Geertje

Part 12

Chapter 124,302 wordsPublic domain

Wouter stond-t-er-bij, of-t-ie geen tien kon tellen. Alleen omdat z'en moeder sip keek. Straks bij 't binnenkomen, had-t-ie d'er vroolijk gedag gezeid. Dat was nou et huishoue Heukelman, as 't niet naar 't zin van moeder was, was de heele gemeente boos! Blijve doen of zij niks merkte.

--Waar zijn Riek en Mijn nou toch? Mag 'k es effe gaan kijke?

En zonder toestemming te wachten, zij de deur uit.

Ze vond de meisjes in de keuken, dáár d'er kommetje koffie drinkend! kalm in gesprek met Jan! Weer doen, of dat heel gewoon was.

--Dag Jan.... Je Moeder wist al niet, waar jullie toch bleve!

--Moôder?! riep Mijntje in diepe verbazing. Die goeje Mijn, ze was de domste, maar de beste van allemaal, de eenige met wie Geertje altoos nog wel had kunnen opschieten. Maar nou zag je-n-is, of ze-n-et goed had geraje: zij moest onder hande genome, daarom was z' alleen gelaten met Moeder.

--Gaan jullie mee?

Op een toon van: anders ga ik ook niet. Dank je wel, geen muizenval spelen!

Nu over Bles, en de andere paarden, òf zij die nog even zien mocht,--en met Jan alleen de deel op.

Toen ze in de kamer terugkwam, zaten Riek en Mijntje met Moeder en Wouter om de tafel, en dronken hier weer koffie, uit kopjes van het mooie servies, of ze nog niets gedronken hadden. Een Heukelman kreeg nooit te veel van koffie. Geertje voelde een oogenblik lust, de meisjes met 'er dorst te plagen, maar iedereen keek zoo stroef en strak, dat zij er bijna door in de war was gebracht en maar wat tegen Wouter zei over 't pas gekochte paard, dat hij van Brummen was wezen halen. Wouter vertelde wat van die reis, zij van het afbeulen van de paarden voor trams en sleeperskarren op de slikkeien te Rotterdam. Doch er bleef een verlegenheid in de kamer. Moeder had blijkbaar al iets van het gesprek aan de meisjes oververteld. Eerder dan bij de zuinigheid der Heukelmans gewoonte was, zei Moeder aan Mijntje om licht te maken, en toen de lampglans op de drie groote witvlakken der neergelaten rolgordijnen voor de ramen viel, zag de wijde, leege kamer er nog ongezelliger uit dan eerst in de schemer. Geertje zat als op een stoel met spelden. Ze voelde vijandigheid in de vier kamerhoeken. 'En soort van minachting bij al die rijke, zelfvoldane botteriken, die van haar zou'en willen, dat ze wàt verheerlijkt was met hun opgedrongen "vriendschap".

Toen ze de groote klok in de keuken zeven uur hoorde slaan, vóer ze op. Stugge verwondering op de gezichten.--Maar heusch, ze moest naar huis toe. Het was toch al de laatste avond.

--'En korte vreugde, vond Wouter.

--Jan, goa je gereêd moake, beval Moeder. En nog onrustiger deed het hoofd de doffe oogen zoeklichten over de tafel.

Terwijl Mijntje zwijgend haar hielp met 'er mantel, schoot Geertje opeens te binnen: de brief aan Hem! Nog niet geschreven!--Ze had het willen doen na de wandeling op Groeneveld. Toen was Riek haar komen halen. Voor dit gezellige bezoekje!

Ze kon zich nu niet meer goed houden. Onvriendelijk nam ze afscheid. Langzaam stapte Jan naast haar voort. Triest lag het land; van de vroolijke herfstige zachtzonnigheid van den dag was niets meer over; de maan moest nog opkomen. Geertje huiverde, ze vond het koud. Jan had het over Gijs, hun knecht, die nu getrouwd was, maar niet gelukkig.

--Of j' ook uit je ooge mot zien, as je trouwt! zei Geertje.

Dit verhaal over Gijs had er even geboeid, overigens luisterde ze nauw'lijks naar wat Jan had te zeggen. Zòu het waar zijn: zou Groo'moe et naar vinden, erg naar, dat ze weg was? Naarder, nu, met Groo'moe's ziekte, dan vroeger? Maar Nicht was er toch en Riek kwam zoo vaak. En zóó ziek was Groo'moe toch niet. Enkel wat hulpbehoevend. Als zij dáárvoor bleef, moest ze voor goed blijve. Ook--later, as Groo'moe es was komme te valle. Jawel, d'er heele leven hier, en dan trouwe met Willem Heukelman. Dàt wou'e ze. Vrouw Heukelman, Groo'va, allemaal. Groo'mòe had-t-er nooit van gesproke, wel van de gevare in 'en groote stad en zoo, maar nóóit had Groo'moe gezegd: ik heb je noodig. Daar was Groo'moe veel te lief voor. Groo'moe begreep, dat as je jong ben, da'j dan wat wil zien van de wereld. Alleen Groo'vá had et wel eens gezeid. En de Heukelmans dikwe's. Daar nou weer mee aan te komme! Hè, et ware zukke eigengerechtigde moeials!

--Weet je da' Willem misschien terugkomp?

--Willem? Nee. Hoe zou ik da' wete?

--Rika kon et hebbe verteld.... Of hij kon et je hebbe geschreve.

--Mijn? ik krijg geen brieve van um! Waarom komt ie nou terug! 'k Docht dat-ie et er zoo naar z'en zin had?

--Joa! woarom kump ie terug? Zou jìj da' niet wête, Geertje?

--Niet as-t-ie verstandig is.

Zóó, dacht ze, schrijf jij em dat nou maar is! Dan he't die ook wat! Hè, ze had toch zoo et land! Et was zóó 'n prettige dag geweest, ze was zóó blij dat ze naar huis was gekomen, alles scheen zich zoo ten goede te kunnen schikken, en die vrouw Heukelman met d'er gekle's had-t-er weer heelemaal van streek gebracht. Zou ze Groo'moe d'er over spreke? Nee. Dat zeker, zeker niet. As Groo'moe d'er es vroeg om te blijve. Dan zou ze mòete zegge: 't Kan niet. Ze mocht niet. Ze zou hier vergaan van verlangen. Nee, kort en goed, et kon niet... Hè, maar dat nou dat mensch et moest zegge....

Bij het hek nam Jan al afscheid. En zij noodde hem niet binnen. Ze snakte d'er naar, van hem af te zijn. Nu es geen Heukelmans meer om d'er heen. Dan zou ze zich wel weten te houden....

Met een vroolijk gezicht kwam ze binnen. Maar boven, alleen, was ze diep neerslachtig. Met hoofdpijn van 't huilen sliep ze laat in. En Dinsdags voelde ze zich ellendig. Als tegen iets vreeselijks zag ze op tegen de scheiding en toch snàkte ze weg te wezen. 'En bezoekje van Dominee leidde af. Ze wandelde nog met Rika en Hanna Schaap. 's Middags kwam Rika Heukelman helpen. En toen ze die bezig zag, voelde ze wroeging, dat ze althans deze drie dagen niet veel meer bij Groo'moe was gebleven en niet meer voor haar had gedaan.

Bij het afscheid was ze nog meer overstuur dan Groo'moe. En in een koorts liep ze naar het station, naast Groo'va, die, zwijgende, met de lippen smakte:--telkens vreesde zij, dat hij nog iets zou zeggen.

VII.

Truusje had weer kou gevat, in de ingewanden, één nacht was ze koortsig geweest, maar nu had ze weer naar beneden gemogen, en, naast Geertje gezeten aan de tafel in de huiskamer, hield ze zich bezig met vlechtmatjes. Moe zei telkens dat ze daar te groot voor wier', maar zij had er zoo'n plezier in; en nou Moe weer met hoofdpijn op bed lag, had ze niet gerust, voordat Geertje beneden in de winkel vijf vellen papier was wezen halen, zwart, en rood, en groen, en goud en zilver. Zelf had zij toen de matjes geknipt, Geer had reepjes voor haar gesneden; en nu had ze al twee matjes klaar: een, heel gemakkelijk, maar dat vond Geer nu juist het mooiste: zwarte en gouden ruitjes, niets anders; het tweede vond ze zelf zoo prachtig, 't was toch ook veel moeilijker geweest: een zilveren matje, met roode reepjes doorvlochten, zoo, dat ze groote roode ruiten had gekregen, waarin zilveren sterretjes, en midden in het matje een muizentrap van rood en zilver.

Nu was ze weer aan een moeielijk bezig, een zwart matje, waarin ze ruitjes moest maken, net als op een dambord, om de beurt rood of groen èn zwart, en in ieder ruitje een kruisje.

't Was een dag van koude Octoberregen, het plat stond vol water, en telkens dee de wind de regenstralen tegen de ramen spetteren. Truusje was blij dat ze nog niet uit mocht. Koos naar school en Moe boven in bed, o, het was zoo heerlijk zitten! Maar Geer was stil, ze was wel vriend'lijk, maar anders kon ze zoo prettig vertellen, uit de Bijbel en van d'er Groo'va, en nou zei ze bijna niks.

Geertje werd gewaar, dat het kind telkens onder 't vlechten met verwachting, ongeduldig, naar haar opkeek; maar zij kòn niet spraakzaam wezen, ze voelde zich zoo gedrukt, zoo ellendig.

't Was alles anders geloopen dan ze had gedacht.

Al dadelijk, bij 'er terugkomst hier in de stad, die schrik, dat Meneer haar stond op te wachten aan 't station. Ze had hem veel liever haast-niet gesproken, totdat hij haar brief zou hebben gelezen.

--Ik kon je toch niet alleen late komme! 't Is hier zoo'n uithoek! had hij gezeid.

Nou, ze had de tram kunnen nemen....

Hij had haar dicht langs het water gevoerd. Uit de benauwde afgeslotenheid van de volle coupé had ze opeens in de ruimte gestaan. In die wijde openheid was ze alleen geweest met hem; de wind had haar omdwerreld; haar hoed was er haast afgewaaid; haar rokken zaten stijfgeflapt tegen haar beenen, dat ze bijna niet vooruit kon. Hij ging heel dicht langs het water: vlak daar bij hen al dat water, met die in de wind als tegen hen op schonkende zwarte bonken van booten; het dreigende klotsen van het water of het onder hen nog doorliep; en aan de landkant de onafzienbare verlatenheid van de breede kade met park. Opééns had er, vlak achter de al in de nacht verzonken stille booten, een havenboot een gil doen hooren, en meteen was de wind weer onder de rand van haar hoed gekomen; ze had moeten omdraaien om de hoed te kunnen houden en haar taschje was 'er ontglipt; gelukkig had Meneer het gegrepen....

Toen had hij gezeid:

--Geef me toch een arm!

En.... ze wist het niet precies meer. Hij had toen haar arm genomen, en er was opeens geen wind, en geen water, niets geen vrees meer; 't bootje, dat haar had doen schrikken, stoof vliegensvlug ginds dobb'rend weg, met z'en mooie kleurenlichtjes; overàl zag ze lichtjes tinklen, op het water, d' overkant; en nu zàg z' ook, dáár, de huizen, hooge rij van rijke huizen, met verandaas en balkons achter hoogomhekte tuintjes...., al dat rijke van de stad, van de groote, drukke stad.

En gejubeld had het in haar, dat ook zij hier dan toch woonde in dat leven; zij, die uit et boerendorp was, waar ze den avond te voren nog liep met een Heukelman door de velden....

Toen had Meneer haar willen zoenen. Maar d'er kwam net een man van een boot.

--'k Ben zoo blij dat je terug ben, had hij gezeid.

Ze had een steek gevoeld onder de borst.

--Waarom zeg jij nou ook niet, da' je blij ben?

Toen was ze gaan plagen.

--Blij? ik blij? U hadt me straks es moete zien, toen ik weg moest van Groo'moe....

Maar terwijl ze dit zei, had ze spijt gekregen. Daar niet van spreken, die goeie Groo'moe.... En ze had wat vreemd gekeken, en net had hij haar aangezien, en toen zeker niet begrepen....

--Zie je wel! je méént er niks van.

En zijn arm had haar omvangen.

't Was onder een lantaren.

--Pas u toch op! as de mense u zien!

--Wat kunne mijn de mense schele!

In zijn arm, en dàt te hooren!.... Maar ze had zich toch beheerscht.

--Nee toe, niet hier. Gaat u dan mee.

En ze had hem verteld van d'er brief.

--Hou je dan 'en beetje van me?

--Dat weet u wel.

--En ik mag je niet eens 'en zoen geve?

--Nee, dat mag ook niet. We moete niets doen wat niet mag. Dan zijn we veel gelukkiger....

Doch hij had maar aangehouden. Toen had zij gedacht: Als hij 't zoo prettig vindt om me te zoenen, misschien heeft hij er dan wel wat voor over.

--Op ééne voorwaarde, had ze gezeid. As u me belooft, dat u thuis nóóit meer van zoene spreekt.

Toen had hij luìdop gelachen, en haar beetgepakt, en 'er gezoend, op 'er wangen, 'er oogen, 'er mond; tot een jongen langs hen heen ging; toen had zij zich zóó geschaamd, dat ze zich had losgerukt.

Ze had et water in kunne loope! Niets meer over van 'er planne, en de eerste avent al.... Ze had de brief verfrom'le wille, in 'er zak.... toch niet gedaan.... Ze was niet boos geweest op hem. Manne wille altijd zoene. Zij had wijzer moete weze. Maar, inplaats, ze voelde 't nòg, had ze, dadelek toen-ie 'er zoende, toen z'en snor kwam bij 'er mond, wéér datzelfde gevoeld as toen thuis, met de handschoen.... En ze had, juist om dat toch kwijt te rake, de handschoene heel de Dinsdag gedrage, dat Rika Schaap d'er nog gezeid had:--Meid, wat hebbe me nou an de hand, draag jij glezéé?....

Toen, thuis. Dat afschuwelijke liege bij et thuiskomme. Eerst had hij méé wille thuiskomme, zegge dat-ie haar gehaald had. Aarz'lend had zij gevraagd:--Zoudt u dat wel doen?--en dadelijk had hij gezeid:--Nee, da's waar, je heb gelijk.

Net had zij d'er goed naar boven, toen hij binnen was gekomen.

--Zoo! Geertje, hoe maak jij et?

Hè, zoo aak'lig. En, om toch maar natuurlijk te schijnen:

--Ben je met de tram gekomme?

't Spreken was haar onmoog'lijk geweest. Nauwelijks had ze ja kunnen knikken. En hij nog: hetzelfde woord:--Ja, et is daar an 't Maas-station ook zoo'n uithoek....

--Geirtje laup anders wel meer 's ave's allainig aufer straat, had de Juffrouw gesnauwd.

En dat snauwen pas had haar de kracht gegeven, om ook te liegen en lachend te antwoorden:

--Ja, dat wou 'k ook zegge!....

Hu! akelig was de thuiskomst geweest.... Smart'lijker de dagen later. Toen ze hem niets blij gezien had met de brief. O! die Heukelmans! die spoken! Die d'er schuld was 't. De brief was héélemaal niet geworden, wat ze had willen schrijven. 't Beste was zeker geweest, as ze-n-em da'lek de zondagnacht geschreven had. Maar as ze 't tòe' 's maandagsmiddags maar had kunne doen! Dat toe' net die Riek most komme!.... Hij scheen d'er niks van begrepen te hebben, niks an gehad, niks blij d'er mee. Hij keek aldoor treurig, verwijtend. En ze hàd em toch zoo lief....

--Huil je?.... Geer!

--Gut kind wat is-t-er! Huile? Nee....

Ze huilde wel. En kleine Truus had et gemerkt.

--Schiet je op met je matje? O wat wordt et mooi!.... Kijk, daar heb je je vergist.

Gewillig liet Truus verbeteren. 't Kind was stil. Altoos, als ze droefheid zag. Kleine schat! Die lieve oogen....

--Plak je ze dan straks ook nog in je schrift?

--'k Wou dat jij me-n-es wat voorlas....

--En 'k moet Koos z'en kouse stoppe!

Truusje zweeg. Om hen, geen ander gerucht dan het striemen van de scheefgedreven regen tegen de lage ramen en het vinnige getiktak van het kleine koekoekklokje. In het heele huis was 't stil. Altoos als de Juffrouw ziek was. Zelfs Sophie hield zich dan rustig. As je maar niet vroeg, waar die dan zat en wat ze dee'! Hemel ja, ze zou toch wel water opgezet hebbe?.... Kwart vóór elve. Gauw us kijke.

--Ga je weg?

--Effe maar, effe kijke.... O!....

Zij deinsde vóór de deur terug, bijna had ze de kan laten vallen, die ze net van het buffet had genomen. Hij was daar, hij, op dit uur!

Met open mond, de bovenarmen krampachtig tegen de zijden gedrukt, stond ze, blééf ze vóór hem staan, en er oogen gingen niet van hem af en ze dorst geen adem halen. Ze voelde dat ze begon te beven, dat er lijf van beving trilde, ze dacht aan Truus die het zien moest, en hij!.... en ze kon geen stap vooruit doen, het was er of haar lichaam inkromp vóór die groote man daar vóór haar, het was of ze zoo neer zou slaan. 't Was of er oogen al grooter werden, of die hem omvatten moesten.... Stil keek hij haar aan, en lachte.... Toen snerpte weer 't bewustzijn in haar van Truusje's tegenwoordigheid, en ze kòn zich plots beheerschen, hare oogen staarden niet meer, een floers kwam er voor, zij begonnen te tranen, koud wier d'er lichaam, o koud, als verschrompeld, toen ze wilde langs hem gaan.

--Wat 'en weer, hè? en ik moet d'er op uit! hoorde ze nog.

Sophie was gelukkig niet in de keuken maar ze hoorde gestommel op de benedentrap, nu naar boven kon ze niet,--even op de bestekamer....

IJzig beving haar de kille vocht daar. Roerloos bleef ze staan, starende op het miez'lig leken van de regen in het raampje.

Wat was dáár nu haar gebeurd?--God! ze wist et niet meer, ze had een ijskoud hoofd, dat leeg was, ze wier gèk!.... Die oogen! ze brandden er in het koude hoofd, er oogen, ze staken, of ze niet meer pasten in de kassen.... Wat was hij komen doen? Och, wat kwam et er op an, wat hij was komen doen! hij was toch vrij, in zijn eigen huis, om in de kamer te komen als hij wou? Gotogot, wat hàd ze dan, waarom dee ze zoo krankzinnig, wat zou hij nu van d'er denken; en dan Truus, 'er kleine Truus.... 'En rilling schokte door er lichaam, echch, ze vond zichzelf zoo mis'lek.... Doen nu, flink zijn, 't mòest om Truusje....

Tegen Sophie, in de keuken, zei ze, vriendelijk, iets over het weer, dat 'en mensch d'er ziek van zou worden. IJlings zette ze water op 't stel, en toen weer naar binnen.

Truus was alleen en wipte van haar stoel, toen ze Geertje zag binnen komen, liep op haar af met uitgespreide armpjes.

--Heb je nòg hoof'pijn?

--Hoof'pijn? hoe dan?

--Nou, Pa zei, je hadt gisteravent ook al zoo'n hoof'pijn gehad en dat net nou Moe ziek is.

--Kleine snoes!

Het mocht niet, mòcht niet, sterk-zijn mòest ze. Truus leek toch al zenuwachtig. O, te huilen in die krullen, op dat lieve, lieve kopje.... Dus--had Hij voor haar gezorgd, haar gered tegenover 't kind! Goeje man, om dat te bedenken....

--Is Paatje uitgegaan?

--Hè ja, en nou met zoo'n regen....

't Kind keek haar aan en zij het kind. Hun oogen làchten elkander tegen, van innige liefde voor Hem, bij beiden.

Met de avond, toen de lamp op was, was de Juffrouw beneden gekomen; om haar wier' Maandag afgescheept aan de voordeur. Maar na een half uur al klaagde zij over meer hoofdpijn en koortsigheid.

--Hai jai nog te werke? vroeg ze aan d'er man.

Maar Meneer had niks te doen. Hij las het Nieuwsblad bij zijn biertje.

--Gaa'j nog uit?

--God, ik weet niet, mens! Ja misschien wel.... Hadt je wat?

--Of ie nog bij me moeder anging....

Geertje hielp de Juffrouw naar boven. Toen ze weer beneden was, zei Meneer, opgestaan achter haar aankomend:

--Hei je d'er gehoord? of ik nog uitging? Ja, 'en boodschap an d'er moeder! Net of die zal komme kijke, elke keer dat d'er dochter hoof'pijn heef'! Weet je waarom dat nou was? Omdat ze de pest in he't, dat ik nou hier alleen met jou zit. En daar ben ik nou juist zoo blij om....

Voordat ze zich verweren kon, had hij haar om de middel beet, zoende haar in de nek, op de oorrand, wilde haar wang.... en het brandde haar lijf in. Radeloos trok ze de schouders op om de bloote nek te beschermen; toen, heel even, liet ze zich gaan, rustte haar hoofd in de hoek van zijn schouder; tòen kwam weer die schrijnende drang, dat heel haar wezen wou schreien, schreien; voetstampend wrong ze zich van hem los:

--Laat u me, of ik ga zóó naar bove!

--En die zeit dat ze van me houdt!

--Hè, dàt staat u gemeen om dat nou te zegge. U weet heel goed, da'k van u hou. Maar ik màg me niet late zoene....

Hij had weer zijn krant genomen. Duizelig sleepte ze zich door de kamer, zocht op 't buffet haar mand met kousen, vond die waar-ie altijd stond, sleepte weer zich naar 't buffet, want de Juffrouw wou kamille, maar viel neer op de Juffrouw d'er stoel.... och, ze was weer machteloos.

--Wee j' óók wat bier?

--Nee dank u.

--Toe neem nou wat!.... Waaròm toch niet!.... Weet je wàt, 'en glaasje wijn!

--Nee, voor geen geld!

Zij schrikte op. Zij nou wijn! En as de Juffrouw et merkte, Sefie et zag....

--Waar ga je heen?

--Uw vrouw he't om kemille gevraagd.

In de keuken verbeeldde ze zich, dat Sophie telkens achterdochtig haar aankeek. Ze zag bleek--dat kon ze altoos voelen. Maar verder was er toch niets aan haar te zien. Heur haar zat gewoon, dat had ze al gezien. Waarom keek die meid dan zoo? Of was 't alleen, omdat ze altoos nijdig wier, als Geertje 's avonds in de keuken kwam?

--Is de Juffrouw na bet?

--Ja, dat heij toch wel gehoord.

--Gaat Meneer nog uit?

--Weet ik 't!

Had ze dat nou onverschillig genoeg geantwoord? Maar Sefie wantrouwde haar, waarom anders dat gevraagd! Gotogot en d'er was toch niks, ze weerde hem af, zooveel ze kon! moest ze dan weg, van em weg, hier et huis uit?.... Och, ze beeldde 't zich maar in. Ja, Sefie die zou wat denke! 't Was d'er nog al geraje te kijke naar 'en ander. As Meneer en de Juffrouw es wiste, wat die beneje uithaalde met de jonge's van de drukkerij....

Weer hoorde je niks als het gieren van de wind in dat tochtslop van een plat, en het spatten van de regen. In de kamer het niet-ophoudend getiktak van de koekoek. Hij zat nog altoos met z'en krant. Nooit had ze hem zoolang zóó zien zitten. Nadat ze de Juffrouw kamille gebracht had, was ze met 'er stopmand op 'er eigen plaats gaan zitten. En ze tràchtte flink te werken. Eindeloos leek de tijd bij dat zwijgen. God! en et was nog geen negen uur!

--Toe, gaat u nou wat uit, zei ze, plotseling, zacht. 't Was net of een ander het voor haar zei. Omdat zij niet durfde.

Ze durfde ook niet opzien. Maar ze werd gewaar, dat zijn heele lijf zich verplaatste, dat hij langzaam de krant opvouwde, dat hij heenboog over de tafel.

--Waarom vraag je dat?

--U blijft nooit zoo zitte.

--'k Ben ook nooit met jou alleen.

Zijn stem, eerst bijna fluisterend, werd alweer luider. En Geertje meende een stap te hooren en gekraak, achter de deur. Zij voelde hem en zich beloerd uit de keuken en beloerd van boven, uit het groote bed. Hoe kon hij zeggen van: alleen....

--We magge niet alleen zijn.

--Magge we niet alleen zijn?....

Even keek ze naar hem op, zag hem.... keek hij boos? of droevig?

--Zoo!

Weer schoof hij met zijn stoel. Toen, zacht weer, en moeilijk sprekend, langzaam, als kon hij zijn tong maar niet dwingen, als wou 't geluid niet uit de keel:

--Dus, as 'k een vrouw had, ziek, maar waar 'k veel van hiel' en jij was me-n-onverschillig, dan zou 'k hier wel magge zitte. Niemand kan toch van me verge, da'k d'er 'en groot huis op nahout, waar ik hard voor werke mot, om d'er me vrouw en kinders in te late wone, en zelf me in me vrije tijd laat natregene. Maar nou mo'k dat wèl. Nou 'k es eene avent alleen ben met et meisje dat me pas 'en lange brief he't geschreve om me te zegge dat zij ook van mijn houdt, nou mo'k as 'en smerige kat de straat op en de regen in.... Nee Geer', làch d'er nou ma'r niet om, 'k zeg et werachtig niet om te malle. 'k Zàl vo'rt weggaan, na 't ketoor of na de kroeg, 't kan me niet verdomme waar. Maar eerst mo'k jou toch dit nog zegge. Waarom heb je me geschreve dat je verliefd op me ben as 't alleen is om me-n-et bestaan nog ondragelekker te make?.... Ja, nou ga je griene, maar ik mot et je zegge. Je weet da'k van je hou en je weet ook hoe 'k over me vrouw denk. Om de kinders blijf ik bij d'er. Geluk he'k nooit bij d'er gevonde. Toe' bei jij gekomme. En zoo a'k je zag, die Zondag, da'j met je Oom kwam, dacht ik: dàt zou 'en vrouw voor me weze. Och, gedachte benne tolvrij. Je ben hier bij ons gekomme, en zoo werachtig as God leeft, as-t-er 'en jonge was gekomme, die je had bevalle, 'k zou um hier gastvrij hebbe-n-ontvange. Maar nou is et tusschen ons zoo geworde, dat jezelf me-n-ongevraag' schrijft dat je-n-ook van mijn houdt. Toe je wegging he'k gedach': God, as ze maar terugkomp! En 'en oogenblik zei 'k tot mezelf: 't Zou misschien ook beter weze. Je bèn teruggekomme, en je heb me die brief meegebrach'. Maar op et oogenblik dat je-n-em geef, zeg je: blijf van me-n-af, raak me nie' meer an! Nou dan wil ik nou m'ar zegge: as je die brief heb' geschreve om me plezier te doen, dan heb je je vergist! want juist met je brief, juist nou 'k wéét dat je-n-ook van mijn houdt, heb je me 't bestaan onmógelijk gemaak, ik kàn zoo niet leve, ik voel me-n-as 'en hònd, die ze vastlegge in z'en hok, en dan 'en stuk vleesch d'er voor hange. Nou weet je-n-et en nou zak gaan.

--Wáár gaat u heen!

Geertje was opgevlógen van angst. Wàt ging hij doen!?

Maar hij, kalm:

--O, wees gerus, 'k ga naa't ketoor.

Zij hoorde hem in 't portaal aan Sophie zeggen, dat die sluiten kon, dat hij naar 't kantoor ging.

Toen wist ze zich alleen in verbijstering.

Gedachteloos had ze de kous weer genomen, en pikte, pikte--werd gewaar dat ze draden oversloeg, en prikte meteen zich in de vinger.