Chapter 3
En ’t ziet, in schemer-schijn der nachtzon, zweven Het schimmen heir, dat in den dood verzonk, Doch in den doodschen burg der nacht bleef leven.
LXXIII
DE BEDE IN ’T WOUD
Met blauwe, droomende oogen staart op ’t woud De hemel, en, waar speelsche zonnestralen En mos en groene loover-zee bemalen Met een geweven waas van louter goud,
Daar, knielend naast een heilge nis, aanschouwt Hij biddende onschuld, en in zeegnend dalen, Laat hij zijn blikken in heur blikken pralen, En zendt der ziele vreê, die hem vertrouwt.
Gij badt den hemel, vrome maagd! om vrede Voor ’t hart, van wie u dierbaar zijn, en rust En vreê daalde in úw boezem bij die bede:
O ziele! u van uw zachtheid onbewust, Gevoelt ge ootmoedig menschen-levens mede, Als loon der plicht wordt vrede u ingekust.
LXXIV
DORPSVESPER
Heen is de dag--de nacht nog niet geboren, En langs de bergen wademt avond-dauw-- De vogel laat een laatst geneurie hooren, In roerlooze aandacht luistert de landouw:
De zwerver daalt, in zielsgepeins verloren, In ’t dal en naar ’t gehucht van wit en grauw; Daar klinken vrome tonen uit den toren,-- De star der liefde flonkert zilver-blauw:
Het kerkje bracht, wie danken wilden, samen, En wierook en gezang golft uit de poort, En op het dank-gebed zegt alles: „amen”--
De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort: Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen, Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.
LXXV
DE MIS
Het klokje beiert in den morgenstond, En heel ’t gehucht treedt in het Huis des Heeren, Om den Verlosser en zijn Moeder te eeren, En alles buigt voor ’t lied uit ’s herders mond.
Gewijde damp, die dwarrelt om en rond, Strijkt over de geknielden zeven keeren, En de ootmoed-volle schare, in zelf-verneêren, Nijgt (als het graan voor ’t koeltje) naar den grond.--
O, kind van wuft vermaak en stads-gewoel! Wat ziet ge op ’t biddend, biechtend dorpje neder, En laakt gij, die niet biecht, hun zielsgevoel!?
De blanke duif heeft toch geen rave-veder? Het vuur verschroeie, ’t lievend ijs zij koel: Omhoog vindt ijs het ziedend water weder.--
LXXVI
DE VOORZAAT
Toen bracht mijn geest mij naar het ver Verleden, Waarvan de tijd steeds verder, verder schrijdt... En ’k heb geweend, en heb mij diep verblijd Met de’ oermensch, vader van de ruwe zeden.
Hoe spreekt zijn zielzucht in die zielsgebeden, Hoe heeft hij vrouw en kind zijn hart gewijd! Hoe wordt de steenen akst, die schedels splijt, Gezwaaid door de ijz’ren spier en naakte leden!
Een broeder kende ik, en dat heeft me ontroerd: „De mensch is eeuwen-lang een mensch gebleven, Zijn gister is aan ’t morgen vast-gesnoerd.
Het weten heeft ons wetten voorgeschreven, De wet heeft vrede en vrijheid ingevoerd: Wij doen verfijnder, wat zij eens bedreven.”
LXXVII
KENNIS I
„De dieren, onze vreugde- en leed-genooten, Zijn onze broeders, maar niet, zooals wij, (Daar zij ons niet beheerschen kunnen) vrij; Hun leven is, als ’t onze, uit stof gesproten.
Dit weten wij, maar ’t is ons niet ontsloten, Niet of zij weten van der stof waardij. Zij denken en herdenken; nochtans, zij Vermogen niet, als wij, ’t waaróm te ontblooten.
Dit is der ménschen hooge macht; hún denken Doet, wat toevallig scheen, natuurlijk blijken: ’t Vermag de kennis, van wat komt, te schenken.
Veel van wat eenmaal wonder heette, vlood (Als duisternis voor ’t licht) voor ’t Vergelijken: Volmaakte kennis! gij zijt meer dan groot!”
LXXVIII
KENNIS II
De grootste liefde, die den mensch kan nopen, Noopt ook der waerelden talloos getal Het hart der zon te zoeken, dat hen zal, Vol wreedheid, smachtende om zich heen doen loopen.
Zóo zwerven ook om ’t vuur, dat gloeit in ’t dal, De wolven van het woud in donkre hoopen, Die smachten daar in bloed den muil te doopen. Van zonnevuren wemelt het heelal.
Toen de eeuw’ge zon, na eeuwen, werd geboren, Als uit een gril van ’t eeuwig werkend Iets, Schoot, uit haar borst, een waereldje naar voren:
Der menschen aarde, één klank des eeuw’gen lieds, En haar te kennen werd den mensch beschoren: Is dan volmaaktste kennis meer dan niets?--
LXXIX
STORM
De storm loeit door den hollen bouwval--gierend Beukt hij en brokt, met vuisten reuzensterk, En golft door ’t riet in ’t water, dat hij, tierend, Opzwalpt en neêrklotst met zijn stalen vlerk;
Dan, woester woede nog de toomen vierend, Schiet hij de zwarte wolken in van ’t zwerk, En wringt ze saâm, ze met zich mede-slierend Langs ’t aangezicht der maan, waar ’t vale merk
Der angst op ijst.--En, wen die storm-omnachte Bleek in ’t omrotste meer blikt, deint haar ’t hoofd Strak aan, dat stille Dood wenkte uit het leven...
Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte, Spokend met steenen blik, de liefde dooft, Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.
LXXX
HET LIED DES STORMS
Door ’t woud der pijnen kreunt en zucht de wind, En machtig wuiven de gepluimde toppen, En strooien rond de zware schilfer-knoppen, Die stuiven over ’t knerpend naalden-grint:
En uit het hemel-groen dier ruige koppen, Die schudden: ja, en neen, van woede ontzind.... Daalt daar een lied op ’t bevend menschenkind, Dat van een grootsch ontzag de borst voelt kloppen:
„De duizend, die zichzelf nooit wezen konden, Bezitten saâm éen waarheid, die hen bindt: Hún is ’t geloof, dat spreekt uit duizend monden;
Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint, Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden, En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt.”
LXXXI
HEMELVAART
De rondende afgrond blauwt in zonnegloed, En wijkt ver in de verte en hoog naar boven,-- Mijn ziel wiekt als een leeuwriks-lied naar boven, Tot, boven ’t licht, haar lichter licht gemoet:
Zij baadt zich in den lauwen aether-vloed, En hoort met hosianna’s ’t leven loven,-- Het floers is weg van de eeuwigheid geschoven, De Godheid troont.... diep in mijn trotsch gemoed;
De hemel is mijn hart, en met den voet Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’, En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet:
Ik zie daar onverstand en ziele-voosheid.... Genoegen lacht... ik lach.... en, met een vaart, Stoot ik de waereld weg in de eindeloosheid.
BOEK IV.
DE SCHOONHEID DAAGT, MET STRALEN OM DE SLAPEN, EN AL, WAT KNIELEN KAN, VALT HAAR TE VOET.
LXXXII
SLUIMER
Stil!--Duizend-oogig spiegelt zich in ’t meir De nacht, en laat haar bleeken luchter beven, Die honderd sneeuwen sluieren doet zweven Om ’t, rond de diepte rijend, rotsenheir.
En Sluimer daalt, op vlinder-wieken, neêr, Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven, Die, dauwend, droom en zoet vergeten geven, En zweeft, in schaduw, peinzend heen en weêr.
En in mijn dolend hulkje, dat er glijdt Langs ’t kabblend zilver, zet hij zich; ik zie Hem teeder-blikkend over mij gebogen.
Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd... Ik hoor een sluimerende melodie, En weet niet, wat mij lood-zwaar viel op de oogen....
LXXXIII
DE STROOMVAL
Gelijk wanneer men de armen strekt, en schrijdt, En ziet, maar zonder zien, en denkt aan spoken, --Die zijn, waar niéts is, en wier schaduw glijdt In ’t Niet, als iets, wat licht geeft, wordt ontstoken,--
Zóo is het nacht. Een schal klinkt wijd en zijd, Daar waar des daags men ziet den stroom-val koken,-- Een dof gegrom van bruisend rotsen-strooken Dreunt, met het klaatren als in worstelstrijd.
En ’t is, of ’t spattend schuim, den nacht besproeiend, Met bleeken glimp het zwoele duister splijt.... Daar knalt de donder, ’t donderen ten spijt
Des stroom-vals, over kolk en afgrond loeiend-- En bij de schelle schicht, die ’t zwerk door-snijdt, Prijkt daar de waterval, in zilver gloeiend.
LXXXIV
DORPSDANS
De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken Verliefd omhelzen ’t huis des akkermans, En gloeien in den avond-purper-glans,-- En twintig menschen rijzen bij die klanken;
Het avond-maal heeft uit: van disch en banken Verdween der jonkheid blij geschaarde krans,-- De vlugge voeten reien zich ten dans, En de arm buigt om de leesten heen, de slanken:
Daar tripplen zij en stampen naar de maat, Terwijl de kroezen op den disch rinkinken,-- En naar de wangen stijgt het vroolijk bloed:
Den oude, die daar op den dorpel staat, Ziet men de vreugd uit lachende oogen blinken, Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.
LXXXV
AVONDGROET
Vaarwel, vaarwel, gij, zon, die ondergaat In purpren vlammen-zee en gouden verven! Ik zie u niet meer in de bergen sterven, Waarop het donker woud te pronken staat!
Vaarwel, vaarwel nu, die de bloemen baadt, Gij, stroomen! Ook úw aanblik zal ik derven, En rotsen, die mij langs uw voet zaagt zwerven: Verheven waereld, die ik thans verlaat!
De schoot der vlakte in effen-groen gewaad Begeert me.... en zal mijn liefde niet ontnerven: Zij leeft in ú, voor wie mijn boezem slaat.
Kon schoonheid in mijn hart een plaats verwerven.... Denkt gij, Natuur, dan, dat die ú ontgaat? Gij zult met mij, en met mijn zang, er sterven!
LXXXVI
NACHT
’t Is zomer-nacht. De glinsterende stoeten Der starren wijken róndom, eindloos-diep;-- ’t Was, of de stilte plechtig tot mij riep: „Bid! op de starren rusten Godes voeten!”....
Ik weet, ik weet niet, wie de wereld schiep, Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten, Wat wij als Leven, Ziel of God begroeten,-- Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep!
Daar tjuikt de nachtegaal zijn teeder lied, Tevreden, dat hij ’t klagend lied mag zingen,-- Waarom hij zingt, dat weet de zanger niet;
Wat rusten kan, voelt zich de rust doordringen,-- Ook ik. Ik weet niet, wat ik denken moet, Doch voel het: wie tevreden is, is goed.
LXXXVII
DE SCHEPER
Een zee van golvend purper, in verbazen En ademloos, verstijfd--als waar’ zij dood-- Bij ’t zien van ’t eindloos-vlammend avond-rood.... Zóo schijnt de heide, waar wie honig lazen
Met de’ avond-last langs bloem en purper razen, Om niet te keeren, vóor de nacht ontvlood,-- En, scheidend, houdt de delling in haar schoot De blanke heerden, die al ruischend grazen:
De waaksche wolf, die zich geen wolf betoont, Likt speelsch de staf-en-handen van den herder, Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed;
En met een blik, waarin de liefde woont, Drijft hij de wit-gewolde wolkjes verder.... En ziet naar hen, de heide en de’ avond-gloed.
LXXXVIII
WILG EN POPEL
Meen niet, dat éene deugd voor allen past!-- De popel streeft omhoog met trotsch verachten Der aarde, en ’t harte popelt haar van smachten Naar ’t blauw des hemels, waar de vrede wast;
De treurwilg nijgt èn loot èn loover-last, Die ’t water zoeken met een hoopvol trachten: En lijdzaam op de blijde stonde wachten, Dat zij door golfjes worden overplast:
Men moet den popel, die zich buigt, verachten, De treurwilg, die de wolken zoekt, misdoet,-- Want elk moet, wat hem past te doen, betrachten:
Wie, wat zijn aard beveelt, verricht, is goed: De duif zij zacht, maar de arend toon’ zijn krachten, En gal zij bitter, maar de honig zoet.
LXXXIX
IDEALEN
„Mijn ideaal van zaligheid en deugd, ’t Volmaakte, waar ik immer naar zal streven,” --Zoo spreekt de roos--„is een kortstondig leven, Vol kleur en geur en teederheid en jeugd.”
„Is dàt me een ideaal!”--spreekt de eik--„Geneucht, Te zien geslachten na geslachten sneven, En eenzaam, boven lot en dood verheven, Te staan in statige, eeuwig-kalme vreugd.”
En ’t kroos der poel: „Waar dwazen al naar talen! Ik wensch voor alle streven ’t eenig loon: Uit water kiemen, en er dood in dalen.”
De hemel lacht, en spreekt op blijden toon: „Braaf! gij gevoelt uw plicht! Dit toont uw smalen.... Volmaakt u, dan wordt ge allen goed en schoon!”
XC
ZEGEN MIJ
Gij, zachtheid, waar de vrouw op oogen moet! Uw beeld zal nimmer uit mijn boezem wijken, En zich er spieg’len, als in ’t beekje uw voet, Uw voetje, waarlangs heen de vliet kwam strijken.
Gelijk het Goede zult gij voor mij prijken, Dat, schoon, zijn minnaar voor het kwade hoedt. De vrouw, die ’k minnen zal, moet ú gelijken, Opdat ze in háar mij ú beminnen doet.
Beminde een ieder, wat ik min in ú, De wereld waar’ gelukkiger dan nu: Met zachtheid zou men ’t ruwe en harde aanschouwen.
Waart gij het ideaal van alle vrouwen.... Nooit streefde een vrouw haar roeping dan voorbij! De zegen Gods verzelle u! De uwe mij!
XCI
TEVREDENHEID
Een rozelaar staat aan den groenen zoom Des meirs, en spiegelt zich; de rozen hangen Voorover, turend naar heur frissche wangen.... Daar valt er éene, en dobbert op den stroom:
Zij drijft, en komt, waar, weelderig en loom, Een water-roos haar houdt in ’t blad gevangen. „Wees welkom!” (zegt die) „kunt gij meer verlangen? Hier is ’t een leven uit een toover-droom.”
Maar de andre roos krijgt krinkels, scheuren, naden, Verschrompelt, en wordt groen en bruin en zwart, En zinkt, door haar met dezen smaad beladen:
„Zoo’n ontevreden en verdorven hart, Dat water, lommer, kroos en slib durft smaden, En doet of ’t beste en edelste haar smart!”
XCII
TWEE ROZEBLAADJES
Zie, hoe de beek langs enge boorden schiet, En ’t rozeblaadje met zich mede-draagt, Dat vroolijk langs den harden oever vliet, En draait en wendt, naar ’t aan zijn hart behaagt.
Dat andre zoekt de grauwe rots, waar niet Die domme beek zijn vrijen wil belaagt; En toen ’t uit vrije keus te bersten stiet, Had het zich tóch tot volgen niet verlaagd:
Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft; Dat iets verrichten kán het, want het moet, En ’t voelt zich vrij in ’t slaaf-zijn van een wet:
Slaaf, wie zich tegen wat hij moet, verzet, Maar vrij de wil, van wie al willend doet Den wil van wat geluk en vrede geeft!
XCIII
DE FOREL
Gelijk een schaduw grauw, schiet de forel, En schielijk, uit den zwarten nacht der steenen, En ijlt den bergstroom ver vooruit, verdwenen In ’t rimplend zonlicht, dat daar flikkert schel.
En zie! ginds springt zij uit de klare wel, En glanst van zilver, door den dag beschenen, Doch plonst, dat vlokken spatten om haar henen, Terug, in ’t vlietend sneeuw, dat voortschiet snel.
Gelijk de stroom zijn schubbig eigendom, Zoo bindt de baan, die ieder is beschoren, Den mensch, als hij zijn roeping wil vergeten.
In ’t water vindt de visch ’t geluk alom En vrijheid, die daarbuiten gaan verloren: Geluk wordt deugd, ervaring vormt geweten.
XCIV
HET DOODE GAAIKE
Daar treurde een vinkje bij haar gaaike dood, En sprak: „Kunt gij uw wieken niet bewegen, Kunt gij niet staan? Nooit heb ge zóo gezwegen Gij zijt mijn gaaike niet, dat vroolijk floot!
Dit is geen vogel meer: hij schijnt ontbloot Van wenschen, en zoo rustig neêrgezegen, Alsof hij, wat hij wenschte, had verkregen, En of hij lang-gehoopt geluk genoot.”
--„Dood” (sprak een oude raaf) „is uw genoot: Nooit kust hij meer, nooit hoort ge meer zijn zangen.”-- Toen schreide ’t vinkje: haar gemis was groot...
„Dank, hadt gij lief! ’t geluk heeft hij ontvangen,” (Zei de ander) „leven en verlangen vlood: Gelukkig is, wie niets heeft te verlangen.”
XCV
WEDERZIEN
Wie zou dat loover-hutje samenvoegen In rozen-armen, waarin geuren wonen....? De jonkman fluistert, purper op de koonen, En zij tuurt, zonder zien, naar ’t boezem-zwoegen;
Hij kust de handen, die om kussen vroegen, Al warrend door de lokken, die hem kronen; Ik zie zijn lippen door haar lippen loonen, En in het scheemrig hutje lacht genoegen.
Mathilde! ik zie u weder, vreugde-dronken: Gevoelend, dat geen scheiding ons kan scheiden, Groei ik in uw geluk, meer dan gij beiden.
Gij zijt de mijne: uw lach, uw liefde, uw lonken, Uw schoonheid blijft hierbinnen glanzen spreiden, Waar ge, als de zon in zee, in zijt verzonken!
XCVI
ROTS EN WATER
De steile rots tart met haar kruin de zon, En, met haar voet, peilt zij het grondelooze, Het vale diep, waar plomp noch water-roze Ooit in de deining wortel schieten kon.
Ik zie, hoe op de rots de felle bron Een baar te bersten jaagt, en zonder poozen Zich-zelf verzwelgen laat, wanneer de booze, Verwoede wind de worsteling begon.
Mijn ziel! wanneer geloof en kennis strijden, En ’t warm verstand het lauw geloof ontrust, Gelijk de hoos de diepe deining klutst,
Barst dan ’t geloof voor ’s denkers bron van lijden Op ’s levens rots, dan is zich ’t hart bewust Van vrede in strijd: die arbeid baart verblijden.
XCVII
DE DOODEN-AKKER
Om ’t kleine gods-huis rijst een krans van kruisen, Van eeuwge bloemen, wort’lende in de groeven; En de airen van dien akker hooren ’t suizen Van ’t luwtje, dat de klachten draagt der droeven.
Paleizen van geluk kwam hij vergruizen, De strenge dood, die leeft van ziels-beproeven, En deed de dooden in paleizen huizen, Waar zij geluk noch ongeluk behoeven.
Hij brak den mensch van ziel en stof voor immer, En schonk aan graf en stof een eeuwig leven, Want al, wat niet te splitsen valt, sterft nimmer.
Vóor het bestaan is ’t heel verleên te vinden, En de eindelooze toekomst ná het sneven: Wij rusten langer dan wij ’t leven minden!--
XCVIII
HET GROOTSCHE DENKBEELD
Een zwerver zet zich op de zachte zoden Van geurig groen, die ’t woud des bergs bezoomen, En de effen-blauwe hemel doet hem droomen En ’t mos, dat krielt van beziën, de rooden.
En ’t spelend koeltje ritselt door de boomen, En schuift hem beuke-loovers toe, de dooden.... Tot zacht gemijmer schijnt Natuur te nooden, En ’t grootsche denkbeeld heeft hem ingenomen:
„Natuur, Gij waart, toen God het: „Wees!” deed hooren; God heeft u, als ge zijt, op eens gedacht, En ons het heerschen over u beschoren!”
Hij deed God spreken, denken, gaf Hem kracht: Hij sprak, en naar zijn beeld werd God geboren En God werd mensch: hij werd van Gods geslacht.
XCIX
VAARWEL AAN ’T WOUD
Mijn lievlings-plekje in ’t woud, waar ’t groene dak Een blauwer schoort, en schemer-schijn doet dalen Op levend loof en vol-getrosten tak, En zonnegoud langs blader-goud laat dwalen--
Vaarwel, vertrouwde stilte! waar ik sprak Wat nooit mijn hart tot menschen kan herhalen.... Gedachten-stroom, die uit mijn ziele brak, Vloei eeuwig-onbegrepen door die zalen!
Vaarwel, vertrouwlijke eenzaamheid, en koor, En kleurig heir van vlinderende bloemen, En, dáar in ’t groen, gij, oogen, blauw van gloor!
Gij hebt mij God het Leven hooren noemen,-- Gij kent mijn hart, en weet wat ik verloor.... ’t Verloorne zal naast ú voor ’t ziels-oog doemen!
C
LAATSTE AANBLIK
Nu voort! Ik zag haar weêr, maar om te ontdekken, Dat weêrzien zien is, wat ik altijd zie. Lang bleef aan haar de blik gekluisterd, die Ten elken tijde rust op hare trekken:
Steeds toeft zij, waar ik ben: nooit is er, wie Een liefde, minder hoog, in ’t hart kon wekken, Dat, in dien gloed gelouterd van zijn vlekken, Vereend met schoonheid, werd tot poëzie.
Mathilde, o, mijn Mathilde! nimmer zult Gij, die niet mensch meer zijt, u blozend schamen, En staren op uws dichters blos van schuld:
Gij gloeidet met mijn gloeiend hart te zamen, Van ú blijft altijd mijn gemoed vervuld: U zal ik loven onder duizend namen!
CI
VAARWEL
Vaarwel! geliefkoosd land vol liefdeleven, Waarin ik leefde voor de liefde, en zij, Die mij de liefde heeft in ’t hart gedreven, Het leven liefde! ’t Leven gaat voorbij,
De liefde blijft. Verliet de liefde mij, ’k Gevoelde mij aan ’t leven óok ontheven-- Een liefde, wortlend in ’t lent-getij, Is ieder in zijn winter bij-gebleven.--
Mathilde! u zal ik roepen: gij zult zwijgen... U willen aanzien, en in ’t ijle staren, En u niet vinden, waar ik uren zocht!
Toch zal onze adem naar één hemel stijgen!.... Deez’ linde zal me uw lieven naam bewaren-- Ik dank u, dat ik, lieve! u lieven mocht!--
CII
KALLIOPE
En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte Ik niets, en niet de blonde Muze er in, En tot mij sprak de stralende godin, Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte:
„Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte.... Ik zeide u ’t aan: gij mindet met een min, Zóo vol aanbidding, zóo vol vromen zin, Dat ze u aan al, wat háar niet was, ontrukte.
Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar! Ge aanzaagt... ge aanbadt--u trok, wat is verheven: U daagde een schoonheids-ideaal in haar.
Toen zaagt ge weêr, naar wat ge aanbadt, gedreven: Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar; ’t Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!”
CIII
AAN MATHILDE
Aanbidt de mensch een afgod hem gelijk? ’k Aanbad. Gij hebt mij tot u opgeheven, En ’t arme hart werd duizend levens rijk: Want, waar ik leven zag, schonk ik mijn leven;
En voor uw blik nam engte en tijd de wijk,-- Driest moest mijn ziele in de eindeloosheid zweven, En rustig werd ze als ’t blauwe hemelrijk, Waarachter duizend starren wentlend streven:
De vogel zweeft, en zingt, wanneer hij ziet Ter vlucht omlaag, waardoor hij ’t hart voelt treffen, En zucht, en traan, en blijde lach wordt lied:
Zoo zong ik, wat verblijdde of heeft gesmart.... Mathilde! ik ween van weelde bij ’t beseffen: Ik drukte in ú een ideaal aan ’t hart!
CIV
AAN DEN LEZER I
„Het is des dichters roeping te vermaken, Te spreken tot verstand, herinnering, En tot het dichter-hart, dat elk ontving, En nooit het Schoone en Goede te verzaken.”
Zóo is de leer. Maar zult ge ’t in mij laken, O, lezer, dat ik eigen wegen ging: Op eigen wijze, omdat ik moet, bezing Al wat mij machtig treft, en ’t hart doet blaken?
Wellicht heb ik, wanneer ik zong om ’t zingen, En niet om lof, als loon, mijn zangen dichtte, Tòch aan een roeping, onbewust, voldaan;
Wellicht, schoon ik tot ú mij nimmer richtte, Gevoelt gij, wat mij trof, ook ú doordringen:... Neem dáarom, als ze zijn, deez’ liedren aan!
CV
AAN DEN LEZER II
Toen nog niet was, dat waar ge thans op tuurt, Dacht ik: wat zult ge een ander ’t hart ontblooten, Dat zich in honderd klanken heeft ontsloten, En uit het wrangste honig heeft gepuurd!
Toen heeft in mij een stem mij aangevuurd, Die sprak: „Gij juichte’ in wat gij hebt genoten, Wat waar en schoon docht, hebt ge in ’t lied gegoten Geheel uw aard heeft zang en stift bestuurd.
Uw lied zegt, wat ge woudt: gij moet het geven, Wat deert u, dat een ander ’t oog laat gaan Op wat gij wrocht, en ’t vonnist.... als een leven!?
Gij hebt, als dichter, niet vergeefs bestaan, Als ’t één bekoort, en stijft in moed en streven!”-- Neem dáarom, als ze zijn, deez’ liedren aan!--
CVI
Δεινη Θεος
Met weekblauwe oogen zag de oneindigheid Des hemels naar den donzen rozenglans, Waar Zij in daagde: een breed-gewiekte krans Van zielen had zich ónder haar gereid.
Een geur van zomer-bloesems begeleidt Den zang der zonnen--duiven--die heur trans Doorgloren in eerbiedgen ronde-dans Om Háar, wier glimlach sferen groept en scheidt:
„Schoonheid, o Gij, Wier naam geheiligd zij, Uw wil geschiede; kóme Uw heerschappij; Naast U aanbidde de aard geen andren god!
Wie éenmaal U aanschouwt, leefde genoeg: Zoo hem de dood in dezen stond versloeg.... Wat nood? Hij heeft genoten ’t hoogst genot!”
CVII
AAN DE SONNETTEN
Sonnetten! nu der menschen oog zal staren Op u, en elk zal vonnis wijzen mogen, Die denkt, nu bigglen tranen uit mijn oogen, Die, in de toekomst, lof en schimp ontwaren.
Daar zijn er, die als schoonheid niet gedoogen, Wat zich als grootsch hun niet wil openbaren,-- En wijken zie ik reeds, in breede scharen, Wie ’t schoone in ’t kleine alleen houdt opgetogen.
Daar zullen menschen zijn, die op u wijzen, Als dat, waar zij geloof en liefde aan stieten.... Sonnetten! zelden zal men u slechts prijzen.
Die zal u dom en onbegrijplijk noemen, En gene als boos en goddeloos verdoemen.... Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten!
DE SCHIM VAN P. C. HOOFT
DE SCHIM VAN P. C. HOOFT
Aan Dr. W. =Doorenbos=
Ik heb de schim des drossaarts aangeschouwd.
Groot schreed hij voort, het lokkig hoofd omblonken Van ronden gloed en geluw-glanzend goud, Gelijk een god, in mijmerij verzonken.
Hoog, van de schoudren opwaarts, rees zijn leest De schaar te boven, die, van vreugde dronken, Bijeengevloeid was tot zijn heugnisfeest.
En waar zij hem bewondering betaalde, Loech hij den hemel aan, der zonne ’t meest, Die weder-lachte en alles over-straalde.
Een minnedicht speelde om den fijnen mond, Doorhonigd van gezang; uit de oogen daalde Zijn schalkheid, die geen droefenis verstond.