Part 13
God!.... Nee, hij wàs naa't kentoor. Uitgaan kon-d-ie niet, Sefie mocht al sluiten. O!.... zooas-t-ie d'arnet d'er ankeek! Net of-t-ie zich te kort wou doen. En om háár brief! Ze had gedacht, em gelukkig te make. En 't was net et tegendeel.... Zou hij wille dat ze wegging? Zou hèm dat makkelekker valle, as ze mekaar.... nooit meer zagge?.... Groote God, voor goed hier weg! Na huis--ja, dan toch maar na huis, na Groo'moe. Niet in 'en andere betrekking. Dàt nooit! Al kon ze zoo op Groeneveld. Dan maar Groo'moe oppasse. Hem, en Truusje, niet meer zien.... O! God!! dat dàt nou moest! Ze dacht dat ze net zoo gelukkig was. Hoopte vast dat et goed zou gaan. Waarom wou hij 't niet perbeere? En hij zei ook niet wat ie wòu! Zij wier d'er àltoos miserabel van as-ie d'er had gezoend. En nou klaagde-n-ie zelf ook. Wat wou-d-ie dàn? Ze kon ommers toch nooit z'en vrouw worde. Hij mocht de Juffrouw niet verlate, 't zou de grootste zonde zijn. En hij zou et ook niet wille. Hij z'en Truuzepop niet meer hebbe! Tusse hun beie kon d'er niks weze. Maar.... was ze dan niet krankzìnnig geweest, met die man, van wie ze wist, dat-ie verliefd op d'er was, zoo'n brief te schrijve?! O God! wat had ze gedaan! Zij die sterk had wille weze. In plaa's van em van d'er af te were, um ongelukkig te make met zoo'n brief.... Wat zei-d-ie ook, van die hond in z'en hok.... Och, ze wist et niet meer! Maar hij was ongelukkig, van ondragelek had-ie gesproke, en dat alles door haar, door háár....
Zij merkte niet dat de kamerdeur openging, ze zag Sophie pas, toen die, verwonderd spottend d'er aankijkend, vlak bij de tafel staande vroeg:
--Heij de Juffrouw niet haure belle?
Wat? had de Juffrouw gebeld? Kon Sophie niet even kijken? Of nee, ze zou wel gaan.
Toen ze zich de trappen had opgesleept, en de kamer was ingedrááid met 'en angstig zich vasthouden aan de deurpost, méénde ze dat ook de Juffrouw d'er achterdochtig aanzag, maar dat kon haar niet meer schelen, ze ging hier nu toch van daan, as de Juffrouw 't merkte, wist zij meteen hoe ongelukkig zij d'er man gemaakt had. Onverschillig zei ze:--"'k Heb hoof'pijn, van 't weer," toen de Juffrouw, wantrouwend, zei dat ze bleek zag. Werktuiglijk, als een schim die beweegt, wist ze dat ze de kamer doorliep. Ze wist zich nu zóó onverschillig. Toch vlijmde de haat door haar heen, toen de Juffrouw, als altoos bij et helpen, vriendelijk en lief begon, gul d'er aanbood van de kamille. Ze sidderde, ze kon het compres haast niet om het magere nekje krijgen, ze gruwde van de lucht in bed, en toen zag ze, dáár, zijn plaats.... Terwijl ze de nachtpon dichtknoopte, had ze willen rukken, trekken, 't compres zóó nauw dat dat mensch er door stikte.
Toen Geertje beneden kwam, was Sophie in de kamer--en hij.
En ze begréép niet, hoe ze de moed had, onverschillig te zeggen:
--Is u al klaar?
Hij bromde iets, ze verstond niet wat. Hij sneed zich leverworst. Zij sneed hem brood er bij, gaf Sophie haar boterhammen.
Sophie was weg.
--Eet jij niks? vroeg hij.
--Dank u, zei ze, borg haar stopmand.
Sophie kwam goede-nacht zeggen.
--Nach' Meneer, nach....
Zij hoorden haar de trap opklossen.
Toen sprong hij op, was bij haar stoel.
--Zeg, wees niet boos op me: 't spijt me zoo, da'k et je gezeid heb.
--Mijn niet, et is beter zoo.
--Wat zeg je dat raar. Wàt is beter zoo?
--'k Weet nou dat et onmogelek is. Dat ik u niet gelukkig kan make.... 'k Mòet hier weg.
--Bei je... dol? Moet je weg? Kun jij mijn niet gelukkig make? Kind, d'er is geen sterveling anders die 't kan.
--Och, dat zègt u.
--Praat jij nou geen mallepraat. Anders lees ik je je brief voor. Daar zeg je 't zelf, ook van mijn.
--Geeft u me die brief terug?!
--Terug! die brief? ja dat keu je net denke. Die brief he'k bij me, dag en nacht.
--En u zei straks zelf, da'k em niet had moete schrijve....
--Hè, begin daar nie' weer over. 'k Hèb je beroerde dinge gezeid.... Maar begrijp je-n-ook niet hoe verschriklek of dat is--eerst schrijf je me.... die brief! en dàn bei je zóó.
--Hòe zóó?
--Da'k je nog niet an mag rake.
En hij knielde bij haar neder, legde zijn armen op haar schoot, nam haar hand....
--Et mag ook niet....
--Toe, laat nou toch na je kijke! Màg dat niet!? Twee mense die zóóveel van mekaar houe, magge die dat mekaar niet zegge!....
--Zoo niet!....
En ze wou vàn hem, opstaan.
--Nee! nou laat ik je nie los. 'k Zal je geen kus geve, of je moet 'et goed vinde. Maar loslate doe 'k je niet.
--Maar wat wil u dan toch van me?
--Wat ik wil! Dat za'k je zegge!.... Maar eerst moet je-n-en glaasje wijn met me drinke.... op onze liefde.
--Nee!
En achter hem, snel opgerezen, stond ook zij op.
--Wou je weg!? Dan doe 'k de deur op slot! Dáár is nou toch nìks geen kwaad in.
--Kwaad? Maar et is onvoorzichtig. As Sefie morg'ochent de glaze ziet....
--Dan wasch jij ze nou nog om. Of je drinkt mee uit mijn glaassie. Ik mag me zelf toch werachtig wel 'en glas wijn preseteere!
Nu moest zij lachen. Hij ontkurkte de flesch en schonk een glas in:
--Drink nou....
Nadat z' een teugje had genomen, zette hij de mond aan 't zelfde plekje.
--Nou ééne zoen?
En daar ze snel haar gezicht omkeerde, raakten zijn lippen heur haarwrong aan.
--Nou dan niet! Maar hoor nu eve. Je vroeg me, net-zoo, wat ik wil. Ik wil je kunne zegge dat ik van je hou. Ik wil je in je mooie ooge kijke, net zoo lang as et me lust. Ik wil alléén met je zijn! God allemachtig! ik kan toch niet hèlpe dat ik je pas heb leere kenne toen ik getrouwd was.... Och toe, ga es met m'en uit.... Je zeg, dat je naar Oom gaat, of naar die vriendin, en we vinde mekaar op een afgesproke plekkie en we gaan wat zitte-n-in 'en net keffee....
--En as de mense-n-u daar zien?
--Och wat de mense! de mense! We gaan vóór zitte, vóór 't gerdijn, in 'en hoek, d'ar keu je mekáár haast niet herkenne.
Als hem dàt nu zoo'n plezier dee'....
--Doe je-n-et!.... Krijg 'k dan nou 'en kus?
Even làg ze zich in zijn arm....
Hij wilde haar nog weer wijn opdringen, maar dat weerde zij af.
Luidruchtig ging hij nu door 't huis heen. Zij redderde alles op in de kamer, deed het licht uit, zag in de keuken, strompelde toen ook naar boven.
Truus' ademhaling was geregeld. Ook Koos lag stil. Even trok zij het venstergordijn weg, leunde met het hoofd tegen het ijskoude glas. Recht vóór het raam stond hoog de maan. Maar 't was een doffe, bleeke sikkel, en aldoor schoten er wolken over, rosgrauwe wolken in rust'looze jacht. De maan van haar Bruidsnacht was het niet meer.
VIII
Donderdags, toen de Juffrouw weer op de been was en Geertje haar vrije avond zou hebben en naar Oom gaan, had Meneer haar op het kantoor toegefluisterd:--"Gaan we nou v'enavent samen?" Maar ze kon niet, ze mòest Tante spreken, over die boodschap van Groo'moe.... Toen ze 's avonds weer naar huis liep, dacht ze telkens, Hem te herkennen in een van de mannegestalten, aanschaduwend uit de nevel--en dan wier' ze bang--èn hoopte.... Maar hij zat thuis, met de Juffrouw en die d'er Nicht uit de Pesage--en even keek hij haar, strak, aan.... 't Was vóór, in de mooie kamer, beie lichten waren aan--poerem! altoos als de Nicht kwam. 't Malle wijf dee ook zoo hoog, nauw'lijks zei ze Geer gedag. Toch dorst Geertje niet heengaan: ze wist dat de Juffrouw dan boos wier. Aarz'lend ging ze zitten op het tipje van een stoel.
--Je ken zelvers je 'n glaassie pons inschenke, zei de Juffrouw, m'ar pesòp mit de tafel en 't mauie kleed.
Over de tafel heen zaten de Juffrouw en de Nicht met mekaar te smoezen. Op zij van de Juffrouw in 'en lage stoel lag Meneer; door de boeket van gemaakte bloemen, die midden op de tafel stond, kon de Nicht zijn gezicht niet zien. Hij keek àldoor Geertje aan: ze wist zich geen ráád met het warme ponsglas, en ze mocht toch niet laten merken, hoezeer het aangekeken-worden haar kwelde. Hij zelf, hij mòcht dat niet merken. Zij spande haar uiterste wilskracht in, om toch niets verlegen te lijken, ze dronk van de pons, hoe warm die was, maar opeens had zij die steek weer, boven op het hoofd die steek, die telkens kwam, de laatste dagen. 't Was of het licht, juist boven haar, almaar dichter òp haar zengde....
Toen ging hij een mop vertellen, van de Beurs, een malle kerel, vroeger metselaar, nou rijk, die in het ootje was genomen. Nicht scheen haast niet naar hem te luist'ren, maar toen lachte hij hàrd zelf, met een achterover-gooien van het hoofd, en Geertje kòn niet laten naar hem te kijken, en zag zijn prachtige rij witte tanden.
Sophie, met 'en schoone japon an--die wist ook wel wat ze dee!--kwam zeggen dat de meid d'er was voor Juffrouw Hesselaar. De meid zou m'ar effetjes bove komme.
--Geer, bring jai de maissies ook 'en glaassie.
Alles om Nicht! Zoo'n malligheid! Sophie kreeg anders van niks haast mee. Maar Geertje leefde op van de frischheid buiten de kamer. Zou ze nù naar boven durven? Nee, ze moest met het goed nog helpen!--Zoo als ze weer binnen kwam, vroeg de Juffrouw haar, het goed van juffrouw Hesselaar te halen.
Toen het mensch was ingepakt, ging de Juffrouw met 'er mee. Dat was zoo et gewone petroon. Eerst bleven ze stilstaan, fluisterende, vlak bij de deur. Daarna wier langzaam de deur geopend. Langzaam ging Hesselaar d'er uit, na, zonder omkeeren, nog-eens voornaam goeien-avond te hebben gezeid, waar Meneer niet op antwoordde. Hij was bij de tafel blijven staan. Achter juffrouw Hesselaar was de Juffrouw de kamer uit gegaan en de deur ging dicht.
Dadelijk lagen zijn armen om haar.
--Meneer! pas òp toch!
Maar hij zoende, zoende, zoende. Weerloos liet ze zich nu zoenen. Ze wist het wel, straks kwam het lijden. Telkens als hij haar gezoend had, kreeg ze die drang om luid te schreien, die ellendige, schrijnende drang, dat ze slap en willoos neerzeeg, móe èn dat ze niet kòn slapen. Maar het oogenblik was zálig. Ze kon hùnk'ren naar zijn kussen. Wanneer ze getobd had en geschreid en met zwaar hoofd dee' d'er werk, zonder meer aan hem te denken; dan voelde ze onverwachts hem in haar nek, heel even, gauw, in de winkel, op de trap, of in 't portaaltje; maar het zware gevoel was weg, verwonderd-nog keek ze hem na, als hij doorging, verwonderd en vol van dankbaarheid, schoon droef strakgeknepen de mond.
Nu weer wier' z'als weggedragen. Heel 'er lijf rustt' op zijn arm. D'oogen dicht zàg z'in het licht, goudgedroom wolkte van de gaskroon. Vrij lag 'er hoofd van pijn, gewichtloos. Toen, eensklaps, schóót het 'er lijf in, die priem, dat vroeger nooit gevoelde, en ze hóórde wat ze voelde, hóórde 't borr'len in d'er buik, en ze slóeg zich op en vàn hem, in een haat, een bitse woede, en een machteloos-zich-schamen.
--Got, meid, wat is-t-er nou!
--Och, la me los! Ze riep het uit.
--Zeg! hou je mond!--Weer zei hij 't zacht, zacht en schielijk; keek verschrikt naar de deur om.
--Wat kan mijn....
Ze had lust hem te tergen, hem--of een ander--of zichzelf. Ja! zichzelf.... Wéér had ze hoofdpijn. En heftige buikkramp. Toen ze de glazen bijeenzette op het blad, raakte d'er mouw de ponsflesch aan: was-t-ie gevallen, nou, háár 'en biet.
--Meid! pas op! zei hij, en lachte.
--Och!....
Wat moest hij haar plagen! Hè! ze had.... ze wou.... ze wist niet.... Wat bleven die twee op de gang nou toch klessen? Zij dorst de kamer niet uit. En ze kon, ze kòn 't niet hebben, dat Hij aldoor d'er zoo stijf aankeek. O, dat drukken op d'er hersens, net een band, een ijz're band.... O, Goddank, daar was de Juffrouw.
's Zaterdags om de veertien dagen had Geertje veel vermoeiend werk. 's Morgens moest ze beneden helpen bij het schoonmaken en weer-schikken van de winkel, 's middags werden de kinderen verschoond en viel er boven van alles te doen. Telkens, deze laatste maanden, hield Meneer d'er langer beneden. Bos, de binder, die 's Zaterdags ook voor de winkel kwam, was te oud om dìt te doen; en Piet, die jongen die toch alle dagen in de winkel stond, was volgens Meneer "nog te veel 'en aap" om dàt te doen. Geertje hier en Geertje daar, dus.
Onder wanhoopsschreien ingeslapen, was ze deze Zaterdag met een zwaar hoofd en oogen die staken, opgestaan. Koos was erg ongezeggelijk geweest bij het aankleeden; doodmoe was ze beneden gekomen. Toen, ruzie met Sophie over een melkkan die vuil was blijven staan; en gezeur van de Juffrouw, die, met een norsch gezicht rondloerend, overal wat op had te zeggen.
Eindelijk kon ze naar de winkel. Maar Meneer riep haar in 't kantoor. De bedienden waren nog niet gekomen.
--Kom eerst hier effe helpe, mit die kiste!
Twee kisten met scheurkalenders, waar hij er dadelijk van in de winkel wou hebben.
Hij zat op een van de kisten, en toen zij zich bukte over de andere, trok hij haar tot zich, op zijn schoot.
--Nee, laat nou!
--Goeiemorge kind! 'En kus!
Ze liet hem doen, weer wier' ze anders.... maar opeens, daar was de werkvrouw! 't mensch wàs daar al, de deur al toe;--en nu stond Geertje eerst weer recht, bukte ze over de kist, wanhopig, snakkend naar adem, niets meer ziende....
Hij scheen kalm; hij floot een deuntje. Toen de vrouw achter was:
--Schrikte je?
--Ja netuurlek, vreeselik.
--Och 'et mensch he'b niks gezien.
--Dat denk u maar....
--Maar ik ken d'er toch beter as jij. Da's zoo'n soes! Eer die wat ziet....
--'k Mag et lije. Maar ziet u nou wel dat u op moet passe....
Geertje zei het met ernstige aandrang, gemoedelijk. Maar hij:
--Soe beveel her luitenant!
En hij wilde weer haar pakken. Maar zij was al met 'er kalenders bij de deur. Wat kòn hij vroolijk wezen! En zij, ach.... zij bleef triestig.
Bij 't weer-schikken van de winkel, terwijl de moeder van Sophie er aan het dweilen was, praatte hij de honderd uit. Ook toen Piet en Bos er waren. Maar toen Piet, van het lachen, een karton met visitekaartjes bijna in een emmer liet vallen, kreeg hij een standje, dat de jongen niet lachen meer kon.
--Zeg, help jij um nog effetjes bij 't surteere van die dooze met mooi brievepepier, zei Meneer tegen Geertje. Ik ben toch nog zoo lang in de winkel.
Piet kwam anders nooit achter, in het pakhuis. Er waren twee groote pakken uit Duitschland: mooi papier van allerlei grootte, met bloemen en randen en anderen opschik--specialiteit van de winkel.
Nauwelijks was Piet met Geertje bezig, of Meneer stoof binnen door de achter hem dichtflappende katroldeur:
--Hei je je hande nou afgeveegd?.... Wel allemachtig, zoo'n soeskop toch! Nou pakt-ie me dat papier beet, zonder z'en handen af te vege.... Ga jij m'ar na vore, ventje. Jij kan 't ook wel af mit Bos. Dan zel ik de Juffrouw helpe.
En zij waren samen alleen.
Over het plaatsje heen zag je de zetterij en ook aan de winkelkant waren ruiten. Vrij waren zij dus niet, maar toch....
--Weer 'en oogenblikkie same! lachfluisterde hij en zag haar aan. Aan, zoo blij, met z'en prachtige oogen.... Een schok ging er door haar lichaam. De hardglanzige bloemetjes van het vel dat ze in de hand hield trokken scheef, vielen dansend van het papier af, al het papier was een oogenblik rose.... Ze lei het neer, ze wóu nu kalm zijn. En toch keek ze hem weer aan. Ze wist niet meer, de laatste dagen: ze had toch wel zelfbeheersching geleerd. Vroeger, toen ze vaak uit het dorp naar stad ging: met hoe begeerige oogen had ze dan stilgestaan voor allerlei winkels--en toch nooit er iets gekocht. En met al het leeren voor Groo'va, als zelfs Groo'moe wel eens dee' blijken, dat ze Groo'va streng vond, veeleischend--hoe had ze haar gedachten gedwongen! En 's Zondagsmiddags in de kerk, toen ze wist dat Piet Slager verliefd op d'er was, hoe had ze, bij zijn leuke fratsen, als-ie alles dee' om d'er aan het lachen te krijgen, ernstig voor zich gekeken, geluisterd.... Maar nu, deze laatste dagen, gaf ze zich toe, in machteloosheid. Ze wist, het was niet goed voor haar, dat ze naar hem keek als hij lachte, als zijn groote oogen glansden. Maar het werd een sterk verlangen, dat haar onbedwingelijk aandreef. Ze wìlde niet dat hij het zou merken, en weer had ze zich verraden. Telkens bij het overgeven van het papier, raakte hij haar handen aan: hij mòest voelen, dat ze 't toeliet.
--Zoo'n stommeling hè, met z'en smerige klauwe, die me dat pepier zou bederve, zei hij luid--en knipoogde.
Zij lachte niet--ze had meelij met Piet, net of die elke keer dat ie de menschen pepier moest late kijke, eerst z'en handjes wasschen ging!
--He'k et leep gedaan of niet? fluisterde hij nu.
Zij wòu daar niet op antwoorden.
Toen begon hij van Donderdagavond. Vertrouwlijk, met gedempte stem.
--Wa'n tiep hè, die nicht van me vrouw! 'En drukkie op d'er lijf, of ze de vrouw is van de burgemeester.... En z' is mintenee gewees!
Geertje zei niets.
--Wis je dat?
--Wat?
--Da' ze mintenee gewees' is.
--Nou wa' zou dat?
--Wat dat zou? O!.... Ja, as jij d'er zoo over denk.
Na een oogenblik van zwijgen:
--Weet je wel eens wat dat is mintenee?
--Nee.
--O! Nou! zeg dat dan. 'En mintenee--da's 'en juffrouw die voor de duite, zonder da' ze mit em getrouwd is, net doet of ze de vrouw is van 'en vent.
--Maar wordt die man dan niet kwaad?
--Die man....! Pgh! Nee, die is goed! Ik g'loof da'j d'er niks van begrijp....
En hij wou haar meer daarvan zeggen, toen Bos en de jongste kantoorbediende binnenkwamen met een van de kisten met kalenders.
's Zondags zou Geertje 's avonds uit gaan, wanneer de kinderen in bed zouden zijn. Naar Oom? of eindelijk weer eens perbeeren bij de Koendersen?--òf met Hem?....
's Zaterdagsavonds, vóór het naar bed gaan, toen de Juffrouw al naar boven was, had hij haar vastgehouden, in de huiskamer:--"Kom je nou, morrege?" En 's Zondags zag hij haar telkens aan....
Toen zij 't stof afnam in de mooie kamer, kwam hij sigaren doen in het kastje dat naast de schoorsteen hing. Even maar, de deur stond open, even bleef hij achter haar staan, en wriemelde onder in haar nekhaartjes. Weer die stróóm door haar lijf, die tinteling, maar daarna ook de buikkrampen weer, dat ze moest voorover staan om het maar wat minder te voelen. En het moeë gevoel in de beenen, de lusteloosheid, behoefte tot schreien. Hij had de kamer al verlaten. Een klein moment zat ze, op de rand van de lage leunstoel; daarna sleepte ze zich voort, weer, stofte de schoorsteen af en zijn kastje, de vaas met de groote pluimenboeket; was nu aan de eetesjère. Al dat prutsgoed daar bijeen!.... Jee!.... Hè gelukkig, niet gebroken. Eigelek zou je al die dingen een voor een d'er af moete neme, schoonmake en later allemaal tegelijk d'er weer opzette. Jawel, of d'er voor zóó ie's tijd was, hier in huis!.... Heere.... Kepot! Hè zonde! 't Mooie vaasje, dat Meneer nog us meegebrach' had uit de Haag. Zòu ut te lijme zijn? 't Vaasj' ongeschonde en et poppetje zelf ook. As et er nou m'ar angelijmd kon.... Dadelek vertelle toch, zóó as ze klaar was met stof afneme.
Zou hij boos zijn? Och wel nee! Hij wist toch wel dat ze der best dee. 't Was nou net de laatste dage. Vroeger had ze nooit wat gebroke. Donderdag die ruit in de keuke, eigelik Sefie d'er schuld, gist're 't oor van d'er lampetkan.... nou ja! hoe lang al gelijmd! 't Was niet te verrege van iemand, da'j d'er altoos an dacht, de lampetkan nìet an et oor te vatte.... Nou m'ar gaan zegge.
Zij kwam de achterkamer in, denkend aan hem, hoe hij zou kijken, omdat hij de vaas gekocht had.
En hij was niet in de kamer! De Juffrouw alleen met Truus en Koos. Da'lek zag die wat er was en stoof op:
--Wel àllemachtig! nau die faas weer! Grootegòt wet sunde toch! Wat hài jai de laa'ste dage....
--'t Kan misschien nog wel gelijmd.
--Och gelaimd! Dan is 't mauie d'er tuch àf! Sau'n kostlek stuk!....
--Zou d'er 'en nieuwe te krijge weze?
--O, sau jai die dan betale?! zit de mamsel sau goed in d'er sente! We hebbe je kedaus nie' naudig! As je me spulle m'ar nie' breek. Blaif d'er anders af mit je klauwe....
Geertje had zich koud voelen worden en hard. Net of ze zoo in 't ijs gezet wier. Ze zag dat Truusje bleek was geworden. Maar dat gaf haar nu geen troost. Tè sterk voelde ze haat-en-onmacht. Toen flitste 't door haar: o! me wreke!....
En toen ze boven was, om de kinderbedden en het hare op te maken, wipte ze met poesepasjes even de kamer van meneer-en-de-juffrouw in, waar Meneer zich stond te scheren.
--'k Heb et poppetje afgebroke van dat mooie nieuwe vaasje.... Toe! nie' boos kijke!.... As u nie' boos ben, ga 'k venavent mee!
IX.
Er warde in Geertje's gedachten een, tegelijk haar moemakend en haar prikkelend, gezwerm van nieuwe indrukken, van dingen die ze had opgemerkt of die ze had van Hem gehoord, de avonden dat ze met hem was uitgeweest. 't Had meest niet met haar liefde te maken, en toch hield het haar ook staag bezig, omdat het dingen waren die hij haar had gezegd, of die zij saam met hem gezien had.
Hij had haar, de eerste zondag al, toen ze daar in dat donkere hoekje, vlak tegen het gordijn en de muur aan, hand in hand hadden gezeten in het koffiehuis over de Maas, en sinds dien had hij telkens weer verteld van juffrouw Hesselaar. En--wel was 't haar lang bekend, dat er zijn gemeene-vrouwen; uit de Bijbel wist ze 't al en nu zag z'er telkens staan, op de hoek van de Visschersdijk, als z'een brief had of om melk moest; maar dit was zoo heel ie's anders! Zóó'n verhouding, jaren lang, en die was begonnen uit liefde!.... Geertje vond juffrouw Hesselaar lang niet zoo gemeen als der man, die haar had getrouwd om de centen van den ander te krijgen, en die daar nu z'en mooie winkel met "Heerenartikelen" van hield, waar hij op zijn beurt de winkeljuffrouwen muntjes voorhield. Maar wat ze niet begrijpen kon, was, dat het mensch nu dorst voornaam doen, en nog veel minder, dat juffrouw Heins d'er flikflooide.--"Om d'er duiten", had Meneer gelachen.--Wat zag je al niet om het geld gebeuren! Van wat vreeselijke toestanden had hij verteld, uit de allerdeftigste huizen--en dan telkens was 't om het geld! Maar die keer toen hij spottend zei, dat z'en vrouw juffrouw Hesselaar vleide om de kans op een stukje erfenis, had ze mee'elij met hem gekregen, daar hij heelemaal niet inzag, hoe hijzelf zijn geluk vergooid had, enkel-en-alleen om het geld. Zij kende de heele geschiedenis nu; openhartig had hij verteld:--alleen om het geld was hij getrouwd. Maar inplaats van te erkennen dat hij dom had gedaan, schoof hij het telkens op zijn armoe. Net of een man als hij ooit gebrek zou hebben gelejen! Oom, ja; maar hij was toch Oom niet! Met hem zou elke vrouw het hebben aangedurfd, al bezat ze net zoo min wat als hij. En nou.... O, kòn ze d'er maar niet aan denken!
Hij had haar zijn verlangen gezegd. Ze was geen kind meer, ze wist toch wel wat het was, getrouwd-zijn. Tusschen hem en zijn vrouw was het uit, was er nìets meer, sedert lang al; en hij gruwde van het mensch, sinds hij hield van háár. Hij was ommers jong en gezond. 't Was geen leven voor hem, zoo.....
De eerste keer--de tweede zondag dat ze samen uitgingen, 't was toen in dat kleine k'ffee, erge's achter in de Hoogstraat, waar ze, haast al de tijd, alleen voor het gordijn hadden gezeten--de eerste keer had ze 't naar gevonden, dat hij over zoo ie's begon. Net, opeens, of Hij 'et niet was, want ze was als-bang geworden. Maar 's avonds, toen hij, thuis gekomen kort na haar, met grappen had geperbeerd de Juffrouw d'er slechte luim weg te praten; toen de Juffrouw hoe langer hoe iezegrimmiger had gekeken, en zij de Juffrouw-en-hem-samen, hij gedwee achter z'en vrouw an, naar boven had zien gaan!.... O, toen was er in haar geslagen als een woede tegen alles; alle kracht in er was in opstand gekomen; en ze was gevlucht op het plat, waar ze het had staan uithijgen, omdat ze 't niet kon uitgillen, dat deze leugen, deze marteling niet mòcht voortbestaan;--tot huilen had ze niet kunnen komen, doordat ze te bedroefd en te boos was; ze had de vuisten gebald en de nagels in de palmen gedrukt, met de voeten had ze getrappeld in het water dat onder d'er wegplafferde over 't zink; en, toen ze stond vóór de leuning van 't plat, had 'et 'er goed gedaan, goed, dat beneden op het Steiger een man een vrouw met de armen bedreigde en haar uitschold voor "hoer" en zulk gemeens....