# Geerten Basse

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/geerten-basse-12008/index.md

Samen liepen ze langs de groene looverhuisjes, die ook boven op de gaanderij opgetimmerd waren ... Hier werd botgevierd de zinnelijke geilheid ... In de armen van bleeke jongens, door traag opgeslurpten Champagner opgewonden, lagen rookend en drinkend, de ver uitgesneden kleedjes los-hangend over de losgewoelde borsten, jeugdige meisjes, 't masker weggetrokken om vrij te laten den wulpschen, karmijn-rooden, zoen-gragen mond, waarop de nat-bloedlooze lippen der genieters zich vastzogen.

Gejaagd, nauw-ademend, met loerend-ijverzuchtige blikken liepen Geerten en Fientje, speurend, langs helsche lust-huisjes, waar door éenzelfde opgezweepte dierlijke genotzucht gedreven, mannen en vrouwen elkander omvingen; wijl buiten deinde de menigte der kijkgragen, met glunder-glinsterende oogen, spotwoorden roepend ...

Nergens was Lowis te zien ... Immer opgewondener drong Geerten verder, op zijn beurt meesleurend 't walgende Fientje ... Nu nog de benedenpriëelen langs!

De roeier botste op twee, heel-laag gedecolleteerde lichtekooien, die hem uitscholden: hij hoorde niets ... 't Zweet gutste hem over 't lichaam, hij trok het onderdeel van zijn masker stuk, hijgde naar adem. De haren los, het fluweelen buisje door toetastende handen half van 't lijf gereten volgde Fientje, gedwee ... Ze vonden niemand ... "Ze zijn weg," zuchtte ze, begon bijna te weenen ... Geerten vloekte ruw ...

Samen verlieten ze de zaal ... Ontdaan, sprakeloos, doorkruisten ze de stad, trokken koffiehuizen binnen en uit, in doelloos zoeken. Het motregende ... Het water sijpelde hun door de kleederen ... Geertens witte hemd was met slijk besprinkeld ...

Voortdurend vlotte de menigte langs de hel-verlichte straten, en 't leek hen of er vele dagen verloopen waren sedert hun vroolijken tocht per natiewagen door de leutig-feestvierende stad ...

Geerten gevoelde dat hij nu overwonnen was, dat de stille strijd tusschen hem en Franske om 't bezit der plezierige schoonheid van rosse Lowis nu geëindigd was met zijne neerlaag ... Een oogenblik kwam de gedachte in hem op zich met Fientje te wreken, doch ze zijlings beglurend in het smart-verwrongen gelaat, vond hij ze te miezer en niet begeerlijk genoeg. Thans, na de opwinding van den dag, werd hij intens bewust hoezeer die vrouw hem diep in 't bloed zat.

Toen de kille morgen naakte en de wandelaars schaarsch werden, liet Fientje Geerten alleen ...

"Ik ga naar huis zei ze, misschien is Frans dàar, maar 'k denk het niet ... 't zal wel "af" zijn tusschen ons ..."

Treurig, sukkelde Geerten door verlaten straten van eenzaamheid. De fijne regen druilde aanhoudend neer, deed spiegelglimmen de steenen ... Zijn mombakkes hing af, losjes zwierend aan het bindsnoer ... Aan de werf slenterde hij van kroeg tot kroeg, verstompend zijn denken door borrel nà borrel, tot het schuimspeeksel de lippen vieselijk bekroesde ... Van 't gaanpad zwijmelend, gleed hij uit en viel, langsheen in 't slijk; werd door een nachtwaker opgeholpen ... Voort strompelde hij weer, nu eens schuivend langs vuil-vochtige gevels, dan weer knieënknikkend zwalkend naar 't straatmidden toe ...

Er begon beweging te geruchten in de loom-ontwakende stad ... De eerste tram snorde voorbij, werklieden, nog slaperig, togen naar hun arbeid, bespottend den smerigen maskeraad met de loddelijk-bengelende doodskop-mom ... Straat-in straat-uit sjokkerde hij, in de triestige klaarte van den smokkeligen regenmorgen. Het stadsleven ging alweer zijn gewonen gang. Onbewust was Geerten in 't buurtje gekomen, waar Lowis woonde ... Langsheen de huizen scherend, door al de buren nageoogd, en van de joelende straatjeugd gevolgd, geraakte hij voor de deur van 't kabberdoesken ... Met groote moeite trad hij de stoep op ... stootte de deur open ... de bel relde ... Zwijmelend, van zich-af spuwend, met verdwaasde oogen stond hij midden den reeds opgefrischten vloer der gelagkamer.

Daar verscheen Lowis, in haar nachtjak, ver-open op blooten blanken boezem en Franske in hemdsmouwen. Nog vóor Geert den tijd had een woord te bazelen had Fransken hem omvangen, en Lowis de deur wijd-opengegooid. Met een flukschen duw en een trap van de bazin, vloog Geert de deur uit, tuimelde zwaar op de slijkerige steenen.

Ontnuchterd richtte hij zich op, en aangehitst door de talrijke kijkers, wilde hij de deur instampen, gelukte erin ze te ontsluiten, doch werd door Franske terug gedrongen en met één stomp midden de borst neergesmakt, wijl Lowis op hoonenden toon, dat allen het hooren konden, hem achterna riep: "Vijg!!" ...

Grommelend-vloekend, bezag hij woedend de gegrendelde deur ... zwierf dan voetje voor voetje, machteloos-zwikkend, binnensmonds verwenschingen lallend, verder in zijn potsierlijk maskeraden-pak.

"Pietje de dood!" huilden gier-lachend de straatjongens en saamgetroppelde buur-vrouwen spotten plat-weg: "Hoorndrager" ...

Vuistdreigend keerde hij zich om ...

"Worst!..." "Vijg!!..." "Pietje de Dood!!..." brulden de kinders, den waggelenden roeier steeds dichter naderend om aan zijne fladderende hemdslippen te snokken ... vluchtend wanneer hij zich omdraaide ... En "Vijg"-roepend, grabbelden ze in den modder, wierpen met groote klodden, die uiteenspattend tegen zijn goor plunje pletsten en erop kleven bleven.

* * * * *

Eerst in den morgen van den volgenden dag werd Geerten wakker, zette zich half recht, voelde zijn dikke tong droog in den papperigen mond, wreef zich de nog-zwaar neerhangende oogleden en gaapte met vervaarlijke openspalking der ruig-behaarde lippen ... Stil-aan rees hij uit zijne verdooving, kwam bewustzijn in zijn kop. In de smerige bedompte kamer viel schaars het zonnelicht, even beglansend den grauw-rooden tegelvloer, met kleine vlammetjes fonkelend in de glasstolp van den kruis-lieven-Heer op de schouw. Op de kachel stond de moor suizend te stoomen ...

Trees slefte rond in 't keukentje, sloeg haar vent van ter zijde gade, wachtend op zijn eerste woord. Klappijen hadden haar den vorigen dag, nadat ze Geerten 't vunzig-besmoezelde pak had uitgetrokken en te bed geholpen, 't gebeurde in 't lang en breed verteld, haar den wijzen raad gevend van deze gelegenheid te profiteeren om Geerten thuis te houden ... Trees had heur beste kleeren aan en heur vuil donker-bestoven haar zat strakker dan gewoonlijk in twee stijf-weg-gestreken blessen ... Ze schonk koffie op, onafgebroken sprakeloos loenschend naar Geerten wiens tanige verwilderde kop, terug neergezakt was in 't kussen ... Eindelijk nam ze een kop, spoelde ze gauw uit, goot ze boordevol koffie, bracht ze haren man ... Die ongewone vriendelijkheid verwonderde hem, deed hem zacht-aan en meesmuilend slurpte hij met groote slokken den drank, die klokkend spoelde door zijn bier-vuile keel ... Plots Trees aankijkend, taalde hij verbaasd:

"Hedde-gij, verdraaid uwen besten tenue nu niet aan ... Pruttige?..."

--"Ja, Geerten ..."

--"Wel, God van maranten, zoude niet omvallen en ter eere van wat Heilige?..."

--"'t Is moeder-zaligers sterfdag en ik moet naar den dienst, in de Preekheeren ... dat weet ge toch wel ..."

't Leek hem de moeite niet meer waard, daarop te antwoorden. Allemaal centen weggesmeten, meende hij, en liet Trees betijen zonder naar heur om te zien, tot ze eindelijk vertrok na lang zoeken in eene half uit-de kast hangende lade, om heuren paternoster te vinden ...

--"Zijt gij nog thuis, straks, wanneer ik terugkom?" vraagde ze ...

--"'k Weet niet ... 't Gaat u niet aan ... Salut! en den wind ván achteren!..."

Wanneer zijn vrouw weg was, sprong Geerten 't krakende bed uit, begon zich te wasschen in een grooten emmer koel water ... 't Was hem een weelde de frissche nattigheid over rug en harige borst te laten stroelen, en proestend spoelde hij zijn zeep-schuimenden ruigen kop, dat de haren recht stonden in dikke klisjes bijeen-geplakt ...

Nu was hij heelemaal opgeknapt en onder het eten der dikke met margarine besmeerde brood-hompen, kwamen als een martelende obsessie de herinneringen aan 't gebeurde van den vorigen ochtend in hem opdringen. Geerten had verdriet, nu hij wist hoe het onvermijdelijke gebeurd was: tusschen hem en Lowis was alles gebroken en uit.

Kauwend op zijn pruimpje zon hij op wraak, doch het bleek hem weldra bespottelijk zijn plannen te volvoeren. Het hielp tóch niets dat hij Fransken paars en blauw sloeg of de ruiten van 't kroegsken ging ingooien ... Aan zijn vroegere onoverwinnelijke kracht was hij, sedert het gevecht met venijnigen Charel, allengskens gaan twijfelen. Wat zou die lachen en leute hebben om zijn ongeluk ... Hij hoorde hoe de anderen meevooisden: "Dats rats in mijn voeten" ... Franske mocht doen wat hij verkoos: immers 't was een jongman, en dat hij Fientje Mossel zitten liet was een dagelijkschheid, waarover na een wijle, de ratelende tongen wel zouden zwijgen. Zoo redeneerend, besloot Geerten van zich maar in het ongeluk te schikken. Iets anders nam hem nu heelemaal in en dat zou worden zijn wraak ... op Lowis en schoon Franske ... den Venijnigen en al de andere luizen: nu zou hij zijn moteurken welhaast bezitten.

Kort ná 't geval met het in stilte verschacherde vat wijn, was hij in onderhandeling getreden met een constructeur voor 't bouwen van een sierlijk bootje, en daags vóór vastenavond-nog, had hij toegeslagen en een voorschot aan den wantrouwenden handelaar afbetaald ...

Wanneer Geerten aangekleed was, trok hij naar het werkhuis om den bouwer spoed te doen maken, want hij wist wel dat hij voortaan bij de andere bootjes-roeiers niet meer in tel zijn zou ...

Iederen morgen bijna, ging hij nu kijken hoever 't met zijn moteurken stond, en wijl hij nu geen geld thuis bracht, dwong hij Pruttige Trees, elken dag met haren stootwagen vodden te gaan rondhalen in de stad ... 's Avonds moest ze 't geld, dat de opkooper haar betaalde voor de vuile lompen, aan Geerten aftellen en wanneer ze te weinig aanbracht, raasde hij vloekend en dreigend ...

Op een namiddag deed hij zijne oude roeiboot op een steekkar thuis brengen, begon ze dan op te schilderen ten-einde ze te kunnen verkwanselen, want in zijn ijver om 't mooiste moteurken te hebben had hij er versieringen doen aanbrengen, die den prijs ervan deden stijgen boven 't bedrag waarover hij beschikte ...

Trees waagde niet uit te vorschen waarom Geerten niet meer roeien ging; ze meende dat hij zich schaamde over zijn belachelijk avontuur met Lowis, want voor haar bleef de aankoop van 't moteurken een geheim.

Nu ze 't oude roeibootje liggen zag, op de binnenplaats met de versch-geteerde zwartglanzende kiel in de lucht, durfde ze eindelijk te vragen aan Geerten, die ijverig-borstelend de boorden licht-rood kleurde ...

--"Wat zijt-ge nu van zin, Geert, met uw bootje"?...

--"Verkoopen," snauwde hij norsch ...

--"En dan"?...

--"Verrekt", klonk het nurksch-kort-af ...

"Brengt maar eens thuis," voegde hij er bevelend aan toe, veegde dan heel voorzichtig de schel-roode verf uit, profijtelijk-kauwend op een oúwe pruim, speeksel spritsend links en rechts in vuil-donkere vlekken op de grijs-blauwe steenen ...

Van tijd tot tijd nu, trok Geerten de Schelde over naar Sint Anna, waar hij den huisbewaarder der Yacht-Club bezocht, met hem hernieuwend de kennismaking van vroeger toen ze samen als lichte matrozen vaarden op den "Devonshire" ...

Sluw-royaal trakteerde hij, nam den Bart in vertrouwen, deelde hem mee hoe hij in 't geniep een motorbootje liet maken, vroeg of hij hem zou aanbevelen bij de heeren der Club, om hen over te brengen, wanneer zij in den zomer naar op-stroom-gemeerde zeilscheepjes wilden komen ... Vreugdevol staarde Geerten nu de toekomst in, die hem tegenlachte, gul en veelbelovend ...

Op een avond, keerde hij, in-vroolijk, bijna uitgelaten, terug van den constructeur, die hem 't bootje had laten bekijken ... Kant en klaar was het, alleen moest het nog wit-geschilderd worden en van rood-fluweelen zitbankjes voorzien ... Heel helder zag hij de ranke slanke lijnen van den scherpen boeg, en de fijne buiging van de flink-stevige kiel, waar, heel van achter, het kleine drie-bladige schroefje aangebracht was. Nog een week geduld en 't bootje zou door 't Scheldewater klieven ...

Peinzend en zinnend beende hij, door oude gewoonte gedreven, langs de straat, waarin de Plezante bazin woonde. Vóór het huis was het zwart van bijeengedromd volk ... Nieuwsgierig naderde Geerten ... Hij hoorde 't door elkander roepen van twee hoog-schelle vrouwenstemmen, ópjoepend boven 't gelach der omstanders ... Hij herkende de taal van rosse Lowis, was een oogenblik ontroerd, naderde toch om te zien.

De plezante bazin, schoor-staande op beide uitgespreide beenen, de armen wijd-open, versperde met heur zware gestalte de heele deuropening ...

--"En ge zult er niet binnen," krijschte zij, uitdagend ...

--"Smerige rosse hoer"!!...

In de pletsende klaarte der hel verlichte vitrine stond Fientje. Snel vingerde ze in heur kapsel, dat slierend losgolfde op haren rug, greep een paar haarspelden, en heesch-vloekend, wipte ze op Lowis af, poogde haar 't aangezicht van-een te krabben.

De rosse schoot naar heur aanvalster toe, greep ze bij de hangende haren, trok er-mee, woest sleurend dat het meisje van pijn gilde. Met brusken armzwaai klauwde Fientje de bazin door 't van inspanning hoog-paarse gelaat, dat het bloed langs heur kaken biggelde ... "Daar leelijke smots!" ... "Allemansgerief" ... Lowis wilde de tierende vrouw omklemmen, doch zij verweerde zich dapper, greep de bazin in 't roode haar, dat de dikke vlechten uit-een vielen, trok met een sprong de mooie valsche krullen af, smeet ze op den grond, tot groote jool der gapers ...

--"Wat is hier te doen, baaske?" vroeg een juffrouwtje aan Geerten ...

--"Twee wijven die vechten" ...

--"Waarom?"

Zonder antwoord te geven, bang de aandacht te trekken, nu vooral wijl hij Fransken uit het portaal der herberg springen zag om de twee worstelende harpijen te scheiden en partij voor Lowis te kiezen, trok Geerten voorzichtig af ...

* * * * *

Weldra was het overal bekend dat Basse een moteurbootje in de maak had en er eerstdaags mee op de Schelde verschijnen zou. Dit nieuwsje verwekte onder de bootjesroeiers een opschudding van belang, vooral toen ze vernamen dat de "Vijg" op aanraden van Bart van de Yacht-Club in alle Vlaamsche en Fransche kranten eene advertentie had doen plaatsen, waardoor hij beleefdelijk verzocht om de gunst van 't publiek, en zich ter beschikking van ieder stelde voor 't maken van vaartochtjes aan billijke prijzen, op den stroom. Ze vermoedden wel, dat Geerten den Bart lekker had mogen betalen voor die hulp, maar 't gaf hun tevens de zekerheid dat de mededinging nog scherper worden zou.

Rik-Schampavie-zelf, duchtte Geertens concurrentie, het meest wijl hij nog steeds iedere week geld aan den baas uit 't Feschken afkorten moest. Er ontstond van lieverlede eene toenadering tusschen de ploeg van Rik en de gewone roeiers. Geen dag ging voorbij of er werd over Basse gesproken in dreigende woorden, en iederen morgen verwachtten zij er zich aan het spik-splinternieuw moteurken te zien wegtuffen, sierlijk snijdend door 't groene Scheldewater.

Vooral schoon Franske smaalde op zijn vroegeren makker, dien hij nu haatte en vreesde tegelijkertijd, wijl hij hem verdacht Fientje te hebben opgestookt tot het opstootje, waar de vuurrosse schoonheid der plezante bazin, zoo deerlijk gehavend was uitgekomen. Hij was ook naijverig, in stilte bang dat Geerten zijn oude plaats in 't hart der veranderlijke Lowis, terug innemen zou nu hij met zijn motorken meer geld verdienen kon ... Vloekend en tierend, zette hij bulderend, de anderen aan het bootje bij de eerste gelegenheid de beste te vernielen ...

* * * * *

Door de koepeling der doorschijnend-blauwe mei-morgenlucht, waarin zweefden de roomige wollige wolken-vlokjes, goudomboord en flossig, vloeide 't heerlijk jeugdige zonnelicht, de heele ruimte doortintelend met glanzende klaarte, gloeiend op de vergulde tinnen der hooge huizen en kristallijnig flonkerend in de opsprinkelende waterdroppels boven de schuimstrepen, die zachtziedend uitlijnden achter de staag-forschig malende schroef van een wegstevenend stoomschip ...

Rank-wit, sierlijk vlug schoot Geertens moteurken door de opkammende bobbelbaren beschubd met kwijnend-gouden lichttintelingen, door elkander wemelende schakeeringen van veranderlijke kleuren: licht zee-groen vervloeiend tot diep-hemelazuur teer-blank gestreept ... Zijn bootje huppelde blij en gezwind op de hobbelende golven, die achter den loggen stoomer uitwaaierden, tegen den oever klotselend verstierven ... Heerlijk, overmoedig-jong, klonk het doffe tuf-ontploffen over den wiegelenden vloed, werd door de kaaien teruggekaatst ...

Langs den scherpen boeg sprong het water òp, gleed kabbelend op-zij, vloeide in gesmijdige lijning terug omlaag, langs de blanke flanken, in de diepe barenwemeling, werd eindelijk tot wit-opborrelenden schuim-staart geslagen door 't onzichtbare schroefje ...

Met volle kracht, bij kort klare knallen van den motor, scheerde het rijzig-lijnende vaartuigje over de deining als een witte meeuw, drijvend met langs het lichaam gestrekte vlerken, keerend en wendend, lenig-slank, brekend den opsprinkelenden golf-slag, die het een oogenblikje, zacht-veerend dansen deed ... Zoetjes dobberend sneed het door de ruischend-bruisende wriemeling der rolle-bollende baarkens ...

Geerten had daar juist zijn vijfden klant overgebracht, en nu vond hij er een danig genot in zijn moteurken te doen heen en weer varen, midden de zon-overgoten rivier ...

Eene overzetboot paddelde voorbij ...

De menschen op het dek oogden het mooie òp wippende scheepje ná, dat Geerten dwars-door 't vaarwater stuurde ... Traag, onder 't forsche buigen en strekken van spierig-pezige armen, schoven roeisloepjes over den stroom, moeilijk vooruitkomend tegen het opkomend tij, dat de vaartuigjes altijd afdrijven deed.

Schoon Franske, keerde terug van Sint-Anneken. Zijn bootje was leeg ... Regelmatig plonsden de riemen in 't water, deden duizenden zon-doortintelde druppels opstuiven bij elken slag ... Zijn plat-bodemig schuitje was log en zwaar, moeilijk om te besturen.

Tuffend kwam Geerten aandrijven, klievend door de meevloeiende strooming. Franske stuurde zijne boot dwars voor 't moteurken ... Plots-opschrikkend, wilde Geerten opzij-wegschieten, doch de vloed voerde hem mee en met een doffen knots botste hij met groot geweld op Franskens schuitje, dat koppeken onder deed, weer boven kwam ... De motor stond stil, pufte niet meer ...

Franske was overeind gesprongen, een riem hoog-opgeheven, vloekend ... Met een forschen armzwaai bonsde de roeispaan op den half-verdekten boeg van 't moteurken, sloeg een diep bosselende bluts in 't zink, deed de afblottende verf in schilfers rondspringen.

Woedend, schor-schreeuwend greep Geerten zijn noodriem, die in 't bootje lag, zette zich schrap-schrijlings op 't rood-fluweelen zitbankje, zwierde met uitgestrekten arm zijn riem boven Franskens kop ... Van den oever kwamen roeibootjes aanvaren, snel voortbewegend onder de dubbel-krachtige slagen der nieuwsgierige mannen ... "Zóo rap hadden ze't nu toch niet verwacht" ...

Met een fellen slag verbrijzelde Geerten den riem in Franskens hand ... De brokken ploften in 't water en van den hevigen schok wiegewaagden en dobberden de bootjes, wild stijgend en dalend ... Ras vatte Fransken zijn tweede roeispaan, hakte er geducht mee op 't witte vaartuigje, dat bij elke wiegeling water schepte.

Al de roeischuitjes lagen samengeschoold om de worstelende mannen, wier machtige gestalten flink-omlijnd, pezig-stoer, klaar-afgeteekend stonden op de ijlheid der zon-doorgloeide meilucht. De kampers repten geen woord, hijgden van inspanning, elk oogenblik vreezend den noodlottigen houw, die hun deinend bootje zou doen kapseizen ... De kijkers riepen, hitsten hen op lijk vechtende honden. Op de wandelbruggen, op de dekken der schepen, aan de kade, verdrongen zich de toeschouwers, staarden met verwonderd-angstige blikken. De hevelende kranen, stonden een pooze roerloos met in de lucht den bengelenden last aan den stijf uitgestrekten arm, en gedurende een oogenblik, hing ongewone stilte boven den rimpelenden stroom, waarover laaide in slinger-strepen vloeiend goud, de pure straling van 't zonnelicht.

Geerten bukte zich, den ruig-behaarden kop intrekkend tusschen beide schouders, wipte dan weer recht, kapte als een bezetene op Franskens schuitje ...

Plechtig-bijna, hief Franske de zware roeispaan krampachtig met beide handen omkneld, omhoog, wijl zijn bloeddoorloopen oogen uitpuilden in 't roodblakende toorngezicht, zijn nekpezen als koorden spanden, en zijn spieren dik-bolden; liet nu brusk den riem met volle kracht neerbonken op Geertens schoft. 't Moteurken sloeg op-zij en met een plof plompte Geerten 't water-in, dat hoog opspatte in iriseerende droppels ...

Basse's kop, kwam even boven ... Uitgestoken armen klampten hem vast, wierpen hem in een bootje, dat naar de stad terugvoer ... Onderwijl was 't moteurken midden kokende schuimbobbeling van 't hevig woelende en wentelend-kolkende water, gezonken zonder dat één der roeiers er een vinger naar uitgestoken had ... Franske bereikte al flikkerend 't Vlaamsche Hoofd ...

Geerten even tot bewustzijn teruggekeerd, had een wijle de visie eener groote wit-bepleisterde kamer waar in 't licht-gekleede mannen hem warm in wollen dekens rolden, dan hem neerlegden onder zwart-linnen kap van 't wiegende wagentje, dat hem naar 't gasthuis vervoerde.

* * * * *

Heel lijze sleepten de dagen voorbij en werden tot sleur-gelijke eenzame weken en eindelooze maanden voor Geerten, lijdzaam-wachtend de talmende genezing, die hem soms niet-wenschelijk scheen, want 't leven leek hem nu wreed en somber, weeïg van leegte en liefdeloosheid. Toch kwam de beternis stillekens-aan ... en toen hij rechtzitten kon en de heele zaal overkijken, waar nog vele lijders worstelden tegen de krankheid, haakte hij ernaar hier weg te zijn, uit die mokerzware muffe ziekteatmosfeer.

Regelmatig kwam Trees hem bezoeken en ook soms Sophie, zijn zuster, die druiven meebracht. Zoo vernam hij dat Lowis op trouwen stond met schoon Franske, die haar "zoo" gemaakt had ... fluisterde men ... 't Deed hem geen pijn: zijn geest was dof en voos. Alleen de prediktoon van Sophie, welke hem berispte om zijn vroeger slecht leven en hem voornemen deed zich nu eens voor goed te beteren, hinderde hem geweldig ... Zijn moteurken was verloren ... zijn krachten gebroken, 't roeien zou nu onmogelijk wezen ... Wrevelig-smartelijk tikkelden die gedachten voortdurend in hem òp, deden alles donker-dreigend en triestig schijnen ...

Eindelijk op een mooien Oogst-morgen, daverend van goud-glariënden zonneschijn, trillend van roerlooze warmte, mocht Geerten 't benauwende gasthuis verlaten.

* * * * *

't Avonde ... De laatste bloedstrepen vergloorden, en over de diep-azuren lucht kwamen donkere voolen zweven, waarop twinkelden, heel zwakjes nóg, enkele sterren, goud-sprinkelingen gelijk op zwaar-fluweelen mantel-sleep ...

Tusschen de boomen der lanen hing de zoelte nog loom en drukkend ... Met zijn samengerolden mantel over de schouders, zijn dunne kleederen flodderig-hangend om 't vermagerde lijf, de groot-kleppige klak diep over den fel-vergrijsden smal-geworden kop, toog Geerten naar het verre-weg liggende zeilschip, waar hij nacht-waak had gekregen door tusschenkomst van zijn schoonbroer, den waterklerk ...

Hij klopte zijn vunzende pijp uit tegen zijn schoenzool, stapte dan verder, de haven toe ... Voor hem, tusschen de donkerte der stofferige boomkruinen, zag hij vagelijk spitsen hel-gele of blanke masten, waaraan kruisten de raas, dik van opgerolde zeilen ...

