Part 2
WOUD-EENZAAMHEID.
Hier, tusschen hooge heuv'len ingezonken, Ligt, eeuwig koel, de donkre waterplas, Klaar-kaatsend, als het rimp'loos spiegelglas, De hoogste loov'ren van de zon doorblonken.
Hoe zacht wij naderde', onze stille pas Had storend in die eenzaamheid geklonken, De raven vloden op met luid gekras, Der spechten haam'ren stilde in de oude tronken.
Op verre hofstee stierf met zwak geluid Een haanklaroen in 't brandend middaggloren, De insecten gonsden rond der bramen blaân... De bleeke roze zond haar geuren uit... Weet gij nog, Lief, hoe lang we in droom verloren Aan dit klaar water hebben stilgestaan?
* * * * *
HET WOUD.
De denneboomen, die als pijlers rijzen, De beuken slank, met kroon van levend goud, Der eiken stammen, die de tijden grijzen, Staan, als een kerk, die nooit vervalt, gebouwd.
Wat ook ter wereld gaat, U zal men prijzen; Die de aarde een god, of 't Goddlijk hooger houdt, Ja! die geen God erkent, zal eer bewijzen Aan majesteit en godenkracht van 't woud.
En zoo als wij daar in die ruimte stonden, Beluistrend onze ziele en 't aardsch geluid, Zoo doet, als eens de wereld óns omsluit, Elk nieuw geslacht door 't statig woud de ronde En zingen zielen, die elkander vonden, Als de onze een danklied aan het Leven uit.
* * * * *
TERUGBLIK.
I.
"Het was me als werd mijn vroegste jeugd herboren, Toen ik hier speelde als knaap met stralend oog, Niet wetend hoe, wat tóén mijn hart bewoog, Zoo lang zou ruste' als in schijndood verloren.
Maar thans ging in mijn ziel jeugds welig koren Met duizend-voude vrucht volrijpt, omhoog En vindt de vreugd der jonkheid, die vervloog, De woorden, die bij vreugd der jeugd behooren.
Want zie: ik sliep en, in mij, zwak en zwakker, Vervloeide 't jeugdlicht, dat héél 't leven tint; Mijn hart was jong, zeer jong, maar vreugdeblind, Tot, zon en leeuwerik boven donkren akker, Uw licht mij straalde, Uw stem mij riep: "word wakker." "Uw ziel heeft lief een ziel, die weer bemint."
II.
"Een wolk van weemoed drijft door mijn gedachte, Dat er zoo lange jaren zijn vergaan, Voor dat ik wist het wezen te bestaan, Dat schooner bleek, dan 't ooit mijn hart verwachtte.
En vreemden ziet mijn oog benijdend aan, Die 't schoone aanschouwden, maar het licht niet achten, Het godsgeschenk, dat hun de goden brachten In donkre onwetendheid zijn langs gegaan.
Maar welk een jubel overstemt mijn leed, Waar ik deze armen, die het licht niet kenden Als blindgeboor'nen op de wereld weet, En gij dat zongelijke licht wilt zenden Uit zaligste oogen, tot der dagen ende Aan 't wezen, dat in uw nabijheid treedt."
III.
"En dikwijls doolde ik door dat dorp, die velden, Waar, voor 'k U vond, Uw vroegste kindsheid vlood, Ik dacht Uw beeld te zien in 't rozerood, Dat uit de nacht-geboren wolken welde.
En, als de middagzon door 't loover schoot Der wilgen, die naar 't koele water helden, Dan was het of die boomen mij vertelden Dat ge eens, als ik, de schaduw daar genoot.
Of, als de nacht zijn zilvren nevelen spreidde, Het veld, de stroom, in vollen vrede sliep, Dan was het of daar uit der wateren diep, Waarin de volle maan mijn schreên geleidde, Een weemoedvolle stem van vroeger tijden Uw naam aan 't nachtelijke landschap riep."
IV.
"Zoo was ook mij de dag, dat ik U vond, Geen *zien* maar *weerzien*, of ik lang Uw Wezen Gekend had en voor dien reeds menig stond Had in Uw wonder Levensboek gelezen!
Want daar was niets, dat gij mij zeggen kondt: *Uw* vreugd was *mijn* vreugd, en *uw* vrees *mijn* vreezen, En 't is me alsof reeds ziel aan ziel zich bond, Voor dat zij wist, dat gij er ooit zoudt wezen.
Dit is zóó zoet, dat ieder menschlijk woord Zou falen om dit zalige uit te drukken, Sinds ik U zag ken ik een zielsverrukken, Dat menschen niet, doch goddlijken behoort, En, mocht het Leven hart aan hart ontrukken, Weet, dat het mij dien oogenblik vermoordt.""
* * * * *
HET KASTEEL.
Voor onze blikken rees nu 't oud Kasteel Met hoogen toren tusschen iep en eiken, Waar duizend bloemen stonden stralend geel Op 't groene grasveld in de zon te prijken.
Die zware wanden zagen de eeuwen wijken, Trotseerend Tijd en Stormwind en Houweel, Geslachten sterven, val van koninkrijken Als viel slechts hun de onsterfelijkheid ten deel.
En, zooals vaak in 't Leven 't trotsche en teere Vereend zijn, speelde op 't geel-bebloeide groen Een kinderschare, in roze en witte kleeren, Luid-juichend om den gouden zomer-noen, Zóó blij, zóó blij, als zou nooit leed hun deren Geen Dood dit broze schoon verwelken doen.
* * * * *
HET SLOTPLEIN.
Wij gingen 't zonbegloeide slotplein binnen, Waar eenzaam bloeide blanke acacia, En sloegen, zwijgend, met verrukte zinnen, Dit bouwwerk van vervlogen eeuwen ga:
"O tijd," zoo dacht ik "hoe moet elk U minnen, "Die liet den Tijd zoo hecht een schoonheid na, "Dat zij nog thans, wat wankle of nieuw ontsta, "Ten hemel beuren blijft de trotsche tinnen.
"Wees gij dit broze mensch, dat voor U buigt "Voorbeeld van Hoogheid om in lager tijden "Te bouwen 't machtig levensmonument, "Waardoor, als gij, zijn ziel van kracht getuigt "En schoonheid, die hem voor het leven wijdde, "Wordt door het verre nageslacht gekend."
* * * * *
TOEN DACHT IK:
Moog gij, mijn levenswerk, zijn als die zalen, Waar men van anderen tot zich zelven keert, En de echo's op geen enk'len voetstap falen, Of 't leven telkens nieuw te leven leert.
Laat elk, met eigen leven, door U dwalen, Wil, waar zijn tijd, als mij, zijn ziel bezeert, Hem dit tot troost in zang na zang herhalen: Schoonheid verwint, die 't Schoone sterk begeert.
Langer dan wallen duurt het levend lied, Zoo hoog verheven drijven wolken niet, Al reizen ze over boom en torenspitsen;
Want melodie, die leed in vreugde klaagt, Stijgt, van de wereld, die den dichter draagt Naar 't hemelruim, waarin Gods zonnen flitsen.
* * * * *
MAANNACHT.
De maan is achter het huis Nu moet gij met mij komen! Over het bladgeruisch Zijn zilvernachtstroomen....
De tuin ligt blank beneden, Ziet gij het wel? O! alles was tot heden, Het hééle leven, maar spel....
Kom! en geef mij de hand En laat mij U leiden door lanen, Waar bloemen aan den kant Glinsteren nat van tranen.
Kom! en geef mij Uw hand En ik zal U leiden waar Ons land als een tooverland Licht in den maannacht klaar.
De wateren zullen zwijgend zijn, Diep met murmelend beven, Waar ik mijn mond uw mond zal geven Als een dronk van wijn.
Kom! en toef nu niet, Ik wil niet langer wachten, Ze zijn zoo vele niet, De schijnende maannachten....
De maan schijnt wonderhel, De maan maakt àlles wakker, De lucht is als een blauwe tent, Met duizend starren goudelend Boven den donkren akker....
Het heele leven was maar spel.... O kom! laat mij niet wachten, Mijn ziel, mijn leven is voor U Kom met mij mee,... ik geef het U.... Kom mee ... ik *kán* niet wachten.
* * * * *
DE LEEUWERIK.
Het klare water vloeit als rein kristal Door groene landen, 't Gebloemte zoomt de boorden overal Met gele randen, De leeuw'rik rijst de morgenvelden uit En zingt een lied, Dat ik wèl hooren, wèl gevoelen kan Maar zeggen niet.
Want klaarder dan het menschelijke woord Is 't vogelzingen; Daar is geen snarenspel, geen harpaccoord Dat kan doordringen De ziel met vreugde en louterend geluk Als déze toon, Die draagt 't verlangen van de wereld tot Der heem'len troon.
Hoor, hoor het zilv'ren trill'ren als een vreemd- Zalig verblijden, Waar, boven bosschen en beschenen beemd, Naar alle zijden De wijde ruimte oneindig openblauwt, De zonne schijnt,
En, onder 't juub'len van zijn heilig lied, Die 't zong, verdwijnt.
Om, als verzaad van zon en hemelgloed Zingend te dalen, Maar straks, als een die steeds verlangen moet De warme stralen Van 't zomersch licht te drinken van nabij, Wéér 't aardsche ontstijgt En niet kán rusten voor de lentedag Ter kimme nijgt.
* * * * *
ALS IK RUST.
Als ik rust op 't doodekussen, Als mijn oogen niet meer zien, Als mijn ooren niet meer hooren, Zal er éen, o éen misschien Brand van ziel en zinnen blusschen Loopend tusschen 't zonnig koren Met mijn verzen 't leed te' ontvliên.
Verzen, duizend verzen schreef ik Voor mijn ziel gestalte kreeg, Nú was 'k al te zeer van woorden Dán van leed en vreugde leeg; Maar thans in mijn verzen leef ik, Ziel en woord bijeenbehoorden Sinds uw schoon beeld tot mij neeg.
Loop ik hier: 't is 't blauw der luchten, Loop ik ginds: 't is 't groene woud; Waar ik ga, of klare stroomen Baden in het middaggoud, Hoor de donkre dennen zuchten Zwatelen de klaterboomen, Waar het blad nooit ruste houdt;
't Ruischt en suizelt in de klanken Van mijn lied, waar fonkelend Als de weerschijn van rivieren Verten vindend onbekend, Schitteren met prismaspranken Woorden, die de weelde vieren, Van de zon-doorblonken Lent'.
Laat mij zonder taal of teeken Schoonheid, nimmer van U zijn; Laat mijn lied ten einde klinken, Kan 't in vreugde, als 't moet in pijn; Laat de beker nimmer breken, Andren menschen lang doen drinken Teugen van mijn levenswijn.
* * * * *
HEEL MIJN LEVEN.
Mijn lief is blij, zij lacht en zingt En schittert in de zonneschijn; Als zij zóó héél mijn leven zingt Kan nooit mijn leven lijden zijn.
Ja! zang en lachen duren kort Als bloemen in den zomerdag; De zomer sterft; de bloem verdort: Zoo sterft der menschen zang en lach.
Maar nu der zonne gouden val Vloeit langs gelaat en blinkend kleed, En zij gaat zingend of zij zal Zóó eeuwig zingen zonder leed,
Nu voel ik--of 'k mij zelven wieg In droomen die maar kort bestaan 't Is beter zoo 'k mij zelf bedrieg Dan 't leven droomloos door te gaan--
Nu voel ik zaal'ge vreugde in mij Bij 't luistren naar heur lach en zang Want weet, wát blijve of ga voorbij: Dát hoor ik héél mijn leven lang.
* * * * *
ONONTBEERLIJK.
Mij kan geen donker leed genaken, Mij kan geen lichte vreugde ontvliên Zoolang gij over mij blijft waken En ik naar U, naar U mag zien.
Gij zijt als brood mijn leven noodig, Wat regens zijn voor 't dorstig land; En, wordt mij alles overbodig, O, nooit de handdruk van úw hand!
O! nooit de gloed der stralende oogen, Die in des Levens hooggetij Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen: "Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!"
* * * * *
ZONDAGAVOND.
Het was een Zondag, populieren suisden Als verre zeeën boven ons, De weien droegen 't wuivend dons Van duizend duizend witbepluisde Zilveren zaden; 't blauw verschiet Week duist'rend, achter 't hooge riet.
De dag verging, en verre in 't wolken-gloren Verzonk goud-rood de Westerzon Naar 't vlammen van den horizon, Waar, boven 't land, de aloude toren Droeg, hoog op 't gulden avonduur, Den weerschijn van dat verre vuur.
Toen... over de akkers, legde zich de vrede Van 't nachtlijk duister aâmloos heen, 't Naglanzen van den dag verdween, En langzaam gingen onze schreden Terug naar de bevolkte stad, En... 't werd mij onder 't huiswaarts treden, Of 'k, met het uur dat was vergleden Iets eindloos liefs verloren had.
* * * * *
RUST.
Aan Lena Hansen.
In het uur, dat de lucht nog niet duister is, --Even vóór den nacht-- Omhoog nog de laatste luister is Der verbleekte zonnepracht;
Waar de wijde rust, na den blijden dag Op aarde ligt uitgespreid, Alsof zij sinds eeuwige tijden lag En zoo liggen zal voor altijd;
In het uur, dat langzaam kleppende slaat Uit een stil dorp een klok, En een landman stalwaartstappende gaat Naast het span dat de ploegschaar trok,
Loop ik te dolen door 't vredige veld Waar de laatste schoven staan, En ik denk, hoe dit jaar is henengesneld En hoe ras een volgend zal gaan.
"Zag ik den trotschen zaaier niet In September over het land; Zag ik het goudgewaaier niet Van de zon, die de tarwe brandt?
Zal ik opnieuw den zaaier zien Zaaien met breed gebaar? Zal ik opnieuw den maaier zien...? Of... was dit het laatste jaar?"
* * * * *
NAJAARSOCHTEND.
Najaarsochtend. Wijd en wijder Wijkt de hemel zilverblauw; Om den morgen blijde glijdt er Door 't nog scheem'rig bosch-gebouw,
Waar de zon met lichte stijlen Straks de stammen schoren zal, Vogelkwinklen over 't ijle Loover schijnend als kristal.
Op de heide drijft een herder Langs het vochtig morgenspoor Vroeg-vergaarde kudde verder In des ochtends gouden gloor;
Tot hij voor den bleeken schijn der Westerkimme in 't bosch verdwijnt En opnieuw de ledige einder Eindloozer dan eindloos schijnt.
* * * * *
ALTIJD ELDERS
Zijn handen waren zacht als fluweel, Maar hij dorst het niet te vangen, Het Geluk, zoo teer als vlindergespeel, En zoo blééf het zijn *verlangen*.
En hij kreeg wel wat hij had verlangd, Maar hij kreeg het nooit op tijd, En als hij het had in zijn bevende hand, Dan was het zijn gloed-schoon kwijt.
Want 's morgens vond hij den middagstond Als iets, dat hij heerlijk wist, En 's middags zocht hij of hij vond Wat hij 's morgens had gemist.
En 's avonds zag hij het middaguur, Dat hem eerst zoo had vermoeid, Als een groote papaver van stralend vuur, Waar de levende zon in gloeit.
En zoo zag hij steeds wat hij hebben wou, En nooit zag hij wat hij had, En hij dacht eerst hoe hij het minnen zou Als hij het niet meer bezat.
En dan ging hij door der nachten schijn, Met de starren boven zijn hoofd, En zijn hart zong, dat het daar zou zijn, Maar hij heeft het niet geloofd.
* * * * *
ONVERGANKELIJK.
Meer dan de aardgeboren liefde Is 't, die me aan uw leven bindt, Liefde kent een gouden daagraad, Na den middag d'avond vindt, Alles, alles is verganklijk, Maar ik weet dit *Eéne* onwanklijk Licht dat zelfs geen doodsnacht blindt.
Laat de trage maanden glijden, Laat de vale jaren gaan, Laat de ziel in weemoed weenen Om het leed haar aangedaan, Gaat, als in den brand het koren, Heel de levensoogst verloren, Dit zal ongerept bestaan.
Zware gang van enkele uren, Storm en bliksem, hagelslag, Dooden de oogst der rijkste jaren Op één onheilvollen dag. Gisteren stond de boom te bloeien, Waar is nu, bij 't ochtendgloeien, Schooner blank dan 't oog ooit zag:
Eeuwen trotsten de oude muren, Waar is de eens onwrikbre wal? Duizend slagen van den moker Waren doelrijk voor den val! Laat de bloesembloei vervalen, Laat de moker zegepralen: Dit den tijd trotseeren zal.
Lief, lach niet zoo ongeloovig, Daar is meer dan Ruimte en Tijd, Daar is meer den mensch gegeven: De afglans van de Onsterfelijkheid! Wend u, doet de dood u vreezen, Naar de hoogten van mijn wezen Door dat licht voor goed gewijd.
Onverderflijk en onsterflijk Is de Schoonheid, zij alleen! Niet van Heden, niet van Morgen Is het licht dat door Haar scheen, Maar met triomfanten luister Baken in des Levens duister, Door der eeuwen eeuwigheên.
* * * * *
ONHERROEPELIJK.
"Laat niet uw jeugd in ijdel spel verglijden, Als gij u geeft, geef u voor allen tijd; De pasmunt beeldt men naar het beeld der tijden, De diamant groeit ééns voor de eeuwigheid.
Het klein genot stroomt toe van alle zijden, Het Groot Geluk geen leven tweemaal wijdt, Wee, die dan, om wat vreugd en klein verblijden, Den Droom van zijn verkwiste jeugd beschreit.
Want Ziel, als vrouw haar kind, brengt droomen groot En is dan verder voor bevruchting dood; Zij kan niet langer, dan zij zelf heeft, baren.
Maar mag een moeder nog kindskinderen zien Jeugddroomen sterven kinderloos en vliên Bij 't wijken van des levens schoonste jaren."
* * * * *
DUISTRE NACHT.
Het is me alsof ik sterven moet, Wanneer ik denk U te verlaten, En, eenzaam, zonder levensmoed, Herzie de eens saambetreden straten, Waarin het maanlicht stil en goud, Valt tusschen gevels eeuwen oud.
Het is een nacht van lichte pracht, Maar duistrer nacht is nooit verschenen; En als ik denk, dat gij nu zacht In droomen lacht, dan moet ik weenen Omdat ik U niet meer kan zien En nooit misschien zal wederzien.
* * * * *
NEEN!
"Wanneer gij, doof voor jammerklacht en gillen, Voor bittre tranen, biddend liefdewoord, Den zond'gen dorst der zinnenlust blijft stillen En andrer vrede als eens mijn vrede stoort,
Om Uw jong, heerlijk leven te verspillen, Dat mij en hooger roeping toebehoort, Zie ik U liever in den dood verkillen, Dan dús door 't Leven, naar-de-ziel vermoord ...
Neen!... kom zoo arm, zoo naakt en zoo melaatsch Als gij wilt wezen uit de wereld weer, Ik heb U lief, ik kan U niet verstooten;
Voor U blijft altijd in mijn leven plaats, Voor U wordt altijd weer mijn hart ontsloten, Dat U beminde en, na U, niemand meer."
* * * * *
DAT JAAR.
Dat jaar, dat onvergeetlijke Kan nimmer keeren, Dat gaf de ziel haar zoo onmeetlijke Vreugd na begeeren... Kus mij nog eens, geef 't onuitspreeklijke In één Vaarwel... Dan breke, wat scheen 't onverbreeklijke, ... En 't breke snel.
* * * * *
HAAR ANTWOORD.
Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid Met mij zult staan in wit-satijnen kleeren? "Wanneer de stroomen naar hun bronnen keeren, "De raaf het lied der nachtegalen fluit."
Hadt gij mij dan niet lief in vroeger tijd, Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen? "Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen "Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid."
Kan dan het eens verbleekte morgenuur, Daar alles toch herleeft in de natuur, Niet met een nieuwen dag de kimmen kleuren? "Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren, "Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren "En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."
* * * * *
AFSCHEID.
I.
"Daar ik voor U mijn hart heb voelen beven, Zoo, als het voor geen sterv'ling heeft gebeefd, Daar ik mij aan U over heb gegeven, Zoo, als geen vrouw ten tweede maal zich geeft;
Willoos Uw wil, door 't al te on-bandig leven Mijn schoonst geluk voorgoed vernietigd heeft, Heb ik, met brekend hart, dit woord geschreven: ""Dat het U welga, lief, zoo lang gij leeft.""
Wel wordt, na de al te noodlooze overgave Van mijn jong hart de Liefde vroeg begraven, Die me als een droom voor heel mijn leven scheen;
Maar beter ligt een lieve droom gestorven, Dan dat hij, door het noodlot droef verdorven, Leeft, maar verloor de blankheid van 't verleên."
II.
"Ik heb aan U gerechtigheid gedaan, "Gij liet mij geen gerechtigheid weervaren, "Ik gaf aan U mijn schoonste levensjaren, "En wat deed gij mij aan?
"Mijn liefde heeft uw peluw glad gestreken, "Mijn lippen 't gloeiend voorhoofd koel gekust, "Waarom, waarom moest gij mijn leven breken, "Was dan mijn leed úw lust?
"Mijn welkom was een witgeplooide bloeme "Die nog de sporen droeg van haar ontvouwenis, "Mijn afscheidswoord zal U niet nú verdoemen, "Maar ééns zult gij mijn naam nog noemen "In de ure der benauwenis.
"Gedenk mij dan, zooals ge in de eerste stonde "Mij hebt gekend: mijn deernis blijft U bij; "De tijd gaat snel: straks heelen de oude wonden, "Wanneer de lange nacht ons beiden heeft gevonden, "Die rust geeft U... en mij.
* * * * *
II. Verzen uit het Boek "Natuur en Leven".
* * * * *
BLIJDE MIJMERING.
De lucht wordt ijler, de eindeloosheid schijnt Door 't eindig huis, waarin wij, aardschen, wonen Uit een ver dorp rijzen de stille tonen Van de avondklok, hoog in de lucht verreind.
Zie: voor mijn blijde blikken baadt nu heind' En ver de wereld in den glans van 't schoone, Hier: boomen met de zilv'ren bloesemkronen, Aan d'einder: 't scheem'rend bosch, waar 't licht verdwijnt.
En achter 't groen der wijde tarwelanden Staan blanke hoeven in de donkre hoven Omtogen door een zachte schemering;
Maar schooner dan al 't schoone op aarde, branden Hóóg de eerste starren; maar nòg schooner boven Al 't zichtb're stijgt mijn blijde mijmering.
* * * * *
EEN WEERZIEN.
In memoriam Antoinette van P.
Ik zag haar lange jaren niet En toen ik haar nu weder zag Zong in den gouden voorjaarsdag Mijn Blijdschap een nieuw lied.
Het Leven had genomen Den wreeden lach van haar gelaat, O, was ze eens zóó gekomen! Maar nú was het te laat.
Toen ik haar zag werd Blijdschap stil, Mijn ziel week van meewarigheid, Ik had wel tot haar willen gaan En vragen: "Heeft uw oog geschreid?" Maar wie doet wat hij wil?
Nú zagen wij elkander aan Eén oogenblik als wilde elk weten Of alles was voor goed gedaan, En, of het hart ook kon vergeten Wat leek voor 't leven te bestaan.
* * * * *
DE VECHT.
Er ligt een landhuis aan den stroom verlaten; Verbleekt, met donkre luiken, staart het blind, En laat den stroom, die eenzaam voortglijdt, praten En luistert niet naar 't fluist'ren van den wind. Maar vroeger, toen Hoogmogenden der Staten Daar in den zomer poosden van 't bewind, En staat en krijg voor huis en vreê vergaten, En kind'ren stoeiden over 't melkwit grint, Toen leefde 't Huis en de bevolkte stroom Wiegde de schepen, die blank-zeilig gleden, Vredig van gang naar 't schatrijk Amsterdam, Nu droomt het landhuis daar zijn eeuw'gen droom Van eindloos heimwee naar die lang geleden Glorievolle eeuw, die nimmer wederkwam.
* * * * *
DRUILENDE DAG.
Aan Dr. P. H. van Moerkerken.
Binnenvaartscheepjes met zwart-glanz'ge rompen Liggen te domm'len langs de kade-lijn In regenschemering, als donk're klompen, Die kinderlijk getuigd met lompen zijn.