Part 18
Maar norsch liep het mensch langs haar heen zonder eenig antwoord te geven. Er was gedekt en terwijl Geertje daar nog stond met hoed en mantel, bracht Sefie het eten al binnen, gevolgd door Truus, die blij naar Geertje's armen opsprong. Op het oogenblik dat Geertje zich bukte om het kind een kus te geven, zag ze dat Sefie, met een hoofdknik naar háár kant, de Juffrouw nijdig-spottend aankeek.
--Waar is Koos? vroeg zij aan Truus. Maar het kind was de kamer alweer uit.
--Is Koos óók in de keuke? vroeg ze, heel gewoon, aan de Juffrouw.
Deze deed, als hoorde ze niets.
Wat was dat nou weer! niet praten? God, wat had ze nou weer misdaan? Omdat ze niet vroeger thuis was gekomen?! Nou maar, het was nog niet eens haar tijd; d'er werd vandaag een uur vroeger gegeten, maar daarom hoefde zij toch niet een uur vroeger thuis te komen!.... O, nu hoorde ze Koos in de keuken.--Maar Jan was d'er ook nog niet.
--Waar is Meneer? vroeg ze aan Sefie, die de biefstuk binnenbracht.
--Meheer? Moj' Mehéér hebbe?--Sefie vroeg het op zoo'n vréémd-hondsche toon!
En meteen viel de juffrouw uit:
--Ggai jai' no' je ggoed m'ar afdoen, 't aite staat al faur je-n-op' tafel!
O zoo, moest ze zoo behandeld! Ook al goed! Wat kon 't haar schelen! Je wist hier toch nooit, hoe de wind woei.... De moed d'er in hou'e: "Wij hebben dan altijd goeden moed," zeit Paulus in de Brieve an de Corinthiërs.... Maar.... "Gij vaders! tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden," staat er in de Brief an de Colossensen. "Vaders", ja! de Juffrouw d'er vader!! Och jee, vadertje, zij!--haast niet gekend!.... Maar, o nee, nie' treurig worde; as ze huile ging, was ze verlore. Bij iedereen doen, of d'er niks deerde. As ze Mien Koenders straks was tegegekomme met Arie, zou ze met 'en vroolek gezicht vriendelek hebbe gevraagd:--Zóó! hoe make jùllie et? Bij Oom zou ze doen of ter niks gebeurd was. En hier.... volhou'e of ze nooit wat merkte!
Toen ze weer beneden kwam, zaten allen aan tafel: hij was bezig de biefstuk voor Truus te snijden.
--Dag Meneer, zei ze èrg gewoon.
Hij wel héél terloops:--Dag Geertje.--Ze kon zich vergissen, maar ze kreeg dadelijk de indruk, dat er iets gebeurd was. Die manier waarop-ie vroolijk was met de kinders, nou! als dàt natuurlijk was! En het mensch dat als een spin keek! Och heerejee, wat kon d'er wezen! Gekheid. "Wij hebben goeden moed." Druk vertelde zij aan de kinders, van de mooie bloemen op 't Singel en van al de fietsers op straat. Toen Sefie de rijst binnenbracht, begon ze expres te praten met hem, over een overhemd van 'em dat stuk was--en weer keek de deern vreemd. Geertje voelde zich opeens als wegzinken, net of de dingen begonnen te dansen, en sterk moest ze zich inspannen, om niet te morsen bij het strooien van suiker over Truusje's rijst.
Toen hoorde ze Sefie zeggen:
--Dan gaa'j 'k no' m'ar....
En de Juffrouw vertelde aan Truus en Koos, dat ze voort uit mochten met Sefie.
--Gaat Sefie nòu? kon Geertje zich niet inhouden te vragen.
--Ja, fee jai ut soms nie goed?!
--Gut, ik heb d'er niet mee te make....
Met een opzettelijk langs-Geertje-heenkijken verklaarde de Juffrouw.... aan wie het wilden hooren--de oogen strak op het buffet--, dat Sefie nu dadelijk uitging, daar ze vroeg terug zou komen, om de partij van van-avond, en dat, door deze regeling, de kinderen ook nog de straat op kwamen. En, met een diep minachtende blik op Geertje, voegde de Juffrouw daar nog aan toe, dat de vaten bleven staan.
Geertje had een antwoord op de lippen, maar hield het in. Waaròm zou ze zich vermoeien met die vaten, wanneer Sefie ze later doen kon? Dankjewel, nú het mensch weer zóó was. Maar begrijpen dee' ze d'er niks van. Wat had zij van middag te doen? De taartschoteltjes afvegen, vóór stof afnemen.... ja gut, dat was àl! Affijn, haar 'en zorg, en des te beter! Dan had zij 't ook eens makkelek.... Straks moest ze trachten, Jan te spreken.
Toen zij, na de kinderen te hebben aangekleed, weer beneden kwam, was de Juffrouw bezig de tafel op te ruimen. Dat had Geertje nog nooit gezien, zoo lang als ze hier in dienst was! Zwijgend hielp ze aan de laatste dingen. Truus wou ook helpen, maar kreeg een snibbige berisping van d'er moeder, dat ze ook nooit eens netjes was op d'er kleeren. Toen kwam Sefie met rokkengeruisch van boven en zegevierend ging ze af op de kinders:
--Ben jelui klaar, da' gaan we. Dag Jeffrauw--vriend'lijke nadruk, en hondsch-onverschillig er achter:--Dag....
--Dag Truus! dag Koos, riep Geertje vroolijk, en nog eens uit de gang, toen de kinders al een eind de trap af waren:
--Daëg!.... Pas j' op mit de fietse, Truus?
Lekker nèt gedaan, of ze 't best vond.
De Juffrouw was naar boven--zeker gaan liggen òf zich mooi-maken.... Jan moest naar het kantoor gegaan zijn nadat Geertje de kinders had aangekleed, had zij hem niet meer gezien. Zij aarzelde, maar de gelegenheid was te mooi. Zij sloop nog even de trap op, naar d'er kamertje, om te kijken of ze iets van het mensch kon merken, maar de slaapkamerdeur was gesloten en ze hoorde geen geluidje. 't Mensch was ongetwijfeld gaan liggen. Met een vaartje stoof ze geruchtloos de trap af.
De kantoordeur was niet op slot. Zonder te kloppen ging ze binnen. Ja, ze zou zich sjeneeren met hem. Maar--hij was er niet.... Ook niet achter.... Aldoor sluipend, geruchtloos deuren openend, sluitend, kwam ze weer bij de binnendeur naar het woonhuis. En... daar stond nu, dreigend, het mensch.
--Wa' mot jai hier?
Geertje zag daad'lijk: die wist. Maar tòch zou zij....
--O, niks, 'k wou maar even iets vrage.... zei ze onverschillig-kalm. Doch ze kon niet langs het mensch heen.
--Fragen? An wie?
--An meneer netuurlik, 'k wis nie da' meneer al uit was.
--Wìs je da' niet? Hadtie vergeiten om jau dat te segge?
--Gut Juffrouw, u kijkt me-n-an, of u bang ben da'k hier in wou breke....
--Nee, da' denk ik niet. Ik denk wat anders!
Geertje wòu niet langer bang zijn. Vol keken haar oogen in die van de Juffrouw. En toch liet ze haar mond nog zeggen:
--Gut, 'k begrijp nie', wat u meent!
--Jai begraip me bliksems goed! Waarom konkel je altoos sau om menair heen?
--Ik.... konkel niet....
--Sau! hoe noem je-n-et dan? Hoe segge s'et in dat dorp bij jullie, al die fraume kerkse mense.... as 'en jonge maid sau gemein is om 'en getrauwde fent na te laupe?
--Daar wete ze bij ons niet van.
--Nai, da' wil ik glauve. Dàt is ter nauit an Grau'fa geschraife.... No' ma'r ik sel de man no' is schraive....
--Ja, da' moet u noodig doen.
En weer beproefde zij door te loopen. Maar de Juffrouw hield haar tegen.
--Dus.... je heet et toch nie' liege!
--Wàt Juffrouw! 'k Begrijp u niet!
--Wiwwe wachte tot Sefie weir thuijs is! Ze brengt de kinderen effe bij moeder. Da' sai nog us sait wat se gesien hait?
Geertje kreeg een schok, of ze barstte. Krabben wou ze, dat àndre mensch, 't slet, dat ze háást méér nog haatte. Maar nou mocht z'ook niet meer klein-doen! Hoog, zoo trotsch als d'er stem kòn striemen:
--O zoo! hebt u je nieuws van dat.... slet? Och ja, 't is ook uw beste vrindin, hè?
En nu dròng ze zich tegen het mensch op, met een klein lachje van hoonende trots--voor zulke praatjes bleef zij niet staan!....
Maar ze zag van dat misgewas, dat karkasserig, tanig dwergje, handjes, grijperig, grauwgele klauwtjes, en die sloegen heibeiïg naar háár uit:
--Hier, seg ik! Eerst sei je-n-antwoord gaife!
--Zeg!
En ze duwde 't gedrocht voor haar weg.
Doch toen ze, vrij in de lichte hooge gangruimte--'t mensch als gedrukt in de post van de deur--, genoot van haar lichamelijke meerderheid, haar kracht, haar lengte, haar wèl-volwassen-zijn; toen doorstróómde haar zóózeer het gevoel van wat zij hier had geliefd en geleden; hier, op de grens van dat kantoor, waar zij zoo vaak had geaarzeld, eer zij hem zijn koffie bracht; waar zij bevende gegaan was, bevend van schroom èn van zaligste weelde; dat zij alles vergat voor dit eene, nu het wangedrocht toe te schreeuwen: dat Jan wàs van haar, van háár....
--Nou, wat wou je nou wete, zeg!? Ja, je man, die hééft me lief. En ik ben z'en vrouw, al lang.... As de kinders d'er niet ware, hadde we....
--Weg! Me huys uyt!
Zóó furiefel krijschte 't gedrocht op haar in, dat Geertje zweeg--en week--en nog zweeg....
--Ga je wèg! Of ik roep de peliessie!
Ja, 't was waar, ze kon niet blijven. Got nog toe--en zoo opeens.... Och nee, 't was toch ook maar beter.
--Goed, ik ga. Maar eerst me boeltje.
En kalm trachtte ze naar boven te gaan. Maar bij de bovenste treden moest ze de leuning grijpen. En toen ze in haar kamertje was, hijgde ze zoo, dat ze neerzonk op bed.
De deur ging open:
--Je hep 'en hallef uur. As je dan m'en huys niet uyt ben, roep ik de peliessie!
Uit de donkere, kilmuffe kast had ze haar koffer te voorschijn getrokken. En ze wierp haar goed er in, liet het er in vallen, 't viel als het viel. Telkens dacht ze: ik kan niet verder. Doch het moest nu, 't moest, het moest. Had ze wel alles?.... Beneden was ook nog.... Och God, als ze zóó maar ging!.... 't Mensch was in staat, de koffer op straat te laten zetten.
En ze stapelde, schikte, perste.... Nu nog, van benee, d'er naaidoos en die schoenen uit de keuken....
Zóó als de deur week, schokte haar lijf. Stemmen benee.... Hij?.... O God, Sefie!.... Dus de kinders terug, de kinders! Moest ze nòu van ze afscheid nemen?!.... Luisterend bleef ze, met open mond, staan.... Nee, ze hoorde Sefie en de Juffrouw, niks van de kinders.... Jan! waar bleef Jàn toch?.... O God, als die strakjes thuis kwam!--Ja, ze mòest met het mensch nog spreken. Alles zou ze doen, ze zòu gaan, maar dan moest het mensch ook beloven, dat ze Jan met vree zou laten. Anders blééf ze mee op 'em wachten.
En veerkrachtig ging ze de trap af. Dadelijk kwam de Juffrouw uit de keuken geloopen, haar achterna. Zij nam haar naaidoos uit de muurkast, haar mandje van de schoorsteen-zijkant. Toen ging ze kalm naar de deur en sloot die:
--Sefie hoeft ons niet te hoore....
En bij een dreigend manuaal van de Juffrouw:
--Hou u bedaard. U ziet dat ik ga. Maar onder ééne voorwaarde: dat u Jan niks doet. As u me dat belooft, ga ik dadelek weg. Anders blijf ik, tot ie thuis komt.
--Sefie! krijschte het, angstig en dreigend tegelijk, langs haar:
--Sefie!
En de deur ging open.
--Daa'lek 'en egent, seg! Gauw!
Geertje haalde de schouders op.
--Jan hoeft voor jou ook niet bang te weze, zei ze met een spotklank die brak.
En ze bracht het goed naar boven, sloot de koffer, kleedde zich....
--Morge kei je num late hale en je geld, zei het mensch, in de deur van haar kamertje wachtend.
Zwijgend ging zij, langs haar, langs Sofie.
V.
In de nawerking van die wilsinspanning om met rustige trots langs het mensch heen te gaan en toen langs Sefie, kwam Geertje onbewust aan de voordeur; eerst doordat twee keer haar vinger afgleed langs het knopje van het slot, raakte ze tot besef waar ze stond; toen wìlde ze éven opkijken, nog, naar de binnendeur van de winkel.... maar ze hoorde praten boven, een schor gefluister.... ze stond op de stoep. Een schrik, als een slag, van het toeslaan der deur, of ze er mee voortgeduwd was. Toen zag ze, dat er geen mensch op straat liep. Ze vòelde vréés voor de straat èn, meteen, die geruststelling dat de straat zonder mensch was. Nu hoefde ze toch niet weg te hollen; niemand keek of zag dat er iets wàs; ze kon nog wel even hier blijven staan. Nergens, nee', nergens 'en gezicht voor de ramen. Ochchut, wéér was het gordijn van het winkelraam daar in de rechterhoek blijven haken. Natuurlijk Reinders z'en schuld alweer. Jan was d'er zóó op gesteld dat het glad hing. Aardig, al die prentbriefkaarten! Jan had weer het àllernieuwste. Enkele, eig'lijk een beetje geméén, maar Jan had gezeid: och, je mòt ze zoo hebben. En de meeste niet-onfesoenlijk: die heer die de meid zoent, met onderschrift: "de gelegenheid maakt den dief". En die vent die z'en centen op-zijn, met drie juffers om 'em heen: "veel varkens maken de spoeling dun".... Tòch vond zij de andere mooier, al waren die dan nìet gekleurd: dat vrijend-paartje in 'en priëel, en die twee in de maneschijn....
Daar kwam een man aan--nu zou ze maar gaan.... Hè, dat zangstukje daar hing scheef. O, die Reinders toch!.... Hòe lang geleje? ja, vandaag vóór twee Zondagge, toen had ze-n-et 's middags bij 'et thuiskomen, aan Jan gezeid, dat de boel weer niet recht hing.... God-nog-toe, dat nou nóóit meer te doen! Nooit meer met hem te zitten serteeren.... Affijn, as ze d'er eìgen winkeltje kreeg....
Voorbij was de man.... maar ze moest nu toch heengaan. Het mensch keek misschien door 't spion in de mooie-kamer! Ze kreeg een gevoel of ze zéker bespied werd! Opkijken? Nee'! Nou dóódkalm weg! O, bij Jaspers keek de Juffrouw.... Net doen, of ze d'er niet zag.... Anders nog altoos geen mensch in de straat.... Hu, wel vreemd, die zondagsstilte, huis aan huis de winkel dicht; bonte gordijnen of sjelezieën.... groote kleurlappen, maar die doodsch je aangaapten. Juist dat opzichtige maakte 't nòg vreemder, nog méér anders-dan-andere dagen.... 't Werd haar, of al dit vreemde om háár was. Opeens had ze een gevoel, of in alle huizen de menschen zich hadden verstopt om haar na te kijken, zooals ze daar ging, langzaam, zonder te weten waarheen, door de uitgestorven zondagsmiddagstraat. Hè, die gevel van 't Loterijketoor, net een brief met rouwrand! Even stilstaan, d'er kwam toch niemand en het mensch kon haar niet meer zien. Doen alsof ze de lijsten nakeek.... Wáár of Jan nou wezen kon? Hij had niks gezeid aan tafel, van uitgaan; en van-morgen ook niks tegen haar.... Zòu-d-ie ruzie hebben gehad en 't voor haar niet willen weten? Och netuurluk, dat moest toch, dat moest! Of et mensch hèm met vree zou hebben gelaten! Want 't mensch wist 'et vóór 'et eten. 't Heele spel klaargemaakt met Sefie. Dat die de kinders wegbrengen zou, dadelijk na den eten weg, en dan Sefie gauw terug, om te helpen, als Geertje misschien es nie' wou. God, maar hij, hòe kon hij dan aan tafel.... O! et was kemediespel! dat had ze da'lek wel begrepen! Zou d-ie, om het mensch te tretseeren.... of om de kinders....? Ja! En om háár! Maar dat hij tòen uìtgegaan was!.... Nee, ze begreep d'er niks van! Et mòest, weten mòest ze wat met 'em gebeurd was, wat het mensch 'em gezeid had, gedaan; spreken moest z'em!.... Maar waar hem te vinden? God-nog-toe! d'er man, d'er man!
Nu hoorde ze voetstappen en schimden er menschen achter haar heen. Toen ze zich omkeerde, zag zij, dat een jongen, onder het voortgaan zich omwendend, verwonderd keek naar die juffrouw, die zoo lang stond voor loterijlijsten. De straat leek haar nu nòg weer nauwer en triester. O, die ou'e, hooge huizen! 't was of ze op haar neervallen zouden. En dat net-stille van de winkels, wáárom maakte 't haar zoo angstig? Zij had ze toch dikwijls zóó gezien, 's zondags! 't Was nu, of alles stil was om haar, stil, doodsch-deftig, grootsteedsch-doodsch.... Ook bij Van Dam natuurlijk gesloten. Die Kees, die nu liep met dat meisje van Bek.... O, hè, 't gaf haar een verruiming, die joodsche slagerij nog open. "Uitverkoop van Wintermantels", och, hoe lang hing dat bord daar al! Jan, die gewild had, dat zij d'er zou koopen!.... Och ja, als hij nù d'er wat geven wou; 't werd nu moeten, wanneer ze 't aannam!.... Van der Nagel natuurlijk gesloten--hier met de draai van de straat, in de nauwte van hooge huizen, 't was haast of ze zèlf ging draaien.... God! waar moest ze nou toch heen!!
Hè goddank, daar zag ze de vischmarkt met het grijze geglimlicht van ramen. Wat 'en menschen op de Blaak!--"Dag...." Wat zat dat meisje daar rustig te lezen voor het leege bakkerij-raam. Och, een thuis, en rustig lezen.... Ja! wat zou ze, waar kon ze nu heen! In het Zuid! Misschien wàs Jan d'er. Maar om daar zoo binnen te gaan!
Nu ze hier liep, tusschen de menschen, in het licht en de drukte der Blaak, voelde ze zich niet meer angstig, maar als een kind dat medelij vraagt. Telkens moest ze, om uit te wijken voor de drom of om niet op zij geduwd te worden door akelige jongens en mannen, afstappen van de trottoirband, en telkens gaf dit een schok in haar buik. Toen ze kwam in de Korte Hoogstraat, wist ze eerst het Zuid niet te vinden. Jan had het haar een paar keer gewezen; eens had hij er met haar willen ingaan, maar op 'et laa'ste mement niet gedurfd.... Nu liep zij, aan den overkant, tot ze de Passage zag; eerst op haar terugkeer, herkende ze het huis. Door de raamdeuren zag ze:--stampvol! Heeren slenterden langs haar, een gang uit. Zou ze....? Ja. Ze moest wat weten. Vastberaden stapte ze binnen.... Eerst een gang, en hier een deur.... Moest ze deze door of verder?.... Gelukkig, daar schoot al een kelner toe. Heeren gingen langs haar, lachten, kuchten hard, als uit de grap. Ook de kelner keek spottend haar aan.
--Weet u ook, vroeg ze nochtans kalm, of meneer Heins hier is?
Maar de kelner had niet verstaan.
--'k Zou meneer Heins graag effe spreke....
--Meneer.... wie?
--Meneer Heins.--En ze voelde dat ze bloosde.
Weer was er een heer langs haar heen gegaan, nu vèrder de gang in, en had gegroet.
--Zou meneer hier zijn?... In 't keffee?.... Of is die meneer hier gelesjeerd?....
Zij zei, dat ze dacht, dat meneer hier biljartte.
Nu, de kelner zou eens vragen.
--Wacht u hier?
--Ja.
Ze stond weer alleen. In het café, naast de deur, zaten jongens, niet meer dan jòngens, die fratsen maakten. Hè, zoo vervelend.... Ze ging wat de gang in. Schrikte, toen een heele bende de deur uit kwam; maar gelukkig, men liet haar staan. Eindelijk--daar was de kelner. Had gevraagd bij de biljart's, aan een kelner, die meneer kende:--nee', meneer was d'er niet geweest.
Loodzwaar waggelbeende ze weg. Wat te doen om Jan te vinden? Waar te gaan?.... Ze was zoo moe, God! het was ook niet goed voor hun kindje; rusten moest ze, maar waar of hoe? Koendersen? Nee! 't Was wel vlak-bij, maar ze kòn met die lui nu niet praten. Misschien ging ze nóóit meer naar Koenders toe. Mien deed zoo raar, zoo koel en snibbig, en al dat gepreek van d'er moe--àl die vroomheid, jakkes nee, ze moest d'er hoe langer hoe minder van hebben. Jan had gelijk: de meesten schijnheilig; Groo'va, nou ja, Groo'va! maar toch.... Wàs ze gelùkkig geweest, bij Groo'va? Hij met zijn eeuwig gevit en geknor, 't maakte ommers het leven onmoog'lijk, wanneer je niet slaafs hem zijn zin gaf, als Groo'moe.... Al die strengheid, je zag het aan Oom, ook door Groo'va opgevoed.... Niet naar Koenders!--Dan naar Oom?--Zat ze daar ééns, dan moest ze d'er blijven. Misschien dat ze dadelijk alles maar zei. 't Zou me wat wezen! Och wat! Van Oom!.... Maar d'er te blijven!.... Nee, eerst mòest ze Jan even spreken. Wáár kon-d-ie zijn? Ze wìst het niet.
Besluiteloos trantte ze, voetje voor voetje, zwak, voorzichtig, bevreesd voor gedrang, in tegen den menschenstroom, die van benee kwam, de Boijmansstraat op. Tot ze een tramwagen opmerkte, bijna ledig, die, met het eigenaardig gegaloppeer van een bijpaard, de dijk werd opgedreven. Juist was er achter haar minder gedrang--snel schoot zij uit, de straat schuins over; en toen de tram stilhield, bovenaan de straat, kon zij nog meekomen. Maar toen ze eenmaal zat, voelde ze een hevige pijn in de lenden en de gedachte doorflitste haar: zoo ze vandaag eens kwam te bevallen!.... Ze voelde zich als verdwaald, verloren. De zon stoofde haar rug en schouders, dáár was de Blaak, met de groote winkels, ginder kwam het postkantoor.... ach, daarachter, in die klomp huizen, huisde wat zij liefhad, liefhad--en zij tramde voorbij, zonder doel.... God! O ja, gelukkig had ze haar portemenee wel bij zich. Het deed goed, het even-zitten, en zoo lekker hier in de zon. Waar ze werd heengevoerd, wist ze niet. Wat kwam 't er op aan, daar ze immers de tijd had. Niets te doen, de gansche dag.... Hè, om niet meer voor de kinders te zorgen, nooit meer voor die lieve Truus. Niet eens afscheid van ze genomen. Nee', dat kon toch niet, och nee.... Juist wendde de tram langs het postkantoor heen, terwijl ze de conducteur betaalde. Hè, ze had daar de steeg door gekund.... Nu zou ze uitstappen bij het station en dan zoo het viaduct langs. Ze was wel wat uitgerust.
Een bende jongens, die om de hoek van de Beurs kwam gejoeld, hossende als was het kermis, drong haar bijkans van de been. Wat die steken telkens beduidden! Zou ze.... Och, de zenuwen. Waaròm zou ze vandáág juist bevallen, zóóveel maanden en maanden te vroeg! Woensdag had ze net dezelfde steken gevoeld, na die ruzie met Sefie. Flink! "Wij hebben goeden moed!" Ja, zoodra ze zou weten, wat er met Jan was. Truus, nu ja, dat had ze geweten. Bij die blijven zou niet gaan. Straks had zij haar eigen kindje. Maar met hem, wat was er met hem?!....
Omdat ze er eenzamer zou loopen, was ze overgestoken tot onder het viaduct, aan de waterkant. Een plomp in het water deed haar hevig ontstellen. Ze zàg, daar vlakbij, op die schuit, een vrouw staan met een emmer, pas leeggegoten: dat was het geluid geweest. En daar was zij zóó van geschrikt. Ze wist, ze zag haar angst, het schrikbeeld:--hij uit wanhoop zich verdoend. O! ze mòest er niet aan denken! O, dat lel van een Sefie, dat zich zóó gemeen had gewroken, omdat ze wist, dat zìj d'er doorzag.
Toen ze, de hoek omkomend, het Hang in de verte vóór zich had, beving haar nog eens die haast onweerstaanbare drang om de werkelijkheid te vòelen als niet-meer-dan-een-droom. Het was haar, als tròk de straat haar naar zich toe. En nu schoot haar in de gedachten, wat Groo'va vroeger had verteld van moordenaars, die telkens terugkeeren, als aan een magneet, naar de plek van hun misdaad. Was, wat zij gedaan had, slecht? Ze wist het niet meer, of God zou vergeven. Ze wist slechts, dat het had moeten zijn. Jan was van háár!! in het diepst van d'er wezen, overal was hij! was hij!
Veerkrachtig trad ze de hoek van de Markt om. Ze moest zich nu haasten om Truus nog te zien.
Binnen? nee, ze kòn niet binnen. Natuurlijk was 't ouwe-mensch ingelicht, en dan in die kroeg, op Zondag.... Buiten zou ze wachten op Truus. Maar de kinders werden natuurlijk gehaald!.... Och-chut, daar was ze weer in d'er ou'e besluiteloosheid. Net als straks.... Wàt dan te doen?.... Wachten! De straat was toch vrij voor een ieder.... Ja, maar geen ruzie in bijzijn van 't kind.
Weggaan? Waarheen? En, weer loom, liep ze voort.
Toen ze de herberg naderde, voelde ze al de gewone weerzin tegen de buurt en tegen het huis. Juist kwam van de andere kant een halfdronken man er heen geslenterd. Eens had zij iets overeenkomstigs gehad, toen ze er een boodschap moest doen voor de Juffrouw en een zuiplap in de deur stond, langs wie ze niet had heengedurfd. Nu háástte ze zich, om bij de deur te zijn tegelijk met de man, en toen ze, eerder dan hij, vóór de deur was, bleef ze staan en keek zij om, als moest zij plotseling op iemand wachten. Binnensmonds pratend met dronkaardsgegrom drong de kerel vlak langs haar heen.
Toen de deur was geopend, trad ze voorbij. En zij zag Kernelia, Kernelia achter de toonbank, en kerels, kerels die zwetsten.... geen Truus of Koos. Natuurlijk! die waren òf boven òf achter. De wichten, het was toch al aak'lig genoeg, wat ze zagen, daar bij "Omoe".
Zou ze nu doorgaan?.... Ze keerde reeds om.--En als nu het mensch eens kwam, om de kinderen te halen. Of Sefie? Ja, een van beiden, zeker kwam er een van beiden.
Toch verliet ze 't grachtje niet. Met moeë oogen keek ze, enkel om heen te raken over haar verlegenheid, daar ze telkens dacht dat men op haar lette, naar geringe voorvallen hier en daar; drentelend en telkens keerend.