Part 10
't Eerst sprak zij met Hem erover, als over iets, dat de Juffrouw goed zou moeten vinden. Ze wilde 's Zaterdags morgens gaan en Dinsdags terugkomen. Hij gaf een ontwijkend antwoord. Het herinnerde haar plotseling, vreemd, aan haar dienstbetrekking bij hem.
--Vindt u et niet goed dat ik ga?
--Och daar heb ik toch niks in te zegge. Vraag et an me vrouw.
Ze begreep dat hij niet wilde dat zij ging.
En ze overlegde of zij dan maar niet zou gaan.
Maar even later kwam hij weer:
--Ik vin et best hoor, da'je ga. Maar vraag et zelf maar aan de Juffrouw.
De Juffrouw had wel veel bezwaren, doch Geertje las haar Groo'va's brief voor. Toen mocht het dan. Maar niet al 's morgens, 's Zaterdags in de late middag, na 't verschoonen van de kinders.
VI.
--Groo'va!
En vlug wipte Geertje de trein uit, toe op hem, die zij, in de duisternis, onrustig het hoofd zag wenden de wagens van de lange trein langs. In de vlek druillicht van de rossige stationslantaarn had zij de lange gestalte onmiddellijk ontdekt. Hij bespeurde haar nog niet.
--Daëg! zangzei ze op z'en rotterdamsch, en wierp zich op aan Groo'va's hals.
Die groet van zijn kleinkind was hem vreemd; haar vlugge armen knelden hem.
--Dag kind!.... Nìet zoo uitbundig!
En Geertje zag zijn oog onderzoeken; monsteren haar bij het rossige druillicht.
--Ha 'k da' gewête, dat ie bij m'en in de trein zat!
Mozes Meier met z'en vleeschmand.
Ook Scholten, de postbode, was er weer.
De stationschef, uit de duisternis komend naar het licht om af te luiden, tikte hoffelijk aan de pet.
Enkele donkere gestalten gleden voorbij en zeiden g'en-avont.
Toen vroeg Mozes, of hij zijn gezelschap waard was, zoo hij Geertje's pakkasie in z'en leege vleeschmand legde. Voor vetvlekken hoefde ze niet bang te zijn, de mand was zoo schoon as 'en luiermandje. Ietwat kortaf zei Meester: Ja. Geertje had enkel d'er tasch en een pakje.
Mozes sprak van Rotterdam, hoe of Geertje 't daar wel maakte. Hij had er nog 'en neef in de Kipstraat, die een groothandel dee' in lompen en beenen, iemand die ze maar zat had.... Karig gaf ook Geertje antwoord. Ze had zoo'n drang om alleen te zijn met Groo'va, en nu die vervelende slager....
Toch voelde ze zich weer gelukkig. Vóór haar, in het halve maan-licht, droomde 't Dorp; zij zag het slapen, alles was er kalm en rustig. De maan verlichtte de dingen juist zóóveel, dat je zien kon dat z'er waren. Boomekruinen leken grooter, een dak van loover over de straatweg. Schuren, hooibergen, hofsteeën zelf, alles toonde grillige vormen. Eén oogenblik wist Geertje niet, waar ze nu precìes wel waren. Bij de zandweg naar de molen brak de haag van eikenhakhout, zilverig waasde de nevel er over de geurige boekweitvelden: wat je ginder donker zag, wist Geertje dat de stee van Kroon was, met de honderdjarige linden.
Open lag het dorp nu vóór haar, al de lieve lage huisjes met de nette rechte hegjes, hier en daar de groote schijven van een rijtje zonnebloemen.
Mozes nam thans eind'lijk afscheid; Meester leende zijn aanbod af om hen tot aan huis te brengen.
--'k Wilde er straks niet op doorgaan, zei hij nu terstond tot Geertje, maar je zult Groo'moe wel veranderd vinden.
--Groo'va!.... 't Is toch niet gevaarlik!?
--Ons aller leven is in Gods hand. Maar je weet het, Groo'moe heeft een hartkwaal, en dan op onzen leeftijd, kind....
--O Groo'va, Groo'va toch!
Stilstaande leunde ze tegen zijn schouder. Maar hij, onmiddellijk, weerde af.
--Doorloopen nu, niet hier zoo staan!
En zij vòelde weer zijn blik, onderzoekend, scherpen op haar.
Zenuwachtig liep ze door.... zag de toren, blank in maanglans; toen, diep-donker, 't lage spitsdak....
En ze lag aan 't hart van Groo'moe, die achter de huisdeur had staan wachten.
--Groo'moe! Groo'moe! lieve Groo'moe!
Groo'va drong hen beiden binnen. En Geertje hoorde hem wel sussen, knorrend zeggen van "bedaard zijn", maar ze kon niet, ze mòest schreien, aan die oude, zachte borst, die breede borst, warm als een kussen. Toen trok zijn hand haar weg, beslist--met de beslistheid van altoos.
En nu zag ze 't zelve ook, Groo'moe was wel erg verouderd, grauwbleek, en zoo diepe groeven, hard gekerfd om 't zachte wangvleesch. Groo'va had gelijk gehad; zij moest stil, voorzichtig zijn.... Wat wàs ze blij, te zijn gekomen! Koest'ren zou ze Groo'moe nu.... Wacht, maar da'lek de presentjes....
Lachend maakte ze haar pak los. Daar, dat was voor Zoete Groo'moe. Was dat nou geen lekker doekje?
Groo'moe kreeg er tranen van.
Groo'va had zijn laarzen naar het portaaltje gebracht. En terwijl hij langs haar ging, zàg zij, van ter zij, hoe hij alweer haar bezag, onderzoekend haar opnam, zonder spreken.
--Heel vriendelijk van je, zei hij droog, daar Groo'moe hem bij 't doekje wenkte.--Nu eerst eten. 't Is al laat!
Ja, 't was laat--de laatste trein!
--Ik kon niet met de vroeg're komme, om 't verschoone van de kinders.
--Ja, dat heb je ons geschreven.
--Jij ziet er zelf ook moe uit, zorgelijkte Groo'moe's stem.
Groo'va, kort, bijna verwijtend:
--Ja, je ziet er niet goed uit.
Geertje besloot Groo'va zijn present liever later te geven. Zonder honger at z' een bo'tram. Daarop nam ze de Boeken van 't rekje, gaf ze Groo'va. En deze, terwijl hij opsloeg:
--Leest Meneer Heins 's avonds uit de Schrift?
--Ik doe 't, op me kamertje.
--Dus wordt er niet gelezen.
En Geertje hoorde het welbekende smakken van Groo'va's lange, fijne lippen, dat afkeuring beteekende of--gelijkhebben. Op haar drukte de oude beklemdheid. Bedroefd, ontstemd haast, nam ze afscheid.... Doch toen z' alleen was, op et trapje, 't kráákte weer, precies als vroeger, kreeg z' een drang om terug te keeren.... Ze deed het niet, beschroomd voor Groo'va, stromp'lend kwam ze naar haar kamertje, en dáár.... ze zag et da'lek, hingen al de foto's weer, al de plaatjes, op 't behangsel. Groo'moe had ze weer gehangen....
--Och!....
Nu had ze de tranen in d'oogen. Nu kleedde ze zich blijde uit, blij en dankbaar dat ze thuis was. Lieve Groo'moe, goeie Groo'moe, o, as Groo'moe maar bleef leven! Dat ook bad zij: Groo'moe gespaard.... En, nog lag zij op de knieën, toen haar kamerdeurtje piepte. Daar was Groo'moe!
--Sst, niks zegge! Groo'va wou niet dat ik gaan zou. Maar dat lie'k me niet ontneme....
Lang lag Geertje aan Groo'moe's borst.
En toen zij, de gezonde, jonge, zich, net als toen z' een kind was, voelde "ingestopt" worden door zieke Groo'moe, beet ze in haar kussen om niet uit te barsten van ontroering, en er waasde door de lieve weemoed een schuldgevoel; ze wist niet, of het enkel was omdat zij, de gezonde, zich nu liet koesteren door de zieke, of.... om nog iets meer, iets anders....
Na de kerk.
--"Gedag Geertje!"--"Zoo.... Geertje"....
--"Geertje!"--"Geertje...."
Zij werd er haast verlegen onder. Ze had nog met opzet de zijdeur genomen, Rika en Hanna Schaap achterna, om kalm is even met die te praten. Maar eerst was die nare Hendrina gekomen, net 'en eend, zoo kwam ze op 'er nichtjes aangewaggeld; en toe' natuurlijk Willem Schaap--die zou wegblijven als ie Hanna kon spreken! en toen was 't om háár begonnen: Truida Schurink, Lina Kroon met 'er zusjes, Gerritje Barmentlo en Hendrik, en toen d'ou'e Barmentlo en nou Weenink en nicht Keetje; Jan kwam langs en riep wat toe; and're jongens bleven staan, meenende dat er wat gebeurde; Wouter Wolbrink met z'en moeder.... "Dag vrouw Wolbrink!".... 't Goeie mensch!
--O Mevrouw!
Da' was toch vriend'lijk!
--Dominee is nog niet klaar. Maar 'k was bang dat je weg zou weze....
--Dank u wel!
Ja, nou maar knikke, want Mevrouw verstaat 'er toch niet....--Vindt u?....
--Zeker, best er uit, en nou blij om hier te zijn, hè?
--Ja, dat kan Mevrouw begrijpe.... Dag Mevrouw....
Wat wàs et aardig! In de kerk was 't al zoo aardig, al die knikkende gezichte, en die Rika die zoo lachte! maar nou hier....
--Nee, 'k blijf maar tot Dinsdag.
Wat 'en mense!--Goeiedag!....--Dokter!.... Was de Dokter in de Kerk? Hé, ze had 'em niet zien zitten.... O! maar vroeger zat-ie toch.... Och jee, Rika Heukelman!
--Geertje, wou j'op Groo'va wâchte, of wiw wij nou m'ar vast goan?
Hè, wàt gaan? Ging Rika méé?.... Heerejee, kwam zij nou helpe!?.... Zoo astrant as ze zich in de kring drong! Rika Schaap alweer an 't lache....--Hè? wat? haast, ik? Niks geen haast!
--'t Was ma'r om je Groo'moe, Geertje.
--En nicht Betje is bij Groo'moe!
--Ja da' weêt ik wel....
Loop, lijs!.... Hoe lang of ze nou al weg was? Nou, April, hè? Haast zes maande.... Ja, 't gaat gauw! D'er Oom? O ja ....! Ja, hij is ook niet zoo jong meer.... Wat ie doet? 'En boekhandel ommers.... Zij? Da's meer 'en drukkerij.... Ja, d'er is 'en winkel bij.... Groo'moe had-t-er van geschreve. Aak'lig hè, ineens zooveel zieke! En dan roodvonk.... Zoo? goedaardig?....
Daar was Groo'va!.... Aardig, zooas ze-n-em allemaal groette.... Weer keek-ie zoo--scherp naar haar.... Jee, wat was et an met Rika Heukelman! Hè, zoo'n indringster!....
--Ja Groo'va.
En opeens, stil en met kleiner lach een hand gevend aan de meisjes die om haar heen stonden, aan Weenink en Barmentlo.... Hendrik? was weg al.... kreeg ze, met scherpe volledigheid, dezelfde gewaarwording als vroeger zoo dikwijls: van 'en al groot meisje dat loopt in 'en jurk die haar te kort is geworden, zoet naast Groot'va.
Wáárom moest die Riek nou mee? Kon Nicht Bet vandáág niet blijve? Zij kon ommers ook wat doen, alles kon ze-n-ommers doen! Hè, ze zou et zóó graag zegge, moedig, zóó in Riek's gezicht: "wat hei jij bij ons te make? ga jij nou toch heen, indringster." Maar jawel! zìj leek de vreemde; hoor ze samen, over de preek! Liep zij daar nou niet net bij, of ze nog maar 'en klein kind was! En Riek was maar drie jaar ou'er.... Hè, zoo'n wijsheid!.... Groo'moe buite!
--Groo'moe!
Mocht dat ook al niet! Groo'va, op 'er roepen, kéék!.... Kan niet schelen!
--Gaat et, Groo'moe?
--Geertje, bedenk dat het Zondag is!
--.... Ja....a, Groo'va.
Hè, waarom antwoordde ze nou niet wat anders!
Aan de maaltijd--Nicht was nog gebleven, dus waren ze nu met z'en drieën voor 't huishou'en!--vroeg Groo'moe naar de preek.
Geertje--ze had zoo'n behoefte om te praten, om niet stil er bij te zitten--haastte zich de anderen voor te zijn:
--'t Was wel 'en mooie preek. Dominee had tot tekst: "Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeeren van het heilige gebod", 1 Petrus 2 vers 21.
--2 Petrus 2 vers 21; wanneer jij Groo'moe het antwoord wilt geven, moet je het juist doen.
En Groo'va's lippen smakten.
Nicht ging na het eten weg. Ze wou wel graag naar de middagkerk, maar dan moest ze eerst nog thuis zijn.
--Nou Riek toch gekomme-n-is.
Zie je, dacht Geertje, die had evenmin op Riek gerekend. Groo'moe had 's morgens, vóór de kerk, toen Geertje vroeg of ze niet bij Groo'moe zou blijven, gezeid:--"Straks komt Nicht"--en van Riek was niet gesproken. Riek had zich dus weer opgedrongen!
Ze waren nu met hun drieën in de kamer, Groo'moe, Riek en Geertje. Zwijgend hielp Geertje bij het opredderen van de disch.
--Help jij nou liever Groo'moe met 'er stoel op 't plaas'je, brak Riek de stille bezigheid af.
--Ja voort. Eerst et ete weg.
--Och maar dat kan ik toch wel. 'k Doe-n-et toch altoos alleenig.
--Nou! maak ma'r zoo'n drukkie niet! Zooas je wil.
En Geertje, met de borden al bij de deur, zette ze weer op de tafel.
Ze zag dat Rika dáárvan schrikte.--Lekker, dacht ze, net goed, zoo.
Maar toen ze Groo'moe's rieten leunstoel achter op het plaatsje, in het zonnetje, had gezet, begon Groo'moe:
--Wáárom was je daar zoo onvriendelek tege Riek?
--Ik onvriendelek?
Best! dacht ze, Groo'moe he't 'em ook gevoeld. Maar Groo'moe hield aan, prees Riek's goedhartigheid, vertelde van "al wat Riek voor hen dee," en Geertje voelde in zich een benauwdheid opstijgen van verwarde spijt, van wrok en van schaamte, van zelfbeklag en zelfbeschuldiging, 't benauwende wasemde tegen d'er keel op, en plots had ze pijn in de bovenbeenen, een loomheid om zóó op een bed neer te vallen. Eerst wou ze Groo'moe nog antwoorden, uitvallen, zeggen wat zij dacht van Riek; doch als een verlegen kind stond ze, afgewend van Groo'moe, aan de doffe, stoffige blaadjes te trekken van de oude rozenstruik, tegen het latwerk naast de plaatsdeur. Met 'en wenteling op 'er eene hak keerde ze zich om, in een onwillekeurig vertoon van onverschilligheid, en drentelde verveeld de tuin in. Net begon de klok te bonzen--ze schrikte d'er van, zoo plots vlak boven d'er; en dit ergerde haar weer:--a's-of ze 't niet d'er heele leven gehoord had! omdat ze-n-'en maand of wat weg was geweest! Jakkes wat ellendig toch, dat ze nou opeens et land had! Vanoch'end, toen ze pas uit bed was, had ze 't nog zoo prettig gevonde om hier weer in et tuintje te zijn. Alles had ze toen bekeke, al de nette lange bedjes, de sla, de prei, de andijvie, de kool; alles zag er zoo lekker-frisch uit, in de frischheid van de morgen, van de héérlijk-stille morgen. Toen was ze 't zijhek uitgekuierd, 't kronkelpaadje door de wei heen tot het hek van Groeneveld, waar je héél ver over 't land ziet, heel ver af et groote Huis, dichterbij et tuinmanshuisje achter en onder de groep van sparren, die zoo aardig de dag verschuilen. Langs de landen, 't zandpad over, zóó terug. O, die zálige lucht van et hout toch, na de nacht, et elzenhout; plots had ze neus èn mond er vol van, zóó as et rook. Later, fijner, de geur van et eiken. Toen, uit et hakhout: et berkenlaantje, al die lieve, bescheiden boomen, met die fijne, die keurige stammetjes. In de glanzige morgen, de stille landen.... Tòen had de kerkklok lìef geklepeld. Blij was zij naar huis gekomen, blij dat ze thuis was, blij dat er kerk, straks. Blij, toen ze zóóveel gezichten terug zag, die haar groetten, met een lachje.... In een stad enkel onbekende.... En nou! 't kon er niks meer schelen....! Mooi toch wel, dat fijne kroezen van et jonge boerekoolblad. Hè maar, nee! 't wàs nou heel anders, ja, héél anders as van morge. Dof de grijzig-blauwe lucht, dof en stoffig et suffende groen, al verherfstend. Kijk daar, achter, in de boone, alles dor, 'en rommelzoo--ook alweer voorbij, de zomer! Jonge wat 'en rupse toch. De tuin zag er anders vrij goed uit, 't viel haar méé, maar toch.... Ja, toen ze straks langs de hof van Schaap kwam, dat was wel nog heel iets anders! Nicht, wat dee ook Nicht al oud! Groo'moe, Groo'va was begrijp'lijk. Maar ook Nicht!....
O, daar was Groo'va, klaar om naar de kerk te gaan.
--Ga je niet mee?
--Nee, Groo'va, 'k blijf nou maar bij Groo'moe.
Stel je voor, nou mee naar 't doope! Tweemaal op één dag naar de kerk! Vroeger eischte Groo'va 't. Nòu kòn ze dankje zegge. Heel kalm had ze 't gezeid, heel gewóón.
....--Dag Groo'va.... Groo'moe, ik kom dadelek, effe bove weze.
Hè, dat krake van de trap! Dat was zoolang as Geertje heugde--en nóóit was er wat an gedaan! Zoo iets most es weze bij meneer Heins in huis. De heele trap wier opgebroke! Net as beneje de kemode. Hoe lang was 't slot nou al kepot. En nou hing de sleutel d'er bij. Thuis, bij Meneer, wat had hij alles graag nieuw en goed. 't Ging vaak kepot, maar dat was de schuld van z'en slons van 'en vrouw. As 't van hem afhing, dan zou alles altijd eve keurig in orde zijn, zooas in de mooie-voorkamer. Wat hàd die man dáár 'en plezier in! Was dat nou wereldsch? Ja, Meneer was nou eenmaal niet kerksch. Maar vroeger de ouwe Mevrouw Wevers bevoorbeeld, wat was die niet op d'er meubeltjes gesteld! En Groo'moe in 'er fleurige tijd toch ook! 't Was alleen maar tegeswoordig. En dat Nicht Betje nou ook al zoo suf wier! En dan met die dweperige kwebbel van 'en Riek.... Goejig van Groo'moe om al de plaatjes hier weer op te hange! Maar daar kon je ook an zien dat ze oud wier! Geen enkel hing d'er op z'en plaats. Geen enkel! Heelemaal niet aardig zoo, niks geen smaak, et kwam niet uit. Och, 't wàs 'en armoejig zoodje, maar dan nog zóó gehange was 't niks!
Geertje voelde 'en beetje schaamte, dat ze ééns om die lorren zóóveel had gegeven. Ze was nu zoo heel veel meer gewend, ze had sinds zooveel gezien, ze had nu steedsche ondervinding. Ja, zoo'n dorp, om dood te suffen! De menschen kwamen d'er niet vooruit, d'er heele leven bleven ze 't zelfde. De dingen werden oud met hen, zij lieten ze verouderen, d'er was geen geld om nieuwe te koopen, d'er wier niet verdiend, de dood in de pot.... Nou, één dag was nu al haast om. Dan nog twee, dan ging ze weer! Héél lief nou maar zijn voor Groo'moe. Arme Groo'moe! toch zoo goed.... Eve, eve eerst nog denke. Wat zou Hij nou doen? Hoe laat was 't? Hallef drie. Misschien wel uit. Of misschien weer met de halters. Nou op zolder. Arme man. Dat je je door je vrouw laat verbiede om op et plat met je halters te werke. Bang? och nee, 't was goejigheid, om de vrede te beware. Ja, hij bang! Hij stond de mense. Maar hij was bang voor gekibbel. "Z'is niet gezond," zei hij verleje.... En Hij was juist zóó gezond.... Prachtig, as-ie met de halters; de zware dinge, ze ware zoo niks, op dìe arm die ze spelend wiegde.... En die hand! die mooie vingers--altoos éve keurig-netjes, onder 't werk, de heele week! Ja, Hij was een heer, een héér! méér as hier de burgemeester, of zelfs as Meneer van Groeneveld. En dìe man was ongelukkig, hij had 'en spook van 'en vrouw die 'em treiterde, die Hèm koejeneerde met nonsensdinge as dat gimnestiedoen 's zondags op 't plat! En Hij hield van haar, van háár!! O Gòd, as ze-n-em hier had, as ze-n-em maar eve hier had, dan mòcht-ie d'er nou zoene, zoene, zòene, zooveel as-t-ie wou, en zoo làng as-t-ie wou.... en.... en.... Wàs dat nou zonde? Ze deje same toch geen kwaad. Hij dacht 'er niet an om z'en vrouw te verlate.... "Goeie-vriende, anders niet," had-ie ommers zelf gezeid. Same moeste ze dit lijden. God moest meelij met hen hebben. Zonde kòn daar niet in weze, dat z' em troostte, zijn vriendin was. Och, die man! die goeje man!....
Nee! ze mòcht nou niet gaan huile. Groo'moe zou et zien, en vrage.... Eve maar de handschoen krijge!....
Net 'en week was dat nou geleje. En 'en uur. 't Was hallef vier.
Zoo as-t-ie de kamer toen inkwam, lachend! Net 'en kind, soms!--"Ben 'k niet mooi?!" En de Truuzepop an 't lache.--"Paatje, gaat u uit? Mag 'k mee?"--"Nee kind, Pa en Moe gaan 'en visite make. Jee, daar he'k m'en handschoene nog vergete. Koos, ga jij z'is effe hale. Moeder weet wel waar ze legge." Toen dat guitige gezicht, toen-d-ie, toe' Koos al weg was, zei:--"Wach', daar heb ik al 'en paar!" En die Truus, 'en pret, 'en pret!--"Die ben' van Geer', u veel te klein!"--"Wàt, te klein! ze staan me sjiek!" En dat strijke langs z'en snor, toe', met de handschoen òp z'en hand!.... Zou de lucht d'er làng an blijve? Drage moest ze de handschoen niet. Ook nie' meer in Rotterdam. 't Had van och'end best gekend, dat ze met d'er ketoene ging. Riek en Hanna Schaap hadde' ook ketoene. Iedereen hier.... Nou maar thuis droeg ze deze-n-ook nie' meer. Dan zou ze nog maar 'en paartje koope....
.... Ja, zóó rook z'en snor, z'en haar. Wat voor edeur, ze wist et niet,--héérlijk was et! Zoete handschoen!
Voorzichtig had ze de handschoen gladuit op het vlak van haar hand gelegd. En er, met gesloten oogen, de neus langs laten gaan. Lang, lang, zoo lang ze kon, haalde z' adem, en richtte dan, aldoor de oogen gesloten, het hoofd op, wanneer ze de adem terugblies. Ze voelde een trekken, een kit'lend gewriemel van kleine rukjes in de nek. Haar mondhoeken weken uit onder lichte pijnscheutjes. Het was, of er over het been van haar neus een koelte ging, een koele adem. Toen voelde z' een schok door haar lijf, naar haar buik toe, zij preste de handschoen in haar hand, drong haar neus in wat zijn reuk was, snoof!.... Ze kon geen adem krijgen! 't Was, of alles van haar wegging; schrijlings was z'op bed gevallen, zat daar, leunend, hoofd voorover....
--Geertje!.... Sloap'-ie?
Hè!?
Wat? zij slape? Nee! Ja! eve! Ja, ze was nog moe van gist're....
--Hè, wat doe je me nou schrikke! Groo'moe? Ja! ik kòm bij Groo'moe!
O, jou spook! Ellendig wicht! God! de handschoen op de grond! Zou Riek em hebbe zien legge? Och, dan wis' ze-n-ommers nog niks. Dat zìj glaceeje had. Nou, dan wis' z'et! haar 'en zorg hoor! 't kon haar nou niet dàt meer schele! Hè, wat had ze opeens 'en buikpijn! En zoo raar, zoo aak'lig mòe weer! Eve wassche, voordat ze naar Groo'moe ging.
Wat leek Riek toch op d'er broer. Dat wijsneuzige gezicht, waarmee ze door een kier van de deur had gekeken: net Willem.
Groo'moe, met 'er bril en een zendingsblaadje op schoot, zat haar te wachten.
--Ik had opeens zoo'n slaap, Groo'moe.
--Kind, wat zie je bleek! Was nog maar wat blijve legge! 't Spijt me dat Riek je wakker gemaak' heit. Och, ze is aldoor zoo vol zorg voor me.
--Hoe komp ze hier toch zoo over de vloer?
Het was er uit geflapt, voordat Geertje had nagedacht. Dadelijk had ze spijt van 'er vraag, want ze zag Groo'moe's gezicht betrekken. Ongerust, wendde Groo'moe met moeite het hoofd om. Toen herinnerde zij fluisterend aan haar oude vriendschap met Rika's moeder.
--'t Ben altoos me beste vrinde geweest. Heukelman mocht ik ook zoo graag lije. En Groo'va hield 'em in hooge eere. 't Was zoo'n ernstige man, 'en wezelik Christen. Waarom bei jij toch zoo tege die mense? Is dat nou alleen om Willem?
Aldoor fluisterde die zangerig-lieve stem. En met 'er glimlach-van-goedigheid keek Groo'moe terzij òp naar Geertje. Het was zoo lief-vertrouwelijk! Geertje vond zich onhartelijk, ongezellig, dat ze daar nog stònd, zonder stoel; ze had lust, op et zoo netjes aangeveegde plaatsje op de knieën te vallen, aan Groo'moe's schoot. Maar toen, weer met 'en ander lachje, zei Groo'moe:
--Weet je, dat ie gauw terugkomp?
--Ja!? antwoordde ze, zóó luid, dat Groo'moe weer naar het keukenraam keek. En zachter:--Dat verwondert me niet.
--Niet? Hadt jij et ook wel gedacht?
--Ja, maar daar hoef u niet om te lache. Ik vin et akelig genoeg. Maar dat ie niet daarginds zou blijve!.... 'En Heukelman die niet koppig zou weze!
--Kind, waarom zeg ie dat weer zoo? Je weet toch, dat ie oprecht je lief heeft....
--Groo'moe, wat kan mijn dat schele! Ik heb hem niet lief!.... En ik trouw nooit....
--Trouw jij nooit?.... Dan ben je zeker verliefd!
En goedig, vroolijk haast, lachte Groo'moe. Dat lachen ontnam Geertje een plotselinge schrik. Ze was daareven niet geschrikt. Niet van Groo'moe's mededeeling. Het had 'er alleen teleurgesteld, dat plotseling het lieve gevoel van vertrouwelijkheid was verstoord. Langs 'er lichaam was 'en verstijving gegleden; ze had zich làng gevoeld, als Groo'va, lang en recht, ze kòn niet bukken.... En ze had maar zoo wat gezeid, afgebeten, met 'er woorden; tot Groo'moe's laatste woord haar erg had doen schrikken. Maar Groo'moe meende 't als een grapje. Nu, dan kon zìj nog wel doorgaan. Was het ook niet goed? niet wáár? Ja, dàt was et, zij nooit trouwen--leven voor d'er stille liefde.
Zij voeld' een geestdrift haar doorgloeien, een gansch onverwachte verheugenis.
Behalve kleine geruchtjes uit de keuken, was geen ander geluid tot hen doorgedrongen, dan, bij tusschenpoozen, enkele galmen van Dominee's stem. Maar nu begon daar plots het orgel.--"Et middegezang", zei Groo'moe nog. Haar was 't muziek-bij-haar-besluit, zeer plechtig en statig, maar blij ook! ja! blij!.... Ze had wel kunnen schreien van vreugde, máár ze moest nu gòed zich houden, sterk zijn, kalm en erg voorzichtig. Wacht, ze zou nog maar wat zeggen.
--Nee, heusch, u lachte d'er om. Maar as ik Oom-en-Tante zie, en ook thuis, bij Meneer en de Juffrouw....
--Hoe dan? Gaan die niet goed same?
--Och, 't ben allebei beste mense. As de Juffrouw maar 'en andere man had, kon ik geen betere dienst verlange. Ik kan nou ook best met de Juffrouw overweg, 'k geloof dat ze mijn ook wel lije mag.... Maar dat gezanik van haar met-t-er man! Nou, en Meneer, as de Juffrouw d'er maar nie' was, zou ik et best met hem kunne vinde....