Part 14
Toen ze weer binnen was gekomen, had Sefie in de kamer gestaan, en natuurlijk had die geklikt, en samen hadden ze d'er pret over gehad, Meneer en zij, dat de Juffrouw, naar z'aan hem gezeid had, haar nu verdacht een vrijer te hebben en daar grabbeltjes mee te hou'en, 's avonds laat van 't hooge plat af.
Maar die nacht had ze niet gelachen. Was het onvoorzichtig geweest, plotseling, zonder iets om, op het plat? 's Nachts had ze koorts gehad, geijld. Goddank dat de kinderen zoo vast sliepen! Als iemand haar had kunnen hooren! Misschien had ze zijn naam gezegd, of meer. Want ze had gedroomd, dat hij stond voor haar bed en haar riep. Zóó vast had ze 't gedroomd, dat ze, wakker geworden, zich had afgevraagd, of hij zou zijn weggegaan. En ze had ook zeker-geweten, dat ze gesproken had in de slaap. Daarop toen die razende angst, dat ze zich zou hebben verraden, dat er iemand iets gehoord had, was 't ook maar Truus of Koos geweest.... De angst scheen de koorts te hebben verdreven. Zóó bang was ze geworden, dat ze, zonder zich te verroeren, de oogen naar de matte lichtplek aan de zoldering, was blijven liggen tot de morgen. Ze had de eerste geluiden gehoord van de stad die moet wakker worden; het scherp duidelijk stappen van klompen van een enkele heel-vroege; kort daarop plotseling het dichtslaan van een huisdeur; toen de donder van een trein over de viaduct en 't nacht-doorborend stoomgefluit; toen vlak-beneden menschen die praatten; toen weer lang de leegte-van-stilte, met enkel, telkens, het tergen van de langzaam zich hoorbaar loswikkelende, loodzwaar neerbonzende en zwaar nog nadreunende tijdgeluiden van de toren; en toen opeens, als iets dat nog maar schuchter nadert, allerlei geruchtgezoem....
En om haar, in huis, niets dan even een licht schuiven in het bedje van Truus die zich verlegde. Zij, alleen-wakker, als om af te luisteren dat allen sliepen. Hij ook, dáár, vlakbij, naast zijn vrouw.--De gewoonte van alle nachten, alle nachten, z'en heele leven.... Maar háár had hij gezegd zijn geheim, al zijn leed en zijn verlangen, háár-alléén in de gansche wereld. Nee, ze was niet bang meer voor hem, hij mòcht haar zeggen wat 'em kwelde; niemand kon haar ontnemen, dat ze zijn vertrouwen had....
Toen ze eindelijk zich niet vergiste, toen ze zeker was dat het gestommel kwam van vlak boven haar, dat Sefie was opgestaan, wipte ze, verkleumd, het bed uit. Duizelig had ze zich aangekleed en de gansche dag was ze koud gebleven, overtuigd dat ze ziek zou worden. Maar 's avonds had hij d'er een glas grog opgedrongen, half-dronken was ze ingeslapen, en de volgende morgen had Sefie aan d'er bed moeten stooten om 'er wakker te krijgen. Toen was ze als weer beter. Toch had ze, op avonden dat de Juffrouw vroeg naar boven was gegaan, nog twee keer zich zoo'n glas grog laten geven tegen slapeloosheid. En onder het drinken had hij haar gepakt en mee uit haar glas gedronken.... onvoorzichtig: Sefie nog in de keuken....
De tweede keer had hij zich vergeten, had hij haar wezenlijk bang gemaakt.
Sedert had ze geen grog meer genomen.
Toch vroeg hij het telkens weer--en geen kracht had zij om meer dan te weigeren. Want ze wist wat hij bedoelde, waarom hij aandrong op "samen-drinken", maar de opstand van haar schaamte vervloeide iedere keer in hetzelfde medelijden, dat haar, bleek, met een droeve blik van overgegevenheid, hem lang deed aankijken, wanneer ze hadden gezeten in een k'ffee, en vóór hen op straat liepen andere paren, en met zijn stem-van-radeloosheid zei hij:--"Kijk, die gaan nou ook naar huis, maar ze kunnen samen blijven"....
X.
Eén Zondag durfde ze niet. 's Zaterdag's-avonds, met de laatste post, was er een brief van Groo'va gekomen, dat Groo'moe Vrijdags in bed had moeten blijven, en waarom Geertje twee Zondagen achtereen niet bij Oom en Tante was geweest.--Dat Gróó'va daar van wìst!.... Ze had nu al drie keer Oom voorgelogen. Eens, dat ze thuis had moeten blijven om ongesteldheid van de Juffrouw; de andere keeren, dat ze naar Juffrouw Koenders moest en dat Mina d'er had meegevraagd naar een bidstond voor de Inwendige Zending.
Daarom hàd ze die Zondagmorgen geknikt en weer geknikt van nee, en trok ze 's avonds naar Oom, trachtende zich de gerustheid op te dringen dat ze niets verlegen was. Maar Oom zei op zoo'n rare toon:--"Zoo! zien we je weer es!" en die viezerik van een Gerrit, die d'er natuurlijk ook weer zat, begon hard te lachen.
Toen ze nog maar kort er was, lei Tante opeens een pertretje voor haar neer, en ze ontstelde d'er van, want de eerste gewaarwording was: een pertretje van haar zelve, waar ze bleek en slecht op uitzag. Wanneer was dàt dan gemaakt?.... Maar die kleeding en het haar zoo.... Och, het was een pertret van d'er moeder!.... Ze kende dit niet; zij had ook een pertret, maar dat was van na het trouwen. En hier Moe nog als jong-meisje!....
Tante had het pas, toevallig, gevonden. Het zag er nog netjes uit, bijna als nieuw.
--Hè, mag 'k et es meeneme?--De vraag was gedaan, voordat ze er over had nagedacht.
--Wau je 't auk es bai Hains late kaike? vroeg Tante en trok een spottend gezicht.
Zij voelde dat zij hevig kleurde, want ja, ze had aan Hem gedacht; hem te zeggen: "'k heb me pertret late maken"; te kijken wat hij zeggen zou van d'er bleekheid!....
Schielijk trachtte zij 't goed te praten:
--Nee, zoo maar, om et es op me kamertje te hebbe.
--O! Nau, haut et dan maar.
's Avonds thuis--Hij was nog uit--stond ze er in haar kamertje lang mee in de hand. Ze sloeg haar album op, om het andere er naast te hebben. Maar 't was zoo vreemd, dit vroegere trok haar veel meer aan. Allerlei kwam haar nu in de gedachten, door Groo'moe haar over Moeder verteld. Moe had later zoo geleden, ook hier zag zij al bleek en zwak.--Nee, ze mocht er geen grapje mee hebben: 'en pertretje van d'er Moe, om wie Groo'va zoo getreurd had....
t Was 'er opeens, of ze Groo'va's stem hoorde, terwijl hij haar van Moeder vertelde. Hij had het toch maar zoo zelden gedaan.... Er kamertje thuis zag ze nu als om zich, 't witte behangsel, het kleine raampje.... van benee klinkt de stem van Groo'va, die uit school komt en haar roept....
Nu schoot het hart haar al te vol. Zij gooide zich neer op haar ledikant, diep het hoofd weg in het kussen, dat toch niemand haar snikken zou hooren. Koos verschoof, Truus wier onrustig, maar zij kon zich niet beheerschen.
Tot op eens door de stilte van 't huis de doffe slag sloeg van 't sluiten der huisdeur, het snerpend geknars kwam van 't wringen der grendels. Zij vloog op, bracht de hand aan het voorhoofd, stond, verbijsterd, in starre lengte tusschen de drie lage bedden, maar kromp ineen op zijn nadering, bij die trage regelmaat van het trapgestommel. O, ze wou, dat Truus ontwaakte, of Koos, of dat de Juffrouw riep! Als er toch maar iets gebeurde.... Maar de kinderen bleven slapen, heel het huis sliep, of was stil. Hij was nu in de kamer beneden, even hoorde ze gestommel, toen was 't stil. Hij daar, alleen....
Zij zat op de rand van haar bed met haar bijbel. Onbewust had zij het boekje genomen. Zij moest het schuin voorover houden om een letter te kunnen lezen. Maar nu prevelde zij woorden: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almagtigen. Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt en mijn Burg! mijn God, op welken ik vertrouw!".... Wat bleef hij lang beneden! God! als ie nou maar niet weer aan het grog drinken was. Zeker toch al bier gedronken. Hij hàd et gezeid, laa'st, toe' zij geen glas van 'em anneme wou: "Als jij me d'er niet van af houdt, dan raak ik an de zuip".... O God nee, 'et mocht niet zijn! Wie weet, waar-ie venavent geweest was! In wat voor slecht gezelschap. Wàs ze maar met 'em meegegaan! "As jij me d'er niet van af houdt".... Of ie 'en kind was, zoo had ie 't gezeid, hij, d'er petroon!.... Gotogot, waar bleef ie nou toch. As ie al es te veel had gedronke en benee was neergevalle. Zou ze.... o, ze mòest naar beneje!.... Wacht! Ja! d'ar knirpte 't deurtje van 't buffet. Ja, ze had et zeker gehoord. Dus dan zat ie wat te eten. Got, daar kwam ie, dan hàd ie gegete....
Het oor aan de reet van de kamerdeur, luisterde zij. 't Warde, 't woelde, 't joeg haar hoofd door: of d'er wel boter geweest was in 't potje, of ie z'en worst wel zou hebben gevonden, anders stond d'er niks als appelstroop en daar had ie zoo et land an; of ie toch grog zou hebben gedronken....
Dáár was ie, de laatste tree op. Geertje hield de hand op 't hart, 't dee d'er pijn van 't snelle kloppen. Plotseling schrikte ze: als ie haar staan zag, als ie nu eens binnen kwam.... Ze wist wel dat hij niet zou komen, hij was al in de kamer gegaan, knars, nu was de deur gesloten, ze kon niet hooren of er gesproken werd; às de Juffrouw nog niet sliep, zou ze zeker wel weer brommen....
Gut!.... Hè! ze was verschrikt. Omdat ie z'en laarzen had buiten gezet! Al hàd ie haar zien staan, al wàs ie nu gekomen!
Met beide handen steunde ze tegen de deur, alles beefde, trilde aan haar, 't was of een prop in 'er keel gestopt was.... stootend tegen Koos z'en bed, kwam ze weer op het hare te zitten.
Toen steeg al d'er kracht in 'er op in een drang om zich te uiten. Heffend de krommend spiertrekkende armen, gooide ze trotsch het hoofd achterover, drong het àlmeer in de nek, en lachte, met gesloten oogen, strak de tanden op elkander, lachte de lust van haar liefde tegen, àl maar meer de borst zich welvend in 'en smartelijk spannings-genieten, tot z'ineens zich voorover liet zakken en diep ademhaalde.
Als het zonde was wat ze deed, dan zou God haar straffen. Ze kon niet anders. Ze was van Hem, hij had haar noodig, ze zou nu telkens met hem meegaan, liegen.... of desnoods niet-liegen, maar hem niet meer alleen laten trekken, met 'em zijn, de enkele uren, dat ze samen kònden wezen. Goeie Jan!.... Ja, ze zou hem Jan gaan noemen. Hij had het al zoo vaak gevraagd, gespot en ook zich boos gemaakt, omdat ze Meneer zei wanneer hij haar zoende. Ze zou nu nooit Meneer meer zeggen, wanneer ze samen alleen waren. Oppassen, de andere keeren! Nou ja, d'er viel zooveel op te passen! Eenmaal zou et toch uitkomen. Zeker! dat kon niet anders! Dan.... O!.... Als z'eens samen vluchtten.... Jan had laatst zoo ie's gezeid: as ik hier maar weg kon komme! Samen weg, en samen werken, al et geld hier achterlaten. Groo'va.... Nou ja, as die d'er maar iets van merkte, zou-d-ie eischen dat ze thuis kwam. En ze kon Jan niet meer alleen laten. Dus moest ze de grootou'ers toch verdriet doen. Dan was ver-weg, ineens samen weg, nog et beste. Of Jan schei'en van de Juffrouw. Als dat kon. Maar Groo'va zou dan net zoo kwaad zijn. O, as ze d'er samen ineens uit konne!....
Langzaam, uit angst van gerucht te maken, ontkleedde ze zich. En haar oog viel op Truusje die woelde. Het was plots of haar adem stokte, tinkelend viel een haarspeld langs een ijzeren spijl van het bed. Van dat kind af--zij! en hij!.... En zij, kòn ze 't Groo'moe aandoen? Maar wat dan toch, God! wat dan toch?
In haar radelooze onmacht, viel ze op de knieën. Zij prevelde "Onze lieve Heer," maar zij kon niet bidden. Groo'va's gelijkenis van de verdroogde waterputten en de zielen die niet meer kunnen bidden, kwam haar in de gedachten. Och maar Groo'va, wat wist Groo'va van een droefheid als de hare! Nergens een uitweg. O, voor haar! zij was tevreden als ze hier maar stil mocht blijven en 'er liev'ling daag'lijks zien. Dat had z'em ook geschreven, toe' in die brief. Maar hij, hij bleef, wanneer ze zoo leefden, ongelukkig. Hij wou haar heelemaal tot vrouw, net of de Juffrouw niet bestond. Of je dat kreng kon verdonkeremanen! Dus dan--zùllie weg, van de kinders, van de zaak, van alles weg. Zou hij dàt willen? Als het hem gelukkig kon maken, zou ze 't doen. Ze was van hem. Al het and're moest nou wijken. Máár--hij moest d'er eerst lang over denken. Alles moest ze met 'em bespreken--niet enkel rekening hou'en met zijn verlangen om met haar te leven, goed de toekomst overzien, alles, mogelijke armoe, en de kind'ren niet meer bij hem.... Ze voelde dat ze 't hem alles flink, ernstig zou kunnen voorhouden.
Maar dan niet in die nare k'ffees, waar ze wist dat kerels hen begluurden en waar hij altoos 'en beetje angstig was voor 't ontmoeten van een kennis. Ze waren nu al iedere keer in 'en ander k'ffee geweest, en overal was 't al even akelig. Wandelen was nog het beste, as et te minste niet regende. Of anders doen wat hij laa'st wou, 'en kamer huren waar ze alleen waren, hij wist 'en gelegenheid, had-ie gezegd--daar konnen ze rustig dan overleggen....
Juist toen Geertje in bed wou stappen, ontwaakte Truus en vroeg om drinken. Geertje gaf een slokje water, zette 'r even op et potje.--"Zoete Geertje," vleide 't kind.
--Zoete Truus!
En Geertje voelde, dat Hij dáár nóóit van zou scheiden.
Maar wat dan? o God, wat dan?....
Ze was straks zoo blij geweest, toen ze even zich verbeeld had, dat er nog een oplossing zou zijn te vinden. En nu zag z'opeens weer niets.... Toch mocht dit zoo niet voortduren. Zelf leed z'er ook te veel onder. Ze voelde zich meest zóó verzwakt, zóó moe, en 'er hoofd leek wel verstompt, ze kon ook heusch aan niks meer denken, van middag nog weer vergeten het raam in de mooie kamer dicht te schuiven, zoodat de gordijnen waren natgeregend. Ze moest hier weg, of.... en dat kon niet....
Weer raakte ze in die pijnlijke verdooving, die geen rusten was, die geen oogenblik haar ontlastte van de eene gedachte, het eene gevoel.... tot ze eindelijk, tegen de morgen, verkleumd bij het onophoudelijk woelen, in een zware koortsslaap lag.
XI.
--Je ben zoo stil, bei je nou boos op me?
--Nee.
--Nou bei je van mijn!
--Dat was ik al.
--Nou, ja! maar toch niet zoo....
--Schat!
Zij keek hem aan, hem aldoor aan. Zij struikelde over een kabeltouw, zonder zijn arm waar' zij gevallen, maar toch bleef ze hem aankijken. Naast hen, daar, vlak bij, was de drukte; er werd een groote boot geladen, in een koperroode rook rammelde en raasde 't hard, sissend omwaasde de stoom de menschen, groote lichten als uitschietende vuurstaarten zetten dees' eene plek in helgloed--overal elders was het donker, lag de nacht al over de stad. Nu zag zij hèm in de rossige gloed en gaarne was zij blijven stilstaan, om hem rustig aan te kijken. Goud lag er nu op zijn snor, in zijn oogen. Maar al zag ze hem zoo anders: wat zij, drinkende zijn beeld in, nu in hem zag en aldoor in hem zag--was zijn hoofd, zijn groote gestalte, zooals die straks haar was verschenen, straks, toen dat haar wil had gebroken. Toen hij, in de vreemde kamer, plotseling te mooi was geworden, toen er uit zijn groote oogen al de gloed en al de zachtheid heerlijk op haar neergestraald was, waar zij vaag iets van gezien had in de schrikkelijke nachten, dat zij lag aan hem te denken. Toen hij, in 't blank-glanzig hemd, strekkend bei zijn armen uit, met die beweging van fleemen en nemen, groot en krachtig als was verrezen uit de nevel van haar strijden, groot en krachtig gelijk hij geweest was, die avond dat Truusje ziek was geworden, toen zij, even beneden gekomen, hem gezien had op de drempel van de plat-deur, 't hoofd iets scheef om de rook van zijn sigaar; 't groote rossige mooie hoofd tegen de fijne lichtdonkerheid van de prachtige zomerhemel. Als die zondag met de halters, toen hij, lenig als een jongen, forsch die mooie bewegingen maakte, slank in 't blanke zondagslinnen. Zoo, maar mooier nog was hij geweest nu, en.... zij wist, ach, wist het niet alles meer--hoe zij gestreden en hem gesméékt had, hoe zij geschreid en verwoed zich verzet had.... 't was, of dàt lang was geleden, of nu alles nieuw geworden, toen, dat ééne oogenblik, van die hemelsche verzachting, die verblijding in zijn oogen, de boos-droeve, mooie oogen....
Moe was zij, rozig, 't was ook heel laat al, en die felle kou hier buiten; maar toch voelde ze zich licht nu, alles leek opeens gelukkig, zelfs de donkere steenen en huizen keken niet zoo raad'loos triest meer als wanneer z'er vroeger liepen....
--Zeg, pop, hier is 'en duppie, nou ga jij met de tram mee tot de markt--ik ga loope.... Wees nou kalm, hoor! laat in go's naam toch niks merke!....
Zwijgend knikte ze lachend hem toe. Waarom was hij bang, de goeiert?--Even 'en kneep nog in z'en arm; toen stapte zij rustig en vast uit het donker; knikte tegen de conducteur, zocht een hoekje, sloot de oogen....
Nog was ze niet halverweg de trap, toen het krommekrates-lijfje van de Juffrouw van 't pertaal haar tegenwenkte.
--Maid, waar hai je tuch gesete?
Even had zij het bewustzijn: als alles is uitgekomen, zal 'k er geen oogenblik om liegen. Maar ze zei kalm:
--Hoe dan?
--Hoe den? um dat 'et al sau laat is en je-n-Aum is hier gewees', je had gesaid da'j naar um toe gink.
--'k Ben Mina Koenders tegegekomme.
--Au, dat hep ik al gesaid, maar hai wau d'er nie n'ar toe gaan.... D'er is e' brief van je grau'fa. Je grau'moe is erger, je grau'fa verwach' je.
Geertje stond nú eerst boven. Tusschen de Juffrouw en Sefie. Ze voelde, dat àlles kon gebeuren en zij zou kalm blijven.
--'t Komp wel gek, mit de wasch hier, morrege, ma'r je mot netuurlek gaan. Je-n-aum had f'enafent nog weg gewild.... Ja nau, schrik m'er nie', je hadt toch niet ferder gekonne as Amersfaurt. Nau ga j' mit de eerste train, m'ar wai ben sau froeg nie' wakker, d'arum hep ik afgesprauke.... ga no' gauw je tassie pakke en dan slaap ie f'ennach m'ar bij Aum.... Sefie sel bai de kinders slape.
Zwijgende sleepte ze zich naar boven.
Toen ze Truusje op de krullen kuste, dacht ze dat z'in zwijm zou vallen.
Daarna treuzelde ze zooveel moog'lijk,--ook nadat Sefie het kamertje was binnengekomen met een gezicht van: ben je nou nog niet klaar,--omdat zij Hem nog graag gezien had.
Maar de Juffrouw riep aan de trap, om nou toch wat voort te maken, 't wier zoo laat, Geer' moest vròeg op.
Daarom ging zij, keek rond in de straat, maar blijkbaar bleef hij met opzet lang weg.
DERDE BOEK.
I.
--Wéé'j nou niet 'en glaasje wijn?
--Nee dank je, heusch.
--Toe, laa'k d'er nou m'ar effe-n-om belle.
--Hè, vent, blijf toch hier!
Zoo'n ondeugende man! waarom wou die telkens d'eruit! Of de tijd al niet kort genoeg was! En et was zoo koud buite bed! Stel je voor, nou koue wijn.
--'k Zei et om je plezier te doen. De vorige keer hew w'ook wijn genome.
--Ja, snoes, da' weet ik wel.
Met bewegingen van een dwingerig kind, ook in het zwijgen staag tot hem sprekend met de koortszwoelte van haar, hem áánstárende oogen, trok Geertje haar minnaar weer neer in de kussens, dat zij zich nestelen kon in zijn arm. Want dit vond zij altijd het zaligst van alles.
Vinnig raasde schuin boven hen, in 't midden der ijllichte zoldering, het door de kelkvormige ballon van onderen slecht omsloten gastongetje, en stoorde met zijn driftig aldoor suizen de kille stilte der kleine kamer, die een raam had aan de Boompjes, waar telkens het trap-trap in doorklonk van het paard van alweer een tram, of een laatste geluid, dichtbij of ver, van 't verstervend scheepvaartleven, of het plots fel-duidelijk opkletterende geklank van een stem op straat; en die toch was als heim'lijk eenzaam, van een doodsche heimelijkheid--eenzaam, en kil, en hol, hoe klein ook.
--Bei je blij da' we hier gegaan benne?
--Ja. Stil, nie' prate....
--Och bei je mal, wie ken d'er ons hoore.
--Sst!... Daarom zeg 'k ut niet. 't Is zoo leuk om stil te legge.
Zij drukte haar hoofd nog wat dieper in zijn oksel. Even kwam heur haar voor haar gezicht, ongeduldig schoof ze 't weg, schoon met 'en flits van trots om die weelde, die hij nooit genoeg kon streelen, waar hij graag zijn gezicht in verborg, het haar zoenende, zoo, dat hij telkens 'er pijn deed. Nu zag ze weer niets dan rose bergen; was het, of ze meegevoerd werd, zacht en vliegensvlug een berg op....
--Kom dan te minste-n-in m'en arm, zoo he'k heelemaal niks an je.
--Hè!
--Wat, hè; is da weer nie waar? Gauw afzoene!
En toen hij haar naar zijn begeeren omhelsd had:
--Vee j'et hier nou prettiger as in die and're kamer?
--Hè ja, veel!... Jij niet?
--Och, 'k vraag et. Ik vin 't nou voor ééne keer best, maar voor altoos.... 't Is hier veel duurder!...
--Mannie had gezeid dat et moch voor Geertje's jaardag!...
--Wel meid, ik vin 't ook best hoor! Maar ik vraag ut voor 't vervolg. Want, zie je, ik vin 't hier 'en hok. En zoo koud!
--In die andere kamer was 't ook nie' warm.
--Nee, maar toch gezelliger. Te minste-n-ik vin um gezelliger. Jij houdt meer van disse kamer.
--Niet van de kamer om de kamer....
--Waarom dàn?
Weer zich bergend diep in zijn oksel:
--Om de herinneringe!
--Dáárom!?.... Lekker dier, da'j bent!
En opnieuw verzwond haar kleinheid onder zijn aanbeden grootheid. Terwijl zij de lonkende oogen look, àl' bewustzijn haar zalig begaf, kregen zijn goudglanzende knevels, kreeg het fluweel van zijn klaarbruine oogen onwerkelijke afmetingen--een reus lag er over haar uitgestrekt, en hief haar op, en nam haar mede, blauwende vlakten langs, witrose bergen.
Toen zij, door hem opgeschrikt met een:--Daar slaat et verdomd al half tien! in pijnlijk zwijgen schielijk zich kleedde, bang dat z', onhandig in de kou, weer moeite zou hebben met die stroeve, al verwrongen haken van 'er vervelende rouwjapon, zag ze, het korset aangespend, nog eens rond in het kleine vertrekje. Zij zou er nu wel nooit meer komen. Jan had gelijk, et verschil was te groot. Voor die andere kamer betaalde-n-ie 'en gulde, en dan moch' j'ook zoo lang blijven as je wou. 't Liep toch al zoo op, elke keer 'en gulde. Kon zij d'er maar wat van meebetalen! Scheumend in 'er goed, dat wanordelijk opeen had gelegen op één kleine stoel, nu nog enkel bovenkleeren, dacht ze, bij 't zien van al dat rouwzwart, plotseling aan de erfenis. Zij had daar nog nooit aan gedacht uit zichzelve. Zij had Oom verafschuwd, omdat hij er telkens over begon. En nu schoot haar opeens te binnen, dat, àls Groo'va toch wat afschoof, zij geld in de zak zou krijgen, vrij zou zijn in het besteden van geld.... Dit eene bedacht zij, en het wekte 'r verlangen.... Dàn zou'en ze nòg wel is hier komen. Want o, ze háátte die andere kamer! Ze mocht het Jan nooit laten merken. 't Zou zijn, als kon het haar niet schelen, of hij nog meer geld uitgaf. Maar die kroeg d'er beneje leek zoo gemeen, en die steile, donkere trap, en dat griezelige vrouwtje, waar zij dan nog tegen moest zeggen, dat ze drie-en-twintig jaar was.... Eh, zoo mis'lijk, al die dinge. Hier was 't licht, wel niet gezellig, maar toch netjes en fesoenlik. Aardig van Jan om dit te verzinnen, ter eere van d'er verjaardag vandaag. Hier was ze zijn vrouw geworden, hier hadden zijn oogen haar eind'lijk gezeid, dat zij hem tòch gelukkig kon maken. Wat wàs er veel gebeurd, sinds dien avond, en nou.... 't was of er niets gebeurd was, of ze al et andere maar effe gedroomd had en pas wakker was geworde. Ze had zóó terugverlangd naar hier, heerlijk, net op 'er verjaardag!
--Zeg schat, wat bei je stil!
--Heerejee, nou ben 'k weer te stil en strakjes moch 'k nie' prate. Ja maar meid, nou hew we haast hoor!
--Eerst 'en zoentje op me schou'ers!