen kraaminrichtink"....
In wanhoopsongeduld verschoof Geertje over haar stoel.
--Geloof je-n-et niet? Ga dan mee na 't bereau. Dan keu je de kommesaris hoore. We wazze mit z'en viere manne. De kommesaris en de-n-inspekteur zeij toch zeker wel geloove. 'k Hep d'er jou niks van wille zegge. Uit mejelij. Enkeld uit mejelij. Ma'r nou je geloof slaat an gèkkepraat, nou je nòg niet je bekomst van em hep, nou mot je-n-et wete.... al is et te laat....
Even zag Geertje schuchter op. Ze wist niet. Het kon niet, het wàs niet waar.... En toch.... straks had ze zelf getwijfeld.... Jan wàs vreemd geweest tegen haar.... En Oom's stem klonk als van waarheid, met iets hartelijks, medelijdends.... Even zag ze schuchter Oom aan.... Toen werd ze onwederstaanbaar ontroerd.--Ze greep naar zijn hand en snikte het uit.... Maar terwijl hij hare hand vasthield, dacht ze: Wat hàd ie Jan dáár te halen?
VIII.
Bewegingloos lag ze, de oogen open, zonder te zien de bijna-duisternis der bedstee in starend, als een foltering voelend het weer-bewust-zijn. Hard ziek was ze geweest, zei Tante, maar ze had er niet van geweten. Was ze nog maar in die koorts. Want toen wist ze niet. Nu wist ze. Wist van die pijn daar, aldoor die pijn. D'er mòest wat gebroken zijn. Ze voelde geen leven meer in d'er buik. 't Kind moest losgeraakt zijn, was dood. In haar buik lag dood het kind. Zelf zou ze nu ook wel sterven. Als dan maar gauw. Want o, die kramp! 't Was geen kramp. Een kramp duurt kort. Dit was al maar door een steek, een felle pijn die geen óógenblik ophield. 't Doode kind, een dood stuk in der lijf.
Om wat de dokter straks gezegd had, gaf ze geen zier. Zoo'n busvent denkt: als ik hier maar weg kom. Wordt er immers niet voor betaald. En dan vóór zoo'n muffe bedstee, in de stank en de rompslomp van Tante's gehuishoud. De tweede middag dat ze lag, toen zij dachten dat ze sliep, omdat ze gauw ademde van de koorts, had ze het hem hooren zeggen:--Och jee, is ze niet getrouwd? Ja! En wat mot dat nou met het kind?--Tante had eerst lang gefluisterd; zij zou dat misschien ook wel hebben verstaan: Tante lispelde met zoo'n open spuuglip, maar zij had te veel pijn in het hoofd, het schelle onafgebroken gefiespel had haar scherper gehinderd dan het afgemeten spreken van dokter: ze had getracht Tante niet te hooren, want zoo moe, zoo zwaar in het hoofd--enkel naar 't spreken had ze geluisterd, dokter's onverlet-luide zeggen:--Is ze niet getrouwd? och jee! en wat mot dat nou met het kind?.... Toen was ze maar eens beginnen te kreunen, om te toonen dat ze niet sliep. En Tante had 'er moeten verleggen en de dokter had haar gezien en gezegd: ja, wel wat koorts, maar dat zal zoo'n vaart niet loopen; en tegen haar had hij ook nog gezeid: hou je nou vooral bedaard, want dat is in het belang van je kindje;--toen had ze strak hem aangekeken, zoodàt ie z'en oogen af had gewend, met haar oogen hem geantwoord:--Leugenaar, doe niet zóó over mijn kind, je weet wel, ik kàn niet bedaard meer blijven, je weet wel, ik màg het kind niet hebben. Maar gesproken had ze geen woord. Zou je bedanken: tegen zoo'n gluiper, die dat gezegd had van haar en d'er kind.
Nù had ie gezeid:--Niks as zenuwen.--Wou niet erkennen, dat het kind was gestorven. Had gelàchen:--Hoe kòm je d'er an?--Zoo'n ongevoelige lammeling, om zoo met haar leed te spotten! enkel omdat zij niet was getrouwd.... Moest begrepen hebben, dat zij hem niet geloofde, dat ze zóó krankzinnig niet was van aan te nemen: zenuwen....
Dood was het kind. Het lag dood in haar lijf. Als God ook haar nu bevrijden wilde. Maar misschien moest ze leven tot straf. In het bewustzijn dat zij tot last was. Wie was zij nìet tot last geweest? Groo'moe zelfs had om haar geleden, door haar ongestadigheid, haar ontevreden-zijn thuis in de stilte, haar niet willen omgaan met de Heukelmans, haar doordrijven dat ze hier naar Oom zou.... Groo'va--ze zag hem: vermanend, niet anders, omdat hij vreesde: "Geertje, Geertje".... En nu--Oom dorst niet schrijven om geld, uit angst dat Groo'va zou overkomen voor haar, en het weten opeens. Als ze maar sterven mocht, dàn kon-d-ie vragen, geld voor de begrafenis; na haar dood mocht Groo'va haar zien, 't zou niet moeilijk zijn te liegen, want zóó dik was d'er lijf nog niet. Maar God wilde niet, zij moest leven, en het kind moest zóó er uit. Hù, zoo griezelig, nu in der buik.... Zou het wicht hebben geleden? Moest wel, nu 't was doodgegaan. Arme stumper, niets dan geleden; al wat moeder voor je gedaan heeft, is dat zij je lijden liet.... Iederéén te zijn tot een làst! Alles hier in huis was veranderd, heel de huishouding over stuur, Oom en Tante huisden in de winkel, sliepen, veel te klein, in de keuken, trachtten alles zacht te doen.... Toch sloeg het rumoer telkens over haar heen, 't huis was zoo klein, ze lag als aan straat, en er kwam geen geruchtje binnen, of als ze wakker was, mòest ze het hooren. Toen de heer kwam van de belasting en Oom uitvluchten zocht en smeekte, bang dat alles zou worden verkocht--ieder woord had ze kunnen verstaan, snikkend had ze toegeluisterd, Oom zoo nederig en zoo rampzalig, dubbel benauwd nu zij daar ziek lag en hij niets meer aan Groo'va kon vragen, die al gedreigd had over te komen, ook om te zien hoe het stond met de zaak. Alle menschen was zij tot last, en God wilde niet dat ze stierf! Zelfs Jan, zelfs Jan was zij tot last, want door haar had hij ruzie thuis. 't Wàs waar, wat Oom had gezeid, dat hij haar nu uit de weg liep; maar hij mòest het doen om thuis, voor de kinders, want anders geen leven. Zij had hem al haar liefde gegeven, maar ze had hem onheil gebracht. Ach, waarom was zij geboren! Haar moeder had zij het leven gekost en zij was een tot niets nutte, dooden deed ze wat leefde in haar. "Verdord", "geworden als een hout", zooals stond in Klaagliederen 4. "Zoo iemand in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand"....
Haar klamme hand trok aan het laken, dat het sloot om haar hals als een doek. Het was of de angst haar dreef in de rug. Maar toen de behoefte zich te verbergen, door zich tot iets kleiners te maken, haar de knieën optrekken deed, kreunde zij om een steek als een breuk--het geringe geluid viel neer in de stilte, want het was nu volkomen stil, Tante was een boodschap gaan doen. In de straat lag de doodschheid van 's namiddags.
Zij vòelde zich schrikken, had hartkloppingen en een kilheid kroop langs haar gelaat. Opeens knaagde weer die holheid om de oogen, ze hield de adem in, daar zij dacht te moeten overgeven. Toen begonnen de slapen te gloeien: de hoofdpijn kwam! en zij lag onmachtig. Zij kneep beide handen tot één vuist, haar lippen trachtten te prevelen:--"Lieve Jezus, Lieve Heer."--Maar ze kon niet, ze mocht niet meer bidden. O, ze was verdoemd voor de hel! Buiten geworpen, verdord als de rank. Men vergadert dezelve en men werpt ze in het vuur. Of het vuur nu al was in haar hoofd. Neen. Ze leefde. Het kind was dood. Maar zij leefde. Zij mocht niet sterven. Niet slapen mocht zij. Zij wist weer alles en in haar buik lag het doode kind. "Die van de vreeze ontvliedt, zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in den strik gevangen worden." Stond Groo'va daar vóór de bedstee? Zijn vermanende stem sprak de tekst.... Och nee, zij lag alleen.... Maar Gòd zag naar haar, liet haar niet los!.... Haar oogen brandden, zij kon ze niet sluiten. Dat was wat Groo'va zoo vaak had gezegd: God volgt in de duisternis, overal volgt Hij, daar is geen schuilplaats. Mozes vroeg naar Gods aangezicht en de Heer antwoordde: "Zou mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?" Maar wie Hem niet vreezen, die achtervolgt Hij, voor die is geen duisternis en geen nacht. "Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren." Op aarde was het Gods ergste straf voor een vrouw, wanneer de vrucht in haar buik verdorde. "Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn: Ik zal het getal uwer dagen vervullen." Zoo sprak de Heer voor het volk dat Hem vreesde, Hij, die Sara zegende dat zij bevrucht werd, en Rebekka, en Lea, toen Jacob Rachel liever had dan haar. "God verhoorde Lea en zij werd bevrucht." Maar Rachel sprak tot Jacob haar man: "Geef mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood."
Het was voor Geertje's gewaarwording, als zei ze de teksten, vele teksten, van hier en van daar, uit de gansche Bijbel. Gelijk vroeger, toen zij tallóóze teksten kende en 's avonds in bed die alle opzei, tellend hoevele zij er al wist, toen zij nog een klein meisje was; ze in haar hoofd bij elkander brengend, ze schikkend, als bloemen voor een boeket, toen zij ouder was geworden. Groo'moe, wanneer ze dit wel vertelde, had verboden: zoo mag je niet doen, je ratelt ze af als een roomsche 't latijn. Maar het bleef haar een zóó groot genoegen, in haar gedachten rijden de teksten, 't was haar als lagen ze klaar in haar hoofd, als schoven bij reeksen vanzelf ze vooruit, als weergalmden haar hersens van teksten-geprevel:--knap kende z'er honderde, Meesters kleinkind.
Nù wéér bedacht ze de teksten haars ondanks. De gloeiïng aan haar slapen nam toe, haar jukbeenen brandden, ijl was 't in haar schedel, een weeheid met pijnrand als gaapte een wond; maar de teksten kwamen, zij mòest ze bedenken: nu zag ze de plaat, thuis, boven de bloemenbak met de begoniaas: Jacob aan de put met de mannen van Haran en met Rachel die hij kust.... "En Jacob kuste Rachel; en hij hief zijne stem op en weende".... "Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar liefhad...." Nu zit Groovader aan het harmonium! Maar het klinkt als het kerkorgel.... Is dat Rika Schaap, die zingt?.... Dominee Wevers! hoor! hij leest.... O, hij leest uit het heerlijke Hooglied.... "Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij...." Nee, Jan! denk om het kind, nou niet! En het kind is dood, is dood.... Denk an et fleschje, toe Jan dan toch! God, waarom gaat ie niet an bij die juffrouw, 't mensch wil et geve, maar hij moet et hale, 't drankje staat op de bedsteeplank, Tante heeft et straks in bed late valle, nou staat et weer op de bedsteeplank, maar zij kan et zelf niet krijge, Jeeses Jan, da' weet je toch wel, Geer kan ommers niet overend, waarom wil zoo'n vent da' niet doen! "Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, o bruid! gij hebt mij het hart genomen, met een van uwe oogen, met eene keten van uwen hals.... Hoe schoon is uwe uitnemende liefde.... mijne zuster, o bruid!.... Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen.... Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde...."
.... Had zij geslapen?.... Zij was zoo loom.... Hè!.... Het was, als voelde ze leven.... Weer.... een stootje tegen haar huid.... Och et kon niet, hij was ommers dood....
--Is u daar, Tante?
--Hier he 'k je drankje.
--Tante, ik voelde d'arnet weer beweging.
--Ja m'ar je slaapt ook sau onrustig. Dokter he't gesaid: hau je kalm.
--Nee beweging in me buik.... Denk u dat et mogelek is?
--Wat no' weir?
--Dat et kind nog leeft?
--Maal je nau wéér om die gekheid! Hoe haal je de malligheid toch in je kop! Netuurlek leeft et. M'ar aj nie stil leg, krai j'en miskraam. Dus pas nau op!.... Sau.... No' je drankie.... Sau.... En hauje bedaard....
--Eet u uie vemiddag, Tante?
--Kind, et is al hallef fier. M'ar d'er staat nog wat op f'er Aum. Da' beroerde stel he't weir gewalmd.
Geertje rook de petroleumstank. 't Licht van het looplampje deed haar pijn. Slaap'rig begroef ze 't gezicht in het kussen. Wanneer de koorts af raakte, was ze zóó moe. Zou het heusch waar kunnen zijn van het kind? Dan kwam alles misschien nog terecht. Jan was altoos verzot op kinders.... Als het een jongen was, lijkend op hem.... Rustig blijven.... Zoo'n goed dee het slapen....
IX.
Geertje voelde zich gelijk een kind, maar meer afhankelijk, hulpbehoevend dan zij ooit als kind geweest was. Uit zichzelf tot geen ding in staat. Diep in haar niet meer oproerige ziel bleef het besef dat ze zwaar had gezondigd, doch hier van spraken Oom noch Tante. Maar zij wist zich ook roekeloos, dom, en daarover stond zij schuchter bij hen.
Onder haar langzame lange herstel had Tante telkens weer gewaarschuwd nu toch voorzichtig te wezen en kalm; de zenuwkoortsen, die best typhus hadden kunnen worden--en als het typhus had moeten zijn, dan was Geer d'er misschien in gebleven, zeker was het een miskraam geweest--de zenuwkoortsen, Tante zei het en Geertje voelde: ze sprak de waarheid, waren enkel voortgekomen uit haar onnoozel zich de kop dol maken, haar sjagrijnig prakkeseeren over gedane dingen die nou eenmaal geen keer nemen.
Daarom hield zij zich heel stil. Eerst had zij bijna niet durven bewegen. Met volharding deed ze haar best, over niets meer lang te denken. Wanneer zij doordacht, kreeg ze hoofdpijn. Dat bleef zoo, net als toen zij in bed lag. Ze breide sokken aan voor Oom en las onderwijl wel in sticht'lijke blaadjes, die Groo'va vroeger had gestuurd. Naar de remans uit de winkel verlangde zij niet, dat waren opwindende, zondige boeken. Zij zou er toch ook geen kunnen krijgen, want de planken lagen leeg; Tante had sommige in gebruik, verstelgoed lag er opgestapeld, ook bleef het eetgerei vaak er staan.
Dit was haar eerste verbazing geweest, toen ze, na negentien dagen liggens, voetje voor voetje, door Tante gesteund, in de winkel was gekomen, waar tijdelijk werd gehuisd om haar. De plankenvakken hol, alle boeken weg?! Ja, die had Oom moeten verkoopen.... 't Kwam als een striem in d'er gezicht, even was ze d'er tranen niet meester.--"Jessus, begin je weer me' balke!".... Zoo was Tante uitgevallen; die meende het goed met haar, maar deed gauw ruw. Tusschen beddekussens in Oom zijn stoel, had ze haast niet meer durven rondzien. Angstig had ze, licht-voelend, gezeten, huiverig, zoo voor het eerst uit bed, terwijl Tante achter haar rumoerde en uit de keuken luchten liet. Zij had het niet gewáágd te schreien, elke schok was slecht voor haar buik. Beverig had ze zitten staren en met graagte de oogen gesloten, plots weer vreemd-warm in het hoofd, blij dat ze moe werd, dommelend, dankbaar, tot Tante haar had opgeschrikt, door wijd de tusschendeur open te zetten in een zelfvoldaan klaar-zijn met al het geredder. Eerst bij het oprijzen, in de duizeling van het ongesteund staan, terwijl Tante de kussens uit de stoel tilde om die mee te dragen meteen, had ze, in eenzelfde gewaarwording van bijna neerslaan, van gevaar voor bewustzijn-verliezen, en van, niet meer versuft, scherp zien, opgemerkt dat er méér nog weg was, dat er bijna geen winkelwaar lag, enkel in 't raam wat stoffig oud goedje, zelfs van de voordeurruit was alles weg. En in een wanhoop, waartegen ze weerstand miste, had ze zich laten voortsukkelen, voetje voor voetje terug naar de donkerder binnenkamer, naar de duistere, nu klamme bedstee; en toen ze lag, o God zoo moe, en opeens zoo koud aan de voeten, had ze geweten: niets dan ellende, niets dan scháámte om ellende-door-haar, en dit ook slecht, dat ze niet zich beheerschte, weer-ziek zich maakte door wroeging te voelen. Zwak klappertandend had ze naar lucht gesnakt, een mat gestuip van bloedlooze mond, in een besef van gezònken te liggen in de klamheid van 't duistere bed, met Tante achter zich, gaand door de kamer, haar best doend om geen gerucht te maken, maar toch smakkend en smijtend met dingen, Tante kon nu eenmaal niet anders;--haar deed elk geluidje pijn. 's Avonds was zij in onrust van koorts, en de volgende morgen, een Woensdag, zei de dokter: te vroeg uit bed. Maar Donderdags was ze weer zooveel beter, dat hij had bevolen: d'eruit. En stil had ze vóór gezeten, blij, niets vragend nu, stil-blij. Onverwacht was Oom thuisgekomen en Tante had hem een standje gemaakt; "'k heb de deur nog willen sluiten," had ze geklaagd, daar Oom niet gebeld had, maar op eens de deur wijd geopend, Geer blootstellend aan buitenlucht. Zij--had even de stráát gevoeld, de dorre straat, maar toch buiten, het leven; blij was ze geweest, met een weemoedsverlangen, dat ze beproefd had weg te dringen, diepweg bij àl wat nu niet mocht. Eerst toen ze weer, vervelend, in bed lag, na zich te hebben toegedekt als eene die voorgoed is hersteld, had ze zich over Tante verwonderd, over dat zeggen: 'k heb de deur willen sluiten--de winkeldeur?! en dan de klanten!.... Gelachen had ze, bij al haar verdriet: een klant bij hen, wanneer kwam d'er een klant, het maakte niet uit, of de deur zat op nachtslot: maar vreemd bleef het: de winkel gesloten!! vroeger was Oom zóó precies; 's morgens vroeg:--"is de winkeldeur open?" en nu sluitend op klaarlichte dag.... 's Nachts was ze klaar, lèkker wakker geweest, een herstellingsgevoel van: niets geen slaap meer. Oom lag onbehoorlijk te snorken. Ze hoorde een trein ratel-donderen over het viaduct en fluiten--en ze dacht aan thuis, aan de spoorfluit, die zilvergeluidde 's avonds van ver. Dan had Groo'va bijbel-gelezen, Groo'moe had gezegd:--"slaap wel", zij lag in haar bovenvertrekje, roerloos maar wakker, als lag ze te wachten, en de trein rommeldreunde en floot.... Nu alleen 't onsmaak'lijke ronken, Oom reutelde als Groo'va's pijp!.... Maar.... vanmiddag die winkeldeur.... Een ernst van verbazing overzonk haar.
Zij begreep niets van de toestand in huis, daar Oom van geen geld sprak en Tante niet klaagde. Toch was de winkel nu heelemaal niets meer. En al de schuld dan? Had Groo'va gedokt? Moest wel; 't leek in haar ziekte zóó vrees'lijk, toen die heer kwam van de belasting en Oom smeekte, uitvluchten zocht.... De herinnering deed haar voor hoofdpijn vreezen. Zij voelde, dat ze maar niets moest vragen.... En zij leefde sinds-dien als blind.