Geertje

Part 17

Chapter 174,322 wordsPublic domain

Geertje kreeg opeens een gevoel, of ze een mond had met holte er in, met niets dan tanden en scherpe kaken; of 'er oogen loszaten in de kassen; of er iets uit haar hoofd was genomen.

Moeizaam stootte ze:--Hoe zoo? uit.

--Nou ja.... Je begrijpt me wel.

--We kunne-n-et toch licht perbeere.

--Zeker.... Wacht, ik weet 'en adres.

Uit zijn portefeuille nam hij het uitknipsel van een advertentie.

--Ga daar ven avent es heen.

--Ik?

--Zeg an me vrouw dat je-n-erge's heen mot.

--Laa'st zei je, da' jij ie's mee zou brenge.

--Och nee, da' geeft allemaal niks. Jij mot et doen. En die juffrouw die help' je.... Gaan we morregenavent nog uit?

Nog nooit had hij dat gevraagd op die toon.

Geertje zag hem even aan. Ze voelde zich slap, of ze zou bezwijken. Misselijk ook. Ze was zeker zwanger. Even dacht ze: kon ik maar doodgaan.

Toen keek ze hem weer aan, en zei:

--As je wil.

Blij was ze, dat nu juist Sefie kwam, brengend koffie voor hen beiden. Kéék de slet weer vreemd en spottend? 't Kon 'er niet schelen wat die mocht denken. Als ze nu maar morgen uit kon! Bijna veertien dagen al was Jan niet mèt haar geweest. Zou hij.... zòu hij genoeg van 'er hebben? 't Móest morg'avond, ze mòcht niet ziek zijn. Zóó als hij dat nu gezegd had, of het hem heelemaal niets meer kon schelen.... Och, wel nee, ze was mal met 'er angsten! Jan, nou ja, hij braniede graag! En als dat hem nou plezier dee', dat het leek, als gingen ze enkel om háár.... Waarom had hij haar nu hier geroepen, als het niet was, om haar zoo iets te vragen! Malligheid, bang zijn.

De koffie werkte. Ze was niet zoo koud meer, maar plots kreeg ze buikpijn.

Ze zei nog:

--Dus mor'ge?.... Dan ga-n-ik venavent.

En toen knikte hij.... ja, heusch! tevreden.

Het was laat, toen ze 's avonds gaan kon. Zaterdagavond, het viel zóó lastig! 't Mensch had als een spin gekeken.

Zij had maar weer wat barnsteen genomen. Dat was verwarmend en kalmeerde. Groo'moe nam het ook zoo dikwijls. 's Middags was ze het gauw wezen halen. Toen, op een lepeltje suiker; en nou.

Jan had haar gezegd, hoe ze gaan moest. Met de tram tot haast buiten de stad. Dan 'en singel en daar de eerste dwarsstraat. Ze vond de straat, maar het huis niet gemak'lijk. Je kon de nummers d'er bijna niet lezen! Op het singel had ze voorzichtig geloopen, om geen natte voeten te krijgen. Hier baggerde ze telkens door slik. Juist toen ze méénde de cijfers te zien, trapte ze zoo hard in een plas, dat ze het water hoorde opspatten om d'er laars. Ze stampte een paar keer op het smalle randje hooger gelegde tichels vóór de deur; toen schelde ze.

Een vrouw, die zei dat ze wel wat laat kwam en dat er nog andere menschen wachtten, liet haar in een klein vertrek, door een hanglamp flauw verlicht, waar drie juffrouwen zwijgend zaten, elk in het midden van een wand op een stoel.

Geertje ging aan tafel zitten, zij voelde zich van drie kanten bekeken. Zij was zeer verlegen. Een van de juffrouwen was verkouden en scheen geen zakdoek bij zich te hebben. Haar doen maakte Geertje zóó zenuwachtig, dat zij eindelijk op dorst kijken en de juffrouw in 't gezicht zag. Goeje hemel, wat 'en schepsel, wat 'en innig gemeen gezicht!.... Nu keek Geertje ter sluiks ook eens naar de andere twee.... En opeens werd ze hevig beangst. Waar was ze hier, met wat voor deerns! Jan had haar vroeger gezegd: geen kinderen krijgen, heel gemak'lijk, daar zijn allerlei middelen voor, mannemiddelen, vrouwemiddelen, iedere dokter kan je helpen, d'er zijn ook juffrouwen die het kunnen, die je leeren de middelen gebruiken.... en hij had een woord gezegd, een vreemd woord, Geertje wist niet meer.... Wàs ze nu bij zulk een juffrouw?--Ze hebben d'er voor gestedeerd, zei Jan nog.... Kwamen zulke sletten daar?.... Zou het dan iets heel gemeens zijn?.... En Jan had zóó anders verteld! De meeste getrouwde dames, zei-d-ie, pasten tegewoordig die middelen toe....

Geertje hàd opgezien tegen het bezoek. Ze had zoo gehoopt, dat Jàn iets zou hebben.... Toen ze hier kwam, was ze verlegen. Maar nu.... Als Jan zich eens vergist had!.... Aldoor dacht z'aan dat verhaaltje, dat Juffrouw Koenders d'er eens had gegeven, blaadje van de middernachtzending, over De Gevaren van een groote stad; daar werd verteld van stille huisjes, niemand wist wat d'erin voorviel, en het waren heel gemeene.... God! als 't hier een gemeen huis was! Dìe drie, nee, die deugden niet veel, en die vrouw die d'er opegedaan had....

Zóu ze opstaan? heel gauw weggaan? En als ze dan werd tegengehouden?.... Ze kònden zeggen: je bent hier eenmaal, je moet betálen, en dan, en dan....

Trappelend van ongeduld, gaf zij er zich rekenschap van, dat beide haar voeten in de laarzen kleefden, zóó nat waren ze. Meteen voelde ze kramp in de buik. Gotogot! En hier!.... Hoe doen nu? Straks had ze neergekeken op dat mensch, dat daar zoo zat te snotteren omdat ze geen zakdoek bij zich had.... Maar diëree was nog veel erger!....

De deur werd geopend en met een hoofdbeweging wenkte de vrouw de meid zonder zakdoek om mee te gaan. Geertje zàg in het donkere gangetje, zàg dat ze vlàk bij het voordeurtje zat.... Opspringen?.... Reeds was de kamerdeur toe. En ze zag één van de twee naar haar kijken. Zeker omdat ze niet rustig neer zat. Maar het duurde ook zóó lang! Daar sloeg 'en klok.... Groote God, hàlf èlf. En de laatste tram moest ze hebben!....

--Half tien, zei, schor, een van de vrouwen.

Gut, daar had ze zonder erg gespróken.... Mal gedaan. Zou ze méér hebben gezeid? Nee, nee, alleen: "half elf." Maar.... half tien was óók al laat toch.

Even geaarzeld.... Toen wàs zij op. Mompelde iets van:--"Ik kan niet meer wachten." Gàuw naar de kamerdeur, gàuw nu er uit.... Aan de voordeur stond de vrouw!--Met een andere vrouw te praten. Even deinsde Geertje, ontzet. Toen wóu ze. Kalm klonk:--Ik kàn niet wachte.... Ze zàg de vrouw aan, die norsch keek, minachtend; zweeg; voor d'er uitweek.... Ze was op straat.

Eerst op het singel kon ze denken.

Och maar--dan was het ook niet wat ze vreesde! Zelfs geen wóórd om haar tegen te houden!.... Och maar natuurlijk, Jan wist dat ook wel.... Hè! weer was ze laf geweest, aak'lig laf, net 'en klein kind....

Ze voelde zich rustig, toen z'in de tram zat. Maar ze was bang om het Jan te vertellen....

's Nachts droomde ze vreeselijk. Een man die haar vasthield, en vrouwen die lachten....

Terwijl ze de stof-afnam in de mooie kamer, kwam Jan het sigarenkistje vullen.

--Wel? vroeg hij zacht.

En zij dorst het niet zeggen. Ze was zóó bang, dat hij niet zou mee gaan....

--Venavent, zei ze, met een blik naar de deur, als vreesde zij, dat iemand haar zou hooren.

--Hier is 'en brief.

Jan haalde hem uit zijn zak.

--Niet van Groo'va toch? zei hij en lachte.

Nu zag ze pas: uit Amerika.

En dat Jan dat nu weer zien moest!

--'k Zal 'em niet leze, zei ze.

Maar toen ze de brief doorscheuren wilde, bleek hij te dik.

--D'er zit 'en purtret in.

Groote God, zoo'n ellendige Willem!

--Toe, verbran' jij um.

--Ik dank je wel.

En zij hoorden Sefie in de gang.

Toen zij alleen was in de huiskamer, nam zij de brief snel uit de zak en bond er met wol een stuk steenkool om. Toen tripte ze het plat over; het was er glad, door dat vriezen na regen; ijlings tripte zij tot de rand, keek even om.... niemand? weg dan de brief.

Maar ze schrikte van de plomp.

God! als ze zelve zoo eens neerviel!

De oude Juffrouw, de feeks, hersteld, kwam "met het zonnetje" middageten. Geertje trachtte vroolijk te wezen: kleine Truus toch had zóó'n pret!

Anders kon 'et haar niet veel meer schelen. 't Liep nu tòch mis, 't liep vast mis.... Sefie had haar straks weer zoo aangekeken. Ze wist het ook wel, ze zag er vreemd uit. Ze zou'en het nu wel niet meer gelóóven, dat ze "laa'st wat kou gevat had." Toch wàs dit zoo. Ja, ze wàs ziek. Maar ze moest, ze móest op de been zijn....

Zij had haar lange uitgaansavond en om vijf uur trok ze de deur dicht. Het was lastig, gevaarlijk loopen: die zóó natte straten, nu plots'ling bevroren; maar de lucht deed Geertje goed.

Tante was 's Woensdags jarig geweest; zij had toen enkel een briefkaart gestuurd, doch beloofd dat ze 's Zondags zou komen. Nu moest ze zeggen, dat ze gauw weg ging. Jan zou haar om acht uur wachten....

Zij viel in ruzie van Oom en Tante. Van festijnen was geen sprake. Op de schoorsteen lei'en twee Aanmaningen van de belasting. Zij kwam maar dadelijk met haar present. Dat ze niks had weten te kiezen: of Tante zelf hier iets voor wou koopen. En ze reikte het muntje over. 't Was Jan zijn eerste gróóte kedo. Hij had haar zoo làng "ie's van goud" beloofd. Maar zou zij dat kunnen dragen? Nu ze in de zware rouw was? En dan toch.... 't zou argwaan geven.... Ook wist Jan niet wat te kiezen.... Toen, opeens, had hij:--Hier! gezegd, en haar 't muntbiljet gegeven. 't Was lief van hem, erg goed van hem; toch, och nee.... wat moest zij met dat geld doen? Ze had nog zooveel geld van d'er loon. Daarom gaf ze dit nu aan Tante.

De gift brak de ruzie en maakte verlegen. Ze zag het wel: geld was hier welkom. Kalm zei ze, dat ze niet lang kon blijven. Tante noch Oom scheen het vreemd te vinden.

--Maar je drink' toch wel 'en kop koffie?

Ja, ze had tot half acht tijd. Zou zij even water opzetten?

In de keuken--wat een rommel! 't Stonk er. Hu, wat 'en vieze boel! Daar lag wat vuile wasch in 'en hoek. IJlings stal Geertje een banddoek van Tante. Wrong die, koortsig-snel, haar zak in. Als Tante het merkte.... haar een zorg! Zou toch zeker niet denken: gestolen. En zij was gered, voor háár wasch.

Half-acht precies zei ze:--Nou moet ik gaan. Veel te vroeg was ze waar Jan haar zou wachten. Eindelijk kwam hij. Ze dròng zich aan hem. Hij wilde weer naar dat aak'lige huis toe. 't Kon haar niet schelen, nu. Als ze maar met hem was. Maar ze wou wel graag wat drinken. Vond hij het goed? Ze had lust in een grokje.

--La' we dan hìer effe gaan. Dáár mo'k driemaal meer betale.

Hij nam een cognacje.

--Toe, neem d'er nog een.

--Meid, wat hei je?

--Toe, neem d'er nog een! 'k Wou da' we-n-allebei vroolek ware.

En haar oogen lonkten.... Hij deed het.

Toen wist ze vast, dat hij nu van haar was. Dàt ze hem geluk zou geven. Ze sprak heel weinig. Ze zag hem aan. Plotseling rukte hij van zijn stoel op.

Naast hem trippelend, lenig, vlug, voelde zij zich kind, zóó blijde, want hij wàs toch nog van haar.

IV.

Die Februari-zondagmorgen scheen de zon, als was het lente. Nu er geen sleeperswagens reden, enkel, met lijzig getrip-trap, de trams, zag de stad er netjes-stil uit; kleine groepjes menschen liepen langzaam op het breede trottoir van de breede, stille singel--allen natuurlijk in zondagsche kleeren, en menigeen had er een bijbeltje. Door de hooge, lichte luchten klonk van ver een klokgeklep.

Geertje had wel naar de kerk gewild. Ze kwam er nu ook bijna nooit meer! Soms, zoo peinsde ze, was z'in een bui, dat ze aan de lange preeken, waaruit Groo'va's brieven bestonden, voor een heele week genoeg had--dan jokte zij er maar op los, schreef hem dat zij wel geweest was, met zoo iets van "mooi gepreekt" of "het was zeer stichtelijk", eens had ze zelfs een tekst genoemd, omdat Groo'va daar dikwijls naar vroeg. Nu wist ze niet, hoe ze zoo kon doen. Hè, ze was zóó graag gegaan! Maar Oom zijn briefje was te dringend, ze moest wel even naar hem toe.

Voor de mooie bloemenwinkel bleef ze een minuutje kijken. Rozen, witte seringen, viooltjes--waar haalden de menschen die nu al vandaan! Zij zweette van het snelle loopen, al dat rouwgoed was zoo warm, maar ze hoefde zich zóó niet te haasten--als Oom maar niet te lang van stof was! Malle druktemaker toch, om haar daar een brief te schrijven. "Je weet, bij Heins kom ik nooit weer aan huis." Omdat Jan hem d'er wel eens uit kon gooien, als Oom al te grof in de mond werd?! Maar daarom had-ie er toch wel om zijn nichtje kunnen komen, als-ie haar wat had te zeggen! Affijn, het was mooi weer en het dee' wel goed, zoo'n loopje.

Tante had een manier van met er oogen te draaien en d'er bovenlip samen te trekken--als Tante dat deed, dan wist Geertje tegenwoordig dat er centen noodig waren. Ze schrikte, ze voelde zich kregel worden, ze overlegde:--"wat? is het toch dat?!" toen Tante ook nu weer loenschte en trekkebekte en Oom waarempel niet thuis bleek te wezen, hoewel hij haar gevraagd had, of ze vanmorgen kwam. O, maar Oom zou d'er dadelijk zijn! Ja, ze hadden d'er pas weer zóó moeilijk voor gezeten en Oom had zóóveel aan z'en hoofd, hij moest zóóveel loopen en sjouwen.... Oom? wat had-ie dan te doen? Geertje hoorde zelve wel, hoe scherp-wantrouwig de toon van haar vraag klonk, maar dat kon haar niet schelen, al dat gelieg over druktes van Oom--ze gelóófde het niet langer, Jan had gelijk: niks as praat in de wind. Waar hij nog telkens iets van thuis bracht; hoe ze hier nog konne leven, met die winkel waar nooit een klant kwam, waar wat onverkochte rommel, slordig bestoven, in lag te vervuilen; het was en het bleef een raadsel voor Geertje. Laatst had Oom weer een heel verhaal gehad van agenturen voor een tentoonstelling--hij zou van de zomer naar Antwerpen gaan, als agent van groote huizen, die hij zou vertegenwoordigen op de tentoonstelling en Tante bleef hier:--"je snapt, om de winkel"; en toen had Geertje ook al zoo iets gezeid van:--"nou, dan zou ik de winkel maar sluiten"; maar Oom had gedaan, of hij haar niet hoorde, en Jan had de volgende morgen gezeid:--"Och wat, agenturen, hij! hij kan wel graag naar die tentoonstelling willen, maar daarom heeft hij nog geen huizen!".... Intusschen duurde de huishouding voort. Geertje vermoedde, ze wist bijna zeker, dat Groo'va weer telkens was bijgesprongen; maar zou Oom dan nìks verdienen, wat deed hij dan toch aldoor op straat?....

Tante zeurde en treuzelde om Geertje heen; het kacheltje rookte, Tante klaagde: --"aldoor staat de wind op de schoorsteen"; het was muf en benauwd in de kleine kamer en toch koud. Geertje hunkerde om weg te komen. Oom met zijn "noodzakelijk spreken";--en thuis moest d'er nog zóóveel gedaan voor de groote partij van vanavond; 't kwam toch alles neer op haar, 't mensch had 'er wel toegesnauwd:--"dat doe ik"; maar Geertje wist wat daarvan te verwachten. En nu zat ze hier voor niks, te wachten, waarom? op Oom, die uitbleef.... Hè, nu voelde ze zich weer net zoo zenuwachtig als gisteravond, na die ruzie met Sofie, en als al de laatste tijd: dat ze aldoor in d'er hoofd had: "'t Hijgend hert, der jacht ontkomen"--dat ze zelf zoo'n hijgend hert was.... En, net als de vorige dagen, kreeg ze'n scherpe knàuw in d'er buik; bijna had ze "auw" geroepen; een vertrekking van pijn vloog door d'er gezicht en ze zag dat Tante d'er aankeek.

--Bai je nie' well?

--Ik? gut ja wel! Maar 'k heb pijn in me buik. Kou gevat, met die nattigheid....

--Sjeg, maid, d'er is toch niks? Je ben toch nie' siek?

--Ik, Tante?! Ziek?!

Riep ze dat overtuigend genoeg? Tante had d'er zóó aangekeken. En nu liep Tante opeens naar de keuken. Als ze nu maar alles zei! Binnen een poos kwam het immers toch uit!

Ze stònd op, van de wrakke stoel vóór het rookende kacheltje; ze wilde spreken. Dan raakte er althans iets verbroken van heel dat afschuuwlijke net van leugen, waar ze nu al zóó lang in leefde. Ze wist zeker dat ze zwanger was. Ze wachtte haar kind, haar jongen van Hem. Dat zou ze Tante zeggen.... Maar toen ze op was en zich wendde, waren hare beenen zwaar en haar lijf was machteloos. Zij ging ijlings zitten uit vrees van te vallen. En zij dacht aan wat Jan pas gezegd had:--"Hou je dan heelemáál nie'meer van me, wil je nou volstrekt m'en verderf?".... Omdat zij dit liegen haatte. Vast had hij haar toen beloofd, dat hij over haar plan zou denken; zoeken naar een plaatsje voor haar; als het kon in zijn eigen dienst, dat ze misschien met Oom kon deelen. Mòcht ze dan nu wel wat zeggen?

Het tintelde in haar; zenuwachtig stond ze tòch op en kwam in de keuken en vroeg aan Tante, of die niet wist wat Oom had te zeggen. Weifelend zei Tante neen, Oom kon 't zelf veel beter zeggen.... Doch meteen ging 't belletje. Daar was Oom al!

En hij viel het huis in met klachten, met zijn grieven tegen Heins. Of het toch niet godgeklaagd was, Heins' smerige toeleg niet klaar als de zon! Want nou dee-d-ie met 'en ander wat ie met Oom niet had willen doen: hij moest nou wel, door de jood gedoken, die nog grooter ganf was dan hij! Maar nòu was Oom d'er toch óók nog! Heins en Cohen! een deftige firma! Christenhond en jood gaan samen, nou, 'en hond was de christen wel! Maar wat de jood betrof, d'er waren d'er beter. Als Oom et voor et kiezen had, had-ie Mozes Cohen, met wie Benjamin Cohen, de nieuwe kepejon van Heins, vroeger ééne zaak gehad had, Mozes had Oom liever dan Benjamin, de neef van Mozes. En omdat Mozes met reden boos was op Benjamin, dat die nou buiten Mozes om mazzele met 'en christen begon, wou Oom et op zijn beurt eens perbeeren met Mozes. Zullie beien ook 'en krant--an evan de meziek, en pinter!

Geertje was even boos geworden, in het begin, toen ze Oom z'en razen tegen Jan moest aanhooren. Doch zij was het van hem gewend. 't Was dan toch ook altijd Oom maar! En zij hoorde het jodenverhaal aan, geringschattend: iets weer van dat kind! Je moest mee'elij met em hebben: 'en man die op springen stond in een klein winkeltje en die een krant zou willen beginnen.

Maar toen Oom met een:--"En nou motte wij is same prate" over het geld voor zijn plan begon:--dat Mozes zoo'n weekblad aandorst, als-ie maar tienduizend gulden had--Heins had altijd van véél meer gesproken--, zoodat Oom niet meer dan vijf hoefde bij te brengen, die Groo'va best kon geven--toen voelde Geertje haar ergernis over zooveel aanmatigende beuzelpraat van 'en vent-van-niks, 'en kind, 'en hansworst, nijdiger en àl nijdiger steken, tot ze zich bijna niet in kon houden. Maar een angst hield haar terug: ze had Oom zóó graag eens de waarheid gezegd, alles, alles hem vierkant verweten, maar ze dacht aan wat Jan had gewaarschuwd:--"Meisje, wees toch niet zoo trotsch, want je hebt de menschen noodig."

En ze slikte den aanstoot in, met groote oogen zat zij Oom maar aan te kijken, nu en dan even diep ademhalend....

--Zie je, kind, je mot nie' vergeten, 'k zeg nou: 'k zal et Vader vráge, maar eigelik heb ik niks te vrage, 't is mijn geld, van mijn en van jou, vader he't enkel het vruchtgebruik. En dus, al vond ie et nou is niet goed, zie je, wij same kunne-n-em dwinge. Maar dan mot jij met me meedoen.... O! et zal nie' noodig weze. 't Is 'en pracht van 'en geldbeleggink, dat zel Vader, die verstand he't van geld, zelvers ook wèl dadelek inzien. 't Is maar--as tie nou toch us nie' wou. Zeg meid, wee jij mijn dan helpe?

--Nee, kwam er toonloos diep uit Geertje's kloppende borst. 't Woord was meer uitgeademd dan -gesproken.

Oom, in de zelfvoldoening over al wat hij daar weer zoo flink had uiteengezet, zoo knap had voorgedragen, en op de voordracht kwam het aan, in de handel, aan in alles van het leven; Oom had dat "nee" niet eens gehoord. Hij begréép de weig'ring eerst, uit een booze blik van Tante, uit het staroogen van zijn nicht, die daar, ineengedrongen, ziekelijk-bleek, vóór hem zat met boosvertrokken mond: al maar staroogend langs hem heen.

--Zeg us, wat schéélt je toch!

--Mijn? niks! hoe kom u daaran?

--En dus--jij weigert ook?

--Ik heb u niks te weigere. 't Is Groo'va's geld en niet et mijne.

--Zoo, is et Groo'va's geld? 't Is et geld van Groo'va z'en vrouw, dat nou an de kindere komp, an jou voor de helft en an mijn voor de helft.

--Ik heb niks d'er over te zegge.

--Nou wel, nou bei je meerderjarig.

--Niet zoolang as Groo'va leeft.

--Dus.... je weigert me zóó'n kleine dienst. Terwijl je weet, dat et m'en laatste uitredding zijn zel.

--Och van die krant komp ommers toch niks!

--Kompt d'er niks van? Waarom niet? En van Heins z'en krant komp zeker wel wat?

--De drukkerij wordt al verbouwd.

--Zoo? En jij schijnt d'ar lol in te hebbe! Altoos hei je de bek vol van Heins! "Meneer" dit en "Meneer" dat! 'En mooie meneer, die "Meneer" van jou! Maar wil ik je n'ens wat zegge? Jij die altijd zeg, zoo'n familiezwak te hebbe, en die zóó bang ben om Groo'va te kwetse. Ik begrijp niet, da' jij, na al watter gebeurd is tusse mijn en Heins, niet al lang naar 'en andere dienst gezocht heb, bij iemand die niet je Oom heeft voorgeloge.

--Jan hè't u nooit wat voorgeloge!

--Jan! zeg jij Jan? is die smeerlaars je lief soms?

--Nou dan Heins. Nee, ik zeg Meneer.

--En hoe zei je nou dan Jan?

--Och... niks! Dat zei ik zoo maar.

--Zeg us meid, 't is toch wel pluis tusse jullie beie? Je doe zoo raar tegeswoordig en as je van Heins spreek.... nou!

--Wat! nou....?

--Niks.... Je zou de eerste nie' weze.

--Hè wat geméén, om zoo ie's te zegge. Omdat u niet tegen-um op kan....

--Hahaha! ik niet tege Heins op. 'k Zou niet graag in z'en schoene staan, hoor. Ik heb teminste-n-'en zuiver gewete....

--Och.... vent.... zwets toch niet....

--Zeg us, zou jíj wille bedenke tege wie je spreek?

--Zeg u dan niet zukke dinge van hem.

--O, beleedig ik jou d'armee! Nou m'ar ik zal hier in m'en eige huis zegge wat ik wil, hoor. En nou mag Heins voor jou weze wat ie wil, misschien wel je lief, 't is niet te hope, maar ik zeg je dat-ie 'en fielt is, 'en oplichter en 'en vrouweverleijer....

Klets!

Geertje's volle bloote hand had Oom in het gezicht geslagen.

Nu kromp ze ineen, met de andere hand aan de slaap, hem aanstarende in een reeds berustend alles-van-hem-terugverwachten.

Maar Tante was op haar ingedrongen. Ze zag dat Tante Oom tegenhield, ze hoorde Tante zeggen: "nie' wijs", ze hoorde Tante spreken van "ziek". En toen zag ze Oom tòch voor zich, dreigend, doch niet om te slaan.

--M'en huis uit, dadelek m'en huis uit. En zoolang je nog bij Heins ben, hoef je hier niet terug te komme.

Geertje waggelde Oom zijn straat uit. Nu was het gebeurd, wat zij zóó lang gevreesd had; haar geheim was verbroken, haar lieve geheim, dat zij, wel angstvallig maar zalig, alleen-op-de-wereld-met-Hem had bezeten.

Loom sleepte zij haar zwangere lijf voort. Uit de doodsch-strakke stilte der zijstraat kwam ze op de Schie in druk geloop van menschen, kerkgangers, fietsers, wandelaars naar Hillegersberg. Zij wankelde tusschen de menschen door, loom schoof zij langs hen tot aan het water.

Doch toen zij dacht: als ik daar in sprong, wist zij meteen, dat zij dit niet wilde; zij dacht nog even met licht hoofd door over de ontsteltenis die het zou geven onder de menschen, als zij daar nu in het water sprong--en zij voelde zich minder ellendig; het was nog zoo erg niet, wat nu haar gebeurd was! Lust had ze plots, naar d'er hoofd te grijpen, weg te duwen haar hoed en heur haar, om te betasten haar hoofd dat weer blij werd, waar het in was opgeklaard.

Oom! nou ja, wat was nou Oom! En Tante hàd ze het willen zèggen! Als ze aan Oom beloofde, mee aan Groo'va om geld te vragen, dan was ze dadelijk weer zijn "kindje". En het zou misschien wel moeten. Zelfs zoo Jan voor haar wat vond. Want hij had haar al gewaarschuwd: veel verdienen zou ze toch niet, en als ze dan op 'er eigen moest wonen. Oom zou niet willen: in Jan zijn dienst! En dan nog--wanneer het kind kwam, ja, dan had ze vast geld noodig.... 't Mòest maar! samen vragen aan Groo'va. Nou, en dan wier' Oom wel weer goed! Maar dan moest het gauw gebeuren, want God! als Oom haar verklapte bij Groo'va, juist om bij die' 'en wit voetje te krijgen.... Nee! Dat zou Oom zoo gauw nog nìet doen! Oom was veel te bang voor Groo'va. Groo'va zou 'et Oom verwijten, omdat Oom haar bij Jan gebracht had, Jan die zijn vrind was, hihihi!.... Nee, ze hòefde zoo bang niet te wezen, zij had Oom mooi in d'er macht, en nou terug te gaan, was onnoodig; 't was al zoo laat en eerst sprak ze met Jan.

Thuiskomend, vond ze tot haar verbazing de Juffrouw druk bezig met het schoonvegen van de fijne glaasjes, die uit de kast waren gehaald voor 's avonds. En zij had nog zóó gezeid, dat ze 't 's middags wel zou doen!

--Ben u al bezig? zei ze enkel.