Geertje

Part 15

Chapter 154,320 wordsPublic domain

Heel 'er gezicht in de glans van 'er lach, was ze, gekleed op 'er blouse na, plots'ling, met twee sprongetjes, naar hem toe gehupt, en nu drong ze zich tegen hem op, in een dartel willen geliefkoosd worden, een gebiedende behoefte om nog hem te behagen. Was het niet zijn liev'lingsplekje, haar schouder, het onderste deel van 'er hals? Met een kreetje van voldoening liet ze zich, licht als een kind zich meenend, opnemen in zijn sterken arm. Maar nu wierp hij haar achterover op de rand van 't bed, en ze gaf een gil om de pijn, die zoo het knellende corset deed. Hij had haar al wéér in zijn armen, wierp haar, veerlicht, geheel op het bed; en nog eens waren zij van elkander en was alles weg om haar, wolkte 't, gleed et, al om haar henen, al om haar weg; tot ze zich opnieuw het driftig suizen van de gasvlam bewust werd en de trap-trap hoorde van een tram. Hij wilde haar nog een korte zoen geven, maar de armen snoerend om zijn in stijve boord geknelde nek, drukte ze zijn hoofd tot haar neder en kòn niet lang genoeg zien in zijn oogen.

--Meid, ik stik!....

En toen hij van het bed was gesprongen:

--We motte weg, hoor!

--Och kom, 't is me verjaardag. 'k Zeg dat Tante d'er 'en feest van gemaakt had.

--En as Oom is thuis geweest is?

--Mijn 'en zorg, dan zeg 'k wat anders.

Dat hij nou nog bang kon wezen! Net of ze niet elke keer d'er wat op had gevonden. Als ze dat al niet meer dorsten!....

Zij was op de rand van het bed blijven zitten, bezag zich in het spiegeltje, vlak over het bed, boven de waschtafel. Heur haarwrong had wat losgelaten en om haar voorhoofd golfden lokken, als dikke slingers naar voren geschoven; het eind van de wrong stak als een piek recht boven haar hoofd uit. 't Was mal, maar 't was toch ook wel aardig. Lachende bleef zij er naar kijken, hoopte dat ook hij het zien zou.

--Meid, je vat kou, klee je nou toch an!

--'k Heb et heelemaal nie' koud meer. Jij heb me zeker warm gezoend.

--Nou, ik ben wel koud!

--Neem dan 'en grokje.

--Hewwe nog tijd? Voort beneje-n-'en grokje.

--Och nee hier?

--'t Is hier zoo koud!

--Beneje wi 'k liever niet komme. Diep in de rouw, et staat zoo raar.

Terwijl hij langs haar ging om te bellen, daar zij, met uitgestoken ellebogen, de vingers liet toppen door het ongedweeë haar, bukte hij lenig onder haar arm door, wipte een kus neer op haar borst. Zij beheerschte zich, bleef staan, dreef met twee laatste duwen het haar toch eind'lijk in de plooi, maar een lust, opeens, om te dansen, om te zingen, om gekheid te maken, doorstroomde haar, deed haar wezen zwellen. Gedachteloos had ze de blouse genomen, en nu zag ze het aan, hoe de blondheid van 'er vleesch overtogen werd met het zwart, het doodsche zwart van het dofgladde lijf. Gelukkig, dat hij altoos zei, dat de rouw haar goed stond!

Door de gesloten deur had hij de juffrouw twee grokjes besteld en stak nu een sigaar aan. En dadelijk zag haar gedachte hem weder, zooals hij, rookende, toen stond, dien Juni-avond, in het deurraam van het plat, het groote, rossige, mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de zomerhemel. Zoo had ze een aantal herinneringen van hem, die telkens, bij een geringe aanleiding, in haar denken terugkeerden, scherp, of ze het tegenwoordige waren. Zij was daar blij mee. Want, wat er ooit gebeuren mocht, ze wist zeker dat die herinneringen haar nimmer konden ontnomen worden.

--Zeg, je hadt gelijk, 't is in bed beter as buite.

--Zoo?

--As dat lamme wijf met de grok m'ar kwam! O wacht, d'ar is ze net.

Haastig nam Geertje de hoed met kripvoile van het hoofd en keerde zich om, dat de vrouw haar niet zien zou. Jan nam het blad op de drempel aan, rekende af, en lipte al aan zijn dampende glas, terwijl hij nog de deur moest grendelen. Dát dee um goed, verklaarde hij.

--Zie je, daar het 'en mensch nou recht op.

--Hei 'j 't nog koud?

--Nou....?.... Konne we hier venacht m'ar blijve! Dan krope we lekker weer onder de dekens....

Even weekte 'r weemoed in haar, daar zijn zeggen haar deed denken aan het vorige samenzijn hier, toen z' in de angst van haar verzet als laatste uitkomst hem gesmeekt had om dàn te minste met haar te vluchten, hier te blijven die eene nacht en 's morgens vroeg per spoor het land uit. Altijd samen en alleen, net als jonggetrouwden.... Niet, als nu, maar oogenblikjes, die ze stalen, met jokken en liegen....--En je Groo'moe dan! had hij gezegd. En net zoo wat op etzelfde mement was goeie Groo'moe gestorven.... Om Groo'moe had ze niet hoeve te blijve....

--Santjes! Op je verjaardag!

--Vent! Dank je....

De warme, prikk'lend geurige drank doordampte aangenaam-licht haar hoofd. Het was met hen geloopen, zooals 't had moeten loopen! Jan kon niet weg van de zaak en de kinders. En zij had 'er kracht verbruikt in het strijden om wat ze doen zou. O, dat onbeschrijflijk verdriet van het zich slap en machteloos voelen, slap en lam en altijd koortsig.

--Wat soes je weer! Wáár zit je nou an te denke?

Ze moest lachen op zijn vragen. Ze zaten daar ook zoo kemiek! Hij bij het raam, aan het tafeltje, zij op de tip van de stoel aan de muur waar haar goed op had gelegen--allebei lippend aan 't warme glas in de ijzigkoue kamer. Vlug zette ze haar stoel vlak naast de zijne.

--'k Dacht an niks geen narigheid. Da'k me nie' meer lam en slap voel.

--Slap, jij! Zoo'n gezonde meid!?

--O ik heb me-n-ellendig gevoeld, 'k wou je zóó graag gelukkig make en ik wìs nie wat ik doen moes'. 'k Was soms heelemaal versuft, da'k nie wist, hoe 'k me werk zou klaar krijge....

Nalepelend in zijn geledigde glas, zag hij haar vragend-lachend aan. Maar op hare laatste woorden:

--He'k je verteld wat me vrouw gezeid he't? Ze denk' nog altijd da'j verlief' ben....

--Da' ben ik ook!

--Nou ja, maar dàt denk ze gelukkig niet. Nee, ze vermoedt op die broer van je tante.

--Jasses!

--Meid, wat kan 't je schele! Laat ze denke!.... Maar et moppige: eerst he't ze gemeend, da' je beter was gaan werke na die schrebeering die ze je heit gegeve, toe je toe die buljon heb late bederve, je weet wel, 'en paar dage nadat je terug was van de begrafenis. Maar gisteravent, in bed, hazzet weer over je; ze denk nou da' je in stilte verloofd ben en dat daardoor alles zoo goed gaat.

--Ze most is wete!....

--Zeg dat wel. Maar zoo'n stommeling as me vrouw weet nóóit. Nee, da's waar. Ze denk da ze slim is en je ken d'er de ergste knolle voor citroene verkoope.... Wa' zet je nou weer voor 'en gezich'!

--Ja Jan, ik vin et nie prettig da je altoos zoo afgeeft op je vrouw.

--Voel je-n-opeens zoo'n vrindschap voor d'er?

--Nee dat niet. Maar ik beklaag d'er. Zij kan et toch niet helpe dat ze leelijk is. Jij ben ongelukkig metter, maar jij heb nou mijn, en zij is heel alleen.

--Got! wou je-n-en ramplesant voor me zoeke!

--Hè, vent, wees niet zoo aak'lig! 'k Zeg alleen da wij niet achter d'er rug kwaad van 'er motte spreke. Je weet wel dat ik niet van d'er hou, maar 'k heb nou toch meeëlij metter.

Geertje las in Jan z'en oogen, dat hij niet begreep wat zij meende. Zij wou er hem niet meer van zeggen. Maar ze wist zich vastbesloten, hem voortaan alle kwaadsprekerij over de Juffrouw te beletten. Dàt moest het mensch er ten minste van hebben!....

--Nou, zij he't geen meelij met jou, hoor! Telke's he't ze wat te zegge. Gistere weer da je zoo weinig bedroefd ben.

--En wat zeg jij op al dat gekle's?

--Nou, ik praat zoo'n beetje mee, hè? Da's et verzichtigste wat ik doen ken. Trouwens, daar hè't me vrouw gelijk an, 'en erg bedroefde kleindochter lijk je niet!

.... Geertje zat met de oogen vol tranen. Op de woorden éven hem aanziend, even nog, na zoo lang hem áánstáren, hàd ze verlegenheid, berouw gelezen in zijn blik. Maar toch, dat hij dit denken kon!.... Begreep hij dus niet, dat zij had moeten kiezen? Of het een' òf het andere? Liefde voor Thuis, voor Groo'moe, en Groo'va--òf het nieuwe gevoel, voor hem? 't Eene kòn niet met het ander! Ze had et gevoeld al, toe' in de trein, terwijl Oom d'er an et hoofd zat te malen met alderlei nare dinge van geld, en er in haar maar ééne vraag was: òf ze Groo'moe nog levend zien zou. Ze had et gewete, de dage thuis, de lange dage en lange nachte, toen één bewustzijn haar beheerscht had, dat voor haar daar alles uit was. Groo'moe was precies gestorven in 't uur dat zij Jan's vrouw was geworden; 't was of God et zoo had beschikt. Zij hàd er in berust om slecht te zijn, slecht en verdoemd misschien, als hij maar gelukkig was. En al moest ze nu kemedie blijven spelen tegenover Groo'va en Oom en de menschen in 't dorp, tegenover anderen wou ze zich niet beter voordoen als ze was. Aan één gevoel had zij gehoorzaamd, ten koste van al het andere--mocht ze dan nou ook niet al het geluk hebben, dat dit gevoel haar geven kon? Ze gaf nu nog om Hem alleen, om het geluk dat Hij bij haar vond. Hem te geven, wat hij wilde, Hem te wijden ziel en lichaam, in haar allesbeheerschende liefdesdrang.... Er mocht nu van haar worden wat werd, wat bekommerde zij zich dáárom? Van het vroegere wist z'alleen, hoe ellendig zij geweest was. Wat zou ze dus treuren om wat ze had verloren, Groo'moe, lieve, goeje Groo'moe--en met Groo'moe nog zooveel.... Thuis, ommers, had ze het da'lek gevoeld: zoo as, die eerste avond, toe ze hier uit et hotel kwam, de straat d'er voor d'er had uitgezien of 't een heele andere straat was, zoo was thuis ook alles veranderd, zij kon niet gelooven dat zij et was en al het oude leek' er nieuw. Eerst had ze 't, thuis, niet zoo geweten, die schrik om Groo'moe, die angst voor Groo'va. Eenmaal op haar kamertje alleen, was ze, starend' uit haar raampje, langzaam die eerste verbijstering, die haar als met lamheid had geslagen, te boven gekomen. En toen was ook inééns Het weer terug gekomen, het heerlijke gevoel van de vorige avond--en ze had naar de straatweg gekeken, naar de boomen langs de weg, naar de heesters in de tuin; het was 'er geweest, of die nú tot haar spraken, na vroeger haar nooit iets te hebben gezegd; 't was of ze nú pas de dingen zàg.... Niets op aarde was haar iets waard meer bij wat zij zich nu bewust werd. Wegteren zou ze, verbranden van gloed, verschrompelen zou ze, in een niks-meer-geven om d'er leven, als ze zich niet aan Hem had kunnen wijden!....

.... Ze had wel gehoord dat hij woorden sprak, naast haar. Wel gevoeld, dat hij haar hand nam. Maar wat hij zei, had ze niet verstaan, en de troostende lange druk van zijn hand had haar tranen niet doen keeren. Nu hoorde zij:

--Toe zeg, wat is-t-er dan toch?

De goeiert! nee, hij zou niet begrijpen! Wat was het ook noodig, hem hiervan te spreken? 't Was toch al naar voor 'em, dat et zoo trof; dat Groo'moe net nòu was gestorven....

--Niks, 'en beetje zenuwachtig. Maar toe, zeg me toch één ding. Maak ik je nou hèusch gelukkig?....

--Kind, begin je daar weer over! Hoe kun je nou toch anders denke! 'k Heb nooit 'en vrouw gehad as jij, 'k had nie' gedacht, da' dat bestond....

Glimlachend door een diepe zucht heen, stond Geertje op. De laatste woorden hadden ècht geklonken; dat was niet gezegd om haar te troosten. Dus, dan had ze haar doel bereikt!

--Zeg vent, nou mowwe naar huis, hoor!

Even nog het zoete smachten in omhelzing; en veerkrachtig, gelukkig, zette ze, voor het spiegeltje, haar hoed op en trok de zwarte voile strak aan om het hoofd.

II.

--Dàëg! Dàëg!--Het echode trap op, trap af. Altijd-wéér had Geertje schik in die rotterdamsche zanggroet. Nu genóót ze van Truusje's roepen. Voorover leunend bovenaan de steile donkerte der trap naar de straatdeur, luisterde zij blij naar de drukte die de kinders beneden maakten bij het zien van de straat met sneeuw; en op Truusje's nòg eens herhaald:--Dàëg! riep ook zij nog eens:--Dag Truus! Dag Koos! en vriend'lijk, op de koop toe ook nog:--Dag, Juffrouw!

Hèhè, die waren de deur uit! Nu aan de gang, d'er was wat te doen! Zoo'n morgen was zoo aak'lig gauw om. Sefie scheen 't erop te zetten, nu nog minder uit de hand te nemen als anders. Natuurlijk, als die háár kon plagen! Och, zij kwam toch wel klaar! Maar dat de Juffrouw nou niet eens es tegen die meid had durven zeggen: zeg, et is vandaag zoo druk, jij blijft vanmorgen ook is thuis. Niks had ze van och'end gedaan, als de kachels angemaakt en Jan z'en laarzen gepoe'st. Koos had z'en zondagsche aan en de andere stonden nog vuil in de keuken.... Maar wat maalde zij om Sefie, die was hier toch niet et huis uit te krijgen, die wist te fijn de Juffrouw te vlooien;--als ze haar, Geertje, d'er gang maar lieten gaan! Nú was Sefie al boven bezig, om zich op te tuigen voor et uitgaan--des te beter, dan bleef zij alleen. Hè, dan zou z'es lekker zich reppen!

't Huis stond opeens als uitgestorven. Nooit vertoond, zoo'n zálige rust! Oei, wat rook et petroleumstel! Dat de Juffrouw dat toch telkens te hoog draaide! Gauw de platdeuren allebei open! Hè, wat mooi, die zon op de sneeuw! Je voelde geen kou, zelfs niet hier in de schaduw, tusschen de kille huizenmuren. Feestelijk, die hooge lucht, fijnblauw--hè, zoo ruìm! en 'et wit vòl diamantjes.... Ook de stad leek uitgestorven, in z'en mooie zondagspakje, alles stil.... hè, heerlijk staan, hier!

Zij kreeg lust, het plat op te gaan, tot de rand. Maar de sneeuw lag zoo dik, het gaf vast inloop, en ze had pantoffels aan. Hier zag ze 't immers net zoo goed. Zij rekte zich, de borst vooruit, de handen samen in de nek, zij had zoo'n zegepralend gevoel; blij keek ze neer op de ontbijtboel, die nu gauw het eerst aan kant moest: toen zag ze zich in de schoorsteenspiegel, rechtop, lang.... en dacht aan Jan, hoe ze hem eens zoo gezien had, hoog van gestalte, op deze drempel--net zoo zegevierend vóór haar, als ze nu zichzelve voelde. O, als het toch zóó kon blijven!

't Huishou'e was deze dagen geregeld gegaan. Ja, gut, als je 't vergeléék, zooals de boel d'er vroeger uitzag, zooals alles liep in 't honderd, en zooals het nou ging!... Maar déze week, met al die drukte, de Juffrouw haast aldoor weg en dan zij, Geer, nog twee nachte d'er uit, om bij 't ouwe mensch te slape. 't Was wat geweest, en toch was de wasch op tijd aan kant gebracht en benee was alles in orde gekomen, en de kinders waren gisteren nog verschoond. Alleen had zij geen tijd meer kunnen vinden om zelf Zaterdag te houden; nou maar, als ze flink voort maakte, dan kon dat straks nog wel. Ze zou vast wat water opzetten....

Gut wat was het toch heerlijk weertje! Wat zou Jan 'en schik hebben met z'en vrinden! Heelemaal naar de Haag op et ijs, 't was geen kleinigheid, en gisteravond zoo laat nog gewerkt. Affijn, daar moes' je hèm voor hebben. Zullie met z'en beie, zullie waren de werkers hier in huis. Heerlijk, dat et nou zoo kon! De Juffrouw liet 'er in alles d'er gang gaan! 't Heele huishou'e had ze gedreven. Die eerste morge, na de schrik 's nachts, toen het ouwe-mensch was ziek geworde, had de Juffrouw nog willen kummendeere en navissche bij et thuiskomme; maar daar was 't ook bij gebleve en zij, Geer, had verder gedaan wat ze wou. Prettig, dat ze heelegaar niet moe was! Gistere was et toch druk geweest en dàt na zoo'n nacht bij et ouwe-mensch! Anders ook 'en taaie, die ouwe, dat ze d'er nou toch nog weer bovenop krabbelde!--"As ze-n-et nog maar drie dagen uithoudt", had Jan Donderdag gezeid, "want Zondag mòt ik de schaatsen onder".... Ze hield et--wie weet hoe lang nog uit! Jan kon d'er soms wat mee! Nou maar, dat-ie niet van z'en schoonmoeder hiel', kon geen mensch um kwalek neme; de feeks was ook m'ar niet onaangenaam tege Jan!... Zòu-d-ie in de Haag an de hopjes denke?! Hij had zoo et land an zukke boodschapjes! Wat zou ze-n-em dan lekker plage! De goeiert, de zondag was em gegund! hij had niet te vaak 'en pretje!...

Zij was al bijna klaar met de huiskamer, toen Sophie beneden kwam, de mantel aan die ze van de Juffrouw had gekregen, d'er hoed met groene veer veel te veel achterover op het hoofd.... Even een stuursch elkaar groeten--en Geertje was alleen in het huis. Onwillekeurig stond ze op van voor het buffet, waar ze bezig was het laatste goed in te bergen, en leunde tegen de sponning der kamerdeur. Niets hoorde je dan het kalme tikken van de groote klok hier in de kamer, en uit de keuken het gerikkik van het wekkertje. Wat wàs alles haar gemeenzaam, in dit groote huis! Hoe heerlijk om er nu alléén over te mogen waken! Jan-z'en huis, waar zij bij-hoorde.

Met pasjes die de treden haast niet raakten, hupte zij de steile trap af naar de straatdeur--even in de brievenbus kijken. Er was maar ééne brief met een krantje. De deur op de trap naar de winkel was gesloten, zij moest weer naar boven, omloopen, om op het kantoor te komen; maar zij zòu toch even deze dingen op Jan z'en lessenaar, netjes, midden op het vlak leggen--verder, nee, er was daar verder niets te doen.... Eerst nu stof afnemen in de mooie kamer.

Zij dacht aan die zondagmorgen, toen zij ook hier 't stof afnam, Jan sigaren kwam doen in 't kastje naast de schoorsteen en haar wriemelde in de nek, zij daarna zich weer ellendig voelde en dat poppetje brak van et vaasje. O, die vreeselijke tij'en, hoe zwak, hoe ziek was ze geweest! Enkel uit verlangen naar hem! Hij had haar d'er kracht teruggegeven, d'er gezondheid--ze was gelukkig! Werken kon ze, in huis ging et goed.... Als de Juffrouw het nou es wist.... zoù die dan zoo erreg boos zijn?... Boos als vroeger, wanneer Geertje wel is wat had gebroken? Gàf z'om iets, behalv' om geld en d'er gemak? Nou hàd ze d'er gemak, heele dagen kon ze weggaan en bij d'er zieke moeder zitten zonder ook daar 'en hand uit te steken, want daar dee' Kernelia alles en de twee nachten dat Kernelia es had moeten uitslapen, was Geer d'er geweest; d'er huis kon de Juffrouw uitloopen, zooveel as ze wou, en de boel liep nog beter as anders. Nou--en de Juffrouw-met-Jan:--Jan had haar, Geertje, zóó vaak verzekerd, dat er al lang, al làng toch niks meer was, nooit meer, tusschen hem en z'en vrouw.... En was ie tegenwoordig niet gezonder, zag-ie d'er niet veel opgewekter uit, was-ie niet gelukkig, óók? Zòu et dan eigelek niet kinderachtig zijn, van et mensch, om boos te worden, als ze 't merkte?... Beter, voorzichtiger was wel, nìet. Maar às, às et toch es uitkwam?... Jan leek óók niet zoo bang meer te wezen, anders zou-d-ie niet telkens vragen, 's avens hier in huis, as Sefie pàs naar boven was. Zij blééf dat niet prettig vinden, aak'lig, maar hij wou zóó graag.... Of Sefie gistere niks gemerkt had?... Jan zei van niet: hij wist et zeker.... Nou, eens zou'e ze 't toch wel merke. As 't es kon, dat de Juffrouw niet boos wier?... Hè, om hier te kunne blijve, àltijd, net zoo as et nu was.... Zij zou niet zwanger moeten worden. Nou, ze hoopte wel van niet! Jan zei ook: ze was nog zoo jòng en dan met háár drukke leven, dan wier je niet zoo mak'lek zwanger....

Met stof-afnemen in de mooie kamer klaar, haalde ze, in hùn kamer, het groote bed af. Hoog had ze de ramen opengeschoven, maar er kwam zoo weinig frissche lucht, van tusschen de zware huizenrijen der nauwe straat. Hù, zoo muf, en daar had hìj in geslapen.... De kamer mòest toch weer es 'en groote beurt hebben. Dinsdag kon niet. Donderdag? Als Sefie het dan zou willen! Hè, dat spook, als ze dat hier toch nog es weg kon krijgen!...

Zorgvuldig deed ze de waschtafel. Hij vond het zoo prettig, wanneer de dingen glommen, hij was zoo gesteld op zijn bakjes en potjes en vettige fleschjes.

Toen gáuw de bedden boven. Die maakte ze meteen maar op. De kinderbedden konnen wel zoo. Het hare kwam er niets op aan. Daarna hùn groote bed opmaken.

Toen het klaar was, toen ze zijn kussen nog eens lekker, tot dik en hoog, had opgeschud, vlijde zij--in de kamer bij de overburen was toch nooit iemand--vlijde zij even het hoofd er tegen, gréép het kussen, drukte 't, zoende 't, schudde het daarna nog boller op; en de kamer verlatende, wierp ze een kushand naar de fotografie, die boven de latafel hing: die rederijkersgroep, waarop hij zoo fier vooraan stond, met jachtgeweer, verkleed als een jager.

Nu had ze nog tijd om zich te verschoonen. Gauw 't water van het stel gehaald en aan de slag. 't Was wel héél koud om te boenen in een kamer zonder kachel; maar toch was 't prettig, alles schoon aan, na zoo'n week van werken, vuil-zijn, van slapen in die gore drankstank in de opkamer bij de feeks.

Bij het voetenwasschen kreeg ze telkens stuipachtige trillingen over de schouders. Rondom haar stond als een strakke verstijving de opgesloten ijzigheid in de sómber-verkilde kamer, met de al dagen rouw-bevroren, smalle ramen. Maar toen ze, de pasgewasschen voeten op de, ze dàcht al-bevriezende handdoek, dat muffe goed kon uitgooien en de als-geurige frischheid van het schoone hemd weldoend-zindelijk over haar lichaam gleed, toen, hoewel haar rug en schouders bibberden en haar kaken pijn deden van het tandenklapperen; zette zij een pas vooruit en bleef stáán op het zeil, zoo, dat ze in het spiegeltje zien kon en genieten van haar schoonheid.

Dit was haar een nieuwe weelde, waar zij telkens weer van genoot: te weten, dat haar lichaam waarde had. Vroeger had zij daar nooit aan gedacht. Wel aan haar gezicht, haar kleeding, ook aan haar figuur, heur haar, heur handen; maar haar lijf had zij nooit bekeken met het besef van iets waardevols. Ook deze voldoening had zij Jan te danken. Hij had haar gezegd, wat er mooi aan haar was; bewonderd haar armen, haar borsten, haar beenen; heel haar lijf met zijn oogen verslonden, terwijl hij het branden deed van zijn kussen, van zijn schroeiende kussenregen, die alle plekjes zoo zalig verraste, die haar steunen deed, amechtig, onder de kracht van zijn wilde druk.

Nu liet zij met welgevallen telkens d'oogen over zich gaan. Dan was 't als voelde ze zijn kussen. Sterker had zij vreugde in zich over die pas ontdekte rijkdom. Zij zag haar glanzige volheid, de donzige ronding van haar hals, de fijne veerkracht van haar borsten, de krachtige welvingen aan haar lijf.

Hu! haar beenen knakten van koude; ze was mal, zulke fratsen terwijl het vroor.... Maar terwijl ze nu schielijk zich kleedde, straalde haar lach haar toch telkens weer toe, wendde ze zich vóór de spiegel, onderzocht haar lichaam nauwkeurig.

Ze was bleeker dan anders, maar een mooie kleur had ze toch nooit. De mooiheid van haar gezicht waren haar groote, donkerblauwe oogen. Haar kleine wipneusje vond hij aardig, 't was eigenlijk leelijk, maar 't stond toch wel leuk; en haar tanden, ja, die zou ze poetsen; want zij waren goed, haar tanden, blank, en groot, en nog volledig.... vroeger had zij ze nooit willen poetsen, maar nu zou ze d'er netjes op wezen! Mollig waren haar armen, glanzig en ook lenig en sterk; maar akelig waren nu haar handen; ze moest er ook zóóveel mee doen. Gelukkig had ze haar "poelekes van voetjes," zooals Jan zei--die waren mooi, ook de nagels regelmatig, beter, helaas, dan van d'er handen....

Toen ze, eindlijk gekleed, de kamerdeur opende, kreeg ze nog weer één stuipachtige rilling door de borst en voelde net of op-eens-verkouden; maar met opzettelijke bewegelijkheid repte ze zich met het opruimen van de vuile boel--en daarna moest ze ijlings voor 't eten gaan zorgen.

's Avonds was zij vrij en ging maar weer eens naar Oom. Zij vond er meneer Maandag en de twee kinderen van zijn zuster. Och, wat 'en bloedjes nog!--Geertje voelde zich zoo jolig--Jan was haar achterop gekomen, ze hadden een eind gearmd geloopen, en hij had flikjes voor haar gekocht, als een vergoeding voor het niet-meebrengen van de hopjes.... Ze was blij, nu meneer Maandag ook weer 's te zien--hij was in zoo lang niet bij Heins aangekomen, Jan zei, dat hij het zoo druk had, met zoo'n moeite aan de kost kwam. Maar Geertje vond, dat hij er goed uitzag, en ze lachte hem vroolijk toe, terwijl ze de kinderen gaf van de flikjes.

--Laup jai mit lekkers in je sak! kwam Tante.

En Geertje had er plezier in, overmoedig te zijn, koket te lachen en geheimzinnig te zeggen:

--Gekrege!

Toen eerst zag zij de strakke gezichten. Niemand lachte, zij werd niet geplaagd. Och jee, allemaal keken ze zuur! Dat kon toch niet wezen om haar. Zelfs meneer Maandag kwam niet uit de plooi.