Part 11
Hihihi! As Groo'moe nou es wis', wat dat wou zegge! Leuk, het es gezegd te hebbe! Groo'moe kòn et niet begrijpe.... Och, wel nee! geen kwestie van!.... Zie je, da' was aardig nou. Niet an Hem vertelle; kàn je!.... Wat zou Hij nou doen?.... En Truus?.... Wacht, daar hadt je Riek alweer is! Met 'en stoel! Nou vriend'lijk weze....
Omdat Rika een stoel aanbracht voor Geertje, ging deze er een voor Rika halen. Daarna las zij voor, uit het Blaadje. Ze hoorde-mee naar wat ze las, ze was zoo blij, het was zoo goed nou. Ze mèrkte dat ze Groo'moe plezier dee', omdat ze met opgewektheid voorlas, vol belangstelling voor die zendeling, die het daar zoo moeilijk had. Straks zou ze veel met Groo'va praten, over de preek, van alles vragen, zorgen dat ze geen bokken schoot, als van morgen, met die tekst. En dan na de koffie uitgaan, niet naar Schaap,--waar Groo'va heen wou.... Eve an bij Dominee? Ja misschien, as Groo'va 't goed von'.... Béter leze, nu, niet horte.... Niet meer denke-n-an wat anders....
Toen Groo'va thuiskwam, uit de kerk, vond hij haar nog aan het lezen. Groo'moe zei, dat Geer zóó prettig had zitten voorlezen.
En toen ze zich, na de koffie, ging klaar maken om te wandelen met Groo'va:--ze wist het nu, naar niemand toe gaan, de gewone wandeling, die ze vroeger elleke Zondag dee met Groo'va--bracht ze moedig haar geschenk mee: de Bundel Preeken van Dominee Gobius, die Meneer d'er had gegeven uit de winkel, om mee te nemen, zeggende:--Ik raak et boek hier toch niet kwijt!
Heel de avond bleef ze blij.
Bij het thuiskomen van de wandeling vond ze Wouter Heukelman; hij kwam zijn zuster halen en dronk nog even 'en kopje thee mee. Het lamplicht was al aangestoken. Groo'moe in 'er breede armstoel zat achter het theeblad, de kamer zag er gezellig uit, en die twee stijve poppen, die, recht, dicht tegen de tafel aan, met eenzelfde onhandigheid de smalle theekopjes in de dikke roode vingers hielden, werkten op Geertje's lachlust.
--Wat bei jij dik geworde! luidruchtigde ze tegen Wouter.
En toen Groo'va, blijkbaar over haar uitgelatenheid niet verstoord, wel zei:--"Kon Wouter dat ook maar zeggen van jou!" maakte zij hier een grapje van, zoodat zelfs Groo'va medelachte.
Wouter vroeg naar Rotterdam; hij was er eens geweest: toen Willem naar Amerika ging. Toen had hij de dierentuin gezien en de havens, de rivier; maar ze waren te beduusd geworden, hij en Jan en Willem zelf, en te bedroefd omdat Willem wegging: hij zou die stad wel graag nog eens zien.
--Als Willempie terugkomp! spotten Geertje's gedachten, maar ze sprak van pleziertreinen, Wouter moest maar gauw is komen, zij zou hem alles laten kijken.
Groo'moe, in 'er lage stoel, stak telkens 't vergenoegde hoofd, met het dankbare glimlachje, achter het theelicht uit om naar Geertje te kijken, die nu aan 't vertellen sloeg. Van de vischmarkt, al die vrouwen, zij dee' ze na in 't vette schreeuwen; van de scheepvaart op het Steiger, 't varen door de watertunnels; ook van de b'reeje pelissie en dat je nie' meer de straat moch' schrobben: hoe Sefie al was beboet, die meid, die vroeger nooit wòu schrobbe.... Toen zei Rika, dat ze weg moest, Wouter sprak van nog wat blijven, maar Rika hield aan.--"Geertjen kàn d'er wa' mee, Meister," lijzigde ze nog bij 't afscheid; en Geertje zag-en-voelde, hoe Groo'va anders keek naar háár, anders dan al de vorige keeren, nu niet meer om uit te vorschen.
Even druk ging ze voort met vertellen. Van Meneer Maandag, en weer van Sophie, en van 't zitten op het plat, ook van de poffertjesstank door de stad heen al de dagen van de kermis...., maar toen schrikte ze toch even, dat ze daarvan was begonnen;--Groo'va vroeg gelukkig niets.
Oom en Tante noemde ze zelden. Groo'moe echter zei opeens:
--He't Oom ook geklaagd, da' Groo'va um nog niks bericht had?
Als instinktmatig loenschte Geertje even naar de kant van Groo'va. Zij meende een snel bedwongen rimpel nog te zien ontplooien. Hemeltje, wat moest ze zeggen!.... Gróó'va brak het kort moment van aarzeling af. Met een ietsje vreemds in de stem:
--Je weet zeker, wat Oom hier is komen doen?
--Ja, Oom he't me d'er van gesproke.... Heb u em nog kunne helpe?
--Kunnen wel. Willen is een andere vraag. Maar het is niet noodig gebleken.
--Niet noodig?--Geertje wier nieuwsgierig!
--Zooals ik zei.--Groo'va's lippen smakten.
--Groo'va he't an menheer Heins geschreve, ontheimelijkte Groo'moe goedig.
--Hebt ù....?
Geertje voelde dat ze bloosde. Heerejee, nu bloosde ze! Maar Groo'moe was te vervuld met de geldzaak.
--Menheer Heins he't zelf geschreve, dat et niet noodig is dat Groo'va bijspringt!
--Bijspringt! Er was geen kwestie van bijspringen. Het is een geldbelegging. Maar meneer Heins raadt me niet aan, mijn geld in deze zaak te steken.
En opstaande, haalde Groo'va een brief uit de secretaire:
--Lees maar.
Ja, daar was zijn mooie schrift, 't bree'e papier met de naam van de firma, en de heele sliert daarbij, en 't adres, het huis in 't Hang.... aardig om dat nou te léze, gut, zoo gek, zijn groote letters....
WelE. Heer,
In minzame referte op UE. geëerd schrijven van 24 courant, heb ik de eer u te berichten, ik mij vooralsnog onmogelijk over het levensvatbare van het u bekende voornemen tot uitgifte van een Nieuws- en Advertentieblad kan uitspreken. Intusschen schijnt er een misverstand te zijn en had ik uwen zoon, den heer Jan van Nijkerk, alleen verzocht bij enkele handelsrelatiën, waarover hij mij had onderhouden, te polsen, of daar eventueel garantiekapitaal te vinden zou zijn. Van pogingen te dier zake bij zijnen vader had hij mij niet gesproken en heb ik hem geene volmacht gegeven, namens mij bij wien ook aanzoek te doen om bedrijfskapitaal voor eene onderneming, welker rentabiliteit ik vooralsnog geenszins kan garandeeren, doch waartoe, mocht ik ooit er toe overgaan, het geld ongetwijfeld zal zijn te vinden.
Achtend, UE. dienstv. dr.
Jan C. Heins, Firma Heins &. Co.
Geertje zat over de brief gebogen, het leek haar een zeer ingewikkeld stuk werks.
--Oom hep weer z'en neus voorbij-gepraat, zei Groo'moe.
--O, ja, dat zal wel.--Geertje vond het een neet'lig gesprek.
Lipsmakkend begon Groo'va echter:
--Neen, dat behoeft niet zoo te zijn. Jan kan zijn vriend verkeerd begrepen hebben. Hoe hij mij alleen om garantie-kap'taal zou hebben moeten vragen voor een, naar ik toch meen, zuiver financieele onderneming, is me ook niet duidelijk. Maar in elk geval, en dit stel ik op prijs, wenscht Meneer Heins nog niet in te staan voor de zaak, en geeft hij te kennen, het geld wel te Rotterdam te zullen vinden.
Geertje hoorde zonder verstaan. Wat ze van Groo'va alleen begreep: Meneer wou geen geld aannemen, zoolang Meneer niet wist of het een goed zaakje zijn zou. Zie je, dàt was weer Meneer! Aldoor lag zijn schrift nog vóór haar; ze was bang, dat er nu nog meer gepraat zou moeten worden over dat geld voor Oom, en toch hield ze daar de brief nog....
--Hoe of 't nou mit de winkel gaat? hoorde ze Groo'moe vragen. De winkel waar? O, de winkel van Oom! Tante had er zóó gezeid, toe' ze gedag was wezen zeggen:--"Denk de'r nou an, Groo'moe mit d'er kwaal mot je niet verontruste, zeg nou niks hier van de winkel"....
--'k Gelóóf dat et nou wel beter gaat as in 't begin, u begrijp', pas nieuw....
--Maar je komp' er toch nog dik'es.
--Da's te zegge, 's Zondags ja, en dan 's avens, niet over dag. 's Avens gaat er weinig om. Da's in alle boekwinkels. Sommige sluiten na zevene-n-al. 's Avens is 't druk in winkels as van Koenders....
En met handige levendigheid sprak ze door, nu, over de Koendersen. Over et Lekaal, en Arie, die zoo groot met Dominee.... Dee', alsof ze d'er dikwijls kwam....
Pratende, had ze de brief toegevouwen. Hield er hand er, pratend, bij. Lichtte, als zonder er bij te denken, het neergevouw'ne nog eens op, zag dan letters, enk'le krullen.... Pratende, raakte ze besloten: zij zou hem een briefje schrijven, hier uit huis....
Die vreugde, toen ze haar kamertjen intrad! Zoo als ze om de hoek van de trap kwam en door de halfopen deur zag naar binnen, blies ze, beraden, haar looplampje uit. Tot áán de deur kwam de driehoek van maanglans! Met een huivering van blijdschap sloot ze de deur. Maan! en zoo legge denke-n-an Hem! Wáár had ze dàt ook weer geleze, van die adeleke jonkvrouw, die ook nimmer trouwe zou, non wier', met een cel vol maanlicht? O ja, in dat boek bij Oom, die vijf deele.... O, d'er lìeve kamertje! Wat was alles ìnnig, zoo! Overal licht, maar zacht en stil. Aardig glòm et waschgerei, maar d'er bed, met deken, kussen, wat stong dat daar vriendelek. 't Liefst was et toch bij er venstertje, 't aardige, spitse venstertje, met et uitgeschoten dakje, alles licht nou.... Hè, kijk buite! Net 'en plaatje, toch, zoo lief. De larikse, de konifeere, 't glansde, zilver op et groen; et tuinhekje, wat leek et kleintjes; vredig lag de weg.... Eve 't venster opedoen!
Geruchtloos liet ze 't knipje springen, 't venster spleet, en nòg meer licht blankt' er om haar. Als in een droom, al die stilte-met-licht. Of er heel ver iemand waakte en hier ieder rustig sliep. Of er toch iets wier gefluisterd.... Zalig! al die fijne takjes, en de boomen, stil in 't rijtje, en de weg, licht als bij dag, en toch--net een an'dre weg, net een weg om van te droomen....
Met 'er arme in volle breedte over 't vensterkozijn en d'er kin rustend op 'er vuist, bleef ze staren en genieten. Ze trachtte zachter adem te halen, als stoorde ze 't geheimnisvolle.
Toen kwam er van ver een dommelend gedruisch, Geertje wist terstond wat het was, even had ze 't hoofd geheven, als luisterend: ze dacht aan een wachthond die een bemind geluid zou herkennen; even hield ze 't hoofd wat schuin, 't oor naar voren; het bleef een dof, nog zwak gestommel, Geertje luisterde geduldig; toen, opeens, maar ze wist dat het nu moest gebeuren, werd het doffe, stompe, hard; als langs een geluidsrichel rolde 't nader; nu klonk het niet meer regelmatig, niet als één gelijk geluid--en plotseling, snijdend alarm in de nacht, ging boven de lijn van gedreun, van geratel, de fijne kreet op van de stoomfluit.
IJlings deed ze 't venster dicht. Niet de nabije stationsgeruchten. Dat snerpen van de fluit alleen hóórde bij 'er maannachtdroomen. Ze herinnerde zich een van de eerste nachten te Rotterdam, bij Oom, hoe ze naar dit geluid verlangd had. Dit en al het gedenk en gedroom, 's avonds in 'er kamertje, huiselijk, maar heimelijk, zoo wel verzorgd maar vrij-alleen, 't was het àllerliefste van vroeger. Nù, o ja, 't was nog haar lief. Maar zijzelve was veranderd. Ze hoorde zich nu niet meer toe. Ze was van hem, van hem, van hem. Ja, nu zou ze het hem schrijven. Dat z' em lief had, lief voor eeuwig, dat ze dáárom nóóit zou trouwen.
Ze had geen papier! O! ze zou wel wat vinden! En dan met potlood. Eerst nu licht.
Ze was zich bewust van 'er zenuwachtigheid. Zij voelde zich immers als wier ze gedragen. Zou ze anders mógen voelen!
Had ze nu geen lucifers? Er hadden er altijd in het laadje van 'er waschtafeltje gelegen. Ouderwetsche fosfordingen. O, daar had ze er nog een. Voorzichtig; dat-ie nu niet brak! Hè, vervelend! leek wel vochtig.... Zie je, nu ze bang was voor breken, brak-ie juist.... O wacht, nòg een. Nou een flinke haal, in eens!.... Groote God!....
Brandend was de lucifer van tusschen er vingers op bed gevallen. Zoo maar op de wollen deken!.... Ze slóeg er op met het vlak van er hand.--Uit!--Goddank, et had brand kunnen geven!.... Jonge's, dat stak! Net an er duim. Even in de kom. O nee! water slecht.... Had ze nog watten? Och, et zou wel niet gaan zweren, en 'en beetje pijn, wat gaf dat! Pijn voor Hem, voor z'en eerste brief! As ze dat nog niet voor hem over had! Maar--hoe nu te doen met de brief? Weet je wat, em morgen schrijven, ze kon em tòch niet met de post versturen, as de Juffrouw um zag, een brief van hier, 't adres van háár hand!.... Nee, ze zou hem de brief zelf geven, dat was zijn present: kon ze ooit méér geven?! Voor de Juffrouw moest ze dan ook wat hebben, wat lekkere appels, dat ging best--en natuurlijk voor Truus en Koos iets. Wanneer zou ze hem de brief kunnen geven? Dinsdag nog? Of Woensdagmorgen, Woensdag bij het koffie brengen?.... Wàt zou ze schrijven? Dat z'em liefhad, dat ze gráág vriendin zijn wilde, altijd, altijd, 'et heele leven, of.... zoolang Hij 't hebben wou; dat ze voortaan alles doen zou, om in zijn leven goed te maken, wat de Juffrouw had bedorven. Maar.... Nee. 't Kòn geen zonde wezen. Zonde was--wat de Bijbel overspel noemt, en overspel, nou dat is natuurlijk, als je je vrouw verlaat voor een ander. Zij zou juist heel vrindelijk tegen de Juffrouw zijn. Alles net doen als de Juffrouw 't graag wou hebben. Misschien dat et hielp. En dan zou Hij ommers ook iets meer van z'en vrouw kunne hou'en. O, altijd àlles te doen voor Hem, heelemaal voor Hem te leven, goed te zijn voor Truus en Koos, die kleine Truus, die ook zoo'n behoefte had aan liefde....
Zij had zich nu geheel ontkleed. Met bloote voeten stond ze op het kleedje voor het ledikant. Toen ze haar nachtpon ontvouwde, blankte al die zachtplooiende stof in de glans der maan. En weer omhuiverde haar een bijzondere blijdschap, een zalig-weemoedig gevoel van ernst: hier, in 'er oude kamertje, hier kleedde ze zich voor het eerst als bruid, net als die non in dat boek bij Oom, de bruid die bruid blijft, heel 'er leven, die niet zich vertoont aan 'er Bruidegom, maar altoos, elke minuut aan Hem denkt. Die in 'er slaap zijn naam nog prevelt. "Doende de lippen der slapenden spreken." Waar stond dat ook?--in de Bijbel, waar?.... In et Hooglied, ja, in 't Hooglied. "Ik ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot mij." Was dat niet in 't zelfde hoofdstuk? Hè, us effe daarvan leze!....
Met 'er Bijbeltje leunende tegen het venster, kon ze enkel de letters van Salomo lezen en de afscheidingen van de hoofdstukken zien.
Maar ze herinnerde zich! 't Waren immers de eenige teksten, die ze geleerd had, uit zichzelve, niet om Groo'va, of voor de katechesatie!
"O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!
"Ontwaak, noordewind! en kom, gij zuidewind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof kwame, en ate zijne edele vruchten!
"Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte, was: Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte! want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdruppen.
"Mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tien duizend.
"Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.
"Zijne oogen zijn als der duiven bij de waterstroomen, met melk gewasschen, staande als in kasjes der ringen.
"Zijne...."
Nee, verder kende ze 't niet meer, d'er kwam nog van de handen, de wangen.... o ja! hè, en dat wàs Hem: "zijne gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.... Zulk een is mijn liefste, ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem!"
Ze rilde. Hè, ze had het koud. Hare handen--de duim stak maar weinig meer--hare handen waren ijs. Maar dat stond juist mooi. Die bleeke handen bij 't wit van 'er nachtpon, àlles moest blank in de maanglans zijn. Met de linkerslaap drukte ze tegen het vensterglas. Vreemd, ze rilde van de kou, en toch deed 'er dat nu goed. Buiten was meer mist gekomen, aan een takje van de wingerd kon ze de blanke droppels tellen. Hè, ze zou er graag van drinken. Net een hoofd, nu, of ze koorts had! Nu, geen wonder! bij zóó iets gewichtigs. Want het wàs, het wàs haar Bruidsnacht. Wat zou Hij blij zijn, als Hij 't wist!.... Nee, daar moest ze niet aan denken. Alles zou ze Hem vertellen, en 'em smééken om nù gelukkig te zijn.
"Zet mij...." was dat óók niet in et Hooglied.... "Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm: want de liefde is sterk als de dood.... Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen: ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde; men zou hem ten eenenmale verachten...."
Ze had gebeden, zooals Groo'moe het haar eens geleerd had: geknield voor d'er bed, de gevouwen handen rustende op de houten rand. Ze had De Heer gedankt voor alles, voor al 't geluk van deze dag, Zijn zegen afgesmeekt op er liefde, waarin immers niets zondigs was, Zijn zegen voor Hem en voor Groo'moe en Groo'va. De maanglans stráálde nu recht op 'er neer, ze moest het hoofd naar de hoek wenden, om het licht niet in de oogen te hebben. Even blééf ze, de oogen gesloten, en alles was lìcht in 'er nietziende oogen. Het was haar, als zweefde ze weg naar de hemel.... Maar ze moest verstandig wezen, gauw nu slapen; ze wendde zich om. Zoo hinderde het licht nog wel, maar ze kòn toch niet besluiten, op te staan om het gordijn voor het raam te trekken.
Ze zag de toekomst nu zoo blijde. Het was een moeilijke tijd geweest, maar thans kon niets haar verder deren. O, wat was ze blij, naar huis te zijn gekomen. Want hier had ze de rust hervonden.
Weldra dommelde zij in. Maar een kalme slaap was 't niet. Met 'en schrik was ze plots klaar wakker, meenende de brandklok te hooren: het was het slaan van middernacht. Daarna bleef ze heel lang woelen, moe, erg moe, en toch verhit, niet bij machte tot rust te komen. De duim stak erger. Totdat ze besloot, het gordijn te sluiten. Even bleef ze nog staan bij 't venster. Bibberend kwam ze terug in bed. Daarna sliep ze spoedig in.
Toen ze de volgende morgen beneden kwam, was Groo'va al naar school en maakten de kinderen drukte op het plein vóór de kerk. Bij negenen!....
--We hebbe je maar es late legge, goedigde lieve Groo'moe haar tegen.
De gansche morgen mocht ze bezoekjes brengen. 't Halve dorp liep ze af. Tegen twaalven kwam ze bij Dominee, Mevrouw was juist bezig koffie te zetten, toch mocht ze binnenkomen en kreeg een stoel, en wachtte mee op Dominee, die op ziekenbezoek in Het Veld was. Om half een dorst ze niet langer blijven, ze zou Dominee nog wel eens zien.
's Middags ging ze met Rika en Hanna naar de baas van Groeneveld. Vrouw Oolman bracht hen in de moestuin. Daar was de baas. De kinderen van 't kasteel speelden in de witzandhoop achter 't huis. Maddemezel was met hen. Kleine Broer spròng over 't zand heen, in z'en licht matrozepakje, alles blauw en blond aan hem, oogen precies van vergeetmenietkleur tusschen de goudblonde krullen. Wat 'en lekkere dot was het toch!.... Even herinnerde zij zich haar vroegere verlangen naar een betrekking als van Maddemezel--het was anders uitgeloopen: maar ze wàs gelukkig!
Thuis vond ze Rika Heukelman. Nicht was er al van 's morgens af, Rika zou niet zijn gekomen.
--Maar nou is 't om jou te doen, Geer.
Moeder Heukelman liet vragen, of Geertje daar de koffie kwam gebruiken, dan zouden Wouter of Jan haar 's avonds weer thuisbrengen. Even keek zij Groo'moe aan, zag de verwachting in Groo'moe's oogen: vriendelijk nam ze de uitnoodiging aan. Met hetzelfde, lichte gevoel, waarmee ze als gefladderd was, vandaag, van de een naar de ander, liep ze nu naast Rika voort. Rika had zoo veel te zeggen, zij kon dus gevoeglijk zwijgen. Ze hoorde haar aan, ze glimlachte, nu en dan zei ze eens ja of neen--ze dacht ook niet aan andere dingen, maar heel haar gevoel juichte, dat ze niet hier wàs, dat ze dit nu even dee', dee' vooral om lieve Groo'moe, maar dat 'er belang, 'er geluk, 'er leven, los was, vrij van elke band hier. Daardoor juist kon zij zoo makkelijk doen, makkelijk geven, wat men haar vroeg.
Vrouw Heukelman en Mijntje wachtten hen in de mooie kamer. 't Was dus een wezenlijke visite. De jongens zouden straks wel komen, zij waren nu nog aan het werk. Mijntje schonk Geertje koffie in, terwijl Rika zich was gaan ontdoen van 'er goed. Moeder reikte het trommeltje toe. De Heraut lag vóór Moeder, met 'er bril. En dadelijk begon zij daarover--of Geertje De Heraut nog wel eens las. Daar kon een iegelijk voedsel in vinden. Geertje zei kordaat van neen. Ze las heelemaal geen kranten, ze kon er heusch de tijd niet voor vinden.
--En veur je Bijbel, hei je doar dan ook geen tiet meer veur?
--O ja, da's heel wat anders. Daar maak ik tijd voor.
Geertje was zelve verbaasd over de strakke flinkheid, waarmee ze de laatste woorden zei.
Weer zag ze vrouw Heukelman 'er lange magere bovenlijf ongeduldig heen en weer bewegen in 'er leunstoel--het ongeduld van de halve lamme, dat zich uitte zoodra er maar iets gebeurde, waarover ze ontevreden wier. Ze zweeg en Geertje zweeg eveneens. Mijntje was zonder koffie te hebben gedronken de kamer uit gegaan, Rika kwam maar niet terug. Geertje had lust om op te staan, ze zou bijvoorbeeld eens naar de geraniums en fuchsia's in de van ouds bekende geglazuurdwitte potten kunnen kijken:--die vele bloemen voor de ramen waren een van de weinige dingen, waar ze altijd schik in had, wanneer ze bij de Heukelmans kwam. Maar ze durfde niet; het groote houterige lichaam tegenover haar was nog altoos niet tot rust, het slingerde als topzwaar tusschen de leuningen van de stoel, en met de doffe staaroogen draaide het hoofd wezenloos rond. Geertje zag, hoe de romp met een schok kwam tot stilstand, hoe het lijf neìgde over de tafel, hoe het hoofd, met een bits vooruitsteken van de kin, zich richtte naar haar,--zij zag de uitval aankomen:
--Dee je niet beter, Geertjen, as je nou bij je grootmoeder bleef?
--Bij Groo'moe? ik? En ik heb 'en betrekking.
--En je loat Grootmoeder ziek achter.
--Nou, ziek, et valt me nog al mee.
Terwijl ze dit zei, vond ze zich hard, onverstandig. Maar wat was dit ook opeens voor praat van vrouw Heukelman.
In de doffe grijze oogen zag Geertje een flikkering schieten. De vrouw zei enkel:
--Kind, hoe keuj zoo proate,
maar de toon was bitter.
Weer zwegen beiden. Mijntje en Riek bleven nog maar altoos weg! Vrouw Heukelman vouwde De Heraut toe, en, terwijl ze d'er bril in het huisje stak:
--Groo'moe von 't toch zoo noar, da'j wegben.
Wacht, dacht Geertje, nou wil ze 't met lievigheid perbeere.
--Ja, ik vint et zelf ook dikke's naar.
--Moar et hoef toch nie'. Je hadt hier toch ook je wark.
--Dat doet Nicht nou ommers.--En Rika! viel ze uit, met een spottende schamperheid in 'er toon, die de doffe oogen weer flikkeren deed.
--Nicht doet et omdat jij d'er nie' was. Riek he't hier genog te doôn. Nee! jou ploats was et, an et ziekbed van je grootmoeder!
Daar hadt je-n-et ouwe gebulder weer, van de driftkop die de dominee nadoet as ze nijdig wordt! Ja-wel, zoo sprakke de perfete tot et volk van Israël! Nou maar, as ze dach' dat ze háár kleinkreeg!
--Me plaats is nou in me betrekking.
En een duw aan 'er stoel gevend, stond ze op. Da'lek weg? Ze keek naar d'er hoed en mantel. Maar de deur ging open. Wouter kwam binnen. Haha, Geertje zag op et gezicht van vrouw Heukelman, dat Wouter haar stoorde. Dus bleven de meisjes met opzet weg! Geertje moest onderhanden genomen! Nou maar, daar konne ze plezier van hebben! Dan niet weggaan, 't zou lijken of ze bang was. Vroolijk doen, of d'er niks gebeurd was. Lekkertjes met 'en kluitje in 't riet.
Vriendelijk lachend, ging ze Wouter te gemoet. Zei weer, dat ie toch zoo dik was geworden. En zich omdraaiend naar vrouw Heukelman, altoos met 'er vriendelijk lachje:
--Wouter he't me beloofd, dat ie is gauw in Rotterdam komt.
Nou jij! dacht ze. Al blijf je nog zoo stuursch kijken.... mensch, je zou niet anders kunne, want as jij je zin niet krijgt!.... ìk trek me d'er niks van an, as je dat maar wilt geloove!
Wouter zag z'en moeder mokken, wier' ook strak! maar Geertje niet! Nu had ze de fuchsia's te pakken, die prachtige trossen van fuchsia's, zulke bevallige blomme toch, om zóó an je oore te hange, die bij Heukelman doorbloeiden tot in November.
--Hoe is 't mit Bles, Wouter?
--Die 's lang dood, kwam de grafstem van Moeder.
--Issie dood? Och jee, et arme dier.