# Gedichten

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/gedichten-15273/index.md

Een vlagje rook, van diep ultramarijn- Blauw, dat de vochtbezwaarde nevels dompen Waar 't even wappert, wimpelt uit het stompe Vierkanten houten schoorsteenpijpje; een klein

Bruin glimmend schipperke loopt langs den boord Van 't schip, blaft naar zijn buurman, om gestild Druilstaartend, 't trapje af naar de roef te gaan.

Dan valt de nacht; de schipper hijscht aan 't koord Het mastlicht op, dat vreedzaam medetrilt Met stadslantarens, dié op schildwacht staan.

* * * * *

SCHERZO.

I.

Op een warmen voorjaarsmorgen Dat ik door de velden ging Zong er, in mijn hart verborgen 't Liedje, waar ik nú van zing:

"Daar toch niets te weten is, Laat het vreeselijke leeren, Leef niet langer in ontberen Door der liefde zwaar gemis.

Weten is een klein vertroosten Voor het menschelijk gemoed, Liefde troost het onverpoosd en Vult het leven met haar gloed.

Wie zijn hart in boei geslagen Leeft het korte leven door Klaagt aan 't einde zijner dagen Om de vreugd, die hij verloor."

II.

En ik zag maar steels bezijen, Waar een jong gelaat bewoog, Heerlijk blank voor 't groen der weien, Pracht van jeugd in 't stralend oog.

Ronde hoed op blonde haren, Oogen groen en lippen rood, Die ze, docht me, niet zou sparen Als ik haar míjn lippen bood.

Toen, terwijl mijn blikken gleden Over wangen, hals en haar, Zei ze, en deed wat ontevreden: "Zeg, waar kijk je toch zoo naar?"

Ik nu, staarde, licht verlegen, --Wat te zeggen?--naar den grond. "Waarom heb je een kleur gekregen "Vondt je iets aan mij, dat niet stond?

Heel haar wezen werd zoó plagend, Zoó vol tergende overmoed, En zij wist zich zoo behagend In haar zomersche overvloed,

--Uit de mousselienen kleeren Vloeide een geur als van jasmijn, Van haar lippen het begeeren, Kussend, weergekust te zijn--

Dat ik het mij kan verklaren Hoe 'k met onbedwongen lust Lippen, oogen, hals en haren Kussend... ben weerom gekust.

* * * * *

III. Verzen uit het Boek "Dood".

In memoriam Ida Roberti.

* * * * *

ZOMERNACHT.

De blanke mane Licht overal; De donk're lanen Staan langs den wal;

Boomtoppen drinken Het zilv'ren licht, Beneden zinken Schaduwen dicht.

Maar midden in de Betoovering, Waar beuk en linde Te droome' aanving

Dalen drie zware Klokslagen neer; De kimmen klaren... De dag keert weer...

* * * * *

KILLE REGEN.

Kille regen ruizelt stille Over 't bleekend zomer-loover, Morgen drijft de zomer over, Daar het najaar nader toog.

Ik zou wel, berustend, willen Lichteloozen dag verduren Als uw hoofd maar enkele uren Zich tot mijnen schouder boog.

Maar ik zag de nachtgetijen Veler jaren gaan en komen Zonder dat gij van mijn droomen Maakte Uw leven deelgenoot;

En ik hoor de regen schreien Door de twijgen, triestig liedje Bij dit menschelijk verdrietje Dat zoo klein is... en zoo groot.

* * * * *

NAJAAR.

I.

De schuwe duiven, die het land ontstijgen, Gaan in het blauw, geruischloos ver, te loor, En eenzaam blijft, waar vóór zich strekt naast vóór De donkere' akker in oneindig zwijgen.

De boomen dragen, vóór des winters dreigen, Hun gouden dos in vollen najaarsgloor, En laten zacht, als een geliefd tresoor, Hun blad na blad in 't rimp'loos water zijgen.

Dat is een stroom uit een ver land gekomen, Die gaat langs dorpen, scheem'rend achter boomen Met kronkling blank door weiden groen smaragd.

En, als zijn wateren voor eeuwen gingen Zoo gaan zij thans, onwetend van de dingen, Die zijn vergaan en van den nacht die wacht.

II.

Want in het najaar als het Land gaat slapen Wordt alles éven zoo volkomen schoon; Dan draagt het, àl te kort, een koningskroon Van louter blad-goud om de lichte slapen.

Zoo ziet men, schijnend uit het amberbleeke Gelaat eens knaaps, den glans van oogen groot, Een droefklaar water, spiegel waar de Dood Op donk'ren tocht te dicht is langs gestreken.

En als dan de even schoone kroon ontblaârt, Des winters stormen langs het dood Land vaart En stijft, maar dekt met hermelijn, de leden, Dan ligt het als die knaap, die sterven moet: 's Doods vreemd geluk in de oogen, in 't gemoed De troost van na veel leed verworven vrede.

* * * * *

HERDENKEN.

De laatste gele boterbloem, Die bloeide tusschen 't dorrend gras, Deed mij den tijd gedenken toen Het Lente en zij nog bij mij was.

Die Lente-tijd keert nimmer weer, O, Leven, wat is uw droefnis groot, Al wat zoo schoon is, is zoo teer Zoo broos,--zoo wreed de Dood.

Die kent geen bloemen en geen licht, Die geeft alleen--mag 't zijn--de rust, Als hij geveld heeft met zijn zicht Al harte'-en oogenlust.

* * * * *

IV. Verzen uit het Boek "Van Later Dagen".

Aan mijn vrouw en Willem.

* * * * *

UW JEUGD.

Uw schoon-ontloken jeugd doet me altijd denken Aan wilgeboomen op den waterkant, Waar de natuur haar weeldrigst heeft geplant Van bloemen, frisscher dan zij iets kan schenken.

En de adem, die er over 't morgenland Met geur van maaigras de ochtendlucht komt drenken, De zonnestralen, die de dauw besprenken, Maar, vonken wekkend, wekken nog geen brand,

't Is alles 't achttienjarige gelaat En blanke hals, waar langs de schaduw gaat Van warrig-donker haar; 't is diep-groene oogen En tanden blank tusschen het lippenrood Van mond, die *mij* alleen zijn kussen bood Een grond, die 'k schilderde in al te ijdel pogen.

* * * * *

DE MUZE.

I.

De Muze heeft mij 't diepst geluk geschonken, Dat ik gekend heb in mijn gansch bestaan, Háár oogen hebben zóó mij toe geblonken Als nooit het oog eens stervlings heeft gedaan.

'k Heb van *haar* mond vergetelheid gedronken En bovenaardsch, als 't Hemelrijk, een waan, En in het allerdiepst gebed verzonken Bood ik aan Haar mijn hart, mijn leven aan.

Daarom blijft mij haar komst oneindig heilig, Maar Lief, bij U gevoel ik mij zoo veilig, *Zij* is zoo grillig schoon, *Gij* zijt zoo trouw, Dat, als zij vroeg of ik Haar wou verliezen Of Haar boven Uw bijzijn zou verkiezen, 'k Weenend niet wete, wat ik vragen zou.

II.

Zij is niet aardsch, zij is als sterrenbeelden, Die zilvren in der nachten blauwen glans; Zij draagt altijd een bleeken gloriekrans Van na veel liefde en leed verworven, weelde.

Hoe vaak ik ook haar lokken teeder streelde, Haar voerde, aan 't hart door 's levens vreugdedans, Eén oogwenk later zij zich gansch verheelde, Geweken naar der Hemelen diepste trans.

En of ik sloeg de biddend bleeke handen In ootmoed samen, starend naar haar vluchten Kussend de lucht, waarin haar beeld verdween, Ik zag het zwart heelal met donkre wanden, En onvermurwbaar voor gebed en zuchten Liet zij mij in de duisternis alleen.

* * * * *

IN DEN TREIN.

I.

De nacht kwam aan, de zon ging onder, De naglans van den dag verdween, De trein met onverpoosden donder Jaagt door het donker landschap heen.

De landen vluchten, zwart bezijden, De boomen gaan in wilde jacht-- Maar 't eenzaam hart klopt trots en blijde, Dat aan het eind zijn Lief verwacht.

Spoed, trein, nu door de velden henen, Vlieg over vlakten, kruis den vloed, En zoek, voor ieder land verdwenen Het nieuwe land, dat volgen moet.

Zóó snel kunt gij niet verder jagen Dat *hij* Uw vaart tevreden looft, Wien, na der scheiding lange dagen, Op dezen 't weerzien werd beloofd.

II.

Ik zag het vluchten van de steden De kade-lichten in den nacht, En een rivier, die, diep beneden, Weerspiegelde der mane pracht.

En toen ik zag de nachtgewelven Gebogen over dezen vloed, Zeide ik, glimlachend, tot mij zelven: "Schoon wereldsch Leven wees gegroet!"

Gij hebt uw oude Jeugdgloed weder, Gij kunt weer lachen als weleer, En wekt, als in mijn Jeugddroom, teeder, In 't hart geen leed, geen weemoed meer.

* * * * *

AAN ZEE...

Er reisde een zeil naar onbekende kusten Op 't spiegelgladde kalme diep der zee, De boomen, hoog op 't strand, die zelden rusten, Stonde' onbewogen, als in eeuw'gen vree.

Het zonnig blauw, in strakke welving over Het watervlak en 't groenbegroeide strand, Gaf dieper pracht aan 't donker eikenloover En bracht der beuken roode blad in brand.

En achter 't eikenhout, dat, vol van geuren, Met groen der duinen blonde glooiing dekt, Lag, scheem'rend als een zee van zilverkleuren, Het boekweitland in vollen bloei gestrekt.

Daar had zich al wat vleugel droeg vereenigd, Des zomers honing zaam'lend als zijn buit: De bij, de tor, de vlinder, en die menigt' Gonsde', één in vreugd, haar lied van 't leven uit.

Wij zagen,--zíj die 't nooit voorheen aanschouwde, En ik, die 't vond, als waar 't voor d'éérste keer, Naar 't stralend hemelruim, dat boven blauwde, Naar 't groen der zee voor onze voeten neer.

En toen wij lang elkaar in de oogen staarden Vergetend aarde en hemel, zee en zon Herleefde in onze ziel een schooner aarde, Schooner heelal dan 't oog ooit vinden kon.

En zwervend tot reeds 't avondlicht zijn stralen Van lager trans door 't hoog geboomte schoot, Werd ons gebed: zóó eeuwig door te dwalen, Eéuwig te leven zonder ruste of dood.

* * * * *

OOGST.

Hooge populieren ruischen Onder 't blauw der zomerlucht, Als het water door de sluizen Met versnelde strooming vlucht.

D'ochtendzon staat stralend boven Lane' en 't wijd-ontbloeide land, Zet voor 't laatst de bruine schoven Van de tarwe in gouden brand;

Ginds, waar 't ongerepte graanveld Nog met volle golving aanzwelt Tot een vloed van blindend licht, Zwaait--de rood-gebronsde koppen Voor de hoogste halmentoppen-- Man naast man de kromme zicht, Scherpt het blank van d'oude sikkel Met het hamerend getikkel Dat, muziek van 't zomertij, Nog in onze ziel blijft zingen, Zoet, als zoete erinneringen, Is ook d'oogsttijd lang voorbij.

Verre in 't grazig veld verloren Onder 't gloeiend zonnegloren, Waar een schemerende toren Uitrijst achter 't gulden koren En twee maaiers één van gang --Blauw op 't trillend einder-grijzen-- Rustloos oogsten, reis op reize Met den cirkelzwaai der zeisen 't Groene grasland, uren lang, Luidt op droomerige wijze De oude klok den middagstond, Maakt een haan de hanen wakker Met zijn echo boven d'akker... En de toren, maar veel zwakker, Vindt zijn antwoord, wijd in 't rond.

* * * * *

DE JAGER.

Aan Dr. D. Reinders.

Nog liepen nachtlijke uren voort Door 't ruim op zilvren voeten Toen ik, aan donkre kimmepoort Ging gouden morgen groeten, Maar nog in diep, diep duister zag Den nacht voor de eersten Julidag.

Twee maaiers, langs de donkre plas, Waar 't dichtst de dampen drijven, De zeis op schouder, traag van pas, Met werkgebogen lijven, Zij ginge' als schimmen, nauw gegist, Door 't grauwen van den morgenmist.

Toch was hun reeds de jager voor Om 't vroege wild te vangen; Verbeidend de eersten morgengloor Met toomeloos verlangen, En luistrend of geen vogellied De komst der zomerzon verried.

Dan, 't barstte los, de koekoek zong, De kieviet aan het tuiten, En door de lage nevelen drong Het niet te stillen fluiten, Dat allerzoetste lied omhoog, Dat aarde en hemel ooit bewoog.

En deinzen ging nu ster na ster, Toen 's werelds hoogste bode Al luider zong: "ik zie van ver "Den vroegen morgen rooden, "En straks, voor dat ik nederdaal "Drinkt de aarde, als ik zijn eersten straal!"

En toen daar door den morgendamp De bol der zon kwam reizen En lichtte als een omfloerste lamp, Bloedrood door 't nevelgrijzen, Toen klonk, o, lang begeerd genot, Des jagers eerste en dood'lijk schot.

* * * * *

HERFST.

I.

De peren bronzen in de Augustuslucht En spellen reeds klare Septemberdagen, Wanneer, na zware hitte en onweersvlagen, De Herfst de wereld loont met zoete vrucht,

De druiventrossen door het bladgroen zwellen, Gele pompoen het rood van daakjes kroont, En alles voor het laatst in wonderhelle Glorie van licht wat schoon is, nog verschoont.

Want 's avonds als de dag reeds vroeger dalen, Des morgens als zijn late schittering schuin Door 't loover gaat, gulden de tintelstralen Der laagste bladeren reeds doorzichtig bruin;

En, naast den vollen vloed der zomerrozen Tint hij tot dieper feller incarnaat Begonia, wier blank en dieprood blozen De pracht vereent van vrouwelijk gelaat

Met pracht van blanken hals en blonden schouder Die, als het rood der lippen de oogen trekt, In 't hart verlangen naar een zoet, vertrouwder En inniger verkeer van leven wekt.

Het bleeke bloeisel van de Herfstseringen Vergoedt den korten sneeuwbloei van den Mei, En kan de stem van 't stervend jaar niet zingen Zoo schoon als 't zang-doorklonken Lent-getij,

Heeft reeds de nachtegaal zijn lied verloren Zwijgt reeds de trots-gebekte merel stil, De zwaluw zwiert nog over 't stoppelkoren En vlakke vaart of 't nimmer wintren wil,

De spreeuwen fladderen, om de bronzen peren En tripplen door 't getakt, dat bessen draagt; En, wie bevreesd naar 't verre Zuid zal keeren Door 't naderend najaar al te vroeg verjaagd,

Zij blijven in den boomgaard zoetlijk kweelen --Genietend van de vreugd, die schaarscher wordt Totdat de laatste bladeren vergelen De laatste holle vrucht ter aarde stort--

De stem gelijk, die door de ziel blijft zweven Als na des menschen zomer, 't najaar koomt, En zingt de schoonheid van 't vergaande leven Dat niet-zijn wacht, maar van herleven droomt.

II.

Als ik de beesten in den bleeken dag Zie grazen met den kalmen kop gebogen, Den najaarshemel grauw en onbewogen, Het land in vrede of alles rusten mag,

Dan voel ik door mijn ziel een glimlach beven Als 't zilveren rimplen op een donkren stroom, Omdat ook mij de rust wordt weergegeven En alles eindigt in een schoonen droom.

En de even-weemoed van het jaarversterven Is als de toon van een oud instrument, Die, als het zelf reeds zwijgt, blijft éven zwerven En stijgt de lucht in, waarheen onbekend.

Maar weten doen wij dat na lange jaren Ze opnieuw weer trillen kunnen, als de hand De lang tot rust gekomen oude snaren Tot een nieuw lied van nieuw ontwaken spant.

Zoo voel ook ik, wanneer na leed en lusten Mijn ziel, als 't jaar, een lange zwijging dekt Toch dat nòch zij, nòch 't wereldrond kan rusten Maar dat, wat dood ging, morgen wordt gewekt,

En dat, mag de ijzel tak en stammen kronen, Het blonde goud van najaarsloof vergaan, Onder het doode blad de knoppen wonen, Wier bleeke kern ontspruit tot groene blaân,

En dat, mag door mijn ziel de weemoed drijven Omdat ook háár de lange rust genaakt, Haar onverwelkbaar-zoete hoop zal blijven, Dat zij, na rust, tot schooner Zijn ontwaakt.

Want rust en dood zijn schoon, maar schooner 't Leven Wanneer de Harmonie zijn krachten richt, Schooner de Zielen die 't onkenb're inzweven Dan wat zij achterlaten: 't bleek gezicht.

Geef mij dan, o, oneindige, ééns te wezen Als 't instrument dat droef, maar willig, zweeg, Die naar uw zeer geheimen wil, verrezen, Voor goed, wat hij thans tijdelijk had, verkreeg.

Om, waar ik zong van alle schoone dingen, De zon, de weer'ld in lente en winterweer: Al 't zichtbre, dàn 't Hoog-Goddlijk te bezingen Als 't instrument dat siddert U ter Eer.

III.

De wind waait langs de heide, Waar 't korte daglicht vliedt, En donkre wolken glijden Langs 't zilvergrauw verschiet.

Op verre molen draaien De wieken loom ál-door; Er zwermen bonte kraaien Om 't kronklend wagenspoor.

Nu zal het najaar rijzen Met droevig doodsbegin En spinnen, met zijn grijze Lijkwade 't landschap in.

* * * * *

IN ZWITSERLAND.

Alleen met mijn eigen verlangen, Alleen met mijn eigen lied, Alleen met een bloem aan den afgrond, Alleen met een ster die verschiet.

Lust heeft het hart dat, eenzaam, In den eenzame zich herkent, En schoonheid geeft aan zich-zelven, Den afgrond en 't firmament.

Geen dalen, waar menschen wonen, Geen massa, maar héél alleen, Waar de starren de sneeuwtoppen kronen En elk wandelt in de eigen schreên.

Waar de wateren verwonderlijk zingen Onder 't blinkende kleed van de sneeuw, En zij dalen er dagen na dagen En zij dalen er eeuwen in eeuw.

De hartstocht van een bergbeek Die uit koele kloven bruischt, En de rust van een eindeloos pijnbosch Dat langs de hellingen ruischt;

Het morgenzonlicht drinken Dat de zilveren spitsen verguldt, Naar het blanke sneeuwvlak stijgen Met de vreugde van het geduld,

En, boven de hooge toppen Den allerhoogste nabij Te zien, voor dat de avondschemer Daalt over de diepe vallei

De wereld in rust, volkomen, De wolken met 't rotsige land, Zich voelen één met die wereld Als der Schoonheid hoogste gezant,

Als een adelaar boven den sperwer, Als een statig sterrenbeeld, Dát is de weelde van 't leven Aan den dichter toebedeeld;

Dát is wat hem doet zingen Zijn eigen toomeloos lied, Als een bergbeek die schalt naar den afgrond, Als een ster, die stralend verschiet.

* * * * *

HOLLAND.

Zie 'k Holland weer met zijn bestraalde vaarten, Rivieren blankend tusschen 't spichtig groen, Waar, in den glorierijken zomernoen Goude' iris, tusschen riet en paardestaarten,

En 't breede bloemscherm 't daglicht zingen doen, Dan doet er in mijn ziel een zaal'ge klaarte --Zooals de zon stijgt trotsch uit wolkgevaarten-- Der Schoonheid blijde wederkeer vermoên.

Ik ben de zoon van Holland! O, niet de eerste, Want ik weet wel: met oogen die beminden, U eeuwen lang der menschen ziel bezag,

Maar toch gevoel ik me onder de allerteerste Van al Uw Liefde' en, sinds 'k U zóó mocht vinden, Denk ik: heil hem, die daarvan zingen mag.

* * * * *

EENS EN NU.

Wel ben ik blijde om 't Leven, maar de extase Der Jeugd was nu sinds lang niet meer voor mij, Gegaan ook 't nauw doorworsteld noodgetij, Waarmee der wereld stormen om ons razen!

En 'k zie het Leven als door koele glazen: Een blauwe stroom, een zonbeglansde wei, Waar 't bruine paard en blanke koeien grazen, En een wit zeil drijft, achter 't groen, voorbij.

Maar, dankbaar om het schoon, dat is gebleven, Zie ik der jaren staêge wisselingen, 't Najaar in goud, de Lente in bloesem staan,

Niet wetend, of ik leefde of eerst ging leven, En of de storm'ge dagen, die vergingen Wel schooner waren, dan dit nieuw bestaan.

* * * * *

ALLES IN ÉEN.

Geen najaar nog, maar in zijn vollen zomer Strekt zich voor mij het land des Levens uit; Na 't blanke bloemscherm voor den jongen droomer, Rijpt voor den man 't geboomt zijn vroegste fruit.

Veel donkre dalen liet ik stijgend achter, En 't morgenland, dat diep teruggeblauwt: Een wereldsch paradijs, waar zacht en zachter Kleuren vervloeien en het licht verflauwt.

Maar lust het mij somtijds terug te keeren, Dat land der Jeugd te zien met mannelijk oog, Dan brengt Herdenken 's harten teerst begeeren Zoo toovrig schoon als 't eéns dat hart bewoog,

En zet in brand, wat lang zijn vlam verloren, En maakt zelfs zoet, wat eind te bitter had, En wijst den ouden weg, door 't zonnig koren, Naar 't schaduwkoele van der wouden pad,

En doet mij, schoon of 't werkelijk waar herleven Het uur, dat nooit op aarde weerga vond, Een lach, die leeft, langs doode lippen zweven, En wekt het woord uit lang gestorven mond.

Heeft mij dan dus een eeuwig trouw Herdenken Opnieuw geschonken vreugd van vroeger tijd, Dan zie ik 't Leven voor mijn voeten drenken In glans van Uwe tegenwoordigheid;

Dan ligt, zoo ver als achter mij 't verleden, Het Leven vóór me' in vollen zonnegloed; Dan, 't licht verschiet, van 't Leven nieuw betreden De voller vreugd, die 'k eenmaal vond, vergoedt,

Daar zingend klinkt door mijn verjeugdigd wezen De klare vreugdklank Uwer stemme heen, En oogen zeggen, wat ze' in oogen lezen: "Niet meer alleen, nooit meer op aarde alleen."

* * * * *

OP REIS.

Met den zoelen zomermorgen Zijn wij beide' op reis gegaan; Hoorde ik ooit in 't loof verborgen Zaalger zang van vogels slaan Dan nú 't pijpen Tusschen 't rijpe Goud-gestoofde zomergraan?

Op de lommerrijke wegen Valt de schaduw blauw van gloed, En wij treden vroolijk tegen Nieuwe toekomst, vlug...van voet, Vinden 't leven Niet verheven Op dat uur, maar licht en zoet.

Als ons wangerozen bloeien Drinken wij het leven graag, Kussen van de lippen vloeien Wordt de voet intusschen traag, Waar wij vinden Achter linden Schuilplaats of...een dorenhaag.

Toch, de weg wordt wel betreden, Gaf ook ieder toeven vreugd, Ieder boschje een heimlijk Eden Met den merelslag der jeugd, Ieder paadje In een bosschaadje Doolhof, die het hart verheugt.

Buiten zingen, zingen binnen, Al te schoon en al te blij Is de dag, vóór wij 't bezinnen, Zang op wederzang voorbij... Zon verzonken 't Licht verblonken En...de nevel dekt de hei.

* * * * *

INHOUD.

I. Verzen uit het Boek van "Jeugd".

Ochtend Een levend beeld Ten aanvang Dien eenen Liedje In het licht van den gloriedag Aanbidding Hel en Hemel Van hoogen torentrans Voor altijd Voor u alleen Eén wezen Mid-zomer Zomermorgen Haar oogen. I. Haar oogen. II. Na Droomnacht Nachtlied I. Nachtlied II. Nachtlied III. Zomer. De nacht De morgen Op den heuveltop Het kind 't Tijdlooze en 't tijdlijke Woudeenzaamheid Het woud Terugblik I. Terugblik II. Terugblik III. Terugblik IV. Het kasteel Het slotplein Toen dacht ik Maannacht De leeuwerik Als ik rust Heel mijn leven Onontbeerlijk Zondagavond Rust Najaarsochtend Altijd elders Onvergankelijk Onherroepelijk Duistre nacht Neen!

Dat jaar Haar antwoord Afscheid. I Afscheid. II

II. Verzen uit het Boek "Natuur en Leven".

Blijde mijmering Een weerzien De Vecht Druilende dag Scherzo I Scherzo II

III. Verzen uit het Boek "Dood".

Zomernacht Kille regen Najaar I Najaar II Herdenken

IV. Verzen uit het Boek "Van Later Dagen".

