Part 21
Tante had een bord voor haar neergezet; Oom en Tante aten, zwijgend; haar was niet gevraagd, of zij wilde. Resoluut trok zij de leunstoel dichter bij de tafel en schepte zich op. Ze zag dat Oom en Tante op haar letten, dat Oom knipoogde; zij bleef zwijgen en at. Toen ging opeens de winkelbel; "volluk", zei Oom op een toon van verrast-zijn; voordat hij met zijn stoel had geschoven, was zìj uit haar leunstoel op.
--Keu je? vroeg hij en keek verwonderd.
Zonder te antwoorden liep zij weg.
Een vrouw uit de buurt om kastpapier. Toen ze terug moest geven van een kwartje, trok ze aan de la.--Open!--Wat daar lag.... géén brief, zag ze daad'lijk. Maar ze wilde zich overtuigen. Zij stond, met de rug naar de kamerkant, heengebogen over de la; vrij kon ze het papier openvouwen: "Dwangbevel".... van de belasting!
--Je geef' drie cent te veel terug, zei de vrouw.
--O gut... Neem u me niet kwalijk.
En de oogen op het papier, sloot ze, aarzelend, de la.
Geweken was haar achterdocht niet. Wel was haar afschuw van Oom nog vergroot. Al maar schuld, en aldoor pochen over de zaken die hij ging doen.... Wanneer hij thuis was, deed hij niets; kletste, pochte op z'en kepejon en maakte nijdige toespelingen op de last, die Heins nu van hem en die kepejon zou hebben. Verder sprak Oom niet over Heins. Dreigde ook niet meer met de peliessie. Kwelde haar niet met haar toestand, evenmin als Tante, die enkel met mokken toonde, dat ze haar te veel was. Eens, toen Gerrit Holkers er was, noemde die de naam van Heins, en Geertje zag, hoe Oom hem met de oogen beduidde, dit niet te doen.
Haar argwaan wantrouwde al dat zwijgen. Glurende door de openingen in de poovere uitstalling van het winkelraam, was zij nauwkeurig te weten gekomen, wanneer de bestellers brieven brachten in de straat. Zij zorgde thuis te zijn op die uren; zij ging trouwens nog maar heel zelden uit. Want daar Jan nooit door de straat was gekomen en er ook geen brief van hem kwam, vreesde zij wel, dat hij haar nog altoos meed om de ruzie thuis. Soms stopte ze 's nachts haar natgehuilde zakdoek in de mond, wanneer ze haar smart niet wist te smoren. Haar slaap was slechts een soort verdooving, waaruit zij opschrikte onverkwikt. Dan dacht ze vol medelij aan het kindje, dat slecht moest groeien in haar ziek lijf. 't Was toch zijn kind; och, ze had het wel lief, al had ze het graag opgeofferd, wanneer ze daarvoor bij hem had mogen blijven. Den geheelen dag was ze moe en werd nog moeër door haar argwaan. Want wanneer zij in de winkel was, sloot Oom bij thuiskomst de deur van de kamer; en was Geertje in de kamer, dan riep hij Tante alleen in de keuken.
Op een ochtend, toen Oom nog thuis was en weer de kamerdeur dicht had gedaan, terwijl zij, wanhopig, haar dag begon met De Graaf de Monte-Cristo, een boek dat ze al twee keer had gelezen, deed een dikke heer haar ontstellen, die onvriendelijk vroeg naar Nijkerk.
--Oom, een heer om u te spreke.
Ze schrikte nog meer van de schok die dit gaf. Tante's kikkeroogen rolden. Oom ging; zij bleef van zelf in de kamer; weer sloot Oom de deur achter zich. Ze dacht nu wel, dat dit niet om Jan was. Terwijl zij, om niet leeg te zitten, traag de boel uit de bedstee afhaalde--Tante was met het ontbijtgoed bezig--, hoorde ze snel en op ruzietoon spreken. O, geen twijfel:--over geld!
Het verwonderde haar dan ook niet, toen Oom later bij haar kwam in de winkel, waar ze, het lezen moe, een oude rok van Tante uittornde; en, schrijlings zich op de toonbank zettend, vriendelijk zei:
--Zeg Geer, weet je wel wat jij us most doen?.... Je weet, wa' we-n-afgesproke benne over da' geld, da' me Groo'va vrage?.... Ja nou, ik schreef d'er nog niet om. Eerst mot Cohen.... Affijn, dat tot daaran toe. Maare.... Jij heb' ook geen geld meer? Zie je, we hebbe je graag in huis, da' weet je wel. Maar as Groo'va nou us je kosgeld betaalde? Vin je niet? Dat ken ie best doen.... Toe, schrijf jij um es. Vraag om wat geld? Vraag of tie vijftig gulde wil sture?.... Wee je?.... Beste meid bei je, hoor.... Gee' me-n-'en kus.... We blijve maatjes....
O God, die kwal, hij raakte haar aan! Niemand had haar gekust, sinds ze hier was; Truusje's morgenkus was de laatste geweest; en nu voelde ze hèm aan haar voorhoofd; ze prikte zich in de schaar van nijd. Maar ze antwoordde, heesch, dat het goed was.
--Doe je 't dan gauw? Vemorrege nog?
--Ja.
Oom ging naar de keuken.
Kostgeld? En wat zij zelf had gegeven? Hoeveel kostte ze per dag?!.... En die ruziemakerij over het opvragen van de erfenis; dat was dan drukte voor niks geweest!!....
Ze voelde een drang om te huilen van machtelooze ergernis.
Maar.... was zij niet net als Oom? Met 'er plan om geld voor zich te vragen en dan weg te gaan, Oom z'en huis uit! Nou zat ze met Tante d'er ouwe rok; net een oud wijf, dat toch ìets doen wil.... O, te dùrven, als Jan; te dòen....
Ach, ze zou de brief maar schrijven.
Het antwoord, na twee dagen, bracht de helft van het gevraagde geld en de boodschap: "Nu Geertje uit haar dienst is, doet ze beter bij ons te komen"....
Schrik bij allen. Niet meer dan de helft! Oom had vàst op de vijftig gerekend. Ja, die meneer die toen 's morgens geweest was, een deurwaarder, dat wàs om geld. Geertje ontstelde ook een weinig van de stelligheid in die zin over haar. Zij naar huis! Maar ze wàs nog hier. En Oom en Tante waren nu maatjes. Al zei Oom:
--Wat heb ik an vijf en twintig! Net zoo graag had ik niks gehad!
Het bankbiljet had hij opgestoken en daags te voren nog gezeid: Geer is mit ons in 't keplot....
Doch het bedroefde haar, toen Oom 's middags thuis kwam en haar bleek, waarvan de deurwaarder betaald was:
--Maandag he't me de rest geleend.
Daar Oom zag, dat ze ontstelde, zei hij:
--'t Is op z'en bes' voor 'en week. Zaterdag wacht ik zelf weer geld.
Hoe het met de belasting gegaan was, bleef daarbij voor Geertje een raadsel.
Zij dacht nu dikwijls na over geld. Hier in die armoe kon ze niet blijven. Al niet om het kind, want ze leed hier honger. Ze kon de kost niet naar binnen krijgen, die onsmaak'lijke koeskoes van Tante. Eten stond haar toch al tegen en dan uit Tante's gore pan. Op d'er eigen gaan wonen, was 't beste. Dan, hoopte ze, kreeg ze hem bij zich terug. Het wisselspel van haar verlangen en haar aarzelen om hem te schrijven, of hem te gemoet te gaan op uren dat ze zeker kon wezen hem op eenige plek te vinden, draaide nu op die reden tot uitstel: geld vragen--weg hier--een kamer huren.
Doch herlas ze Groo'va's brief, dan krompen al die plannen ineen en dacht ze verbijsterd aan wat te voren doodeenvoudig had geleken. D'erfenis vragen en alles bekennen--Groote God! alles bekennen aan Groo'va!
Zij had zijn keurige schrift maar te zien, die fijn-gelijke regeltjes, dicht opeen en toch zoo keurig, van altoos gelijkvormige en toch zoo sprekende haaltjes en trekjes, waar nooit iets was in doorgestreept, smetteloos, smetteloos tot het einde, om, tegelijk met een macht'looze weerzin, een gedwongen gedweeheid te voelen, te zien: de Vermaning-die-gelijk-heeft.
Dan lag opeens de wanhoop op haar, hetzelfde van die vrees'lijke nacht, toen ze droomde van 't Steigerwater, dat ze daarin was met een boot en die, glibberig, onder haar wegschoot. Zij wìlde niet, neen, zij kon het niet denken, och wel nee, wel nee, de dood!.... Vertwijfelend dwong ze zich 't nìet te gelooven, maar terstond voelde ze dìt weer als làfheid, o, die slangig-afschuuwlijke lafheid, die hier lag op het huis, over Oom! Zij óók laf.... Maar God! mòest ze dan sterven? En haar kindje, schuldeloos wicht....
Meestal kwam deze angst in de nacht. Wanneer ze opschrìkte uit de verdooving, uit dat holle-heete nìet-denken, waarnaar ze gesnakt had, hoe weinig 't verkwikte. Dan lag ze moe, alsof geslagen. Kromp ze onder de dekens, om slaap. Schoon ze wist, dat niets zou baten. Dat er geen méédoogen was--het moest. Zij làg daar, wakker, in de nacht. Niets dan de wekker van Oom en de gootsteen, o God, de marteling van dat gedrup, en die eeuwige zure stank.... uh! 't was of ze 't Steiger rook. Ze wrong zich omhoog, ver het hoofd boven bed uit, wijd de mond open, de borst in een deuk, inhoudend, almaar inhoudend de adem, dat ze over mocht geven, maar 't kwam niet; speeksel vloeide over de lippen, bleef lauw liggen op de kin; en, de loome oogleden sluitend, plofte ze zwaar op het kussen terug, rillend van kou bij dat machteloos-heete, terwijl ze niet wist meer, niet kon, enkel leed.
Nu hoorde ze geluiden van buiten en het gesnork van Tante of Oom, en wanhopig staarde ze 't zwart aan.
Dagelijks keek z'op de scheurkalender, hoeveel minuten vroeger het dag werd. Maar 's nachts duurde 't eindeloos. Eens had ze dit bang-voor-de-nacht-zijn gekend: tijdens de ziekte van haar vader. Máár wat was dàt beetje droefheid geweest, bij deze ellende, dit niets-dan-ellende.
Zooals ze koud en heet tegelijk was, zoo wilde z'en wilde niet de dood.
Dan bracht ze vreesachtig de hand op haar kindje en meende ze, verlicht, te huilen; maar o nee! nu dee' ze weer laf.
Hem moest ze hebben. Hij wist het alleen.
Eén nacht trachtte zij te bidden.
"Lieve Jezus".... Gekrieuw aan haar neus. En een voelen van niets dan haar lichaam. 't Weten: al wat ze wilde, was Jan. Roerloos bleef z'als omkneld door ellende.
Wist nu niets, dan, dat hij haar niet zocht.
Weg was de strakzwarte leegheid der keuken, in een gelig-zwartgestreept licht gonsde het van overal om haar. Haar hoofd had gesteund op de linkerarm, krachteloos was de arm gevallen, ze had een kramp in de buik gevoeld, maar ze voelde niet meer, ze zag slechts.... Zag in dat rossige geel-zwartgestreept.... Hij, die haar aankeek, en niet meer met liefde.... Weg!.... en ze stòrtte zich om, ìn het dek, 't hoofd in de wol, die hard schoof langs haar slapen.... Feller een kramp. En zij dacht aan het kind. Roerloos, omangstte zij 't kind met haar denken, 't kind, dat ze dóódde met al haar gewoel. Miskraam?.... Mee dood?....
Nee. Ze kòn 't niet gelooven. 't Wàs niet zoo. Jan hàd haar lief, hàd haar lief. Enkel bang. Bàng voorr die ffeeks, o die helleveeg, dat wéze.... Bang was-ie, ochchot, om Truus en om Koos, bang voor z'en zake, de goeiert, de lievert.... Niemand dan haar had hij liefgehad--óóit.
En altoos, dat er geen brief kwam.
De tijd was voor haar niets dan weifeling, een niet weten waar te zoeken, een heen en weer gezweef van de geest, als van een hond die zijn meester kwijt is. Haar hunkeren snakte naar tijding, tijding, en plots omving haar de vage vrees, dat ze beter deed niet te verlangen. Wel spròng dan heel haar ziel in verzet en door haar verslagenheid zwalpte krachts-koorts, doch daar bleef slechts geprikkeldheid van, de schrijning van het getwijfeld-hèbben tegen haar wil, haar vaste-gevoel. Uit de bestoven-rommelig-kale nauwheid, de sombere opgeslotenheid van het doodsch-liggen-blijvende winkeltje, tuurde zij niet meer spiedend de straat op, de zonnige winderigheid van de stofstraat. Als een steek behield zij den hekel aan Oom, een steek die telkens even priemde, en met dien afkeer den weerzin van 't huisje, van al dezen achteruitgang, dit slap-weerstandsloos gebrek. Maar bij het stâge gevoel dat zij recht had op beter omgeving dan deze goorheid, waarin Oom zich had laten verzinken, kwam haar nu met tusschenpoozen een bewustzijn folteren als een ontzetting, dat zij dieper nog weg was dan hij. Haar moeheid voelde de argwaan tegen hem als iets misschien-wel-ongegronds en zij kon aan die achterdocht denken als aan iets ook-al-weer-voorbij's, iets dat haar ook al weer was ontglipt. Zoo scheen haar elke nieuwe dag feller van leed dan de voorgaande, alsof zij aldoor verder dwaalde, machteloos zich afdwalen liet. Soms leek dit haar vijand te wezen: haar willoosheid, niets dan die willoosheid. Dat ze niet opsprong en holde naar 't Hang, om hem te roepen, te schreeuwen: hier ben ik. Maar zooals ze zich koortsiger voelde worden onder 't bedenken: of ze niet ziek was; zoo, voelde ze, werd ze nòg machteloozer, wanneer ze ging tobben: 'k weet niet wat ik wil. Dan was het, of alles nog meer om haar draaide, in kringen en stralen, of alles bewoog....
Toen gebeurde het opeens.
Zij moest voor Tante een boodschap doen in de Zomerhofstraat, daar twee kilo aardappels halen, omdat de vent in hun straat ruzie maakte over wat er nog te betalen stond. Zij was maar zoo even weggeloopen, 't kon haar nooit schelen, nu, hoe ze er uitzag. In moeë droomerigheid ging ze zonder te zien door de straten, onvatbaar voor alle gerucht, als er boven; soezende: wáár hij nu wezen zou, als over het zachtere, 't prettige, tusschen dat eeuwige foltervragen: wàt het kon zijn, wàt het toch kon zijn.
En opeens nu, daar, schuins vóór haar, als een wonder dat ongelóóflijk een droom vertastbaart tot werkelijkheid, daar ging hij! Met Benjamin Cohen. Nog geen twintig pas vóór haar uit. Zij dacht, dat ze tegen de huismuur zou deinzen. Op eenmaal was de straat vol leven, dat haar omroesde, kleurvlekkend en schetterend. Menschen en dingen, vol kracht en geweld, kwamen dreigend op haar af, bleken dan haar voorbij te gaan, maar meedoogenloos onverschillig. Fel zàg ze ieder mensch, elk ding. De bonte zware wagen van de petroleum, de hortend' en stootende vuilniskar, een kind midden op straat, aan de overkant drie pratende vrouwen. Ze naderde de aardappelwinkel: de baas praatte vóór de deur met een buitenman. Dáár hadt je dat meisje van Waanders, uit het kefee bij hun in de straat....--"Daëg!"--Wat kéék die! Zij zàg er ook uit! Zóó vóór Jan.... Hij wàs het toch?--Of hij het wàs!.... Had warempel alwéér 'en andere hoed. Stond um goed, van achter op zij. Daar trok tie wéér met z'en rechter arm, dus knelde die jas nòg an de schou'er. Had ie um toe' m'ar teruggegeven, al dat verandere gaf toch niks. En dan voor iemand die zoo precies was, die de kleeren an z'en lijf wou gegote. Droeg toch alles ook zoo prachtig! Wat 'en héér, naast die sjofele, in z'en knieë knikkende smous. God, maar zij.... Toch, ze mòest naar 'em toe.... Vóór 'um te staan, z'en stem te hoore, dat z'en hoofd weer boog naar haar over. Nou zoo daad'lek, Groote God!....
.... Hàd de man uit de aardappelwinkel op 'er gelet? Zij had, verlegen, gegroet. Waarom niet zóó voorbijgegaan! Nou zou de vent.... Och, wat gaf dat nou. Hè, die ellendige zenuwe....
Alles trilde, schokte aan 'er, vezels als stuiptrekkende. Met een smak, of 't hoog en zij zwaar was, stapte ze af van het trottoir, en toen ze midden in de straat kwam, omhuiverde haar een angst voor drukte, een zich stumperig-machteloos weten, een besef als stond z'in het water, als stróómde dit tegen haar in, onafwendbaar. Wat ze nooit had opgemerkt: de straat lag met bolten en holten als wannen, kuilen met wijd uitbultende randen, nèt als thuis in 'er dorp de zand-hei. Als ze dáár vroeger liep, dacht ze: de zee. En nu was het hier de zee, 't golven en deinen, haar omklampend. Zij dacht aan de Joden in de Roode Zee en aan Petrus' angst op het water, opééns wàs weer de Bijbel in haar, dat oude op-haar-instòrmen van de gewaarwordingen uit Bijbelsche verhalen en woorden; het doorflitste haar, doorgistte haar, het was als warmte en kracht in haar, en het doorvlijmde, als zóó lang verloren. Petrus! dat pràchtige gebeurde met Petrus. Nacht; het schip midden in de zee en in nood van de baren. Jezus nadert: "Het is een spooksel!" Dan klimt Petrus neer van het schip, hij verdrinkt!.... "Gij kleingeloovige! Waarom hebt gij gewankeld?".... Ach, zij!.... Hàd zij geloof nog! Wànneer bad ze nog!.... Zelfs niet voor hèm!....
God! waar was-t-ie!? O, daar op de brug.
Nu zag ze hem van de andere kant. Als hij toch maar eens één keer omkeek! Waar zou-d-ie heenloope met die Cohen? Kòn zij mee, et Singel op? 't Mòest! Verbeel' je, dìt niet kunne! Hòeveel weke was 't nou al, dat ze dag en nacht om hem riep; en nou-d-ie dáár vlak vóór d'er ging, zou ze terugkeeren, omdat Tante zat te wachten op aardappels.... Hè! daar keek ie.... Had haar niet gezien. Jee, wat liepe die twee toch langzaam. En zij, slonzig, en met 'er mand.... Kwam d'er wat op 'an!.... O, God!....
Heins en Cohen stonden stil, opééns, midden op de weg. 't Was haar, als botste ze tegen hen aan, haar keel kneep toe--zij aarzelde even, toen stapte zij ijlings het trottoir op en ging het hek in van een van de huizen. Een heel klein tuintje: daar de huisdeur.... och God nee, ze kon toch niet bellen....
In haar nood wist ze weer wat te doen. Weifelend, verwonderd blijven staan, het huis aankijken. Verdwaasd lachen. Terugkeeren.
En ze liep terug, de kant van de brug. Nu dacht ze dat ze voorover zou vallen, zoo bonsde haar hart. Zou-ie haar gezien hebben? Het moest haast wel! Zou-ie bóós zijn? Zou-ie komen?.... Komen? Nee, dat voelde, wist ze--hij was nu niet achter haar.... God, als ze hem dan tòch niet sprak!.... Ze bleef even vóór de brug, op het trottoir tegen een boom staan en gluurde. Nog altoos stond hij. En met de rug naar deze kant! Wellicht had hij haar niet gezien! En Cohen zou haar wel niet hebben herkend. O, Lieve Heer, ik dank u! "Want de Heere zal zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten".... Och nee gut, moch' ze dàt nou wel denke? Ze was toch zondig, God had haar begeven.... Als ze vùrig bad om vergeving.... Bidden zou ze weer. Ook voor hèm.... Et zou zoo vrééselik zijn geweest, as-t-ie, daar same met Cohen, haar had moete zien, zooa's ze der nou uitzag. Maar wanneer zoue' die twee nou toch van mekaar gaan?....
Zij schuifelde voort, tusschen hekken en boomen, telkens schichtig even spiedend.... Nu had hij zich half naar deze kant gewend, ze zag hem lachen, ze méénde 'm te hóóren.... Een gloed doorgulpte haar--zijn lach! O, wat had zij die vreugde ontbeerd, die zaligheid als zijn tandenmond lachte, als hij haar wèg-maakte met zijn lach.... En weer voelde zij zich licht--'t kòn alles niet waar-zijn, hij meed haar nù maar, tijdelijk, na het onweer thuis....
Daar kwam-d-ie! Goddank! Nu hem dádelijk vragen:--"Kijk maar niet naar me, 'k zie d'er uit!".... Nu zag hij haar.... Jee.... Keek niet blij....
Haar voelen kromp samen, haar denken verwarde; het was of men haar na een eindelooze benauwing plotseling in de lucht bracht en meteen de borst toedrukte; zij kon niet laten hem aan te zien, hoewel ze zich tot sidderens toe schaamde, omdat haar oogen schoten vol tranen; zij voelde zich zóó gering en nietig en toch wist ze zich één met hem.
--Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
--Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe dingen te zeggen--want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met oogen die ook niets zeiden.
--Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
--Ik?.... Hoedat?.... vroeg hij traag, bijna stuursch.
Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
--Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel me zoo! Spréék nou teminste. Zeg hoe of wat....
--Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn tegegekomme....
Zij wist al. Toch zei ze:
--Je zou me schrijve.
--Ik jou schrijve?.... aarzelde hij. Toen opeens rad:--Ja! A'k gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit.
--Oóm?.... Wàt he't die?
Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak me niets wijs:
--Hè't ie jou daar niks van verteld?
--'k Zwéér je.... angstigde ze hem tegemoet.
Doch ze bedacht: och, meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die Oom gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:
--Zie je! Je weet t'er wèl van....
--Meen je, toe Oom me koffer gehaald he't?
--Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.
--Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
--Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?
--Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar gezegde van "d'en eenigsten weg."
--Jok d'er toch niet om! zei Jan fier.
--'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
--Nou dan!
--Ja maar da's ook al!....
--Maar je wis' t'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou verschijne: de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was! In me schrik he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--Ja, da' was stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En dan.... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik eig'luk.... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst, sta je daaran bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.
--Wist ie me náám?
--De vent wist alles!.... Ja, dat dank je nou aan j'Oom! Van je femielje mo'je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!.... 'k Doch' dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar de wet verbiedt 'en huuwlijk tusse mense dieë.... overspel hebbe gepleegd. Bekende-n-ik nou, 't was voor eeuwig nie' moog'lek. Offisjeele bekentenis!.... 'k Heb alles geloochend, wat j'Oom gezeid had....
--En?....
--En niks. Toe kon ik gaan.
Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
--M'ar nou begrijp je wel, da' we voorlóópig niks motte beginne. Kan 'k je mit ie's helpe.... mit geld of zoo.... gráág netuurlek. Da' weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me.
Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.
Jan meende het goed. Maar dàt wist ze altóós! Doch hoe was het nou? Nóóit mekaar zien? Niet in weken? Niet in maanden? Ze vond geen vraag die ze durfde doen.
--Schrijf je m' ook niet? schuchterde ze.
--Schrijve?! Dat was et stomste van alles.
En daar ze opkeek, verschrikt van zijn toon:
--Oom kent ommers m'en handschrift, meid! As die de brief in hande kreeg, tien tegen een, da' jij um nooit zag.
Geertje griezelde, maar haars ondanks. Ze voeld' ook verlichting: Jan had gelijk. Die angst, dat Oom zijn brieven zou stelen--het was precies wat zij had gevreesd. Hij had gelijk: zij konden niet anders.... Máár dat dit nu kwam door haar Oom. O, die jeloerschheden van de mannen! Dat zij daar nu al haar geluk om verloor.... Dàt kon toch ook niet. Nee, 't kon niet en zou niet!.... Ze voelde alles in zich in opstand. Smeekend keek ze Jan aan: wat dacht hij? En, o God, nu doorvloeide haar droefheid: Jan zijn oogen stonden gewoon. Hij vond het toch ook naar, hij had haar lief--hoe kon hij dan berusten, kalm zijn, onder wat schandelijk was van wreedheid?
--Zeg meid, we motte hier niet zoo lang staan.
--Ja.
Ze gaf hem de hand, keerde schielijk zich om--het verlichtte, dat ze alleen was.
Eens keek ze nog om--daar liep hij op 't Singel--als ze hem rìep, achternáging?.... Nee.
Maar naarmate ze verder de Zomerhofstraat in kwam, meer in de rumoerigheid van de stad terug, vervulde haar een volslagen loom-makend besef van nu-niets-meer-te-begrijpen, als was ze omwikkeld door raadselachtigs. Ze kòn niet nadenken, was ook zoo slap; en toch folterden zóóvele vragen en grepen-in in haar overtuiging met martelende tegenspraak. Ze was tegelijk erg moe en zwaar en ze ging wezenloos, of ze geen lijf had. Ze schrikte, toen ze, volkomen onwillekeurig, ophield voor de aardappelwinkel.