Gedichten

Chapter 4

Chapter 41,939 wordsPublic domain

En, over ’t welvend voorhoofd der gedachten, Waarde eene waarheid, zwevend nog en bont, Waar ’t klare woord en de effen verf op wachtten. Dus trad hij aan, in onrust-zwangre rust, Daar langs zijn fulpen dos de blikken lachten Der zon, die hem tot dichter heeft gekust.

En zóo ontving, wiens roem deez’ dag vervulde, Op ’t grauwe slot--zijn woon-stede--onbewust, Den dank zijns lands, der eeuwen eeuwge hulde.

IRIS

IRIS

Ik ben geboren uit zonne-gloren En een zucht van de ziedende zee, Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, Gezwollen van wanhoop en wee: Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven, Als dauw aan de roos, die ontlook, Wen de dag-bruid zich baadt, en voor ’t schuchter gelaat Een waaier van vlammen ontplook.

Met tranen in ’t oog, uit de diepte omhoog, Buig ik ten kus naar beneden: Mijn lichtende haren befloersen de baren, En mijn tranen lachen tevreden: Want, diep in zee, splijt de bedding in twee, Als mijn kus de golven doet gloren... En de aarde is gekloofd, en het lokkige hoofd Van Zefier doemt lachend te voren. Hij lacht.... en zijn zucht jaagt, mij arme, in de lucht, En een boog van tintlende kleuren Is mijn spoor, als ik wijk naar het droomerig rijk, Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren. Hij mint me als ik hem...., maar zijn lach, zijn stem, Zijn kus.... is een zucht: wij zwerven Omhoog, omlaag; wij willen gestaêg, Maar wij kunnen nòch kussen, nòch sterven. De sterveling ziet mijn aanschijn niet, Als ik uit-schrei, hoog boven de wolken, En de regen-vlagen, met ritselend klagen, Mijn onsterflijken weedom vertolken. Dan drenkt mijn smart het dorstende hart Van de bloem, die smacht naar mijn leed, En, met dankenden blik, naar mij opziet, als ik, Van weedom, het weenen vergeet. En dàn verschijn ik door ’t nevelgordijn, Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt-- Somber-gekromd.... tot de zonneschijn komt, En op ’t rag mijner wieken zich wiegt. Dan zegt op aarde, wie mij ontwaarde: „De goudene Iris lacht!”.... En stil oversprei ik de vale vallei Met een gloed van zonnig smaragd.--

Mijn handen rusten op de uiterste kusten Der aarde, als, in roerloos peinzen, --Eén bonte gedachte--ik mijn liefde verwachte... Die mij achter de zon zal doen deinzen. ’k Zie, ’s nachts, door mijn armen de sterren zwermen En het donzige wolken-gewemel, En de maan, die mij haat, en zich koestert en baadt In den zilvren lach van den hemel.-- Mijn pauwe-pronk.... is de dos, dien mij schonk De zon, om den sterfling te sparen. Wien mijn lichtlooze blik zou bleeken van schrik En mijn droeve gestalte vervaren. Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans, Tot mij lokt Zefier’s wapprend gewaad, En ik henen-duister naar ’t oord, waar de luister Der lonkende zon mij verlaat.--

Ik ben geboren uit zonne-gloren En een vochtigen zucht van de zee, Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, Gezwollen van ’t wereldsche wee.-- Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam Het leven verlangende slijt, En die in tranen zijn vreugde zag tanen.... Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!

OVERIGE GEDICHTEN EN FRAGMENTEN

ONDER ’T LOOVER

Zie naar de loovers, melieve! die luchtig Glinstren in den zonneschijn-- Zie, hoe ze zweven en beven, en vluchtig Schaduwen schilderen, grillig en fijn, Op de zonnige zoden!

Zie, hoe het blauw, aan den hemel ontvloden, Schittert tusschen groen en geel! Vlinders in ’t loover-gewemel gevloden, Blinken als bloesems op wiegenden steel, Bang dat vinken ze vingen.

Hoor, hoe de vogelen fladdren en zingen Liefde, leven, lente lof! Voel u de lente als een luwtje doordringen! Dán wordt uw leven uw lente te dof, Dán verlangt ge te lieven.--

DRIE LIEDJES

I

Als ik, van uw effen voorhoofd, De verwarde lokken strijk, En, mijn handen aan uw slapen, U in de oolijke oogen kijk....

Voelt ge dan, mijn blonde meisje, Dat ik ziels-gelukkig ben, Schoon ik niet, met radde lippen, Al mijn zaligheid beken?

Zouden duizend woorden kunnen Zeggen, wat ik tot u zeg, Als ik op die volle lokken Zegenend de handen leg?

Arme taal, die uit moet spreken, Hoe gij innig mij bemint, Als ge, ’t kopjen aan mijn schouder, Schreit als een gelukkig kind!

Als ik uwer lokken zijde Van uw effen voorhoofd strijk, En, mijn handen aan uw slapen, U in de oolijke oogen kijk--

Dan gevoel ik me uw behoeder, En--wat u geen woord verkondt-- Al mijn hoop spreekt en mijn liefde In de kussen van mijn mond.

II

’k Wil u eens wat zeggen, blondje, Dat gij niet begrijpen zult.... ’t Is, dat gij geheel mijn wezen Met iets liefelijks vervult.

’t Is, dat ik zou kunnen weenen, Als ik denk aan al ’t geluk, Dat het duifje mij zal schenken, Dat ik in mijn armen druk.

Zie! mijn woning wordt een hemel, Zonneschijntje! Lentebloem! Als gij daar zult geuren, stralen, En ik u mijn vrouwtje noem.

Ach, ik zie u reeds, als heden, Nederknielen aan mijn knie... Kind! ik zal gelukkig wezen, Als ik ú gelukkig zie!--

III

Leg u beide blanke handjes In mijn breede handen nu, En laat mij uw voorhoofd kussen, Want iets teeders zeg ik u.

Luister! ’k wil u zeggen zachtjes, Dat het niemand kan verstaan, Hoe ik somtijds kan verlangen, Met u ’t leven in te gaan.

Hoe ik somtijds kan verlangen Naar de stille huislijkheid, Die gij, in ons zonnig huisje, Eenmaal zeker mij bereidt.

Hoe ik somtijds kan verlangen.... Naar wat mag en moet geschiên, Om--laat mij u nógmaals kussen-- In mijn kindren ú te zien!--

DOODEN-KLACHT

„Al vlecht ik rozen saâm en lelies, wit en rood, En strooi ze op dien bemosten steen, En pleng mijn tranen.... bidden noch geween Roept mannekrachten uit den dood. Want eeuwig slaapt, wien ’t lachend leven vlood, En, met den lach, stierf zijne liefde heen: ’t Gedenken blijft alleen.

Slechts de gedachte aan hem, dien ons de dood onttoog, Blijft, voor wie hem bemint, bestaan. Wij willen zien, en zien de wolken aan, Doch zien zijn beeltnis niet omhoog. Dáár blinken starren, zacht, gelijk zijn oog.... God mijner ziel! Neen, hij is niet vergaan: De ziel kan hem nog gadeslaan!

Hij leeft: want in den zilver-glans der stille nacht Zie ’k zijn gelaat, nu maneschijn Zweeft--als mijn liefde--over zijne doode-schrijn: Dan rijst hij uit het graf en lacht, En fluistert van ik weet niet wat, heel zacht.... En dan bevat ik niet, wanneer ik biddend wacht, Waarom of _ik_ niet dood mag zijn!”

DUIF EN SPERWER

„Mijn God”--zoo sprak de duif--„is innig-zacht, Heeft donzen wieken, en bemint ons allen; Almachtig, heerscht hij over duizend-tallen En houdt op ieglijk duifje trouwe wacht.”

De sperwer sprak: „Mijn God heeft vlucht en kracht, En kan op eens uit hooger luchten vallen, En die Volmaakte laat een juich-kreet schallen, Wanneer zijn schoone neb een doffer slacht.”

Zoo keven zij; de een riep: „Gij lastert God”-- En de ander: „Gij zijt dom”--„Gij wilt mij krenken”-- --„Godloochenaar!”--„Gij drijft met God den spot!”--

Een uil, vol wijsheid, zag ik stilte wenken; Die sprak: „Verdraagt elkaar, en weest niet zot, Daar wij ons, állen, God met vleugels denken.”--

AVOND

Wanneer in ademloozen schemerschijn De vleêrmuis zwijgend wiekt in lage kringen, En de aarde staart naar de eerste tintelingen Der zilvren spangen van het nachtgordijn;

Als dan door ’t loof de luistrende jasmijn De luwtjes geur’ge wiegeliedren zingen, En sluimer daalt op breede duivezwingen... Dan is het zalig, om alleen te zijn.

Dan is het zalig, ’t lachend oog te luiken, Waar fulpen rust op neerzijgt, die verkwikt, En leeft van ’t zoete liefdedroomen sluiken.

O, driewerf zalig, wien het werd beschikt, Om in de zee der sluimring neêr te duiken, Als daar een lief gelaat hem tegenblikt!

LEVENSWIJSHEID

Gelukkig zijn en toornig tevens gaat niet: Wenscht gij geluk, dan moet gij dus niet toornen Geniet den geur der roos, ontzie haar doornen: Raak haar niet aan, en zie, de doorn bestaat niet....

Wijt het uzelven, zoo gij wrokt; het baat niet, Of gij al bloesems eischt van de verkoornen Tot dor-zijn. Laat de uit menschenzaad geboornen Slechts mensch zijn; verg niet meer, en haat niet.

Wilt gij den schaterenden bergstroom stremmen... Hij sleurt u voort, en solt u, trots uw krijten-- O, dwaas! wat wilt gij het ontembre temmen?

Wilt ge op albast uw brein te bersten splijten, Zoo tracht de goede menschheid óm te stemmen-- Wil ze als zij is.... en haar valt niets te wijten!

DONKERE OOGEN

EEN ALBUMBLAD

Oogen, in wier diepte helle nacht Droomt en lokt, als er de rust uit lacht-- Grondeloozen, gij, die smeekt en smacht, Al wie oogt naar u, droomt met u mede.... Voor uw tooverende wonder-macht Wordt de ziel van mannen zonder kracht, En wiens kracht úw kracht ten onder bracht, Diens geheele ziel wordt ééne bede.

Aan het vreedzaam hart rooft gij den vrede, Maar gij schenkt hem weder, onverwacht-- En wien gij de weelde toe-bedacht Van uw blikken, zoo fluweelig-zacht, Dien omspannen zij van lieverlede, En hij slaakt een lang-gezuchte klacht, Doch een vreugderijken juich-kreet mede.

U te zien, is schoonheid zelve ontwaren, En, waar zij op donzige englen-schacht Nederstrijkt, om zeegnend rond te waren, Daar versterft de haat, en geurt de zomer-pracht Der liefde.... Donker oog, blijf dikwijls op mij staren!

EEN DROOM

Een droom--als maneschijn--in zilvren wade En breedgewiekt, heeft mij, toen ik verwezen, In dons gedompeld, in de rust mij baadde, Met elpen staf een kindekijn gewezen:

Het lachte, en bij dien lach, wiens wedergade Slechts in de zuivre zonne wordt geprezen, Wolkte als een nevel weg al ’t zwarte en kwade, Dat in mij mort... ’t Is me in een zucht ontrezen.

Toen was ik waardig, aan die blonde slapen Eerbiedig de eene en de andre hand te drukken, En in den hemel van dat oog te schouwen....

Ik zag en kuste en kuste.... úw kind, geschapen Naar úw Madonna-beeld, en diep verrukken Doorgolfde mij, o lieflijkste aller vrouwen!--

GOUDEN LOKKEN

Toen sprongen ze los door het stoeien, die dartlende haren, Ik woelde er doorheen met mijn vingers, Ik warde met woelende vingers.

Toen hingen die lokken mij over de vingers gebogen, Zoo smijdig en slank als de slangen. Als trossen goû-regen, in slingers gebogen, Als stralen der zon, door mijn vingers gevlogen, Of tusschen de twijgen gevangen.

EEN GLIMLACH

Een glimlach schemert op dat lief gelaat, Gelijk een manestraal op ’t afgedreven wolkje, Dat drijft in ’t nachtlijk zilver van den trans: Het is, of ál de lucht melodisch wordt.

UIT EEN AVONDSTOND

De peinzende avond streept het purper westen

Een damp van dauw golft langs de dicht-getreste Dons-klavers, dommlende als een wollen sprei Op ’t vale veld.

NACHT

De maan lachte uit het diep de starren tegen, En ’t zilvren meir-vlak lachte kabblend meê.

ZONSONDERGANG OP ’T MEIR

In ’t meir, omkranst met wilgen en platanen, Wier top den bodem peilt, staart avond-gloed En spiegelt zich: de wind wiekt aan, en spoedt Zich naar de kim.... En met hem gaan de lange waterbanen, De lauwe geuren.... Het rozen-blad op den gefronsden vloed, Het deinend dons der dommelende zwanen....

MUZIEK

De klanken, die u van de vingers vloten, Als droppen rozengeur....

INHOUD.

Bldz. MATHILDE, EEN SONNETTENKRANS. =boek i. sonnet i-xxviii= 5 = " ii. " xxix-lv= 35 = " iii. " lvi-lxxxi= 65 = " iv. " lxxxii-cvii= 93

DE SCHIM VAN P. C. HOOFT, =opgedragen aan dr. w. doorenbos= 121

IRIS 125

OVERIGE GEDICHTEN EN FRAGMENTEN =onder ’t loover= 131 =drie liedjes= 132 =dooden-klacht= 136 =duif en sperwer.= sonnet 137 =avond.= sonnet 138 =levenswijsheid= sonnet 139 =donkere oogen.= een albumblad 140 =een droom.= sonnet 141 =gouden lokken= 142 =een glimlach= 143 =uit een avondstond= 144 =nacht= 145 =zonsondergang op ’t meir= 146 =muziek= 147