Part 2
Hij lachte, op voorhand genietend van wat hij zeggen ging ... "Hij 'n heeft voor niets, vroeger, in geen tien jaar bij zijn vrouw geslapen ... Ah-ah-ah!... Veel kinderen wilde hij niet!... Ah-ah-ah!... Dien H. Jozef!... Niet kwaad zijn, zulle Geerten!... 't Is maar bij manier van spreken!" ...
Dat was 't oude geschiedenisje, dat hij vroeger zoo dikwijls had moeten slikken en waardoor uitgelegd werd, waarom zijn zuster Sophie, de bloem van 't kwartier, juist tien jaar jonger was dan hij ...
Wanneer de laatste achterblijver binnen was, begon de beraadslaging ...
Venijnige Charel deed een verwoeden uitval, waarin de motorbootjes vervloekt werden, en de invoerders voor uitgekochten--een woord, dat hij op de laatste socialistische meeting gehoord had--van 'nen vuilen herbergier, gescholden werden ...
Hoe heviger de door jenever en bierdampen opgewonden spreker donderde, zich heesch schreeuwde, zijn tanig-onbeduidend gezicht waarin de oogen uitpuilden, rooder werd, hoe meer Geerten bijna-onverschillig luisterend de noodzakelijkheid begon in te zien, om zelf een motorbootje te bezitten ...
Zich hullend in dikke rookwolken, peinsde hij, wikte en woog, herkauwend wat gedurende den heelen dag niet uit zijn kop was geweest, wat hem meer vervuld had dan de gedachte aan Lowis: hij zou kost wat kost een moteurken bezitten ... Een teug slurpend aan zijn nog vol glas, mengde hij zich een oogenblik in 't verwoede, dol rumoerige gesprek ...
"'t Is dien smeerlap van 'nen Rik Schampavie, die 't eerst akkoord heeft geslagen met den baas uit 't Fleschken aan de Werf ..."
De roeiers luisterden aandachtig, of hun eene openbaring werd gedaan ... "En die heeft hem 't geld geleend ... en nu moet den Rik, iederen dag een deel van de winst afstaan tot afkorting ... en daarbij 'nen grooten percent betalen!" ...
Neen, een eigen bootje wilde Geerten. Nog een beetje geduld maar--innerlijk jubelde hij--dan zouden ze den sterken Basse hooren tuffen tot over 't water ... Vader had wel wat geld ... Sophie gaf hem bovendien ieder jaar een twee honderd frank, rekende hij ... dat kon onmogelijk opgaan ... en ...
--"Nog een pint Geert?" vroeg vriendelijk Käthe de serveuse..
--"Ja, en 'nen beste erbij" ...
... Vader kon toch niet eeuwig leven ... hij was erg ziek ... bediend ... 't winterde fel ... wie weet?...
Terwijl Geerten mijmerend en afgetrokken volgde het razen der anderen, wier woorden beukten en scholden, als vloeken rolden uit de van toorn-verhitte, brutaal-stoeregezichten, hield Franske de oogen niet af van Lowis, die met een dronken Engelschman, hangend tegen den glimmend koperen toogrand, een sleepend praatje voerde ...
In den anderen hoek der gelagkamer, op een mooi-rood fluweelen zitbank, was Käthe terug tusschen hare twee klanten gaan zitten--piepjonge, baard-looze "printers,"[1] die haar met lodderlijkverliefde blikken begaapten en waartegen zij grapte ...
Noot: [1] Leerling op een schip: "Prentice."
Beide jongens naderden haar dichter, beproevend te zoenen heur frissche nat-roode, steeds treiterend weggetrokken lippen, tot zij de ondernemende indringers met klokkenden, hoogen lach op zij duwde hen aanmanend te betalen ...
Met vollen greep nam een 't geld uit zijn broekzak, liet het rinkelend tinkelen op de marmeren tafelplaat: ...
"Take what you like". (Pak wat ge wilt).
Franske keek het na ... Een gouden affaire dacht hij ... en weer staarde hij Lowis vlak in 't volle gezicht, blankend onder 't zware vlam-roode haar, waarin de valsche steenen der hoornen kammen vonken schietend flonkerden ...
--Wat 'n wijf! bewonderde hij en spottend-meewarig, viel zijn stralende blik op zwijgenden Geerten óver hem ... "Geen spek voor zijnen bek" ...
De zatte matroos zwalkte met knikkende knieën naar de deur toe, wierp dan de bazin eene kus-hand toe ... Geerten zag het en zijn gelaat bleef onbewegelijk-strak ...
--Niet jaloersch, peinsde Franske, nu, 'k zou het zelfde doen ... zoo'n schoon affaire!...
Hij pinkte eens naar Lowis, die nevens den "printer" was gaan zitten ...
Ze lonkte terug, heel natuurlijk ... De oogen van Schoon Franske blinkerden van louter leute ... 't Pakte wat hij sinds dagen als een vaag, bijna onuitvoerbaar plan in zich omdroeg ...
--"De teerlingen! de teerlingen!" riep Venijnige Charel zenuwachtig- gehaast.--"We zullen smijten en wie 't minst gooit, moet dezen nacht 't moteurken van Schampavie naar den duvel helpen, gelijk hoe!..."
--"Aangenomen?" vraagde Suske, frutselend aan de gouden oorringen, die hij droeg als voorbehoedmiddel tegen oogziekten ...
--"Ja! Ja!" Verward schreeuwden ze 't door elkaar.
Geerten, die een oogenblik met verre aandacht de sprekers in hunne heftige bewijsvoeringen gevolgd had, juichte luide toe, want Schampavie had hem, lange jaren geleden, eens in 't Schipperspaleis, de danszaal van 't kwartier, een kermislief gekaapt, en die smaad leefde wrokkend voort in Geertens borst ...
Heupwiegend kwam Lowis den teerlingenbak brengen. De mannen sprongen recht, namen plaats om de ronde tafel, juist onder den lichtenden gasluchter, midden 't vertrek. Lowis bleef staan, nieuwsgierig kijkend, zijlings-lonkend naar Franske, die heur voortdurend gadesloeg, bewonderend de gevulde ronding der borst spannend in 't zijden lijfje, waaruit mollig-gedraaid de wat sproeterig-roode armen staken ...
--"Allô, niet stooten zulle!"
De dobbelsteenen rolden in den bak!... "Negen! voor Suske!" Weer viel de stilte ...
Heimelijk naderde Franske Lowis, die hem vink-oogend wenkte. Nu stond hij nevens haar, kittelde even heur arm ... Ze schoklachte ...
"Zes!... Aï mij ... Charel!"
"Stilte!... Sst!..."
Wijl Geerten met gespannen aandacht eenen worp volgde, neep Schoon Franske, belust, in de malsche heup der deerne. Ze gaf hem een licht stootje met den voet tegen zijn been ... Zijn hart vloeide vol gloeiende zaligheid ... Hij moest werpen!... Als 'k 't hoogst smijt!... dan ... Hij dacht niet verder en gooide ... Twaalf ... Hoerah, Franske!... Overmoedig gierlachend, greep hij in 't geniept, achter Geertens rug om, de hand van Lowis, kreeg een fermen druk weerom ... trok snel terug, voelend de sluw-loerende oogen van Venijnigen Charel op hen gericht ...
Geerten was aan de beurt. Onverschillig bolden de ivoren kubusjes in de roodbeplakte doos, buitelden zottelijk koppeken over, bleven toen stil liggen.
"De twee apen!" (de twee eenen.)
Een schaterlachen doorschokte de lichamen der roeiers ...
"Gij moet gaan! Santé zulle," riep Charel hoonend.
"Daar doe 'k het orgel op spelen!" zei Lowis gekscherend, en met een kort klikje begon de metalen plaat te draaien en de tonen van een gevoelerig, alom-bekend Engelsch deuntje, trippelden door de kamer, dom-vroolijk en vuig-dartel, lijk den perelenden lach eener dolle maagd ...
Käthe zong mee ... De "printers" brulden onverstaanbare woorden, de roeiers hadden dwaze pret, tot de plezante bazin, met een klein gebaar, wat stilte verkreeg en Franskens welluidende, sentimenteel-bibberende neustenor alleen, in gemeen haven-engelsch, 't roerend "Chorus" voort-zong ...
Because I love You... My only one regret, Since then we 've never met Because I love you... Yes, my heart is yours!... Because I love you!...
Hij bezag Lowis, voelde dat hij haar bekoorde, dat ze "zijn" was ...
* * * * *
Geerten liep over den slijkerigen steenweg langsheen de eenzame kaden, nu en dan groote stappen nemend om te mijden de wijde plassen door den regen achtergelaten ... Een bolle wind woei ... Met schrikkelijk razen holde hij over de zinken afdaken, deed de flakkerende gasvlammen dansen achter de driftig rammelende ruiten, huilde woest in het touwwerk der vast-gemeerde schepen, waarvan de zwiepende masten, nauw zichtbaar in de duisternis, boven de goederloodsen uitstaken ...
"Wat 'n hondenweer," peinsde Geerten ...
Hoog in de lucht, nu en dan mat-zilvrig beglansd door een ronde maan, zeilden wild over 't waterig blauw de witte wolken, die de bries uitrafelde en stuk-scheurde, de flardende brokken met omstuimige vaart voort-jagend ... Een eenzame locomotief, uitpuffend blanke rookpluimen, seffens door den gierenden wind tot pluis verstoven, manoeuvreerde, af en toe luid-gillend ... Geerten hoorde hoe losgelaten wagens donderend tegen elkander botsten, tot opnieuw weerklonk een eentonig toeten, gevolgd door rauw fluiten, en de locomotief een nieuwe reek rammelende wagens voortduwde ...
Geerten maakte de oorlappen van zijn klak los, bond ze onder de kin vast, want zijn ruige wangen tintelden van kou ...
Loopend langs de huizen, om zich tegen den zoevenden wind te beschutten, begon hij na te denken over hetgeen hij nu doen ging ... De frissche nachtlucht verhelderde zijn brein, waarin nog hingen nevels van wisky en gerstenbier. Hij moest gaan ... maar waarom was 't lot juist op hem gevallen?... Waaróm?... en wanneer alles nu eens uitkwam? Dan zou hij niet gemakkelijk uit de handen van 't gerecht blijven ... en de anderen ook niet ... Ja, ja, ze zouden wel zwijgen ... Kon 'n mensch wel iemand betrouwen?... Verdomd toch, waaróm was Franske nú juist bij Lowis gebleven?... Weer hoorde hij zijn eigen woorden van daar straks, toen de mannen allemaal reeds weg waren en Käthe met één der "printers" ook al heengegaan was!...
"Gaat-de mee doór, Franske?" ...
Waarom was Franske toch gebleven?... Hij kon er geen kop aan krijgen ... Nu was hij misschien al naar huis ... Hij trachtte zich die gepeinzen uit het hoofd te zetten, probeerde te denken aan hetgeen hij nu uitvoeren moest!...
Ik zal den moteur kapot kloppen, of een stuk er af vijzen ...
Maar onweerstaanbaar kwamen dezelfde gedachtekens, klein en bepaald, weer in hem optikkelen ... Neen, Franske en Lowis, dat ging niet ... Nen jongen van twintig en een wijf van in de veertig! Toch wist hij dat zijn redeneering geen steek hield, dat hij ze enkel wilde aannemen om rustig te kunnen blijven ... En hij woont zelf met zoo'n net lief ... Als ik er zulk een vinden kón! frisch en mollig, een bloem op een veld!...
Geerten vond die voorstellingen leutig, ze verdreven de achterdocht, die hem 't hart verknaagde ... Jaloersch was hij niet, neen ... maar toch ... Lowis was van hem, ... daar moest Franske zijn pooten afhoûwen of anders ...
De donkere Scheldebaren, opkammend met schuimende koppen, beukten razend de vlotbrug, die verlaten lag in den blauwenden maneschijn ... Wat verder, tegen de kade, donkerden de sombere scheepsrompen, beweegloos op den woesten, kletsenden golfslag van den door storm ópgezwiepten stroom. Van uit de onzichtbaarheid der wijdsche duisternissen kwam nu en dan, bij vlagen aanwaaien het schorre toeten van een aankomend schip ...
Geertens' dikgezoolde schoenen klopperden de houten brug onrustig; hem beving een gevoel van schrik, niet meer te overmeesteren hoe meer hij naderde ...
Beneden in het stillere water achter den steenen pier dansten lichtekens de roeibootjes, bij elken schuimgolf, die klokkend tegen den houten steiger klotste ... en wat afgezonderd, gansch met zeildoek overspannen, dicht tegen elkander aangeleund, dobberden die vervloekte moteurkens, rank en sierlijk in 't nu en dan door wolken verduisterde wijfelschijnen der maan ...
De stilte was zwaar, soms een korte pooze verbroken door 't heftig loeien van den wind en 't bulderend rollen der tuimelende baren van den hollen vloed.
Geertens moed nam af. Hij vond zich-zelven laf, futloos-laf!: een ongekend gevoel voor hem. In zijn beneveld denken klaarde geen enkel beeld.
Schuw speurde hij rond, sprong in een bootje, dat vast tegen den steiger lag: het wiegelde vervaarlijk, schepte wat water. Met een enkelen stap stond hij wijd-beenend overeind in 't naastbij liggende sloepje, dat hij zacht afdrijven deed tot het hem mogelijk werd zich vast te klampen aan den boeg van een ander vaartuigje, gemeerd aan een ijzeren ladder, die langs den kademuur daalde ... Nu was hij tegen de moteurkens ... Hij zou toeslaan ... Zijn groote lierenaar had hij reeds geopend om een groot gat in het over den motor gespannen zeildoek te kerven ...
Sluw-voorzichtig meed hij den vagen schijn van een lantaarn op de kade ... Kalm wilde hij wezen ... Nu zou hij 't doen; nu ... Als hij maar eens zoo'n moteurken bezat! Dwars door 't natte strakke zeildoek gaf hij een groote snee, trok dan gejaagd zijn mes terug. Voetstappen weerhelmden op de brug, die naar den steiger daalt. Omziende, bemerkte Geerten een blinkenden politiehelm, die hem ineens alle bezinning benam ... Vlug richtte hij zich op, het bootje waggelde, dreef wat af ... in een oogwenk had hij de ijzeren ladder gegrepen, trachtte op de laagste sport te springen. Zijn eén been plonsde in 't ijskoude water, maar met een forschen wip zijner sterk-gespierde armen trok hij zijn geheele lichaam omhoog, klauterde snel naar boven ... dan liep hij ijlings weg ...
De politieagent zette hem achterná ... Geerten hoorde zijn haastige passen achter zich, hol klinkend in de nachtstille straat ... De wind zoefde fluitend langs de huizen ... Daar kwamen matrozen aan ... Die zouden hem den weg versperren ... Vlugger repten zijn voeten. Een schril tuiten gierde, lang-gerokken, boven den wind uit ... Geerten wist wat dit beduidde: nu zou er hulp opdagen voor den agent. De zeelui waren vlak bij: ze breidden hun armen uit om hem op te vangen. Woester rende hij, niet voelend de matheid van zijn half-versteven been ... Met een razenden sprong, en forschen zwaai zijner knoestig-gebalde vuisten sloeg hij zich door de half-dronken mannen heen ... Dáár was een smal zijstraatje, met een rappen zij-sprong was hij den hoek om, ademde toen wat rustiger, liep minder snel, overtuigd dat zijn vervolger hem nu niet meer op de hielen zat. "Als 'k maar de wijk uitkom, dan zal de sloeber me niet meer volgen." Met flinken tred hamerde hij de droog-gewaaide gaanpaden, kwam op de lanen, waar de wind de naakte magere boom-geraamten schudde, afknakkend de doode takken, die met een doffen smak neerkwakten op den harden grond. Hoog in de lucht jachtten nog steeds de donker-dreigende wolken. Uitblazend, liep Geerten na te denken. Mislukt! Hem kon het gaar niet schelen, maar wat zouden de anderen zeggen! Franske en Venijnige en Suske en de rest?... en dàn Lowis?... Dat ze verdomme allemaal dachten, wat ze wilden ... maar Lowis?... bah ... dat zou wel schikken ...
Straat-in, straat-uit stapte hij, recht naar de kroeg zijner vriendin. Nu stond hij voòr de dichte deur, zwarten rechthoek in den hel-gelen gevel, waarop amerikaansche en engelsche vlagskens geschilderd waren. De straat lag eenzaam en verlaten-stil ... Geerten klopte, het klonk dof door heel het huis.--Geen roering kwam er achter de neergelaten voorhangen op het eerste, waar Lowis sliep. Met saamgeknepen vuist, bonkerde hij harder en harder op het nauw-toegevende paneel. Dan ging hij midden den steenweg staan, strak-starend naar de bovenramen. Niets bewoog ... Hij merkte, laag, tusschen de franjes der rolgordijnen het zachte wijfelschijnen van het vet-pitje, dat steeds brandde op de nachttafel naast hun bed ... Zoo duidelijk zag hij alles vóor zich. Zoo warm was het nevens heur bloeiende lijf ... De hevige wind deed zijn losgeknoopte jas opflapperen, versteef zijn nat-koude been. Vloekend, met krampachtig-gebalde knuisten, begon hij op de deur te beuken, woester en woester steeds, wijl de toorn in hem vlamde, daar in-eens, in hem het pijnende vermoeden klaar-geworden was, dat Franske bij Lowis kon zijn ... ofwel een ander ... zooals vroeger ... een van die jonge snotneuzen van "printers" ... zij éen en Käthe éen, overlegde hij ... "Sakkerdomsche ros!" Zenuwachtig-kort bonsde hij op de niet-wijkende deur, waarachter alles stil bleef en roerloos ... Niets hielp ... "Als dat moest waar zijn! 'k vermoord ze morgen allebei ... zoo'n smeerlappen!"
Mismoedig, uitgeput, toog hij naar huis, om daar te slapen, wat hem sinds langen tijd niet meer gebeurd was ... De zware poort van zijn steegsken stond op een kier ... Hij duwde ze open, liep behoedzaam langs den muur, voetje voor voetje, bevreesd van tegen een stootwagen te loopen, stak dan het enge binnenplaatsje over, trad zijn huisje binnen ... Toen hij de lamp ontstak, na lang scharrelen om stekjes te vinden, schoot Trees wakker. Ze zette zich in 't bed overeind. In heur vieselijk gezicht plakten de hangende haren. Ze wreef zich de oogen uit, wierp het gore deksel wat terug ... keek slaperig-verbaasd ... "Zijt gij daar?" vraagde ze verwonderd ... "wat 'n eer van u te zien!..."
"Laat me gerust" bromde Geerten, zich uitkleedend.
--"Buitengesmeten" meesmuilde ze nog spot-lachend ...
--"Zwijg, verdjuusche, zatte teef!..." Hij zag de jeneverflesch half-leeg, op tafel staan, nam ze òp, zette ze aan den mond en met klokkend geluid slokte hij eenige teugen naar binnen ... Dan kroop hij bij zijn vrouw, tusschen de vunze lakens ... "Allez, schuif-op, vijf voet van mijn lijf, Pruttige ..." Trees gehoorzaamde, grommelde tartend: "Bij Lowis èh, daar is 't schooner ..."
--"Gaat ge zwijgen!" De gedachte aan zijn lief, deed hem pijn ... Toen hij, door den drank beneveld, reeds half in slaap was, schudde Trees hem opnieuw wakker ...
--"Geert!... Geert!... vader is slechter. Er moet bij gewaakt worden" ...
--"Laat me gerust, ... 't is goed ..."
Met trage galmen sloeg het vier uur, op de huisklok ...
* * * * *
's Anderdaags was het laat vooraleer Geerten op de kaai kwam. Eerst durfde hij niet gaan, eindelijk had hij zijn schaamte overwonnen: Zouden die moedige mannen blijven voortwerken, wanneer een polies naderde? Dàt wist hij wel beter ...
Het weder was opgeklaard. De lage zon wierp op alles een zachten schijn, deed lichttikkelingen dansen op de nog schuimgekopte golfjes ...
't Zal toch nog regenen, meende Geerten ...
Suske, Venijnige Charel, Domien en heel het zooitje, stonden bijeen, toen Geerten, de handen diep in de broekzakken, met zwalkenden gang, hen naderde ...
Seffens vraagden ze hem, nieuwsgierig en drukdoende, naar zijn wedervaren van den vorigen nacht. De uitslag was hun reeds lang bekend, want Rik Schampavie en zijn kameraden--de onderkruipers!--waren al een keer of twee overgevaren met "typen" van de Yachtclub. Tegelijkertijd brachten ze elkaar op de hoogte van de schade, die de storm van den nacht aan enkele yachten had aangericht ... Wèl hadden ze den Rik hooren sakkeren en vloeken alle duivelen uit de hel, bij 't bergen van zijn zeil, maar hij was toch vertrokken ... dus was alles mislukt ...
Geerten moest bekennen en hij schaamde zich weer ... hij, die doorging voor den sterksten man van heel den "bassin", was gaan vluchten vòor den helm van een spichtig-mager politiemanneken.
"Wat 'n vijg!" spotte Venijnige Charel half-luid, "'t was verdomd juist de Sprot, die hier dezen nacht de wacht had,--zoo'n vijg."
Geerten hoorde het, verkropte zijn spijt, vroeg in-eens naar Franske dien hij niet ontwaarde, zóo maar om 't gesprek af te leiden ...
"Bij Lowis blijven slapen ... wat nu ..." schamperlachte Charel ...
Geerten stoof op: "Als ge dat nog zegt èh, breek ik U armen en beenen! Venijnige beest!"
--"'k Zeg de waarheid," snauwde de andere terug.
"Sakkerdju!" vloekte Basse rauw, rood van woede, bijna stikkend ... Met een forschen zwaai sloeg hij zijn rechterarm om Charels lijf, trachtte met de linkerhand zijn tegenstrever bij het leelijke hoofd te vatten.
"Hardi," kisten de toegeloopen omstanders, krachtige buildragersgestalten met bloote borst, tusschen de donker blauwe truien der bootjesroeiers.
Charel wankelde, viel ... Zijn kop bonsde op de bonkig-puntige kasseide, bloed sijpelde langs zijn haren ... De twee vechters rolden in 't slijk, lagen een pooze roerloos, zwaar ademend.
"Hardi!" "Houwen!" "Geeft hem het Geerten!" Basse lag boven, zijn vijand duchtig stompend, liet wat los ... Met een krachtigen ruk wierp Charel hem om, zette zijn linkerknie hem op de borst, voelde zich in-eens sterker, en begon verwoed, met hard-gesloten vuist, te beuken in Geertens zwellende gezicht, roepend met heesche keel dat allen het hooren zouden ... "Vijg!... Hoorndrager!!... Vrijwillige hoorndrager!!... Vijg!!!..." 't Deed hem deugd te kunnen uitbrallen zijn wraak ... "Hoorndrager!..."
De over de vechters heen-gebogen gezichten straalden van pret ... De roeiers lieten begaan, schudden de koppen: "Geerten is ver op ... hij heeft zijnen meester gevonden" ...
--"De garde! De garde!" ... klonk luide en spottend een hooge jongensstem ... Suske en Domien trokken Charel van Geerten af, die met moeite overeind kwam ... De diender, spleet door de omstanders, dreef ze uit-een, liet de vechters aftrekken ...
Geerten toog huiswaarts ... Alles deed hem pijn: zijn neus was afzichtelijk en zijn blauwe oogen zwollen, hij sleepte zijn gekneusde been. In dikke korsten droogde het zwart-vettige slijk aan zijn frak ... Met de mouw veegde hij de sprenkelingen van zijn pijnlijk gezicht. Dat was de eerste maal dat hij overwonnen werd, de eerste maal; 't smartte hem innig-diep te weten het afnemen zijner krachten, en meteen werd het hem duidelijk dat Lowis, Franske verkiezen moest boven hem, den bijna afgeleefden vent ... Toch wilde hij niet berusten ... Wraak zou hij nemen ...
Waarom moest het juist Franske zijn die hem bedroog ... Franske die zoo'n fijn liefje bezat, jong en gezond, veel netter in ieder geval dan die smerige rosse kloek. Hij vormde het vaste voornemen Fientje te verwittigen, want twijfelen aan hetgeen Venijnige Charel, zoo driftig en luide uitgeroepen had, deed hij niet meer ...
* * * * *
Gedurende enkele dagen, tot de gezwollenheid van zijn gezicht verdwenen was, bleef Basse van de kade verwijderd, terend op de luttele centjes, welke Pruttige Trees won met den verkoop van oude lompen. 's Avonds trok hij gewoonlijk naar zijn kranken vader, die op een kamerken woonde in eene niet ver-af gelegen buurt, bracht zoo een nacht of drie wakend door aan het ziekbed van den "Heiligen Jozef" ... Innig-overtuigd was Geerten, dat het met den ouden niet lang meer duren kon, en hoe stelliger zijn meening werd hoe meer het denkbeeld van een eigen motorbootje te bezitten op den voorgrond trad.
Dàt werd Geertens troostgedachte, waaraan hij zich vastklemde en die hem over alle geleden smart heenzette. Dàt zou zijn wraak wezen! Bersten moesten ze! Lowis en Franske en Charel en heel den "bataclan." Maar Lowis zou hij niet lossen, dat niet! Liever verloor hij zijn rechter hand ...
De plezante bazin, welke gehoord had van het gevecht door Geerten voor haar geleverd, was er door gevleid, en wel inziende hoe onmisbaar hij voor haar bedrijf was, had ze eenigszins berouw gekregen, dat ze hem met Franske bedrogen had ... Maar den jongen, krachtig-levenslustigen roeier met het lenige lijf en het mooie haast fijnbesneden nauw-zongebruinde aangezicht, wilde ze óók niet lossen ... vooral nù niet meer ... Ze peinsde en herpeinsde, wikte en woog, tot heur breed geweten zich tevreden stelde met de zoete oplossing, ze alle beî te houden--den jongeren uit groote verwachtende liefde, en in stilte ... den ouderen om zijn diensten, en openlijk ... Zoo was het goed want op Franske, kon ze niet zoo erg rekenen: hij was veel jeugdiger dan zij en vroeg of laat trouwde hij toch eens met zijn eigen lief, waarmee hij kamerde. Heel ijverzuchtig was ze niet, wijl ze 't leven nam lijk het komen wilde, hetgeen heur steeds voordeel gebracht had. Geerten bleef weg ... Ze besloot ten langen leste hem te schrijven, wel-bewust dat hij gaarne genoeg terugkomen zou, maar niet durfde ... 't Kostte haar oneindig groote moeite om met de zwaar geringde vingeren der stramme ongeoefende hand, zoo delikaat mogelijk, zonder vooral haar eigen waardigheid en fierheid eraan te wagen, de niet gewillig-opwellende denkbeelden op papier te brengen ... Käthe moest helpen ...
/* Liefe geert: Kompt toch gauw vroem, want we missen uw hard... Lot de mense mor chouwele en geloofd alleen uw trouwe Lowis... */
* * * * *