Geertje

Part 19

Chapter 194,292 wordsPublic domain

Tot opeens ze felle pijn had, van het bonzen van haar hart:--daar kwam Sefie aan! Het was of ze wegzinken zou door de steenen; toen, of ze niet verder kon. Maar nu zag haar verbeelding Truusje vóór zich, stekend de armpjes naar haar uit--even zuchtte ze diep om adem--toen was ze besloten: ze liep op Sefie toe. Zij zou de minste zijn, vriendelijk vragen, of ze de kinderen even mocht spreken.... Hè, ze zag 't: nu zag Sefie háár. En.... m'en God, wat kon dat wezen! Sefie stond stil voor die joodsche winkel, keek naar de mantels.... dat was toch om háár.... Nee, ze kon, ze kòn niet verder.... Naar dàt wezen, dan maar niet! Of.... hier rustig blijven drentelen tot Sefie buiten kwam met de kinders....

Waggelend was ze omgekeerd, slepend zich voort op de lastige steenen, telkens uitwijkend voor menschen. Nu.... Ja. Sefie was achter haar. Háár pas.... "Sta me bij, o Heere".... Nee. Niet bidden om zóó iets. Daar wàs Sefie.... Praatte, ja, praatte tegen haar....

--Sjeg, ga no' daur, maak no' gein gekheid, Truus mag tuch niet mit je spreke....

--Wàt hei jij! Wàt wou je van mijn!

--Hau je gemak, mens, ik sjei 't faur je beswil. Ik sie bliksems goed wa' je will. Maar ik ga de kinders hale en jai blaif fan z'af, versta je....

--O.... jou.... ss.... let....

--Hoe noem u me d'ar! Seg det nug is, as je lef hep.... Wel ver.... duld.... nee, die is goed. Ik 'en slet--en wa' bai jai dan? Die is me femorgen et huys uit geset, omda se net hiel mit de man van d'er jefrauw en nau noemt se main 'en slet. Ik heb me niet an me laif late sitte door 'en ander d'er wettige man, ik hep me fraier, m'ar jai, wie 's de jauwe, want.... et wurt d'ar al aar'ig dik....

Geertje voelde dat ze wegzonk. Menschen, mannen die lachten, rondom haar, vrouwen, kinderen, en steeds die furie.... Plotseling greep zij om steun.... en.... niets....

Toen ze het bewustzijn herkreeg, zat ze op een stoep in een kring van menschen en een agent boog over haar heen.... Met een zwakke schreeuw wou ze overeind, maar ze was machteloos, zakte weer neer. Voorzichtig hielp de agent haar op. Ze voelde zich gaan, maar steunend op hem.... Ze zag de menschen onwillig wijken.... Ze sloot de oogen.... maar nog een agent sprak tot de menschen.... toen kon ze voortgaan, langzaam, met de agent die háár toesprak.... Eind'lijk liet hij haar.... en zij, bijtend in 'er zakdoek, waggelde in een vlucht de gracht af.

--....Vergeef u me maar! 'k Zal doen wat u gezeid heb! U moet m'ar an Groo'va schrijven om et geld. Ik vin et goed!

Zoo had ze Oom tegemoetgerateld, toen op haar kloppen de winkeldeur geopend was en hij, iets boven haar, vóór haar gestaan had.

En, wonder, hij had enkel:--Nou! gezegd, en nu zat ze mee in de dichte kring om de slordige tafel met kopjes en glaasjes, met de koffiepot in een plas van koffie en een olieflesch met drank; mee met Gerrit en die z'en meisje, en meneer Maandag, en die Cohen, Oom z'en aanstaande kepejon, die aldoor het hoogste woord had.

Ze voelde zich rozig, als iemand die lang in de kou heeft geloopen; zeker door dat zitten daar op die stoep. Hè, ze wist niet, hoe ze het had! Alles warde in haar hoofd. Het was net als toen in de ziekte van Vader--het eene oogenblik was het, of alles in haar samenkromp van angst, en dàn weer kwam er volkomen ontspanning, en kòn ze niet gelooven, dat het ongelukkig zou afloopen. Als ze nou dacht aan straks, daar onder de Delftsche Poort. Omdat ze zoo wee voelde in d'er maag, had ze aan de wagen een augurkje geprikt. Dat had 'er dadelijk opgemonterd, maar toen ze doorliep naar de Schie toe, was opeens de angst op 'er maag geslagen, bij de gedachte dat ze aanstonds staan zou voor Oom, dat ze nergens anders heen kon, nergens in heel de niet-eindende stad, onder al die zondagsdrukte, nergens als, aanstònds, naar Oom.... Geknepen had het in haar van angst en felle schaamte:--naar Oóm, dat ze dìe nu vergeving moest vragen, alles hem zeggen en smeeken om hulp.... Ze was de kant van het Singel geloopen. Toen die heer, die haar zóó maar aansprak, lachend, met knipoogjes, gemeen.... Meer om van die af te komen, was ze dadelijk omgekeerd--en van zelf hier heen geloopen; en nu zat ze hier, in een kring, net of er heelemaal niks gebeurd was.... Toch--soms zònk ze weg, als in ijs, kreeg ze een drang om weg te hòllen: wat dee' ze hier, bij déze menschen, met hun akelig gezwets, hier in deze vieze rommel, jassus, je werd-t-er misselek van.... Weg--waarheen? wáár zou ze zoeken, zoeken als 'en hond z'en baas, zoeken de stad door, in al et gewoel.... Maar.... hij zou nou zeker thuis zijn! Groote God! hij thuis, en zij.... Och, dat kwam terecht, dàt was 't niet; als ze maar zéker wìst, dat hij d'er was. Ja, ze mòest d'er straks op uit, nou nog niet, nou zag z'em toch niet, straks.... en nou maar heel gewoon doen.... Ze sprak, ze hóórde zich praten met Lena, 't nieuwe meisje van Gerrit, naast haar. Hè, wéér had ze datzelfde gevoel als toen Vader was gestorven, toen d'er ook gepraat, in een kring, werd, vlak om d'er heen, en zij, bang voor Groo'va, stijf op d'er stoel zat, als was ze verkleumd. Wàt een suf nest, die mottige Lena, dat zou ook wel gauw uit zijn met Gerrit.... Hè? Zij koffie?--"Dank u, Tante." Hé, wat keek Tante vreemd d'er aan! O, dat was nog om van morgen. Straks.... hu ja, straks moest ze 't zeggen. Maar éérst wóu ze uit, naar hem....

Zij lachte mee, met Lena, om Gerrit, die vertelde van de school, van het Hoofd, zoo'n lamme dwarskop, die nooit goed von' wat je dee'. Ze vroeg meneer Maandag naar de kinders--ja, z'en zus was weer es thuis, zoo had hij een beetje vrijheid.... Maar Cohen nam nu het woord, hè, zoo'n gluiperige smous leek 't; wacht! netúúrlijk! over Jan!.... Och, de schooiers, ze konne niet anders, "afgunst is een slecht onderwijzer", Groo'va had het zoo dikwijls gezeid! Zie je! Maandag dacht toch niet zoo. Lekker, jood! steek op, voor jou!.... 't Water? Zeker, met plezier hoor, al vroeg Tante 't nog zoo raar.

Maar toen ze bezig was in de keuken, waar Tante het petroleumstel te hoog had laten branden, en bedacht dat ze als een gunst zou moeten vragen om 's nachts te slapen in die stank, raakte heel haar wezen in opstand, tegen het mensch en Tante en Oom--in haar boosheid goot ze over, 't kokende water lekte op haar hand.... voor de prisma's van haar tranen was het, als zag ze Truusje en Koos, die nu gauw al naar bed toe moesten.... Och, waaròm stond zij dan hier!....

Toen meneer Maandag aanstalten maakte om heen te gaan, stond ook zij op. Ja, ze moest weg!.... Maar daar Oom net even naar achter was gegaan, liep ze hem na, en in de duisternis zei ze 't gauw: of ze hier mocht komme slape, dat ze ruzie had mit de Juffrouw....

Buiten griezelde zij van de mist. Een oogenblik vreesde ze, dat ze zóó zou overgeven. De kou viel als natte doeken om haar. Ze steunde van verlangen naar hèm, dat hij naast haar mocht gaan, haar warmen, met zijn groote lijf tegen haar aan. Nu dribbelde Maandag daar, bibberend zelf, forsch alleen in zijn bochel, als topzwaar, kuchend, en klagend:--'t Was binne zoo warm....

Zij herinnerde zich de avond, kort geleje, toen ze ook ruzie met Oom had gehad, over Jan, en met Maandag en de kinders naar huis ging, over de hardgevroren sneeuw; toen ze thuis had moeten denken aan wat eens de Juffrouw gezeid had: "die kinders, de vréúgd van Maandags leven"....

O, ze hield van de bultenaar, al zei-d-ie vaak zulke malle dingen! Kijk-ie rillen in z'en versleten jas, got, zoo armelek zag-ie d'er uit!....

Even vóór het viaduct op de Schie, 't was vol op straat, ze moest telkens wijken, zèi ze 't:

--Ik ben weg bij Heins, ruzie gehad mit dat lamme wijf, 'k mot d'er nou nog effe heen, maar ik slaap venacht al bij Oom....

Menschen jachtten langs hen voort, een zware vent plompte tegen meneer aan, die haast van het trottoir af raakte, toch vloekte de vent nog, meneer zei niets--zij vòelde, dat hij haar aankeek met angst, dat dit hem geheel vervulde, zoodat hij niet lette op de omgeving.

Een toenemend warmtegevoel gaf haar kracht.

Zij voelde tegelijk iets als meerderheid tegenover dat lage gedrocht daar naast haar en innige eerbied, dankbaar vertrouwen.

--Toe, la we daar gaan, zei ze gauw.

En schuins het viaduct doorstekend, liep ze vóór hem uit naar het trottoir aan de waterkant, waar ze, kalm, hem alles vertelde: dat Jan en zij elkander hadden liefgekregen, dat zij zwanger was, dat de Juffrouw het nu had gemerkt. Op de hooge Schiebrug vóór hen rammelden de tram en een rijtuig; in risten kwamen de menschen de brug af, maar ijlden op de huizen toe, scherend, snel, langs de schuttende gevels; zij bleven alleen aan deze kant; in de ijzige wijdte, mistomhuld; en vlak vóór, dáár, aan hun voeten, was de blauwgrijze diepte van water, 't groote graf, waar al de mist, al die niet te ontvluchten vochtkou, in walmende wolken uit op scheen te stijgen.

Zij deden of zij drentelden. Vóór de lantaren bleef hij staan; zij zag hem klappertanden, daar hij haar aankeek, een schok ging door zijn vervaarlijke rug, waar de wasbleeke kop zoo nietig op lag.

--Arme maid, was al wat hij zei.

Geertje voelde zich lichter--zóó dankbaar.

Bibberend in zijn versleten jas, stapte hij door:

--Ge mee, hieraufer, dan drinke me-n-en kep keffie en prate....

Maar o nee', dat wou zij niet!

--'k Moet weg, heusch!

--Werom dan toch?

Ja, ze mòest nou gauw naar 't Hang toe. Noode liep hij met haar door. Vroeg nog, wat ze dacht te doen.... Bij de Kruisstraat nam zij afscheid. Wel verlicht, dat dìe het wist....

Maar nu kreeg ze weer de ellende, dat kerels achter d'er aan liepen, praatjes begonnen, d'er vastpakken wou'en. Kwajongens werachtig, net van school! Eens een deftig heer, al grijzend. En een peliessieagent die het zag. Hè, dat je niet ordentelijk gáán kon!

Onder het oploopen van de Boijmansstraat--'t maakte telkens haar moe, dat klimmen--bedacht ze het doellooze van haar gang. Het eenige dat ze kon doen--naar zijn huis toe. Zòu ze?.... Maar dat gaf nieuwe ruzie, niet met háár, zij was d'er niet bang voor, maar met hèm, wanneer ie thuis was. En wanneer-ie d'er 'es niet was?.... O God! stel je voor, dat ie nìet thuis was! Och, maar dan had zij nou toch bericht, hij had d'er geschreven, bij Oom of hoe ook.... Hij zich verdaan?! Nee. Ze dàcht het niet. Dat zòu d'ie niet, waaròm, waaròm! As ie et thuis niet uit kòn hou'e, wist ie et ommers, dan gonge ze weg.... O! hè, wèg met em, héél vèr.... Zij was nou toch af van de kinders. Ja, maar hij niet! Hè, geméén van haar, zoo te denken, uit sjelezie, omdat zìj nou niet meer thuis was. Zòu-d-ie d'er zijn? Ja, ze dacht et zeker. God, straks kwamme de Nicht en d'er man! Och, wat zou-d-ie dàt vreeselek vinde! Hij had toch al zoo et land an die lui. En dan nòu d'er mee te zitte. Ze was haast blij, dat zij hier liep! As ze-n'em maar es evetjes sprak!....

Gedachteloos was ze de Korte Hoogstraat in geloopen, langs het Zuid, waar je niet kon inkijken, de gordijnen waren toe--en toen het Steiger op. Toen ze de achtergevel zag, moest ze even stil staan, zóó klopte 't.... Als ze maar licht zag op het ketoor, dan was ze gerust, ging ze gauw weer naar Oom toe. Hij ging ommers vaak 's zondagsavens om deze tijd nog 'en poosje naar 't ketoor.... Nee. 't Was donker. Alleen in de huiskamer, daar zag ze duidelijk het licht door de spleten van de gordijnen. Dat was netuurlek aan, dat zei d'er niks. As ze dan toch m'ar es effe belde, misschien dat hij d'er wel opedee. En Sefie was thuis? Sefie.... Get! Ze dacht, huiv'rend, aan de middag--zij, daar tot schand' van een heele buurt.... Wàt nou te doen?.... Och, ze mòest maar wachten. Hij zou het wel niet hebben gedaan, daar kende-n-ie háár liefde toch als te groot voor. Wachten moest ze, tot morgen, ja. Maar wel moest ze 'm even schrijven. Dat-ie wist, hoe het was met haar....

Wat moe, stak ze langzaam de markt over, toen de steeg naar het postkantoor. Eerst toen ze de drukte van de Blaak vóór zich had, bedacht ze, dat het kantoor was gesloten--Zondag! God, hoe dan met d'er brief!? O, gelukkig, de Melkinrichting! Ja ze hàd d'er purtemenee. 't Was daar zoo'n vriendelijke juffrouw, die zou d'er wel aan papier willen helpen. En dan dronk z'en kop sjukkela....

Het was er vol, in het witlichte melkhuis. Bijna uitsluitend vrijende paren. Geertje voelde zich pijnlijk eenzaam. De juffrouw was vriendelijk, herkende haar blijkbaar. Maar pepier en een koevert?!.... Nee, gut.... Een postzegel? Ook niet. Enkel, hier, zoo'n gewóón stuk pepier....

Geertje nam het. En schreef, met potlood. Vouwde 't papier.... Zoo kon het wel. 't Leek zoo wel wat op een briefje.... Toen kocht z'een broodje, had tòch honger, en met gekauwd deeg plakte ze het toe.

Nadat zij, met angstig loeren, of iemand haar zag, het Hang doorgaande, het briefje in de bus van de winkel had gestopt--in de huisbus kon Sefie het vinden--ging ze monter, met kalme moed, naar Oom, niet meer bang voor wat die zou razen.

VI.

De boot die maar niet stilleit, wiebelt, draait, je glipt op 't hout, zoo vocht, en nou ze stáát op de plànk, drááit de boot weer.... Tegehoue, zoo, tege de muur.... Waar hangt et touw nou! ze ziet et touw niet.... Ochchot gauw, de boot beweegt....

Wat heeft z'et koud.... Wat is-t-er! God! waar leit ze, wat is-t-er gebeurd.... Z'is bij Oom. Ze heeft gedroomd.... Hè, wat was dat vreeselik.... In et Steiger, al dat water, en die muur waar ze tegen op most, torenhoog! en ze zag geen touw.... Hu, z'is kóud! d'er voeten en beene. Och, et dek is losgegaan.... Zoo. Straks instoppe. Eerst nog wat legge. Akelig moe.... zoo moe, zoo moe....

Misselek--ze váárt op van schrik.... Nee, et schijnt toch niet te komme.... God, wat leit ze-n-ongelukkig, al dat dek.... Z'is ingeslape, 't dek leit nou nog aak'liger.... O-nog-es-toe, die droom van et water.... 't Laat er niet los, dat verschrik'lek gevoel. 't Is toch maar 'en droom geweest?.... Och ja, netuurlek, niks as 'en droom.... Wat 'en toestand, alleen in die boot, nerge's iemand om d'er te helpe, ginter de ka, w'ar ze niet na terug kon, niks geen stuur had ze-n-over de boot, telke's draaide-n-ie onder d'er weg, overal glee z-n-uit op de vocht, en in 't midde sting al water.... tot ze tege de muur was gestoote, Jan z'en muur, zoo hoog, zoo hoog.... eve had ze na bove gekeke, 't hek van et plat gezocht in de lucht, en toe was ze al haast gevalle.... got, maar toe ze zocht naar et touw, dat Jan voor d'er neer zou laten, en de boot schóót onder d'er weg....

Eerst et dek wat beter legge.... Wat is dàt!.... O, Oom die snorkt. Hè, dat ze nou zoo schrikachtig is. Met die deur die niet heelemaal dicht kan, zoo vervelend, net één kamer. Hoor d-ie snorke. Plezierig voor Tante. Och, die is et wel gewoon. Akelige levemaker; nacht of dag--nóóit is ie stil. Om zoo an te gaan over Jan, nou-d-ie wist, dat zij nergens heen kon. As-t-ie weer begint, gaat ze weg. Kan nie' schele waar of hoe, meid as 't moet, as Jan geen geld heeft; maar dat an te hoore, nee!.... Groo'va?.... Nou, Oom moet et weten, as-t-ie de ouwe man et wil andoen. Trouwe's, eens merkt Groo'va et toch. Ooms woede was niks as sjelezie. As-t-ie et erg had gevonden om haar, had ie háár meer motte zegge. "Mit jou heb ik mejelij, jij ben 'en kind," en zukke praatjes. Al de schuld an Jan! Netuurlek. As je zaak zóó belabberd staat en 'en ander z'en zaak gaat verdeelig. Groote God, daar is et weer!....

Ineens overeind, hing zij, schouderhuiverend, ver het bed uit, vol angst voor bemorsen. Bij de schielijke beweging, scheen ze zich te hebben verwrikt; plotseling voelde ze zulk een heftige steek in de buik, dat ze samenkromp en op het kussen terug viel, tot geen weerstand meer in staat. Weer een kramp, heftiger nog dan de eerste, en het was of ze uit het bed gleed. Toen voelde ze zich weer liggen, stijf, net of alles an d'er klein was, mager, enkel d'er buik erg zwaar. En in een wanhoop, waarbij ze zich als nog vermageren voelde aan de slapen, om het jukbeen, lag ze te wachten op haar bevalling. Het kind zou dood zijn. Misschien stierf zij. En Jan--ach! hoe zou hij het hooren! Van Oom, die hem verwijten zou doen.... Zij merkte op, dat Oom nu niet snorkte. 't Getip van de lekke kraan in de gootsteen was al wat er viel in de stilte. Roerloos lag zij en ademde noode, zóó bang was ze voor beweging. Zou het dan tòch niet!?.... Door haar gevoel vleugde een zweem van hoop, van blijdschap.... Och, nog niet! Zij bad tot God, dacht aan Groo'va's: "de beste gebeden zijn die als men niet knielen kàn, dàt is de nooddruft die Jezus wegneemt." O, zij hàd gezondigd, dat wist ze. En toch.... Als Jan scheiden wou, als ze nu trouwden, mocht dan hun kind niet blijven leven? Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar werd, om hèm daar heel zacht te streelen. Maar zij bleef bewegingloos, starende, wijd de oogleden open, wetende dat haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van de nacht.

Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door het kraken van 't ledikant of dat zij de volgende morgen niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker-vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, hòe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in 't zwart zat te staren.... En nu lag zij hier saâm met haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn--altijd met het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers kindje's wieg! Daar had ze nooit nog aan gedacht. Ze had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen. Als Oom dadelijk schreef aan Groo'va, om het geld dat hij wou leenen, dan zou ze-n-em vragen het zoo te schikken, dat de helft, die toch van haar was, niet door Oom werd beschouwd als geleend van Groo'va, maar als een som die zij gestort had en waar Oom van af kon rekenen zóóveel voor haar verblijf hier in huis.... Als Groo'va het te minste déé!.... Och, ze hàd toch ook nog wat guldens en als het moest zou ze Jan wat vragen.... 't Flitste door haar, van haar droom. Hè, hoe hàd ze zóó kùnnen droomen.... Ze dacht aan Maandag, die goeje Maandag, die in dat nare weer naar Oom en Tante was terug geloopen, enkel om hen voor te bereiden. Zonder Maandag zou het zeker nog erger ruzie zijn geworden....

In de vaagheid van haar laatste gedachten schimde Maandag.... en toen weer Jan.... en die mooie plaat van thuis, waarop een jonge moeder haar kindje over de onderdeur voorhoudt aan de vader die van de vischvangst komt.... en een wiegje.... en....

Zij sliep.

Weer was het tot kijven en schelden gekomen. Het was al begonnen, toen Oom zich aan de gootsteen stond te wasschen, terwijl zij zich aankleedde. Vroeger, in de maanden die zij bij Oom en Tante had doorgebracht, was het telkens en telkens gebeurd, dat Oom in het keukentje kwam, voordat zij met kleeden gereed was. Nooit had het haar gehinderd--van Oóm! Maar nu was het haar tot een ondraaglijke schaamte geweest; en toen Oom, met een gore handdoek een vertoon van druk te boenen langs zijn hoofd makend, zich naar haar had gekeerd en tot haar had gesproken, had ze lomp hem de rug toegewend, in een machtelooze woede, omdat ze, nog in haar onderrok, zijn oogen had zien gaan naar de ronding van haar buik.

--O, hewwe-n-et weer zoo laat!

De gewone hoon, waarmee hij Tante telkens plaagde. Maar die haar nu had doen uitbàrsten in tranen. Tante was er bij gekomen, het eene woord had het andere gegeven, en zij had er bij gestaan, schaamtevol in haar onderkleeding en te slap, te mismoedig en suf, om iets meer te doen dan bitse antwoorden en felle uitvallen werpen onder alles wat hij haar had toegebulderd over Jan. Tot ze met haar japon in de armen gehold was naar de winkel, waar Tante haar was komen beknorren, omdat ze wel krankzinnig leek: hier zóó te staan, terwijl ieder oogenblik een klant de deur kon opendoen--alsof er nog wel eens klanten kwamen; maar waar ze toch zich had kunnen kleeden, terwijl Oom in zijn eentje doorraasde in de keuken.

Een:--"Nau, is 't nau haas uijt?" van Tante en morrend was Oom zijn brood komen eten. Bij het suizen van het petroleumstel niets dan gesmak, ongeregeld, als was geen der monden nog tot kalmte gebracht. In de winkel had Geertje bedacht, wat zij zich deze nacht had voorgenomen over rustig blijven voortaan--nu al had ze zich niet aan dit voornemen gehouden! Maar hoe had ze moeten doen? Moest ze Oom dan maar laten tieren en zeggen van Jan wat hem voor de mond kwam?.... God, vlak naast de vent te zitten, nergens, nergens heen te kunnen, en te voelen dat hij je grootste vijand is! Och, maar liet ze zich toch niet opwinden om een vent-van-niks als hij! 't Zou Jan wat deren, hoe meneer Nijkerk over 'em dacht!.... Jan niet--haar. Ze kòn 't niet hooren. God, ze zat hier met Jan z'en kind, en dan zou ze zwijgend luisteren, als er zóó wordt gesproken over de vader?.... Zij proefde het zilt van haar tranen door het brood. Zij was doodsbenauwd dat Oom haar zou zien schreien, en, zoogenaamd uit meelij met haar, weder over Jan beginnen; en toch hielden de tranen niet in. Door het glinsterwaas voor haar oogen zàg zij Tante een gebaar maken tegen Oom--of.... misschien was het tegen haar, dat zij uitscheiden zou met huilen.... Ja maar, ze kòn niet, got, zie je dan niet, hoe zou ze nou inééns rustig weze!? En toch kòn ze niet blijven zitten. Ze vluchtte naar het keukentje, de deur kraakte, zoo duwde ze om die dicht te krijgen; toen bleef ze staan, als wezenloos; ze gaf er zich rekenschap van dat ze versufte, ze zag op naar het kleine keukenraampje, in de hoogte, als kon er uitkomst komen van buiten.

Daar hoorde ze praten, de stem van Maandag--wat kwam die zoo vroeg hier doen! Het was wel heel vriendelijk van hem geweest, dat hij gisteravond, bibberend in de kilte van het mistweer, zooals hij vóór haar had gestaan, toen ze bij de Kruisstraat afscheid namen, nog weer heelemaal was teruggeloopen, hier heen, zoodat Oom en Tante wisten, toen zij kwam om te bekennen. Ze had anders, op stuk van zaken, zeker niet geweten, hòe het aan Oom en Tante te zeggen. Maar ze herinnerde zich nu toch, dat Oom, in al zijn geraas over Jan, telkens had gesproken van Maandag, dat dìe Jan evenmin vertrouwde, dat dìe óók gezeid had: 'en schoft. En nu waren ze, daar, met hun drieën; met hun drieën tegen Jan; en zij moest langs hen heen, als ze weg wou, tusschen hen door, in de nauwte van de rommelige tusschenkamer, waar ze hen voelde, wàchtend op haar.

Toch zou ze gaan. 't Was niet zóó vroeg meer. Jan zou al wel op het ketoor zijn. Later op de dag ging hij uit.

Schielijk maakte ze, vóór het scheef afgebroken stukje spiegelglas, dat terzij van de gootsteen hing, heur haar wat in orde. Dan zette ze haar hoed op, greep haar mantel....

--Ga je-n-uit? Waar wou je héén?

Dadelijk voelde zij een dreiging van tegenhouden in Oom zijn stem. Maar met een zijbeweging om het bed heen, kwam ze, inschietend in haar mantel, dichter bij de deur dan hij. Toen zei ze zacht:

--Ja, 'k mot er heen.

--Wat er heen! Jij, nou na Heins? Nee werachtig niet, da' gebeurt niet! Denk je dat ik....

Met zijn heftige lawaaierigheid was het haar, als wou hij haar grijpen. Zij deinsde naar de deur, in de kamer--toen had zij Maandag, die opstond, naast zich, en zij speelde verrassing:--"Ben u d'er!"--zij wist op eens gewoon te zijn, hem even aanziend met dankbare blik, terwijl Oom's stem reeds aanbulderde: